CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Bp Wooncomplex Hollevoeterlaan (Beth San) - regels en toelichting A23.000465

Gemeenteraad 23 mei 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Vaststellen gewijzigd bestemmingsplan Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle (Beth San)18.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze inrichting heeft een PR 10-6 contour van 15 meter en er is geen sprake van een invloedsgebied. Derhalve vormen risicovolle inrichtingen geen belemmering voor de realisatie van woningen binnen het plangebied.

Hoofdstuk 4

27

Buisleiding Op circa 260 meter ten noorden van plangebied ligt een gasleiding van de Gasunie. Het invloedsgebied van deze buisleiding heeft een bereik van 60 meter en reikt daarmee niet tot het plangebied. Deze buisleiding heeft geen PR 10-6 contour. Bovendien staan tussen het plangebied en de gasleidingen woon- en bedrijfsbebouwing. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Op een afstand van ca. 585 meter ten westen van het plangebied ligt de hogedrukaardgasleiding A803. In onderstaande tabel zijn de eigenschappen van de hogedrukaardgasleiding opgenomen:

Er bestaat in het kader van deze gasleiding een kleine kans op een fakkelbrand bij een leidingbreuk. Vanwege (graaf)werkzaamheden kan een breuk ontstaan in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. De warmtestraling is in combinatie met de blootstellingsduur bepalend voor het slachtoffer- en schadebeeld. Het plangebied ligt in een zone waar gemiddelde schade kan ontstaan, waarbij kunststof zal vervormen. Voor personen binnen is het handelingsperspectief binnenblijven. Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten (uit het zicht van de brand, onder dekking van objecten zoals muren). Voldoende vluchtmogelijkheden, van de bron af, is hierbij een vereiste. Het plan voorziet bovendien in vluchtwegen aan de noord, west , zuid en oostzijde, dus er kan altijd van de hoge druk gasleiding af gevlucht worden. Transport over de weg In en nabij het plangebied zijn geen routes voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. De risico's in verband met het transport van gevaarlijke stoffen is daarom niet relevant. Transport over het spoor In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen, waarover risicovol transport plaats vindt.

De dichtstbijzijnde spoorweg is gelegen op 1,7 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied voor toxische gassen en vloeistoffen die over dit spoor worden vervoerd. Daarom is een verantwoording van het niet groepsrisico noodzakelijk. Vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen. Transport over het water In of nabij het plangebied zijn geen vaarwegen gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Overige risico’s Mogelijk worden er op de daken zonnepanelen geplaatst. Met het plaatsen van zonnepanelen wordt echter extra kans op brand geïntroduceerd. Het treffen van (extra) veiligheidsmaatregelen kan escalatie van de brand verkleinen. De aandachtspunten zoals genoemd in de Handreiking advies veilige PV systemen van Brandweer Nederland zullen meegenomen worden in de uitwerking van het plan.

Hoofdstuk 4

28

Op 16 september 2021heeft de Veiligheidsregio Holland Midden een advies gegeven waarin inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van een ramp en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Dit advies is als bijlage bij dit bestemmingsplan toegevoegd. In het kader van de omgevingsvergunning zal het advies van de Veiligheidsregio Holland Midden gevolgd worden.

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl)

4.5.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.6 Ecologie 4.6.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 4

29

Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Daarnaast wordt binnen de provincie Utrecht ook de Groene contour beleidsmatig beschermd.

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

4.6.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘De Wilck’, ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ en ‘Nieuwkoopse Plassen & de Haeck’ bevinden zich respectievelijk op 7,4 kilometer ten noordwesten-, 11,8 kilometer ten oosten-, en 13,6 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 70 appartementen

Hoofdstuk 4

30

betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Er is daarom een Aeriusberekening uitgevoerd (zie bijlagen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000- gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Soortenbescherming Het plangebied ligt momenteel braak. Op het perceel bevinden zich uitsluitend enkele ruigtekruiden, maar voornamelijk gras. Er zijn daarom redelijkerwijs geen beschermde soorten te verwachten. Daarnaast is geen sprake van een significante invloed op omliggende beschermde natuurgebieden. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er algemene broedvogels kunnen voorkomen binnen het plangebied. De werkzaamheden worden daarom bij voorkeur buiten het vogelbroedseizoen (tussen half maart – half juli) uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is, dan wordt een inspectie van de locatie op broedende vogels uitgevoerd. De werkzaamheden kunnen dan worden uitgevoerd indien is vastgesteld dat er geen vogels broeden. Daarnaast kunnen tijdens de werkzaamheden rugstreeppadden de locatie gaan koloniseren.

Door in de periode april-september te voorkomen dat ondiepe plassen ontstaan (waarin deze soort eieren kan afzetten) kan dit worden voorkomen. Tot slot zal binnen onderhavig plan de zorgplicht wordt in acht genomen, door de op het terrein voorkomende algemene soorten de gelegenheid te geven om weg te vluchten, of deze te verplaatsen naar naastgelegen geschikt gebied waar geen werkzaamheden worden uitgevoerd. 4.6.3 Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.7 Bodem 4.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

31

4.7.2 Onderzoek Om vast te stellen of er sprake is van een mogelijk verontreiniging van de bodem met stoffen die een belemmering kunnen vormen met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen is er in januari 2021 een vooronderzoek bodem uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen, onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse van de planlocaties sprake is van een bodemverontreiniging. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht). Ter plaatse heeft in 2005 een bodemonderzoek plaatsgevonden. Omstreeks 2012 is het pand gesloopt en het terrein ingezaaid met gras. Er wordt niet verwacht dat de bodemkwaliteit hierdoor negatief beïnvloed is. De eerder vastgestelde goede bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik (wonen). Voorgaand bodemonderzoek dateert echter van 2005. Gezien de ouderdom is het afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling geadviseerd om voorafgaand een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Geadviseerd wordt om vrijkomende grond te keuren conform het Besluit Bodemkwaliteit 4.7.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging. Wel zal er ten behoeve van de omgevingsvergunning bouwen een verkennend bodemonderzoek uit te voeren.

4.8 Water 4.8.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Europees, nationaal en provinciaal beleid Op Europees en nationaal niveau zijn diverse beleidskaders omtrent water van kracht, namelijk de Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Waterplan, de Waterwet, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het advies Waterbeheer 21e eeuw. Op provinciaal niveau is dat het Provinciaal Waterplan. Beleid van de waterbeheerder De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Het Waterbeheerplan 2016-2021, dat op 19 juni 2016 is vastgesteld,

Hoofdstuk 4

32

vervangt het Waterbeheerplan 2010-2015. In het Waterbeheerplan geeft het HHSK haar visie en ambities op het waterbeheer voor de lange termijn; het geeft richting aan het handelen van het HHSK en biedt burgers, bedrijven, partners en andere betrokkenen zicht op wat zij van het HHSK kunnen verwachten. Daarnaast biedt het ruimte voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid. Het Waterbeheerplan 2016-2021 bevat nieuwe accenten, die de rode draad vormen voor de werkzaamheden in de komende planperiode: het HHSK staat daarbij voor doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Het HHSK voert haar taken uit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Daarbij wordt zorg gedragen voor de leefbaarheid van het gebied en het vergroten van de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem. Het HHSK gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van inwoners, bedrijven en partners. Daarnaast worden particuliere initiatieven gestimuleerd. 4.8.2 Onderzoek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is er een waterparagraaf opgesteld, welke is opgenomen in de bijlagen van dit plan. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe omgegaan wordt met de toekomstige (afval)waterstromen om toekomstige wateroverlast te vermijden.

Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen, onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit rapport. Het huidige perceel gebruik is grotendeels braakliggend en heeft een gemiddelde hoogte van -4,1 m +NAP. De Hollevoeterlaan ligt op circa -4,4 m +NAP en het Kerkplein op circa -4,2 m +NAP. Grondwater Naar verwachting bestaat de bodem hoofdzakelijk uit klei en heeft deze dus een slechte doorlatendheid. Ter plaatse van het plangebied worden hoge grondwaterstanden verwacht. Ter plaatse wordt een ophoging of drainageleiding geadviseerd om piekwaterstanden af te vangen. Insteek is om de bestaande grondwaterstanden te handhaven. Door de voorgenomen aanleg van een dichte parkeerkelder onder het pand is er ter plaatse geen grondwateroverlast te verwachten. In de parkeerkelder wordt een opvangput aangelegd waarvan de beperkte hoeveelheid instromend water vanaf de oprit en natte wagens opgevangen en afgepompt wordt naar het afvalwaterstelsel. Er mag vanuit gegaan worden dat de parkeerkelder waterdicht uitgevoerd wordt en er geen grondwater wordt afgevoerd. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig waardoor hierop geen directe effecten te verwachten zijn. Afvalwater Bij de ontwikkeling zal er een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd zodat het afvalwater gescheiden kan worden aangeboden op het gemeentelijk stelsel.

Het voormalige pand was oostelijk reeds aangesloten op het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel. Door de ontwikkeling van 70 appartementen is een totale afvalwaterstroom van ca. 17 m3/dag of ca. 2,1 m3/uur te verwachten. Voor de wijziging aan de bestaande rioolaansluiting dient te zijner tijd een aanvraag bij de gemeente ingediend te worden.

Hoofdstuk 4

33

Hemelwater Door de ontwikkeling en reeds lange tijd grotendeels onverharde situatie dient het bijkomend verhard oppervlak van ca. 2025 m2 gecompenseerd te worden. Voor de projectontwikkeling dient derhalve ca. 101 m2 bijkomend open water gerealiseerd te worden. Een mogelijkheid is de aanleg van nieuw bijkomend open water aan de noordzijde van het pand of door verbreding van de noordelijk aanwezige watergang. Hierover dienen dan met de gemeente nadere afspraken gemaakt te worden. Als open water niet toepasbaar blijkt kan ook elders in het peilgebied open water bijgegraven worden. Andere mogelijkheden zijn de aanleg van alternatieve bergende voorzieningen zoals de aanleg van een waterkelder of groendak met een waterbergende schijf zodat deze een vertragende functie heeft. De vertraagde leegloop kan dan naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel of rechtstreeks naar het oppervlaktewater plaatsvinden. Voor de bestemmingsplanfase zijn de aandachtspunten en benodigde watercompensatie in kaart gebracht. Bij de verdere planuitwerking wordt een definitieve verwerkingswijze uitgewerkt in de plannen zodat voorafgaand aan de nieuwe verharding tevens de hiervoor benodigde waterberging aangelegd wordt zodat geen wateroverlast door de ontwikkeling ontstaat. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels van onderhavig bestemmingsplan opgenomen.

4.8.3 Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanwijziging. Wel zal voor nader uitgewerkt moeten worden op welke wijze de watercompensatie wordt ingepast.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. Naast het bovenstaande maakt het plangebied deel uit van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Archeologie’. Zodoende worden bij onderhavig plan de plankaart en toelichting van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Archeologie’ geraadpleegd. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient namelijk te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.9.2 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan ‘Parapluherziening Archeologie’ geen dubbelbestemming archeologie opgenomen. Op gronden waarvoor geen dubbelbestemming archeologie is opgenomen zijn ontwikkelingen niet onderzoeksplichtig. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

34

Naast bovenstaande archeologische waarden moet tevens gekeken worden naar mogelijke aanwezige cultuurhistorische waarden. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een woningen op een braakliggend perceel in de kern Moerkapelle. Gelet op het karakter van het plangebied en de omgeving kan worden gesteld dat dit plan geen invloed heeft op cultuurhistorisch waardevolle elementen. 4.9.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Toetsingskader Naast de reeds beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming, zoals straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. 4.10.2 Onderzoek Binnen (of in de directe omgeving van) van het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningen. 4.10.3 Conclusie Het aspect ‘kabels en leidingen’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.11 Bezonning n het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, in het besluit gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. De wet gebruikt hiervoor de term goede ruimtelijke ordening, waarbij voor plannen binnen een stedelijke omgeving een beperkte verslechtering acceptabel wordt geacht. Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningsstudie uit te voeren, waarmee wordt inzicht verkregen of sprake is van schaduwhinder en zo ja, in welke mate. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat geen directe wettelijke basis. Voor de inhoud wordt landelijk veelal gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘TNO-norm’, een richtlijn of er sprake is van voldoende en goede bezonning. De TNO-norm bevat een aantal uitgangspunten voor de mate van bezonning en tijdstippen die algemeen gehanteerd worden. Er is een lichte en een strenge TNO-norm geformuleerd. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De norm wordt alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Om die reden

Hoofdstuk 4

35

blijven noordgevels buiten beschouwing, omdat deze gevels nooit direct zonlicht. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer. Zo houdt de lichte TNO-norm in dat er sprake is van voldoende bezonning bij ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag, in de periode van 19 februari tot 21 oktober en gemeten in de woonkamer op de begane grond, aan de binnenkant van het raam in het midden van de vensterbank. De normen zijn ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes, maar hiervoor geeft de TNO-norm geen ijkpunten. 4.11.2 Onderzoek Er is voor het onderhavige initiatief een bezonningsstudie uitgevoerd, zie bijlage 9. De bezonningsstudie is gebaseerd op het stedenbouwkundig plan, waarin rekening is gehouden met de inpassing van de nieuwe bebouwing ten opzichte van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De nieuwe situatie is in de bezonningsstudie afgezet tegen de huidige (planologische) situatie. Op de gegenereerde beelden is met kleur inzichtelijk gemaakt of sprake is van een verbetering (groen) of een verslechtering (rood) van de bezonningssituatie. Situatie Pinksterbloemstraat De huidige situatie op de planlocatie veroorzaakt in december beperkte schaduwhinder op de gevels van de panden aan de Pinksterbloemstraat.

Het plan leidt om december om 13:00 uur ter plaatse van de Pinksterbloemstraat 1 t/m 4 tot een verbetering van de bezonningssituatie ten opzichte van de huidige planologische situatie. Ter plaatse van de Pinksterbloemstraat 5 treedt op dit tijdstip ter plaatse van het bijgebouw een beperkte verslechtering van de bezonningssituatie op. Op de overige tijdstippen in de maanden maart en juni is er geen sprake van schaduwhinder op de zuidelijke gevels aan de Pinksterbloemstraat. Daarmee treedt er geen dusdanige verslechtering op waarmee niet wordt voldaan aan 2 uur bezonning per dag op de beschouwde gevels. Daarmee wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Situatie Schapenweide De huidige situatie op de planlocatie veroorzaakt in maart geen schaduwhinder op de gevels van de woning aan de Schapenweide 7. Het plan leidt in maart om 17:00 uur ter plaatse van deze woning tot een beperkte verslechtering van de bezonningssituatie ten opzichte van de huidige planologische situatie. Op de overige tijdstippen in de maanden december, maart en juni is er geen sprake van schaduwhinder op de westelijke gevel van deze woning. Daarmee treedt er geen dusdanige verslechtering op waarmee niet wordt voldaan aan 2 uur bezonning per dag op de beschouwde gevels. Daarmee wordt voldaan aan de lichte TNO-norm.

4.11.3 Conclusie Aangezien in de nieuwe situatie overal voldaan wordt aan de lichte TNO-norm, kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect bezonning.

Hoofdstuk 4

36

4.12 M.e.r.-beoordeling 4.12.1 Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) nodig. 4.12.2 Onderzoek Met dit planvoornemen wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De activiteit is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r.

De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden. Derhalve is uitsluitend een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde.

D.11.2

Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1: een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan

Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Hiertoe is een aanmeldingsnotitie opgesteld. De aanmeldingsnotitie 3 met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. De gemeente dient, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan, een separaat besluit te nemen omtrent het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure. 4.12.3 Conclusie Gezien de bevindingen als beschreven in de aanmeldingsnotitie, en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; 3

BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan Hollevoeterlaan, Moerkapelle, juni 2022

Hoofdstuk 4

37

sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg hebben die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. In de aanmeldingsnotitie wordt daarom aanbevolen om een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan “Hollevoeterlaan, Moerkapelle” geen milieueffectrapportage wordt vereist.

4.13 Niet gesprongen explosieven Het gebied heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in de gevechtslinie gelegen. Uit die periode zijn mogelijk Conventionele Explosieven (CE) achtergebleven, die van tijd tot tijd in de bodem kunnen worden aangetroffen. De projectlocatie ligt in onverdacht gebied. Nader onderzoek naar niet gesprongen explosieven is niet noodzakelijk. 4.13.1 Conclusie Het aspect ‘niet gesprongen explosieven’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 4

38

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Plansystematiek De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Daarom stelt onder andere de Wro eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP2012 kent hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

5.2 Opbouw regels De regels zijn onderverdeeld in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De Inleidende regels bevatten de begrippen en de wijze van meten. In de Bestemmingsregels zijn de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. Onder Algemene regels zijn regels geformuleerd die niet beperkt zijn tot een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele plangebied, zoals de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. Tot slot zijn in de Overgangsen slotregels de overgangsbepalingen en de slotregel opgenomen.

5.3 Toelichting bij de regels Begrippen In de SVBP2012 is een aantal begrippen voorgeschreven. Voor zover relevant zijn deze begrippen overgenomen uit de SVBP2012. De lijst is verder aangevuld met een aantal voor dit plan relevante begrippen, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij het bestemmingsplan "Moerkapelle Dorp". Wijze van meten De wijze van meten is overgenomen uit het bestemmingsplan "Moerkapelle Dorp" en sluit voor de omschrijvingswijze aan op de SVBP2012. Bestemming ‘Groen’ Deze bestemming is opgenomen voor het grootste gedeelte van de gronden rondom de nieuwbouw. Dit is in lijn met het huidige bestemmingsplan. Op deze gronden zijn groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, verlichting en voet- en fietspaden toegestaan. Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m. De bouwhoogte van verlichting bedraagt ten hoogste 6 m. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen

Hoofdstuk 5

39

zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m. Middels een specifieke aanduiding is aangegeven onder welke gronden een ondergrondse parkeergarage is toegestaan. Bestemming ‘Verkeer - Verblijf’ Aan de noord-, oost en zuidwestkanten van het plangebied zijn zones bestemd als ‘Verkeer - Verblijf’. Deze bestemming is het mest passend bij de beoogde en deels bestaande functie van deze gronden. Ze zijn bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Bestemming ‘Wonen’ Ter plaatse van de beoogde nieuwbouw en de bijbehorende tuinen/percelen is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Tevens is een bouwvlak opgenomen. De gronden zijn bestemd voor het wonen in gestapelde woningen, met daarbij behorende voorzieningen, zoals tuinen en erven, groen en water. Bij het wonen is een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf toegestaan onder nadere voorwaarden. Gebouwen moeten binnen het opgenomen bouwvlak worden gebouwd, waarbij de maximale goot- en bouwhoogte op de verbeelding zijn aangegeven. Deze zijn afgestemd op het bouwplan, met een geringe marge ten behoeve van de verdere uitwerking of wijzigingen op detailniveau. Er zijn maximaal 70 woningen toegestaan.

Voor overkappingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn specifieke bouwregels opgenomen. Het nieuwe woongebouw wordt verbonden met de naastgelegen maatschappelijke voorziening. Hiervoor zijn twee opties mogelijk: een bovengrondse verbinding vanaf de noordwestelijke hoek van de nieuwbouw, of een ondergrondse verbinding vanaf de zuidwestelijke hoek van de nieuwbouw. Beide opties zijn binnen de bestemming mogelijk gemaakt. Deze gronden zijn voorzien van een specifieke bouwaanduiding met bijbehorende regeling. Algemene regels In de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsen wijzigingsregels en de regels voor de uitsluiting van de aanvullende werking van de bouwverordening opgenomen. Deze zijn overgenomen uit het bestemmingsplan "Moerkapelle Dorp" voor zover zij relevant bleken voor dit plan. Voor het ondergronds bouwen is een specifieke regeling opgenomen. Daarnaast is de parkeerregeling overgenomen uit de "Parapluherziening Parkeren". Overgangs- en slotregels Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is verplicht voorgeschreven in artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Met het overgangsrecht wordt beoogd dat bouwwerken en gebruik, die wel in overeenstemming zijn met het oude bestemmingsplan, maar niet met het nieuwe, kunnen voortduren.

Volledige herbouw van een dergelijk bouwwerk is niet toegestaan, tenzij het teniet gaat als gevolg van een calamiteit. Voor het strijdige gebruik geldt dat als dit langer dan een jaar is onderbroken, niet meer hervat mag worden. In de slotregel is de aanhalingstitel van de regels vastgelegd.

Hoofdstuk 5

40

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het wijzigingsplan moet worden vastgesteld. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.

Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. De gemeente gaat de locaties niet zelf ontwikkelen of bouw- en woonrijp maken. Voor de locatie wordt de ontwikkeling dus volledig bij de ontwikkelende partij neergelegd. De gemeente sluit met de ontwikkelende partij een anterieure overeenkomst af.

Hoofdstuk 6

41

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan is aan de wettelijk verplichte overheden en belanghebbenden voorgelegd in het kader van het vooroverleg. Het vooroverleg is opgenomen in artikel 3.1.1. van de Wet ruimtelijke ordening.

Het vooroverleg met de overleginstanties liep met de volgende instanties:  Veiligheidsregio Hollands Midden  Hoogheemraadschap  GGD  Provincie  Tennet  Dunea  Liander  Rijkswaterstaat Reacties zijn ontvangen van Veilgheidsregio Hollands Midden, GGD Hollands Midden en het Hoogheemraadschap. De opmerkingen zien hieronder samengevat en van een reactie voorzien. 1. Veiligheidsregio Hollands Midden (brief 16 september 2021) De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft voor het plan een veiligheidsadvies opgesteld (d.d. 16 september 2021). Dit rapport is bijgevoegd in de bijlagen van het bestemmingsplan. De risico’s die gepaard gaan met de hogedrukaardgasleiding A-803 zijn in de paragraaf ‘externe veiligheid’ uiteengezet. 2. GGD Hollands Midden (brief d.d. 25 september 2021) De GGD Hollands Midden heeft voor het plan een gezondheidskundig advies opgesteld (d.d. 25 september 2021).In het advies wordt geadviseerd over luchtkwaliteit, geluid, binnenklimaat, elektromagnetische velden, groen en blauw, hittestress en bodemkwaliteit. In de verdere planontwikkeling zal dit gezondheidskundig advies meegenomen worden. Echter geeft het gezondheidskundig advies van de GGD Hollands Midden geen aanleiding tot aanpassingen.

Hoofdstuk 6

42

3. Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (brief d.d. 12 oktober september 2021) Het Hoogheemraadschap geeft aan het niet eens te zijn met de opvatting dat er geen watercompensatie voor de toename van verhard oppervlak hoeft worden gegraven. Deze reactie heeft aanleiding gegeven de waterparagraaf aan te passen. In de verdere planvorming zal de benodigde waterbergingsopgave opgelost worden. De wijze waarop zal nader uitgewerkt worden. 6.2.3 Zienswijzen In het kader van de vaststellingsprocedure heeft het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Beth San’ met ingang van donderdag 19 januari 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen in het Klantcontactcentrum van de gemeente Zuidplas, via www.ruimtelijkeplannen.nl en via de website van de gemeente Zuidplas. Gedurende deze inzageperiode kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen indienen. Gedurende deze inzageperiode is er één zienswijze ingediend. In de Nota van beantwoording zienswijzen (zie bijlage 10) is de ingediende zienswijze samengevat. Tevens is de reactie van gemeentewege hierop opgenomen, alsmede of het leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6

43

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stikstofberekening Bijlage 2: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Vooronderzoek bodem Bijlage 6: M.e.r.-aanmeldnotitie Bijlage 7: Notitie motivering afwijking parkeernormen Bijlage 8: Adviesrapport Veiligheidsregio Hollands Midden Bijlage 9: Bezonningsstudie Bijlage 10: Nota beantwoording zienswijzen

Hoofdstuk 6

46

REGELS

Hoofdstuk 6

45

Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 9

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

10

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Groen Verkeer - Verblijf Wonen

10 11 12

Hoofdstuk 3

Algemene regels

14

Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

14 15 17 18

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

19

Artikel 10 Artikel 11

Overgangsrecht Slotregel

19 20

2

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

Regels

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt begrepen onder: 1.1

plan

het bestemmingsplan Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle met identificatienummer NL.IMRO.1892.BpBethSanMkp-VA01 van de gemeente Zuidplas; 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

aan-huis-gebonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.6

bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7

bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. 1.8

bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet. 1.9

bestaande situatie

a. ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; b. ten aanzien van gebruik: 4

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. 1.10

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.11

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.12

bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.13

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.14

bouwgrens

de grens van een bouwvlak. 1.15

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is. 1.16

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.17

bouwperceelsgrens

een grens van een bouwperceel. 1.18

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.19

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

5

1.20

dakkapel

een constructie ter vergroting van een hoofdgebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.21

dakopbouw

een constructie ter vergroting van een hoofdgebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst. 1.22

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.23

dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen. 1.24

erfafscheidingen

schuttingen, muren, terrasschermen en andere gebouwde verticale afscheidingen welke al dan niet op de erfgrens zijn geplaatst. 1.25

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.26

gestapelde woning

een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen, waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau, gewaarborgd is. 1.27

hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen en functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.28

huishouden

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid en die binnen een oning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.

6

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

1.29

kelder

een overdekte, met wanden omsloten voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0,5 m boven de kruin van de weg, waaraan het bouwperceel gelegen is, uitsluitend gesitueerd onder de hoofdbebouwing. 1.30

kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), en voor zover de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt en voor zover deze activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.31

nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.32

onderkomen

een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover niet als een bouwwerk aan te merken, alsook een tent. 1.33

onzelfstandige woonruimte

woonruimte, welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken en sanitaire voorzieningen. 1.34

overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met een open constructie met maximaal één gesloten wand al dan niet aangebouwd aan een gebouw of een ander bouwwerk. 1.35

perceelsgrens

grens van een bouwperceel. 1.36

peil

a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. 1.37

seksinrichting

het bedrijfsmatig – of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt – gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of in een vaartuig, verrichten van seksuele handelingen.

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

7

1.38

voorgevel

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.39

weg

een voor het openbaar verkeer openstaande weg en/of pad, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. 1.40

wonen

gehuisvest zijn en duurzaam verblijven in een woning. 1.41

woning

een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling geschikt, bestemd en bedoeld is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.42

woningsplitsing

het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer zelfstandige woningen en/of het toevoegen van een extra woning in een bijbehorend bouwwerk. 1.43

zelfstandige huurwoning

zelfstandige woonruimte, welke verhuurd wordt. 1.44

zelfstandige woonruimte

woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken en sanitaire voorzieningen.

8

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

Bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2

Breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.3

Goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.4

Inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.5

Oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

9

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, verlichting en voet- en fietspaden; b. bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen; c. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage', tevens voor ondergrondse gebouwde parkeervoorzieningen en met dien verstande dat een toegang tot deze ondergrondse parkeervoorzieningen tevens buiten het betreffende aanduidingsvlak is toegestaan. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m; c. de bouwhoogte van verlichting bedraagt ten hoogste 6 m; d. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt ten hoogste 3 m en de oppervlakte ten hoogste 15 m²; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m. 3.3

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bebouwing voor opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. (permanente) buitenopslag van goederen of materialen; d. het plaatsen van onderkomens of geplaatst houden van onderkomens; e. het plaatsen van reclameobjecten (zuilen en/of borden).

10

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

Artikel 4 4.1

Verkeer - Verblijf

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, verlichting, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en water. 4.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. de bouwhoogte van verlichting bedraagt ten hoogste 6 m; c. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt ten hoogste 3 m en de oppervlakte ten hoogste 15 m²; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m. 4.3

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor: a. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; d. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen; e. het plaatsen van reclameobjecten (zuilen en/of borden).

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

11

Artikel 5 5.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in gestapelde woningen; b. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, boven- en ondergrondse al dan niet gebouwde parkeervoorzieningen, tuinen, waterhuishoudkundige voorzieningen en water. 5.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 5.2.1

Hoofdgebouwen

a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; c. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; d. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; e. het aantal woningen bedraagt ten hoogste 70. 5.2.2

Overkappingen

a. overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m. 5.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m. 5.2.4

Bovengrondse verbinding

Ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - verbinding bovengronds 1' en 'specifieke bouwaanduiding - bovengronds 2' gelden, aanvullend op het bepaalde in lid 5.2.1 de volgende regels: a. op deze gronden mogen tevens gebouwen worden gebouwd met een verbindingsfunctie tussen de bebouwing binnen het bouwvlak en de bebouwing op de aangrenzende bestemming, inclusief bijbehorende trappenhuizen en liftschachten; b. de bouwhoogte van de onder a. bedoelde gebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - verbinding bovengronds 1' en ten hoogste 4 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - verbinding bovengronds 2'; c. het bebouwingspercentage van het aanduidingsvlak 'specifieke bouwaanduiding - verbinding bovengronds 1' bedraagt ten hoogste 60%.

12

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

5.2.5

Specifieke bouwaanduiding - verbinding ondergronds

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - verbinding ondergronds' gelden, aanvullend op het bepaalde in lid 5.2.1 de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen ondergrondse gebouwen worden gebouwd met een verbindingsfunctie tussen de bebouwing binnen het bouwvlak en de bebouwing op de aangrenzende bestemming; b. het bepaalde in lid 7.2 dient in acht te worden genomen. 5.3

Specifieke gebruiksregels

5.3.1

Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen; b. het gebruik van gronden en bebouwing voor opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; d. het gebruik van delen van de woning en bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; e. het gebruik van gronden en bebouwing voor seksinrichtingen; f. het gebruik van gronden en bebouwing voor opslag en verkoop van vuurwerk; g. het plaatsen van reclameobjecten (zuilen en/of borden). 5.3.2

Aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Met betrekking tot het gebruik geldt dat de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 50 m² bedraagt.

5.3.3

Voorwaardelijke verplichting waterberging

Op de gronden met deze bestemming is het in gebruik nemen en gebruikt houden van bebouwing voor de in lid 5.1 opgenomen doeleinden slechts toegestaan als is voorzien in de aanleg van een binnen het peilgebied van het plan gelegen waterberging met een oppervlakte van ten minste 102 m².

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

13

Hoofdstuk 3 Artikel 6

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

14

Bestemmingsplan "Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle" (vastgesteld)

Artikel 7 7.1

Algemene bouwregels

Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's, luifels en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. 7.2

Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan: 1. ter plaatse van het bouwvlak; 2. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage', met dien verstande dat een toegang tot deze ondergrondse parkeervoorzieningen tevens buiten het betreffende aanduidingsvlak is toegestaan; 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - verbinding ondergronds'; b. ondergronds bouwen is toegestaan in maximaal één ondergrondse bouwlaag, met een ondergrondse bouwdiepte van ten hoogste 4,5 m. 7.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12763101/1