CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Bestemmingsplan Hoogspanningsstation Zevenhuizen Zuidplaspolder A21.00782

Gemeenteraad 29 juni 2021, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Hoogspanningsstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder30.840 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

D 11.3

Activiteit D11.3, C15.1, D15.2 en D24.2 uit het Besluit milieueffectrapportage (d.d. 20-02-2019) Kolom 1 Activiteiten

Kolom 2 Gevallen

Kolom 3 Plannen

Kolom 4 Besluiten

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Kolom 1 Activiteiten

Kolom 2 Gevallen

Kolom 3 Plannen

Kolom 4 Besluiten

C 15.1

De infiltratie van water in de bodem of onttrekking van grondwater aan de bodem alsmede de wijziging of uitbreiding van bestaande infiltraties en onttrekkingen.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 10 miljoen m³ of meer per jaar.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet en het plan, bedoeld in de artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet.

Het besluit, bedoeld in de artikelen 6.4 of 6.5, aanhef en onderdeel b, van de Waterwet, dan wel het besluit tot vergunningverlening bedoeld in een verordening van een waterschap.

D15.2

De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet en het plan, bedoeld in de artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet.

Het besluit, bedoeld in de artikelen 6.4 of 6.5, onderdeel b, van de Waterwet, dan wel van het besluit tot vergunningverlening bedoeld in een verordening van een waterschap.

D 24.2

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1° een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2° een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

Het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet of het besluit, bedoeld in artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.

Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Daarbij kunnen de volgende situaties zich voordoen: • Een project zit boven de drempelwaarde van een activiteit uit de C-lijst. In dat geval geldt een rechtstreekse m.e.r.-plicht voor plannen en besluiten uit kolom 3 en 4. • Een project zit onder de drempelwaarde van een activiteit uit de C-lijst, maar boven de drempelwaarde van een activiteit uit de D-lijst. In dat geval geldt voor een plan dat is aangewezen in kolom 3 een directe m.e.r.-plicht. Voor besluiten die zijn aangewezen in kolom 4 geldt een formele m.e.r.-beoordelingsplicht.

•

Een project blijft onder de drempelwaarde van de activiteit uit de D-lijst. Voor die projecten moet via een (‘vormvrije’) m.e.r.-beoordeling worden bepaald of er een MER nodig is.

In figuur 6 is schematisch weergegeven wanneer een m.e.r.-plicht, m.e.r.-beoordelingsplicht of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling van toepassing is.

Figuur 6

Schematische weergave m.e.r.-beoordeling (Kenniscentrum InfoMil)

Voor de activiteit ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein’ wordt ook drempelwaarde van 75 ha niet overschreden. Voor de ondergrondse hoogspanningsleiding geldt eveneens dat de (indicatieve) drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. niet wordt overschreden. De leiding heeft wel een spanning van 150kV, maar is korter dan 15 km en ligt niet met een lengte van 5 km of meer in een gevoelig gebied. Naar verwachting zal ook de hoeveelheid te onttrekken grondwater niet meer dan 1,5 miljoen m³ per jaar bedragen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de ‘Europese richtlijn milieueffectbeoordeling’ te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. Daarnaast is in de Wet milieubeheer (artikel 7.2a) opgenomen dat een milieueffectrapport noodzakelijk is bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijk of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

Het hoogspanningsstation en bijhorend kabeltracé binnen het bestemmingsplan, liggen niet in of in de buurt van Natura 2000-gebied. Alleen een toename in stikstofdepositie als gevolg van de aanlegwerkzaamheden kunnen daarom mogelijk leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Daarom is middels een AERIUS-berekening onderzocht of hier sprake van kan zijn. Hierin is ook een mogelijk kabeltracé richting hoogspanningsstation Bleiswijk meegenomen, om het cumulatieve effect van stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling in beeld te krijgen.

Voor onderhavig plan kan op basis van de uitgevoerde AERIUS-berekening geconstateerd worden dat de stikstofdepositie op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden maximaal 0,01 mol/ha/jaar bedraagt gedurende 1 jaar. Rijk en provincies hebben recent een beleidslijn afgesproken dat projecten met tijdelijke stikstofdeposities van transport en mobiele werktuigen in de aanlegfase kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar als vergunningvrij afgedaan kunnen worden voor de Wet natuurbescherming. Een passende beoordeling is daarom niet nodig. Daarmee volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling op basis van onderhavige aanmeldingsnotitie. 3.2 Te volgen procedure Deze aanmeldingsnotitie geeft het bevoegd gezag (college van B&W van gemeente Zuidplas) de informatie die nodig is om te beoordelen of een m.e.r. nodig is voor de in paragraaf 3.1 genoemde activiteit. Op basis van deze aanmeldingsnotitie dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen of voor deze activiteit, omwille van belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag neemt uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst van de aanmeldingsnotitie een m.e.r.-beoordelingsbeslissing1. Dit besluit moet in ieder geval zijn genomen, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Het besluit wordt niet gepubliceerd in de Staatscourant 2. Op dit besluit is geen bezwaar/beroep mogelijk. Eventuele bezwaren kunnen worden ingediend in de procedure van het bestemmingsplan. 3.3 Doel van de aanmeldingsnotitie De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In een aanmeldingsnotitie, welke in het kader van een vormvrije m.e.r. beoordeling wordt opgesteld, wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreide m.e.r-procedure nodig is. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: • belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden → er dient een m.e.r.-procedure te worden doorlopen; • belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op → er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij …. (zie hiervoor verder kader 3.1). Dit uitgangspunt betekent dat er geen nadere m.e.r.

nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten.

1

Indien het bevoegd gezag tevens initiatiefnemer is, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium de m.e.r.beoordelingsbeslissing. 2 Dit is bepaald in het Besluit m.e.r. in artikel 2.5 onder b.

Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit: a. omvang van het project; b. cumulatie met andere projecten; c. gebruik natuurlijke hulpbronnen; d. productie afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico op ongevallen; g. risico voor de menselijke gezondheid; 2. Plaats van de activiteit: a. bestaand grondgebruik; b. rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden. 3. Kenmerken van het potentiële effect: a. bereik van het effect; b. de aard van het effect; c. grensoverschrijdend karakter; d. orde van grootte en complexiteit effect; e. waarschijnlijkheid effect; f. duur, frequentie en omkeerbaarheid effect; g. cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h. de mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen. In hoofdstuk 4 wordt de benodigde informatie voor de toetsing behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit en de potentiële effecten die daaruit naar voren komen. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van deze effecten.

Hierbij wordt gekeken of er mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen ontstaan en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen.

KADER 3.1: UITLEG AANMELDINGSNOTITIE Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken. Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., waarvoor tevens geldt dat de activiteit onder de drempelwaarde ligt zoals in deze D-lijst genoemd. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht.

Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken

4

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

1. Kenmerken van het project

Hoogspanningsstation Zuidplas en bijhorende kabelverbinding Het project omvat primair de realisatie van een hoogspanningsstation. Tevens wordt binnen het plangebied een deel van de 150kVkabelverbinding planologisch mogelijk gemaakt (+/- 250 meter). De ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt via een bestemmingsplan. Het betreft een project (kolom 4) in de zin van het besluit m.e.r.

Omvang van het project (relatie met drempel C en D lijst)

Activiteit D11.3 uit het Besluit m.e.r. drempelwaarde is: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Activiteit C15.1 en D15.2 uit het Belsuit m.e.r. drempelwaarde is: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van respectievelijk 10 milijoen m³ (C15.1) en 1,5 miljoen m³ (D15.2) of meer per jaar. Activiteit D24.2 uit het Besluit m.e.r. drempelwaarde is: 1° een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2° een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage.

De gevoelige gebieden betreffen: a: een gebied dat krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is aangewezen als Natura 2000-gebied; b: een kerngebied, begrensd natuurontwikkelingsgebied of begrensde verbindingszone dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur, zoals die structuur is vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening, of, bij het ontbreken daarvan, zoals die structuur voorkomt op de kaart Ecologische Hoofdstructuur, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte (LNV-kenmerk GRR-95194); d: een krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet bij provinciale verordening aangewezen gebied met uitzondering van de zones waar het met het oog op de bescherming van het diepe grondwater is verboden te boren; Dit initiatief omvat: Het totale terrein van het beoogde hoogspanningsstation heeft een oppervlakte van circa 4 hectare. De ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde van 75 hectare. De hoeveelheid te onttrekken grondwater voor de uitbreiding/ontwikkeling van de hoogspanningsverbinding en het hoogspanningsstation betreft niet meer dan 1,5 miljoen m³ per jaar.

Uitbreiding/ontwikkeling van een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150kV maar gaat niet met een lengte van 5 km of meer door een gevoelig gebied als bedoeld onder a,b of d van punt 1 onderdeel A van Bijlage II uit het Besluit m.e.r. Conclusie: Het project blijft onder de drempelwaarden van D11.3, C15.1 en D15.2 en D24.2. Daarom is voor dit project geen ‘formele’ m.e.r.beoordeling nodig, een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling volstaat. Cumulatie met andere projecten

De realisatie van het hoogspanningsstation in gemeente Zuidplas sluit aan op de uitbreiding van het hoogspanningsstation Bleiswijk en bijhorende ondergrondse hoogspanningsverbinding tussen beide stations. De gehele ontwikkeling wordt in de toetsing beschouwd. Er zijn verder geen cumulatieve projecten in de nabijheid van het plangebied bekend.

Gebruik natuurlijke hulpbronnen3

Bij het aanleggen van de ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt geen gebruik gemaakt van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, zoals hout, glas, (bak)steen en grond. Eventueel vrijgekomen grond wordt afgevoerd en elders gebruikt, bijvoorbeeld voor ophoging. Voor de aanleg van de ondergrondse kabels zal een freatische bemaling noodzakelijk zijn. Voor een droge ontgraving wordt uitgegaan van een ontwatering tot 2,5 m onder maaiveld. Uitgegaan wordt van een gemiddelde verlaging van de grondwaterstand met circa 2,0 m. Voor het hoogspanningsstationwordt tot 3 m-mv ontgraven. De grondwaterstand bedraagt circa 0,5 m onder maaiveld. Uitgegaan wordt van een ontwatering tot 3,5 m-mv, de grondwaterstand dient dan tijdelijke met 3,0 m worden verlaagd. Daarnaast is plaatselijk een spanningsbemaling noodzakelijk. Er is een geohydrologische quickscan (kenmerk: R200264501, 23-10-2020) uitgevoerd. Mogelijk heeft de bronbemaling nadelige gevolgen. Hier wordt nader op ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit.

Productie afvalstoffen4

Bij de aanleg van het hoogspanningsstation en de ondergrondse hoogspanningsverbinding en komt afval vrij. Het vrijkomende afval betreft regulier bouwafval, er komen geen gevaarlijke stoffen vrij. Tijdens de gebruiksfase komen geen afvalstoffen vrij. (Bouw)afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd.

3

Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op, of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 4 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

Verontreiniging: Ten aanzien van verontreinigende stoffen, zie ‘productie afvalstoffen’. Tijdens de aanlegfase kan door bouwverkeer mogelijk een tijdelijke verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Hierop wordt nader ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. De ontwikkeling heeft in de gebruiksfase geen verkeersaantrekkende werking en zal daarmee niet zorgen voor verslechtering van de luchtkwaliteit. Hinder: Tijdens de aanleg kan als gevolg van bouwwerkzaamheden, het bouwverkeer en de aanlegwerkzaamheden, verkeershinder en geluidshinder optreden. In de gebruiksfase zal de ontwikkeling niet leiden tot een toename van verkeersbewegingen met als gevolg extra (geluids)hinder voor omwonenden. Mogelijk zorgt het hoogspanningsstationvoor extra geluidshinder in de gebruiksfase. Magneetvelden: In tegenstelling tot bovengrondse hoogspanningslijnen is er in Nederland geen voorzorgbeleid voor kabels en hoogspanningsstations. TenneT heeft, net als Liander en Stedin, bij diverse ondergrondse verbindingen en hoogspanningsstations onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden. Daaruit volgt dat mag worden aangenomen dat de contour van 0,4 microTesla (jaargemiddeld) voor stations binnen 50 meter vanuit het hek rondom het station ligt. De contour van 0,4 microTesla voor de kabel is 2x15 meter, gemeten vanuit het hart van de verbinding.

Binnen 50 meter van het hoogspanningsstation ZevenhuizenZuidplaspolder en binnen 2x15 meter van de ondergrondse hoogspanningsverbinding tussen Bleiswijk en Zevenhuizen liggen geen woningen. Magneetvelden vormgen geen hinder in de gebruikfase. Op mogelijke effecten als gevolg van hinder wordt nader ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’.

Risico voor ongevallen

De 150kV-kabelverbinding valt niet onder één van de categorieën van inrichtingen waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. Het beoogde hoogspanningsstation valt ook niet onder het Bevi. De veiligheidsrisico's van een ondergrondse kabelverbinding en hoogspanningsstation zijn zeer klein. Daarnaast worden er met het project geen kwetsbare objecten gerealiseerd. De ondergrondse kabel zorgt niet voor een toename van de kans op een incident bij risicobronnen als de ondergrondse aardgasleiding, parallel aan de snelweg. Ook zorgt de ontwikkeling niet voor een toename van de effecten van een mogelijk incident.

Risico voor de menselijke gezondheid

Er worden geen effecten op de menselijke gezondheid verwacht. In Nederland zijn grenswaarden vastgesteld ten aanzien van veldsterkten. Bij de aanleg van het nieuwe hoogspanningsstation en ondergrondse kabelverberbinding wordt hier aan voldaan (zie verontreiniging en hinder). Er worden verder geen andere effecten verwacht in de vorm van luchtverontreiniging, geluidhinder, verontreiniging van water, etc. die een risico vormen voor de menselijke gezondheid.

2. Plaats van de projecten Bestaande grondgebruik

De gronden van het plangebied worden grotendeels gebruikt voor agrarische doeleinden. Daarnaast zijn de gronden ook in gebruik voor bovengrondse hoogspanningsleidingen. Op enkele plaatsen kruist de ondergrondse hoogspanningsverbinding gronden die in gebruik zijn ten behoeve van infrastructuur en water.

Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied

De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. De locatie ligt niet binnen grondwaterbeschermingsgebied.

Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H-/V-richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.

Natuur In de nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied is Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en bevindt zich op een afstand van circa 14 kilometer. In gemeente Zuidplas ligt het plangebied voor een deel binnen een smalle strook van het NNN (verbindingszone), waar op dit moment nog geen invulling aangegeven is. Aantasting van Natura 2000-gebied is uitgesloten. Wel kunnen er effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie in de aanlegfase. Op het NNN kunnen mogelijk effecten optreden als gevolg van aantasting en verstoring door de ondergrondse hoogspanningsverbinding. Mogelijk kunnen bij de voorgenomen ontwikkeling beschermde plant- of diersoorten of beschermde gebieden in het geding komen. Op beide onderwerpen wordt onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’ ingegaan. Landschappelijke en cultuurhistorische waarden Het plangebied en de nabije omgeving worden gekenmerkt door een open landschap. Het plangebied heeft verder geen bijzondere landschappelijke of cultuurhistorische waarden. Bodem Over het algemeen zijn agrarische percelen onverdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging. De kans op het aantreffen van verontreinigingen in de grond en het grondwater is op basis van het bodemonderzoek dat is uitgevoerd, het grootst nabij de lintbebouwing.

Archeologie Voor de gehele Zuidplaspolder geldt een hoge verwachting voor archeologische resten ter hoogte van de ligging van de stroomruggen Gouderak en Zuidplas, evenals de historische bewoningslinten langs ontginningsassen. Voor de ondergrondse verbinding is vastgesteld dat delen van het tracé door zones met een hoge verwachting voor prehistorische resten vanaf 2,5/3 m beneden maaiveld lopen. Daarnaast lopen delen door zones met een hoge verwachting voor resten vanaf de Late Middeleeuwen, die in verband staan met historische bewoningslinten. Hier zijn mogelijk resten aanwezig direct onder het maaiveld. Mogelijk heeft de ontwikkeling gevolgen voor archeologische waarden. Hier wordt nader op ingegaan onder ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. Overige waardevolle of kwetsbare gebieden liggen niet in of in de nabijheid van het plangebied.

Op basis van (1.) de kenmerken en (2.) de plaats van het project zijn de volgende mogelijk belangrijk nadelige gevolgen naar voren gekomen:

• potentiële effecten op beschermde natuurgebieden; • gebruik natuurlijke hulpbronnen; • aanwezigheid van archeologische verwachtingswaarde; • verontreiniging en/of hinder als gevolg van bouwverkeer en verkeersaantrekkende werking. Op deze mogelijke gevolgen wordt bij ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’ ingegaan. Overige belangrijke nadelige gevolgen zijn niet te verwachten. 3. Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)

In alle gevallen zullen potentiële effecten lokaal optreden, in of direct aangrenzend aan het plangebied. Hinder voor omwonenden beperkt zich tot de woningen rondom het plangebied en mogelijk in beperkte mate tot woningen langs de aan/afvoerroutes.

De aard van het effect

Effecten zijn beperkt en treden lokaal op. Een nadere beschrijving van de aard van de effecten is gegeven onder ’orde van grootte en complexiteit effect’.

Grensoverschrijdend karakter

Er zijn geen landsgrensoverschrijdende effecten.

Orde van grootte en complexiteit effect

Natuur Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Het plangebied bevindt zich niet in of in de nabijheid van Natura 2000gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand van circa 14 km. Directe effecten op het gebied als gevolg van de ontwikkeling zijn daarmee uitgesloten. Omdat er als gevolg van stikstofdepositie in de aanlegfase mogelijk effecten zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebied is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening volgt dat de aanlegfase van de bouw van een nieuw hoogspanningsstation en de aanleg van de ondergrondse kabelverbinding leidt tot een maximale stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar in de Natura 2000-gebieden Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Meijendel & Berkhelde. Dit geldt voor de werkzaamheden in het jaar 2024. Bij de werkzaamheden in 2022 en 2023 geldt dat er geen toename van stikstofdepositie is > 0,00 mol/ha/jaar is. Rijk en provincies hebben recent een beleidslijn afgesproken dat projecten met tijdelijke stikstofdeposities van transport en mobiele werktuigen in de aanlegfase kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar als vergunningvrij afgedaan kunnen worden voor de Wet natuurbescherming. Op basis van deze beleidslijn is dit project niet vergunningsplichtig.

Omdat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk effecten heeft op beschermde plant- of diersoorten of NNN-gebied is er een natuuronderzoek uitgevoerd. Ligging NNN De werkzaamheden ten behoeve van de kabelverbinding liggen mogelijk voor een deel binnen een ecologische verbindingszone die tevens is aangeduid als NNN-gebied (Vierde Tocht). Het grootste gedeelte van de werkzaamheden valt buiten de begrenzing van het NNN en de ecologische verbindingszone en hebben geen negatief effect op het NNN en de

ecologische verbindingszones. Bij het laatste deel van het kabeltracé nabij het hoogspanningsstation doorkruist het tracé een watergang. Deze watergang (Vierde Tocht) en de ten zuiden gelegen strook is in de provinciale verordening van Provincie Zuid-Holland aangeduid als een ecologische verbindingszone binnen het NNN. Waar de kabels de watergang (de ecologische verbinding) en N-weg oversteken, zal naar verwachting gebruik gemaakt worden van gestuurde boringen. Het gedeelte van het tracé dat ten zuiden van de watergang ligt, wordt aangelegd middels open ontgraving. Dit gedeelte ligt in het NNN. Voor de inpassing van de kabel in het NNN wordt overleg gevoerd met de provincie. Op dit moment is namelijk nog geen invulling gegeven aan het NNN en is ook nog niet duidelijk hoe hier invulling aan gegeven gaat worden. Soortenbescherming Algemene vogels kunnen op verschillende plekken gaan broeden in het plangebied, zowel op de grond in bermen en slootkanten als in struweel en bomen. Wanneer er één of meerdere nesten aanwezig zijn van algemene broedvogels, dient er gewacht te worden tot de jongen het plangebied hebben verlaten, deze klaar zijn met broeden voordat er gemaaid kan worden. Bij werkzaamheden die effect hebben op watergangen, is het noodzakelijk om rekening te houden met dieren die in de watergang en omgeving voorkomen.

Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol op te laten stellen waarin mitigerende maatregelen nader zijn uitgewerkt. Alvorens de beoogde werkzaamheden plaatsvinden, wordt een ecologisch werkprotocol uitgewerkt en de geadviseerde mitigerende maatregelen worden daarbij in acht genomen. Negatieve effecten op beschermde planten, overige zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zijn uitgesloten. Water Voor de aanleg van het hoogspanningsstation en van de kabels zal bemaling noodzakelijk zijn. Hiervoor is een geohydrologische quickscan uitgevoerd. Opbarsten dient voorkomen te worden. Om dit risico beter af te kaderen, zal er voorafgaand aan de onttrekking een effectenstudie worden uitgevoerd. Op basis van de effectenstudie kunnen benodigde mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen. Tevens zullen de effecten worden gemonitord zodra de onttrekking wordt gestart, indien dit op basis van de effectenstudie noodzakelijk blijkt. Bodem Voor het hoogspanningsstation en de ondergrondse kabelverbinding wordt ter plaatse van de open ontgravingen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Indien verontreinigde grond aanwezig is, wordt deze of op dezelfde locatie hergebruikt of afgevoerd/gesaneerd. Er zal geen sprake zijn van nieuwe potentiele bodemverontreiniging.

Met de beoogde ontwikkeling zal worden aangesloten bij de wet- en regelgeving voor de bodemkwaliteit.

Archeologie De zones met een lage verwachting voor archeologie zijn voldoende onderzocht met in achtneming van de aard, diepte en omvang van de geplande werkzaamheden. Ter hoogte van de zones van hoge verwachting kunnen de voorgenomen ingrepen de daar mogelijk aanwezige archeologische resten verstoren. De dubbelbestemming voor archeologie blijven van toepassing. Er wordt verder aangesloten bij het advies uit het archeologisch onderzoek dat is utgevoerd. Ter plekke van zones met hoge verwachtingswaarden vinden geen bodemingrepen plaats, dieper dan 2,5 m met een oppervlakte groter dan 1.000 m². Daar waar de aanpassing niet of maar deels mogelijk blijkt, zal in de zones met een hoge archeologische verwachting en met bodemingrepen die verwachte archeologische waarden zullen verstoren dan wel vernietigingen, een inventariserend veldonderzoek in vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd worden. Nadelige effecten voor archeologische verwachtingswaarden worden voorkomen. Hinder en verontreiniging (Geluid, luchtkwaliteit, magneetvelden) Verontreiniging/hinder als gevolg van aanlegfase Tijdens de aanlegfase van zowel het hoogspanningsstation als de ondergrondse kabelverbinding kan geluidshinder ondervonden worden van de sloop- en bouwwerkzaamheden.

Deze werkzaamheden kunnen lokaal tijdelijk leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit door uitstoot van stikstofdioxide en (fijn)stof. Omdat de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide en fijnstof in dit gebied onder de grenswaarden liggen, zal dit niet leiden tot overschrijding van de grenswaarden en daardoor niet tot belangrijk nadelige gevolgen leiden. Verontreiniging/hinder in de gebruiksfase In de gebruiksfase zijn het hoogspanningsstation en de ondergrondse hoogspanningsverbinding onbemand en vinden enkel beperkt verkeersbewegingen plaats door toezicht en onderhoud. Het hoogspanningsstation en de ondergrondse hoogspanningsverbinding stoten zelf geen stoffen uit die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Als gevolg van de ontwikkeling treden in de directe omgeving van het plangebied geen overschrijdingen op van de grenswaarden voor de concentraties stikstofdioxide en fijnstof. Op het gebied van luchtkwaliteit is er geen belemmering om het plan uit te voeren. Als gevolg van de gebruiksfase neemt het wegverkeer niet of nauwelijks toe en de ondergrondse hoogspanningskabels veroorzaken geen geluidsbelasting. Het hoogspanningsstationveroorzaakt in de gebruiksfase wel geluidsbelasting. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting van het hoogspanningsstation.

Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de door het geprojecteerde 150/20kV-station optredende geluidbelasting bij alle bestaande woningen ten hoogste 45 dB(A) zal bedragen, zelfs indien een toeslag voor tonaal geluid in rekening wordt gebracht. Gelet op het in de toekomst opgestelde elektrische vermogen in de buitenlucht (meer dan 200 MVA) wordt een geluidszone in het kader van de Wet geluidhinder opgenomen in het bestemmingsplan.

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor geluidsgevoelige objecten in de nabijheid van het plangebied. Waarschijnlijkheid effect

Naar verwachting zal geen sprake zijn van significant negatieve effecten.

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

De effecten in de aanlegfase zijn tijdelijk. Effecten in de gebruiksfase treden dagelijks op en zijn moeilijk omkeerbaar. De effecten van het hoogspanningsstation in de gebruiksfase leiden niet tot negatieve gevolgen voor de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht in de gebruiksfase van de ondergrondse hoogspanningsverbinding.

Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten

Effecten als gevolg van het hoogspanningsstation en de ondergrondse kabelverbinding die optreden zijn beperkt en veelal lokaal van aard. Er zijn geen andere projecten bekend waarmee naar verwachting cumulatieve effecten zullen optreden.

De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen

Rondom het hoogspanningsstation wordt een geluidszone opgenomen in het bestemmingsplan. Stikstofdepositie in de aanlegfase kan worden gereduceerd door inzet van schoner materieel. Andere maatregelen om effecten op natuur te voorkomen zijn reeds beschreven onder ’Orde van grootte en complexiteit effect’. Deze worden meegenomen in het op te stellen ecologisch werkprotocol. Om opbarsten te voorkomen wordt vooraf een effectenstudie uitgevoerd, op basis waarvan de benodigde mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen. Ten behoeve van de mogelijk aanwezige archeologische waarden wordt een inventariserende veldonderzoek uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek.

Conclusie: Gezien de omvang van de activiteiten, in relatie tot de drempelwaarden en te verwachten effecten, zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die vragen om een nadere uitwerking in een MER uit te sluiten. Nader onderzoek in een MER wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Verantwoording Titel

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling hoogspanningsstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder en ondergrondse hoogspanningsverbinding

Projectnummer

373372

Referentienummer

SWNL0270833

Revisie

D1

Datum

15-02-2021

Auteur

Deanne Reincke

Gecontroleerd door

Matthijs Vrij Peerdeman

Goedgekeurd door

Maurits Moes

Klik of tik om tekst i n te voeren.

Bijlage 2 Akoestisch haalbaarheidsonderzoek, Peutz, 28-04-2021

Hoogspanningsstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder Pagina 69 van 515

Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van het geprojecteerde 150/20 kV-station Zevenhuizen/Zuidplaspolder

Rapportnummer FA 21613-3-RA-001 d.d. 28 april 2021

Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van het geprojecteerde 150/20 kV-station Zevenhuizen/Zuidplaspolder

opdrachtgever

Qirion B.V.

rapportnummer

FA 21613-3-RA-001

datum

28 april 2021

referentie

GL/KKr/AvdS/FA 21613-3-RA-001

verantwoordelijke ir. G.W. Lassche opsteller

ing. K.J. Kramer +31 85 82 28 508 k.kramer@peutz.nl

peutz bv, postbus 7, 9700 aa groningen, +31 85 822 85 00, groningen@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015

mook – zoetermeer – groningen – düsseldorf – dortmund – berlijn – nürnberg – leuven – parijs – lyon

FA 21613-3-RA-001 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

2

Uitgangspunten

5

2.1

Situering 150/20 kV-station Zevenhuizen/Zuidplaspolder

5

2.2

Inrichting 150/20 kV-station Zevenhuizen/Zuidplaspolder

5

2.3

Relevante geluidbronnen en bedrijfsvoering

6

3

To e t s i n g s c r i t e r i a

8

3.1

We t g e l u i d h i n d e r e n g e l u i d z o n e r i n g

8

3.2

VNG-richtlijn Bedrijven en milieuzonering

9

3.3

Overige geluidaspec ten

10

4

Berekeningen

11

4.1

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus

11

4.2

Zonegrens

12

4.3

Maximale geluidniveaus

13

4.4

Cumulatie van geluid

14

5

Beoordeling en conclusie

15

5.1

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus

15

5.2

Maximale geluidniveaus

16

FA 21613-3-RA-001 3

1

Inleiding In opdracht van Reddyn b.v. is een akoestische studie uitgevoerd in verband met de mogelijke realisatie van 150/20 kV-station Zevenhuizen/Zuidplaspolder, ten oosten van Zevenhuizen. Het betreft een gezamenlijk initiatief van Liander, Stedin en TenneT. De geprojecteerde inrichting is gesitueerd tussen de N219 en het Distributiepark A12, direct ten zuiden van de spoorlijn Zoetermeer-Gouda. Op het station zullen in totaal 7 transformatoren worden gerealiseerd (3 stuks voor Stedin van elk 90 MVA en 4 stuks voor Liander van elk 80 MVA). Het TenneT-deel van het station biedt ruimte voor een openlucht schakeltuin waarop de 150 kV-verbindingen uit Zoetermeer, de genoemde 7 transformatoren en 2 stuks 150 kV-compensatiespoelen (van elk 100 MVAr) kunnen worden aangesloten. Gelet op het buiten op te stellen elektrische vermogen, kan worden vastgesteld dat voor het station een vergunningplicht (voor het aspect milieu) in het kader van de Wabo van toepassing is. Ook dient een geluidzone ex artikel 40 van de Wet geluidhinder (Wgh) te worden vastgesteld. Het onderhavig onderzoek biedt inzicht in de ligging van de vanwege het station optredende geluidcontouren. Het meest van belang hierbij is de 50 dB(A) etmaalwaardecontour, mede gelet op de vast te stellen geluidzone.

FA 21613-3-RA-001 4

2

Uitgangspunten

2.1 S i t u e r i n g 1 5 0 / 2 0 k V - s t a t i o n Z e v e n h u i z e n / Z u i d p l a s p o l d e r

Liander, Stedin en TenneT zijn voornemens om een gezamenlijk 150/20 kV- station te realiseren in de Zuidplaspolder ten oosten van Zevenhuizen. De geprojecteerde inrichting ligt tussen de N219 en het Distributiepark A12, direct ten zuiden van de spoorlijn Zoetermeer-Gouda. De geprojecteerde inrichting is aangegeven in Dguur 2.1. f2.1 Ligging 150/20 kV-station Zevenhuizen/Zuidplaspolder en geluidgevoelige bestemmingen Bredeweg 110 t/m 114

Noordelijke Dwarsweg 124-132 (even) Noordelijke Dwarsweg 63

Noordelijke Dwarsweg 114

Bredeweg 120-148 (even) Bredeweg 128

Bredeweg 162

Knibbelweg 37c

Knibbelweg 39-51 (oneven)

Knibbelweg 30-34 (even) Knibbelweg 65-69a

2.2 I n r i c h t i n g 1 5 0 / 2 0 k V - s t a t i o n Z e v e n h u i z e n / Z u i d p l a s p o l d e r

Op het station zullen maximaal zeven transformatoren worden gerealiseerd (drie 150/23 kVtransformatoren voor Stedin met een vermogen van 90 MVA per stuk en vier 150/20 kVtransformatoren voor Liander met een vermogen van 80 MVA per stuk). Het TenneT-deel van het station biedt ruimte voor een openlucht schakeltuin waarop de 150 kV-verbindingen uit Zoetermeer, de genoemde 7 transformatoren en 2 stuks 150 kV-compensatiespoelen (met een vermogen van 100 MVAr) kunnen worden aangesloten. In de schakeltuin zullen 20 vermogensschakelaars worden geplaatst. De transformatoren zullen worden opgesteld tussen drie scherfwanden. Hiermee blijft de zuid-oostzijde van de trafocellen open. Ook de bovenzijde van de trafocellen is open.

FA 21613-3-RA-001 5

De compensatiespoelen zullen eveneens tussen drie wanden worden geplaatst. De noordwestzijde en de bovenzijde van de cel zijn open. Zowel aan de zijde van Liander als aan de zijde van Stedin zal een installatie- en bedieningsgebouw worden opgericht. Min of meer in het midden van het terrein is een bedieningsgebouw voor TenneT voorzien. In Dguur 2.2 is een overzicht gegeven van de inrichting van het transformatorstation. f2.2 Inrichting 150/20 kV-station Zevenhuizen/Zuidplaspolder

2.3 R e l e v a n t e g e l u i d b r o n n e n e n b e d r i j f s v o e r i n g

Als relevante geluidbronnen voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) zijn de zeven transformatoren en de twee compensatiespoelen (gesitueerd in het schakelveld van TenneT) aan te merken. Uitgegaan wordt van een maximale bedrijfsvoering waarbij alle transformatoren volledig worden belast gedurende het gehele etmaal ('worst case'-benadering). De compensatiespoelen worden eveneens beide continu (24 uur per dag) in bedrijf verondersteld. Conform opgaaf van Liander is gerekend met een geluidvermogen van 79,5 dB(A) per transformator in vollast. Voor Stedin is uitgegaan van een geluidvermogen van 81 dB(A) per transformator in vollast.

FA 21613-3-RA-001 6

Voor het geluidvermogen van de compensatiespoelen is, conform opgaaf van TenneT, uitgegaan van circa 95 dB(A) per stuk. Voor de 'maximale geluidniveaus' LAmax zijn de vermogensschakelaars van belang. Voor het (piek)geluidvermogen tijdens het schakelen is uitgegaan van 116 dB(A). Normaliter zal alleen in de dagperiode worden geschakeld. In een uitzonderlijk geval (calamiteit) zal ook in de avond- of nachtperiode kunnen worden geschakeld.

FA 21613-3-RA-001 7

3

To e t s i n g s c r i t e r i a

3.1 W e t g e l u i d h i n d e r e n g e l u i d z o n e r i n g

Omdat het gelijktijdig in te schakelen elektrische vermogen van de buiten opgestelde transformatoren meer dan 200 MVA bedraagt, valt het transformatorstation onder categorie 20.1.b van onderdeel C van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (verder te noemen: Bor). Gelet op onderdeel D van bijlage I (artikel 1.n) van het Bor wordt de inrichting tevens aangemerkt als een inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken. Het terrein waarop het transformatorstation wordt opgericht zal daarom voorzien moeten worden van een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. Op het transformatorstation zijn derhalve de bepalingen van de Wet geluidhinder van toepassing, te weten: – ter plaatse van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen geldt voor de geluidbelasting een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) (i.e. ten hoogste 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode); – ter plaatse van de zonegrens geldt een harde grenswaarde van 50 dB(A) voor de geluidbelasting ten gevolge van alle installaties op het gezoneerde terrein. Hierbij wordt in de regel volgens de Wet geluidhinder geen rekening gehouden met het karakter van het geluid. In onderhavige situatie is het betreIende terrein nog niet gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder. Gelet hierop wordt in onderhavig onderzoek een zonegrens voorgesteld.

Rondom het terrein wordt een contour aangegeven waarbuiten de geluidbelasting van het industrieterrein (het terrein van het transformatorstation) niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Het terrein tussen de contour (de zonegrens) en het industrieterrein geldt als de zone. Bij vergunningverlening zullen de ten gevolge van het transformatorstation optredende geluidbelastingen (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus) worden getoetst aan deze zone. Zoals eerder opgemerkt gaat de Wet geluidhinder hierbij normaliter uit van toetsing aan de zone exclusief toepassing van een toeslag voor het karakter van het geluid. Transformatorgeluid wordt in het algemeen beoordeeld als tonaal van karakter waardoor bij beoordeling in het kader van de Omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu (voorheen Wet milieubeheer) een toeslag van 5 dB van toepassing zal kunnen zijn (een en ander mede afhankelijk van het achtergrondniveau en de plaatselijke 'waarneembaarheid' van de tonaliteit). Om eventuele conJicterende toetsingen te voorkomen zou in onderhavig geval overwogen kunnen worden om de zonegrens inclusief toeslag voor het tonale karakter van het geluid vast te stellen. De toetsing aan de zonegrens zal in dat geval ook inclusief toeslag voor het tonale karakter geschieden. Deze benadering kan worden toegepast omdat het station de enige inrichting op het te zoneren industrieterrein zal zijn.

FA 21613-3-RA-001 8

3.2 V N G - r i c h t l i j n B e d r i j v e n e n m i l i e u z o n e r i n g

Om de vestiging van het transformatorstation mogelijk te maken zal het bestemmingsplan moeten worden aangepast. Voor een dergelijke planherziening dient het stappenplan te worden doorlopen zoals omschreven in de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering': Stap 1 Indien de richtafstand voor gewenste bedrijfscategorie voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: buitenplanse inpassing is dan mogelijk. Stap 2 Indien 'stap 1' niet toereikend is: bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'rustige woonwijk' van maximaal: − 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde) − 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde) − 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'gemengd gebied' van maximaal: − 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde) − 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde) − 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde): Buitenplanse inpassing is dan mogelijk. Stap 3 en 4 Indien 'stap 2' niet toereikend is, is in de VNG-richtlijn nog een stap 3 en zelfs een stap 4 beschreven. In het voorliggend rapport wordt hier vooralsnog niet verder op ingegaan.

Voor omgevingstype 'rustige woonwijk' geldt voor milieucategorie 4.2 (opgesteld transformatorvermogen van 200 tot 1000 MVA) een richtafstand van 300 meter. Voor een deel van de woningen (met name de dichtstbij gelegen woningen) zou overigens ook kunnen worden uitgegaan van een omgevingstype 'gemengd gebied'. In dat geval geldt een richtafstand van 200 meter. In de onderhavige situatie is de afstand van de (gevels) van de aanwezige geluidgevoelige gebouwen (woningen) tot de inrichtingsgrens van het geprojecteerde onderstation minimaal circa 260 meter. Uitgaande van omgevingstype 'gemengd gebied' wordt hiermee voldaan aan stap 1. Uit de berekeningen zal blijken of daarenboven ook aan stap 2 wordt voldaan.

FA 21613-3-RA-001 9

3.3 O v e r i g e g e l u i d a s p e c t e n

Maximale geluidniveaus Voor de maximale geluidniveaus (LAmax “piekgeluiden”) worden voor geluidgevoelige bestemmingen normaliter grenswaarden gehanteerd van 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. Het (piek)geluid als gevolg van het schakelen met de vermogensschakelaars is getoetst aan de bovenstaande waarden.

Indirecte gevolgen In de Circulaire d.d. 29 februari 1996 (ook wel “Schrikkelcirculaire” genoemd) wordt een beoordelingswijze gepresenteerd voor het geluid afkomstig van verkeersbewegingen van en naar de inrichting over de openbare weg. Conform deze Circulaire dienen de equivalente geluidniveaus ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting te worden getoetst voor zover deze als 'akoestisch herkenbaar' zijn toe te rekenen aan de inrichting. Gelet op het verwachte geringe aantal vervoersbewegingen wordt dit aspect als niet relevant verder buiten beschouwing gelaten in onderhavig onderzoek.

FA 21613-3-RA-001 10

4

Berekeningen Op basis van de uitgangspunten zoals vermeld in hoofdstuk 2 zijn akoestische rekenmodellen opgesteld waarmee de geluidimmissie in de omgeving is berekend. Alle berekeningen zijn uitgevoerd conform de methoden II van de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai” , uitgave 1999 (HMRI 1999). De berekeningen zijn uitgevoerd ter plaatse van ontvangerposities bij woningen in de omgeving. Hierbij is een rekenhoogte van 5 meter aangehouden. De gehanteerde rekenposities zijn weergegeven in Dguur 2.1. Tevens zijn berekeningen uitgevoerd in de vorm van geluidcontouren (etmaalwaarden). Daar de nachtperiode in het onderhavige geval maatgevend is voor de etmaalwaarde, zijn ook deze berekeningen uitgevoerd voor een ontvangerhoogte van 5 meter. Bij de overdrachtsberekeningen is met betrekking tot de bodem uitgegaan van volledig hard voor het terrein van het transformatorstation en omliggende wegen (bodemfactor B = 0) en een vrijwel zachte bodem voor het overige gebied (B = 0,8). Opgemerkt wordt dat de bovenstaande benadering als 'worst case' kan worden aangemerkt. In de praktijk zullen grote delen van het station uit gras of grind bestaan.

4.1 L a n g t i j d g e m i d d e l d e b e o o r d e l i n g s n i v e a u s

In de maximale situatie zijn alle aanwezige transformatoren en spoelen belast. Dit geldt voor zowel het Liander-deel, het Stedin-deel als voor het TenneT-deel. In tabel 4.1 zijn de ter plaatse van bestaande woningen (de punten 01 t/m 37, zie Dguur 2.1 en Dguren bijlage 1) berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (inclusief toeslag K1 voor tonaal geluid) weergegeven. t4.1 Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en etmaalwaarden, inclusief toeslag K1 Rekenpositie (zie guren bijlage 1)

LAr,LT in dB(A) (dag/avond/nacht)

Etmaalwaarde in dB(A)

01-03

Bredeweg 110 t/m 114 (even)

34

44

08

Bredeweg 128

32

42

4-7, 9-18 Bredeweg 120-148 (even) muv. nr.128

30

40

19

Bredeweg 162

26

36

20-21

Knibbelweg 65-69A (oneven)

22

32

22-24

Knibbelweg 30-34 (even)

22

32

25-31

Knibbelweg 39-51 (oneven)

25

35

32

Knibbelweg 37c

26

36

33

Noordelijke Dwarsweg 114

26

36

34

Noordelijke Dwarsweg 63

27

37

35-37

Noordelijke Dwarsweg 124-132 (even)

30

40

FA 21613-3-RA-001 11

In bijlage 2 wordt nadere informatie betreIende de rekenresultaten gegeven (waaronder ook de geluidniveaus per onderscheiden woning). 4.2 Z o n e g r e n s

Zoals eerder opgemerkt zal het terrein van het transformatorstation gezoneerd moeten worden in het kader van de Wet geluidhinder. Rondom het terrein wordt een contour gelegd waarbuiten de geluidbelasting van het industrieterrein (het terrein van het transformatorstation) niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Het terrein tussen de contour (de zonegrens) en het industrieterrein geldt als de zone. De geluidzone beperkt de mogelijkheden voor een toekomstige uitbreiding van het industrieterrein en geldt tevens als aandachtsgebied of beperking voor eventuele woningbouw. In theorie zou volgens de Wet geluidhinder woningbouw zonder geluidbeperkingen mogelijk zijn direct buiten de vast te stellen zonegrens. Omdat de Wet geluidhinder geen rekening houdt met het karakter van het geluid en bij transformatorstations wel sprake is van tonaal geluid waarop in het kader van de Wet milieubeheer een toeslag van 5 dB van toepassing is, zou hiermee in onderhavige situatie sprake kunnen zijn van een conJictsituatie. Als voorbeeld hiervoor kan worden genoemd de situatie dat, gelet op de zone, ter plaatse van een woning direct buiten de zonegrens een geluidbelasting is toegestaan van 50 dB(A) exclusief toeslag voor tonaal karakter. Inclusief toeslag voor tonaal karakter is sprake van een etmaalwaarde van 55 dB(A). In het kader van de Wet milieubeheer zal dit op bezwaren stuiten.

Om dergelijke situaties te voorkomen wordt voorgesteld voor onderhavige situatie een zone vast te stellen inclusief de toeslag voor tonaal karakter. De Wet geluidhinder sluit deze mogelijkheid niet uit. Het aandachtsgebied wordt hierdoor groter. Op grond van bovenstaande wordt voorgesteld de geluidzone vast te leggen op basis van de 50 dB(A)-contour (etmaalwaarde) inclusief toeslag voor tonaal karakter. De hierbij te hanteren rekenhoogte is 5 meter boven het plaatselijke maaiveld. In onderstaande afbeelding 4.1 wordt een voorstel voor de zonegrens aangegeven gebaseerd op de genoemde geluidcontour voor de toekomstige situatie. Hierbij is de zonegrens enigszins gestileerd.

FA 21613-3-RA-001 12

f4.1 Ligging etmaalwaardecontouren gehele transformatorstation (toekomstige situatie) en voorstel zonegrens Etmaalwaarde inclusief toeslag 5 dB

50 dB(A)

vo

s or

te

o lz

ne

e gr

ns

Binnen de voorgestelde zone zijn geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Het vaststellen van de voorgestelde geluidzone ontmoet op grond hiervan geen overwegende bezwaren van geluidtechnische aard. 4.3 M a x i m a l e g e l u i d n i v e a u s

In tabel 4.4 zijn de berekende maximale geluidniveaus L Amax als gevolg van het schakelen met de vermogensschakelaars weergegeven. t4.2 Maximale geluidniveaus LAmax vanwege het schakelen met vermogensschakelaars Rekenpositie (zie guren bijlage 1)

LAmax in dB(A)

01-03

Bredeweg 110 t/m 114 (even)

47

08

Bredeweg 128

50

4-7, 9-18 Bredeweg 120-148 (even) muv. nr.128

49

19

Bredeweg 162

48

20-21

Knibbelweg 65-69A (oneven)

37

22-24

Knibbelweg 30-34 (even)

37

25-31

Knibbelweg 39-51 (oneven)

38

32

Knibbelweg 37c

38

33

Noordelijke Dwarsweg 114

37

34

Noordelijke Dwarsweg 63

38

35-37

Noordelijke Dwarsweg 124-132 (even)

39

FA 21613-3-RA-001 13

In bijlage 2 wordt nadere informatie betreIende de rekenresultaten gegeven (waaronder ook de geluidniveaus per onderscheiden woning). 4.4 C u m u l a t i e v a n g e l u i d

Voor de volledigheid is ook het eIect van het geluid afkomstig van transformatorstation op het totale geluidniveau beschouwd (de zogenaamde cumulatieve geluidbelasting). Bij de bepaling van de cumulatieve geluidbelasting is van belang de rijksweg A12, provinciale weg N219 en de spoorlijn Zoetermeer-Gouda. Met behulp van een rekenmodel zijn de geluidbelastingen ten gevolge van de wegen en spoor berekend op basis van de geluidregisters spoor en weg (verkrijgbaar via respectievelijk de website van Rijkswaterstaat en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). Vanwege het ontbreken van gedetailleerde gegevens betreIende de provinciale weg N219 is deze vooralsnog buiten beschouwing gelaten. Hierdoor wordt de geluidbelasting vanwege wegverkeer enigszins onderschat (en daarmee ook de cumulatieve geluidbelasting). De toename van de cumulatieve geluidbelasting zal hierdoor geringer zijn dan de in de tabel weergegeven waarden. In onderstaande tabel 4.3 wordt een overzicht gegeven van de berekening van de cumulatie van geluid. t4.3 Cumulatie van geluid voor Zuidplaspolder Omschrijving

Geluidcumulatie huidige situatie (zonder transformatorstation) en geprojecteerde situatie

(zie ook afbeelding 2.1)

L*VL

L*RL

Lcum Huidig

L*IL

Lcum incl. L*IL

Toename

Bredeweg 110 t/m 114 (even)

70

48

70

40

70

0,01

Bredeweg 128

59

58

62

38

62

0,02

Bredeweg 120-148 (even) muv. nr.128

68

64

68

36

68

0,01

Bredeweg 162

54

64

64

32

64

0,00

Knibbelweg 65-69A (oneven)

45

41

46

28

46

0,07

Knibbelweg 30-34 (even)

46

41

47

28

47

0,06

Knibbelweg 39-51 (oneven)

47

42

49

31

49

0,08

Knibbelweg 37c

49

44

50

32

50

0,07

Noordelijke Dwarsweg 114

55

50

56

32

56

0,02

Noordelijke Dwarsweg 63

59

53

60

33

60

0,01

Noordelijke Dwarsweg 124-132 (even)

62

58

64

36

64

0,01

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting door de komst van het transformatorstation niet waarneembaar zal toenemen. Gesteld kan worden dat de geluidsituatie niet zal verslechteren.

FA 21613-3-RA-001 14

5

Beoordeling en conclusie

5.1 L a n g t i j d g e m i d d e l d e b e o o r d e l i n g s n i v e a u s

Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de door het geprojecteerde 150/20 kVstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder optredende geluidbelasting bij alle bestaande woningen ten hoogste 44 dB(A) zal bedragen, zelfs indien een toeslag voor tonaal geluid in rekening wordt gebracht. Exclusief toeslag bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 39 dB(A). Bij alle woningen wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde op basis van de Wet geluidhinder (50 dB(A) etmaalwaarde). In de "ontwikkelingsvisie middengebied Zuidplas" wordt in de toekomst op een viertal mogelijke locaties woningbouw voorzien (ten zuidoosten van het geprojecteerde transformatorstation). De dichtstbij gelegen geprojecteerde woningen zullen zich op iets meer dan 300 meter afstand van de inrichting bevinden, waarbij de geluidbelasting lager zal zijn dan 45 dB(A) inclusief toeslag. Derhalve worden ook voor de toekomstige woningbouw geen knelpunten voorzien. Uit het onderzoekt volgt dat bij woningen (zowel de huidige als mogelijke toekomstige woningen) geluidbelastingen ten gevolge van het transformatorstation worden berekend die voldoen aan de streefwaarde voor gebiedstype 'rustige woonwijk'.

In deze situatie zou het verdedigbaar zijn uit te gaan van hogere streefwaarden daar de omgeving niet direct kan worden aangemerkt als 'rustige woonwijk' maar als een type omgeving waar hogere geluidniveaus optreden. Dit vanwege de ligging van de bestaande woningen nabij bedrijven en de aanwezigheid van de (snel)wegen en het spoor. Dit wordt bevestigd door het feit dat de cumulatieve geluidbelasting niet waarneembaar zal toenemen. De compensatiespoelen zijn maatgevend voor de geluidbelasting. Middels plaatsing van deze spoelen in driezijdige cellen wordt de geluidemissie naar de omgeving beperkt. Nu voldaan wordt aan de redelijkerwijs te stellen criteria worden verdergaande maatregelen niet noodzakelijk en te vergen geacht. Gelet op het in de toekomst opgestelde elektrische vermogen (meer dan 200 MVA) zal een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder vastgesteld dienen te worden. In dit rapport is een voorstel uitgewerkt waarbij, in afwijking van de normale systematiek van de Wet geluidhinder, rekening wordt gehouden met het tonale karakter van het geluid. Binnen de voorgestelde geluidzone zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Het voorstel voor de zonegrens is opgenomen in Dguur 4.1

FA 21613-3-RA-001 15

5.2 M a x i m a l e g e l u i d n i v e a u s

Vanwege het schakelen met de vermogensschakelaars kunnen 'maximale geluidniveaus' (geluidpieken) optreden. Berekend worden maximale geluidniveaus van ten hoogste 50 dB(A) bij woningen. Dit is ruimschoots lager dan de normaliter te vergunnen waarden (te weten: 70 dB(A) voor de dagperiode, 65 dB(A) voor de avondperiode en 60 dB(A) voor de nachtperiode).

Groningen, Dit rapport bevat 16 pagina's, Bijlage 1, bestaande uit 8 pagina's en 2 Dguren, Bijlage 2, bestaande uit 42 pagina's.

FA 21613-3-RA-001 16

Bijlage 1: Invoergegevens rekenmodel

Invoergegevens rekenmodel: − rekenpunten, − gebouwen, − schermen, − bodemgebieden, − puntbronnen,

pagina 1.2 pagina 1.3 pagina 1.4 t/m 1.5 pagina 1.6 pagina 1.7 t/m 1.8 figuur 1.1 t/m 1.2

FA 21613-3-RA-001 1.1

Bijlage 1 Invoergegevens

Model: Groep:

150/20 kV-station Zevenhuizen/Zuidplaspolder (hoofdgroep) Lijst van Toetspunten, voor rekenmethode Industrielawaai - IL

Naam 01 02 03 04 05

Omschr. Bredeweg 110 Bredeweg 112 Bredeweg 114 Bredeweg 120 Bredeweg 122

X 101830,66 101903,56 101950,24 102107,91 102130,53

Y 448373,20 448356,63 448286,40 448135,82 448127,06

Maaiveld -5,70 -5,70 -5,70 -5,30 -5,30

Hoogte A 5,00 5,00 5,00 5,00 5,00

Hoogte B ------

Gevel Ja Ja Ja Ja Ja

06 07 08 09 10

Bredeweg 124 Bredeweg 126 Bredeweg 128 Bredeweg 130 Bredeweg 132

102169,57 102191,06 102195,60 102265,41 102301,80

448088,08 448058,80 447948,92 447974,35 447946,25

-5,30 -5,30 -5,30 -5,30 -5,30

5,00 5,00 5,00 5,00 5,00

------

Ja Ja Ja Ja Ja

------

11 12 13 14 15

Bredeweg 134 Bredeweg 136 Bredeweg 138 Bredeweg 140 Bredeweg 142

102330,75 102336,51 102320,50 102364,13 102392,08

447925,18 447890,65 447870,08 447892,25 447855,88

-5,30 -5,30 -5,30 -5,30 -5,30

5,00 5,00 5,00 5,00 5,00

------

Ja Ja Ja Ja Ja

------

16 17 18 19 20

Bredeweg 144 Bredeweg 146 Bredeweg 148 Bredeweg 162 Knibbelweg 69a

102423,52 102447,84 102441,44 102355,04 101325,58

447831,80 447798,85 447771,48 447687,61 446801,20

-5,30 -5,30 -5,30 -6,00 -6,00

5,00 5,00 5,00 5,00 5,00

------

Ja Ja Ja Ja Ja

------

21 22 23 24 25

Knibbelweg 65-69 Knibbelweg 34 Knibbelweg 32 Knibbelweg 30 Knibbelweg 51

101264,83 101139,30 101049,41 101017,30 101024,54

446797,38 446861,53 446950,08 446982,26 447115,17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10329014/1