Bijlage 3 Bestemmingsplan De Twee Gebroeders nieuw (6-1-21) (A19.001533)
Tekst van het document
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
3.3.3
Conclusie
Er geldt geen archeologische onderzoeksverplichting meer in het plangebied. Daarnaast is in het plangebied geen monument aanwezig en ligt het plangebied niet in een beschermd stadsgezicht. Archeologie en cultuurhistorie vormen derhalve geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
3.4
Water
3.4.1
Waterschapsbeleid
Met ingang van 1 juni 2016 is het Waterbeheerplan 2016 – 2021 van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard van kracht. Met stevige dijken beschermt het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) het beheersgebied tegen overstromingen. Het HHSK zorgt ervoor dat het waterpeil past bij de functies, en dat sloten, vaarten en plassen goed zijn ingericht en zorgvuldig worden beheerd. Voldoende water van goede kwaliteit is een belangrijk doel. Het zuiveren van het afvalwater van huishoudens en bedrijven gebeurt efficiënt en innovatief, met oog voor milieu en duurzaamheid. Het HHSK zet zich in voor een biologisch gezond watersysteem, waarin planten en dieren zich goed kunnen ontwikkelen. Zo blijft het watersysteem geschikt voor de meeste functies en aantrekkelijk voor gebruikers. Voor de gemeente Zuidplas zijn de aspecten waterveiligheid, watersysteem en afvalwaterketen en -emissies van belang. Waterveiligheid: stevige dijken beschermen burgers en bedrijven tegen overstromingen vanuit de rivieren de Nieuwe Maas, Lek en Hollandsche IJssel en de boezemwateren. Zo beperkt het HHSK niet alleen de kans op overstromingen, maar ook de gevolgen daarvan (schade en slachtoffers). Het nieuwe Deltaprogramma en de deltabeslissing Waterveiligheid vormen het kader voor de zorg voor de waterveiligheid.
Watersysteem: hier ligt de focus op het duurzaam en slim besturen, beheren en onderhouden van het samenhangende systeem van watergangen en kunstwerken. Zo zorgt het HHSK voor een optimaal waterpeil bij de gewenste functie, voor voldoende water van goede kwaliteit en voor goed onderhouden sloten, vaarten en plassen. Door alert te reageren op wijzigende omstandigheden blijft het watersysteem duurzaam ingericht. Op deze manier anticipeert het HHSK op klimaatverandering en bodemdaling en ruimtelijke ontwikkelingen. Actuele gegevens over het watersysteem en het waterbeheer zijn digitaal beschikbaar. Afvalwaterketen en emissies: afvalwaterzuiveringsinstallaties verwerken het afvalwater uit het gebied efficiënt en duurzaam. Het transport van afvalwater en het na zuivering lozen van het effluent op sloten en rivieren gebeurt doelmatig en verantwoord. Het efficiënt gebruik van installaties en transportsystemen levert maatschappelijke winst op in de vorm van energieterugwinning en kostenbesparing. Met optimalisatie en innovatie van de zuiveringsprocessen zet het HHSK in op duurzaamheid: bijvoorbeeld door lozingen te verminderen, grondstoffen terug te winnen en energie te besparen of op te wekken. Het Waterbeheerplan is ook van belang voor ontwikkelingen. Ontwikkelingen gaan vaak gepaard met een toename van het verharde oppervlak.
In het Waterbeheerplan staat beschreven hoe het HHSK omgaat met het bergen van oppervlaktewater bij een toenemend oppervlak aan verharding. In zijn algemeenheid geldt verder dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het HHSK vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van overstorten, hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater, het dempen en graven van water en het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur maakt het mogelijk dat het hoogheemraadschap zijn taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
3.4.2
Waterkwaliteit
Er ligt geen oppervlaktewater in de nabijheid van de projectlocatie. Bij de realisatie van de nieuwbouw mogen geen uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt op plaatsen, die in contact zouden kunnen komen met hemelwater. De voorgenomen ontwikkeling heeft hiermee geen invloed op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. 3.4.3
Waterkwantiteit
Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur verharde oppervlakten aan te brengen met een totale oppervlakte van meer dan 500 m2, waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, wordt gebracht op het oppervlaktelichaam. De projectlocatie is al volledig verhard. Er vindt geen nieuwe verharding plaats. Een watervergunning en compensatie is daarom niet noodzakelijk. 3.4.4
Veiligheid en beschermde gebieden
Figuur 3.2 Leggerkaart waterstaatswerken, plangebied bij benadering rood omlijnd
Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermingszone van een waterkering. Het plan heeft daarom ook geen invloed op de stabiliteit van waterkeringen. 3.4.5
Riolering
De gemeente Zuidplas heeft ten aanzien van riolering beleid opgesteld: het Gemeentelijk Rioleringsplan Zuidplas 2016 t/m 2020. Hierin is opgenomen dat hemelwater bij nieuwbouw altijd gescheiden van het overig afvalwater moet worden aangeboden aan de perceelgrens. Alle nieuwbouwprojecten dienen rekening te houden met een duurzame oplossing voor hemelwater conform het beleid van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Alle nieuw aan te leggen riolering moet voldoen aan het programma van eisen van de gemeente Zuidplas. 3.4.6
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de milieutechnische (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
4.1
Bedrijven en milieuzonering
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie (zie onderstaande tabel).
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
4.1.1
Toetsing planiniatief
De projectlocatie is gelegen in een gemengd gebied. Naast woonfuncties, komen kantoor-, horeca en detailhandel functies in de omgeving voor. Op circa 25 meter afstand is een gebouw gevestigd waarin de woon-, detailhandel- en horeca functie is toegestaan. In het bestemmingsplan is opgenomen dat ter plaatse van bedrijfsbestemmingen uitsluitend bedrijven en bedrijfsactiviteiten uit de categorieën van 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toelaatbaar zijn. De horeca-activiteiten zijn slechts tot en met categorie 1 uit de Staat van Horeca-activiteiten toegestaan. Deze horeca-activiteiten hebben een milieucategorie van 1. Dit geldt ook voor supermarkten en bepaalde detailhandelszaken. Bij activiteiten met een milieucategorie 1 dient in een rustige woonwijk een richtafstand van 10 meter te worden aangehouden. In een gemengd gebied is dit 0 meter. De projectlocatie is 25 meter van de milieubelastende activiteit gelegen en voldoet daarmee in ruime mate aan deze richtafstand. Binnen het plangebied hanteert men het principe van functiemenging. In een gebied met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden.
De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. In het plangebied wordt bovenop een gezondheidscentrum (SBI-2008 code 86.92.1) appartementen gerealiseerd. Deze woningen zijn bouwkundig afgescheiden van het gezondheidscentrum. Blijkens de Staat Bedrijfsactiviteiten functiemening van de VNG-Brochure behoort een gezondheidscentrum tot de categorie A en is het toelaatbaar aanpandig aan woningen. Daarnaast bevindt zich, na de nieuwbouw, een transformatorhuisje op circa 4 meter afstand van de nieuwbouw. Een trafo-huisje kent een richtafstand van 10 meter wat betreft het aspect gevaar heeft in een gemengd gebied. Er heeft overleg plaatsgevonden met de netbeheerder Stedin om het vermogen van het transformatorhuisje te achterhalen. Het trafo-huisje heeft een vermogen van 400 kVA trafo, wat 0,4 mVA is. Een dergelijk vermogen is dusdanig klein van aard dat het aspect gevaar geen belemmering vormt voor de nieuwbouw. Dit is bevestigd door de netbeheerder. 4.1.2
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1
Wet- en relgeving
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien nieuwbouw plaatsvindt, dient in het kader van de omgevingsvergunningverlening zorg gedragen te worden voor een goede bodemkwaliteit. Er is dan een bodemonderzoek nodig bij vergunningplichtige bouwwerken die als verblijfsruimte(n) gebruikt gaan worden. Van het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden verleend, als bij de gemeente reeds bruikbare historische informatie beschikbaar is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in een periode van minder dan twee jaar geleden daadwerkelijk een bodemonderzoek is uitgevoerd en sindsdien op het terrein geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
4.2.2
Onderzoek
Ten behoeve van dit bestemmingsplan is door Arnicon B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Onderstaand zijn de resultaten integraal weergegeven. Op de bebouwingsplanlocatie, met een een oppervlakte van circa 1.700 m2, bevindt zich momenteel een leegstaand bankgebouw met parkeerplaatsen. De aanleiding tot het onderzoek is de geplande sloop van de huidige bebouwing en nieuwbouw op deze locatie. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming. Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat de verdenking van bodemverontreiniging met asbest niet terecht is. 4.2.3
Conclusie
Uit het onderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied geschikt is voor de beoogde bestemming. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.3
Duurzaamheid
Duurzaamheid omvat onder andere een dusdanige manier van bouwen, renoveren en beheren, dat het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Het Bouwbesluit vormt het minimaal te realiseren kwaliteitsniveau in Nederland. In dit besluit is voor nieuwbouw van woningen de Energie Prestatie Normering (EPN) opgenomen. De EPN houdt in dat eisen worden gesteld aan het maximale energieverbruik van het gebouw. Dit is vastgelegd in een getal: de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Sinds 1995 is het verplicht een EPC berekening in te dienen in het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Voor alle nieuw te realiseren bouwwerken zullen zodoende EPC - berekeningen moeten worden uitgevoerd, op welke wijze de aspecten ‘energie’ en ‘duurzaamheid’ bij het bouwen betrokken worden. De EPC voor woningen is per 1 januari 2011 aangescherpt naar 0,6. Per 1 januari 2015 is dit aangescherpt naar 0,4 en in 2020 moeten woningen energieneutraal zijn (EPC van 0). Gemeente Zuidplas heeft als doelstelling om in 2050 energieneutraal te zijn.
In het ‘Collegeprogramma 2018-2022 gemeente Zuidplas’ zijn de volgende ambities opgenomen: Stimuleren van woningeigenaren tot energiebesparing en verduurzaming; Voorbereiden op klimaatverandering; Toewerken naar een circulaire economie. Ook streeft de gemeente Zuidplas naar aardgasvrije woningen. Dit wordt ondersteund door het inwerking treden van de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET), die tot gevolg heeft dat nieuwe kleinverbruikers zoals woningen, niet meer worden voorzien van een gasaansluiting vanaf 1 juli 2018. Relatie tot het plangebied Conform de Wet VET worden de woningen gasloos uitgevoerd en volgens het Bouwbesluit een EPCwaarde gelijk of beter dan de wettelijke eis van 0,4. Mede gezien de ambitie van de gemeente Zuidplas die als doelstelling heeft om in 2050 energieneutraal te zijn, wordt sterk aangeraden in het plan rekening te houden met de volgende duurzaamheidsaspecten: De gemeente Zuidplas wil energieneutraal zijn in 2050. Nieuwbouw en herinrichting bieden kansen om bij te dragen aan deze ambities. Geadviseerd wordt om de nieuwbouw energieneutraal (of energieleverend) te maken of ten minste voor te bereiden op het energieneutraal maken. Geadviseerd wordt om een duurzame wijze van verwarming toe te passen. Een warmtepomp met bodemwarmte is hiervoor een goede optie.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Geadviseerd wordt om zonnepanelen te plaatsen voor duurzame opwekking van energie. Door een groene inrichting in combinatie met open bestrating en waterberging toe te passen wordt zowel de klimaatbestendigheid als de leefbaarheid vergroot. Maak bij de bouw indien mogelijk gebruik van gerecyclede of duurzame materialen. Het aspect duurzaamheid vormt hiermee geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.4
Externe Veiligheid
4.4.1
Kader / wetgeving
De externe veiligheid wordt bepaald door aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (productie, gebruik, opslag en vervoer) in en rond het projectgebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 per object. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren (b.v.o. kleiner dan 1.500 m2), winkels, horeca en parkeerterreinen. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie, het Vuurwerkbesluit (2002, herziening 2004). Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan.
Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb) voor onder andere hogedruk aardgastransportleidingen. Aan de andere kant is het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijke beleid en externe veiligheid beleid dienen dus goed te worden afgestemd. Een ruimtelijke onderbouwing of toelichting is geen instrument om de mate van risico's te beheersen, maar is wel een schakel tussen het externe veiligheidsbeleid en ruimtelijke ordening. De risico's worden door twee factoren bepaald: de kans dat zich een ongeval voordoet en de effecten van dat ongeval. Om te kunnen beoordelen wat wel en niet aanvaardbaar is, bestaan er twee risicomaten, namelijk het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van het plaatsgebonden risico (PR). Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. In het besluit is een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze norm is een grenswaarde voor kwetsbare objecten en moet daarom door het bevoegde gezag in acht worden genomen (mag niet van worden afgeweken).
De grenswaarde voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten is 10–6 per jaar. Voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten betreft dit een richtwaarde. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. De officiële definitie van groepsrisico in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) luidt: 'de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is'. Het groepsrisico is geen norm, maar er geldt een verantwoordingsplicht. De onderdelen waar bij de verantwoording aandacht aan moet worden besteed staan beschreven in Bevi-artikel 12 voor
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Bevi-activiteiten en artikel 13 voor ruimtelijke plannen. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt met de oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken. 4.4.2
Toetsing planinitiatief
Voor de beoordeling van de risico's is de risicokaart geraadpleegd.
Figuur 4.1 uitsnede risicokaart, plangebied bij benadering blauw omlijnd
Risicovolle bedrijven / inrichtingen De projectlocatie is niet gelegen in de plaatsgebonden risicocontour van risicovolle inrichtingen. Risicovolle inrichtingen zijn gelegen op circa 485 meter (LPG-installatie) en 610 meter (zwembad) afstand. Voor de LPG-installatie geldt een invloedsgebied van het groepsrisico van 150 meter vanaf het vulpunt. De projectlocatie is niet in dit invloedsgebied gesitueerd en daarmee op voldoende afstand gelegen Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Op circa 575 meter afstand is een spoorweg gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De projectlocatie is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of binnen het invloedsgebied van 200 meter voor de groepsrisicoverantwoording. Transport gevaarlijke stoffen over de weg De projectlocatie is op circa 650 meter afstand gelegen van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De projectlocatie is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of binnen het invloedsgebied van 200 meter voor de groepsrisicoverantwoording. Daarnaast is de projectlocatie ook niet gelegen in het plasbrandaandachtsgebied. Transport gevaarlijke stoffen over het water
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Er is geen water in de nabijheid gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen De projectlocatie is niet gelegen in de nabijheid van een buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Hoogspanningslijnen Ten zuidwesten van het plangebied is een hoogspanningslijn gelegen (Krimpen – Bleiswijk, 380 kV) op 1.300 meter afstand. Gezien de (indicatieve) magneetveldzone van 215 meter vormt deze hoogspanningslijn geen belemmering voor het plangebied. 4.4.3
Conclusie
Het projectgebied is hiermee op dermate grote afstand van risicobronnen gesitueerd dat externe veiligheid niet van toepassing is op de ontwikkeling die binnen dit gebied plaatsvinden. Het aspect externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.5
Flora en fauna
4.5.1
Wet- en regelgeving
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Het NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. (Het vervallen van de) Programmatische Aanpak Stikstof In het kader van de Wet natuurbescherming dient ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie te worden beoordeeld. Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS zijn de
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen stikstofgevoelige habitattype voorkomen. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is het PAS komen te vervallen. De PAS mag niet meer als toestemmingsbasis voor activiteiten gebruikt worden. Daarnaast zijn de zogenoemde drempelwaarden vervallen. Dit heeft tot gevolg dat iedere activiteit met een uitstoot van stikstof in beginsel vergunningplichtig kan zijn. De geoffreerde stikstofdepositieberekening maakt inzichtelijk of sprake is van een toename van stikstofdepositie en daardoor mogelijk vergunningplichtig is in het kader van de Wet natuurbescherming.
4.5.2
Ecologische quickscan
Ten behoeve van deze ontwikkeling is een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De quickscan is bijgevoegd als Bijlage 2 en de resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel globaal beschreven. Soortenbescherming Er heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens de veldcontrole is binnen het plangebied geen nestactiviteit of territoriaal gedrag danwel nesten van jaarrond beschermde vogels aangetoond. Wel kunnen algemeen voorkomende soorten zoals kleine zoogdieren (muizen, konijn, etc.) voorkomen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt een algemene provinciale vrijstelling, uiteraard moet wel de zorgplicht in acht worden genomen. Daarnaast kan op het dak en in de losse boeiboord aan de zuidgevel en struweel en hagen en bomen in de directe omgeving algemene broedvogels voorkomen. Tijdens de terreininspectie zijn o.a. ekster, kauw, merel en koolmees waargenomen. Omdat in het gebouw op hoogte open stootvoegen aanwezig zijn en de boeiboorden los van muren is aangebracht, waardoor er in- en uitvliegopeningen zijn is de bebouwing in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen (zoals bijv. gewone dwergvleermuis). Daarbij blijkt uit controle dat het gebouw is gebouwd in spouw waardoor ook de spouw tussen de muren als geheel ook geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen.
In de regio zijn in de afgelopen jaren als gewone dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen. Tijdens de inpandige controle en onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan van gebruik van de bebouwing als winterverblijfplaats door vleermuizen. Overige beschermde fauna of beschermde flora zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht. Opgemerkt wordt dat vanwege het seizoen beschermde soorten nu niet in het gebied kuinnen zijn opgemerkt die er op een ander moment wel aanwezig zijn. In de struweel en in de grotere kieren van de boeiboorden kunnen algemene broedvogels tot broeden komen. Het gebouw is in potentie geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Daarom is een jaarrondonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden in de volgende subparagraaf besproken. De bebouwing is in potentie minder geschikt voor jaarrond beschermde vogels. Wel zijn er algemene broedvogels gesignaleerd. Aanbevolen wordt om buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet in NNN-gebieden gelegen (op ca. 1,5 km afstand ligt het meest nabijgelegen aangewezen gebied, te weten de Hollandse IJssel). Gezien deze afstand en de beperkte aard en omvang van de werkzaamheden, zijn de werkzaamheden niet van invloed op deze gebieden. De planlocatie ligt in een woonwijk met diverse winkelvoorzieningen.
En aangezien de werkzaamheden niet plaatsvinden in een NNN-gebieden, vindt geen kwaliteitsverlies of versnippering plaats. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn: Boezems Kinderdijk; Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein; Donkse Laagte;
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Oude Maas; Biesbosch. De natuurgebieden "Donkse Laagte", "Oude Maas" en "Boezems Kinderdijk" zijn Natura 2000-gebieden waar zich geen stikstofgevoelige habitats in bevinden, derhalve zal de depositie niet worden bepaald voor deze gebieden. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is opgenomen is de Biesbosch, deze bevindt zich op circa 20 km vanaf het plangebied. Onderzoek stikstof Door Peutz is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Dit is onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11 van het bestemmingsplan. Onderstaan de resultaten integraal weergegeven.
Onderstaand tabel geeft de stikstofdepositie weer.
Conclusie stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming dient beoordeeld te worden of de ontwikkeling de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Overbelasting door stikstofdepositie vormt voor een groot aantal Natura 2000-gebieden een groot probleem voor de natuur. In voorliggende rapportage zijn daarom de stikstofemissie en de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling nader beschouwd. Zowel de aanleg- en bouwfase als de gebruiksfase zijn vergeleken met de referentiesituatie. Uit het onderzoek volgt dat er geen sprake is van een relevante toename (meer dan 0,00 mol N/ha/jaar) in de stikstofdepositie ter plaatse van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied ten gevolge van 'sec' de aanlegfase dan wel 'sec' de gebruiksfase. Hiermee wordt gesteld dat er geen significant negatieve effecten ten gevolge van de ontwikkeling optreden ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Aldus wordt geconcludeerd dat het aspect stikstofdepositie in het kader van de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling en een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
4.5.3
Nader onderzoek vleermuizen
Naar aanleiding van de potentie van het gebouw als verblijfplaats voor vleermuizen is door Buijs Ecoconsult BV een nader vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 3. Het onderzoek had als doel de aanwezigheid, gebruik en eventuele functies van vleermuizen in het plangebied kaart te brengen. Op de locatie is tijdens veldbezoek meermaals de aanwezigheid van twee vleermuissoorten aangetroffen; gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. De gewone dwergvleermuis bewoont voornamelijk objecten/gebouwen. Deze soort is in het plangebied tijdens de veldbezoeken echter niet met een verblijfplaats aangetroffen, maar is langsvliegend waargenomen. Invliegers, uitvliegers en/of zwermen is in het plangebied niet waargenomen. Daarnaast is ook de ruige dwergvleermuis nabij het plangebied waargenomen. Deze soort bewoont hoofdzakelijk bomen. De mogelijk te kappen en/of herplanten bomen en de bomen in de directe omgeving van het plangebied bevatten geen zichtbare gaten, kieren en scheuren en hierbij zijn geen inen/of uitvliegers bij waargenomen. Wel worden deze bomen (net als het overig openbaar groen in de directe omgeving) gebruikt als vliegbegeleiding en incidenteel foerageergebied. Met mogelijke kap en/of herplanting van de bomen gaat geen essentieel foerageergebied en/of vliegroute verloren.
Paarverblijfsplaatsen (van gewone dwergvleermuis) zijn door middel van baltsroep wel aangetoond. Op basis van de locatie van de baltsroep, het in vlucht volgen van deze baltsende vleermuis (met warmtebeeldcamera) is het baltsen gerelateerd aan een paar-/zomerverblijf ten noorden van het plangebied. Omdat er geen vaste verblijfplaatsen of andere beschermde functies voor vleermuizen zijn vastgesteld kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden (buiten het kwetsbaar broed/voortplantingsseizoen) zonder verdere beperking worden uitgevoerd. Een ontheffing soortbescherming Wet natuurbescherming is hierdoor niet aan de orde. Door de werkzaamheden buiten deze kwetsbare perioden uit te voeren wordt invulling gegeven aan het Zorgvuldig handelen principe. 4.5.4
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor beschermde natuurgebieden. De bebouwing wordt niet geschikt geacht voor jaarrond beschermde vogelsoorten. Wel kunnen algemene zoogdieren en algemene broedvogels aanwezig zijn op of in de bebouwing. Hiervoor geldt dat een provinciale vrijstelling geldt voor grondgebonden zoogdieren, en dat voor de vogels buiten het broedseizoen gewerkt dient te worden. Ten aanzien van beschermde vleermuizen is een nader onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de kap- en sloopwerkzaamheden, buiten het kwetsbare broed/voortplantingsseizoen, zonder verdere beperkingen kunnen worden uitgevoerd. Het aspect ecologie vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.6
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen onderwijsgebouwen ziekenhuizen verpleeghuizen verzorgingstehuizen psychiatrische inrichtingen kinderdagverblijven. Op het moment dat één van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het, als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven), wenselijk zijn om
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Ook dan zal eerst de gevelbelasting bepaald dienen te worden. Langs (toekomstige) verkeers- en spoorwegen en industriegebieden liggen planologische aandachtsgebieden (de zone). Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde voor woningen bedraagt 48 dB ten aanzien van wegen, 55 dB ten aanzien van spoorwegen en 50 dB ten aanzien van industriegebieden. Door middel van een hogere waarde kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare waarde. De hoogte van deze maximaal toelaatbare waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied. Voor woningen in stedelijk gebied bedraagt de maximale ontheffingswaarde 63 dB ten aanzien van wegen en 68 dB ten aanzien van spoorwegen. Voor industriegebieden bedraagt de maximale ontheffingswaarde 55 dB voor geprojecteerde woningen en 60 dB voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen. Indien gevelbelastingen boven deze ontheffingswaarde optreden is een geluidsgevoelige bestemming alleen mogelijk indien deze gevels doof worden uitgevoerd.
Een blinde gevel, een dove gevel, een geluidsscherm dat bouwkundig is verbonden met het gebouw en de geluidswalzijde van geluidswalwoningen worden in de Wet geluidhinder namelijk specifiek benoemd als zijnde geen gevel. Op een gevel waarin geen te openen delen, zoals ramen, deuren en ventilatievoorzieningen zitten hoeft vanuit de Wet geluidhinder niet getoetst te worden. 4.6.1
Onderzoek
Vanwege de realisatie van geluidsgevoelige objecten, namelijk woningen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Alcedo bv. Het onderzoek is als Bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting. Onderstaand wordt het onderzoek per relevant onderdeel globaal uitgewerkt. 4.6.2
Railverkeer
In het onderzoek is de geluidbelasting van de nabijgelegen spoorweg onderzocht. Het geluidsproductieplafond aan de noordzijde van de spoorlijn bedraagt ter hoogte van de planlocatie maximaal 65,5 dB. Daarmee bedraagt de zonebreedte 300 meter. De spoorlijn is op circa 570 meter afstand gelegen. Voor de zekerheid en zorgvuldigheid is toch de geluidbelasting onderzocht. De geluidbelasting ten gevolge van railverkeerslawaai overschrijdt niet de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. De optredende geluidsbelasting bedraagt maximaal 46 dB. 4.6.3
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) geeft aan dat voor wegen met een rijsnelheid van 50 km/uur of hoger wettelijke onderzoekszones gelden. Indien er binnen deze zones een nieuwe geluidgevoelige functie juridisch-planologisch wordt mogelijk gemaakt, dient er een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Als uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevel van een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt overschreden, zal er een hogere grenswaarde vastgesteld moeten gaan worden (uitgaande dat er geen maatregelen te treffen zijn, waardoor de gevelbelasting wel aan de voorkeursgrenswaarde voldoet). Dit is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Het ontwerpbesluit van de hogere grenswaarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmignsplan ter inzage gelegd te worden. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft een geluidsbeleid opgesteld. Omdat het plangebied niet binnen de geluidszone van gezoneerde wegen (wegen met een rijsnelheid van 50 km/uur of hoger) ligt, is deze echter niet van toepassing. In het akoestisch onderzoek door Alcedo bv wordt de geluidsbelasting als gevolg van de omliggende wegen beschouwd. Dorrestein (Lorentzstraat) (30 km/uur)
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Dorrestein (voorheen Lorentzstraat) bedraagt ter plaatse van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten hoogtste 55 dB (inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh). Hiermee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. J.A. Beijerinkstraat (30 km/uur) De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de J.A. Beijerinkstraat bedraagt ter plaatse van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten hoogste 58 (inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh). Hiermee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Prins Alexanderlaan (30 km/uur) De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Prins Alexanderlaan bedraagt ter plaatse van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten hoogste 41 dB (inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Burg Vogelaarsingel (30 km/uur) De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Burg Vogelaarsingel bedraagt ter plaatse van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten hoogste 26 dB (inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Prins Alexanderpad (30 km/uur) De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op het Prins Alexanderpad bedraagt ter plaatse van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten hoogste 40 dB (inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Burgemeester Van der Meulenpad (30 km/uur) De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op het Burgemeester Van der Meulenpad bedraagt ter plaatse van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten hoogste 43 dB (inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh). Gecumuleerde geluidsbelasting De gecumuleerde geluidsbelasting vanwege het wegverkeer bedraagt bij de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten hoogste 63 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. Hogere grenswaarde Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van gezoneerde geluidsbronnen. Een hogere grenswaarde is derhalve niet van toepassing. 4.6.4
Goed woon- en leefklimaat omliggende woningen
In het kader van het goed woon- en leefklimaat is door LBP Sight onderzoek gedaan naar geluidsbelasting dat als gevolg van de ontwikkeling optreedt op omliggende woningen. Het onderzoek is als Bijlage 13 opgenomen bij dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek volgt dat op grond van de berekende geluidniveaus, rekening houdend met de aanwezige geluidwering van deze woningen en de gebruikelijk te hanteren binnenwaarden die niet worden overschreden, er kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
4.6.5
Conclusie
Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van gezoneerde geluidsbronnen. Formeel is toetsing aan de eisen conform de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Een hogere grenswaarde en cumulatie is derhalve niet van toepassing. Voor de nieuwbouw is geen aanvullend akoestisch onderzoek naar de gevelgeluidswering van de gevels noodzakelijk. Omdat vanwege de Lorentzstraat en de J.A. Beijerinkstraat niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, wordt geadviseerd om in het kader van een goed woon- en leefklimaat te streven naar een binnenwaarde van 33 dB conform afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. Tevens is de geluidsbelasting op omliggende woningen berekend en kan er gesteld worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
4.7
Luchtkwaliteit
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de lucthkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). 4.7.1
AMvB 'niet in betekenende mate'
In het Besluit NIBM en de bijbehorende ministeriële Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In onderhavig geval is sprake van ontwikkeling van woningen, een gezondheidscentrum en een apotheek.
Het aantal woningen zal ver onder bovengenoemde grenzen liggen. Het draagt daarom niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien worden de woningen gasloos uitgevoerd. 4.7.2
Goed woon- en leefklimaat
Op www.atlasleefomgeving.nl (geraadpleegd op 4 december 2020) is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2018 van stikstofdioxide NO2 22,3 µg/m3, van fijnstof PM10 20,0 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 12,4 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie). Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zullen de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven.
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
4.7.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.8
Bezonning
Om de effecten van de ontwikkeling op de bezonning te onderzoeken is door Prevent Adviesgroep een onderzoek gedaan (zie Bijlage 8). In deze bezonningsstudie is de schaduwwerking van de mogelijkheden op basis van het planologisch regime inzichtelijk gemaakt. Hierbij is getoetst aan de lichte TNO-norm. De lichte TNO-norm is een gebruikelijke methode om de bezonning van woningen in een stedelijk gebied te beoordelen. In een stedelijke omgeving kunnen minder hoge eisen aan de bezonning worden gesteld en moet er mee rekening worden gehouden dat bebouwing van invloed kan zijn op de bezonning. Om die reden kan de lichte TNO-norm worden toegepast. Er bestaan geen wettelijke normen en eisen met betrekking tot de bezonning. Wel bestaan de normen van TNO: een 'lichte norm', die minimaal twee uur zon per dag in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft, en een 'strenge norm', die drie uur zon per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november voorschrijft. In deze rapportage is alleen de lichte TNO norm onderzocht. Er wordt voldaan aan de lichte TNO-norm als de zon minimaal 2 uur per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer valt, gedurende de periode 19 februari t/m 21 oktober. Onderstaand zijn de resultaten weergeven.
Gebouw 1 De schaduwwerking van het plan op gebouw 1 betreft het effect op de zuid- en oostgevel van het gebouw. Deze gevel heeft in de winterperiode(zie resultaat op d.d. 19 februari en 21 oktober), maximaal 3 uur directe bezonning op de gevel in de huidige situaie. Dit is voldoende om de lichte eisen te behalen. Het bestemmingsplan en het nieuwe ontwep heeft een verslechterende invloed op de bezonning, echter valt dit binnen de norm van 2 uren bezonning. Gebouw 2 De schaduwwerking van het plan op gebouw 1 betreft het effect op de zuid- en westgevel van het gebouw. Deze gevel heeft in de winterperiode(zie resultaat op d.d. 19 februari), maximaal 2 uur directe bezonning op de gevel in de huidige situaie. Dit is voldoende om de lichte eisen te behalen. Het bestemmingsplan en het nieuwe ontwep heeft een verslechterende invloed op de bezonning, echter valt dit wel binnen de norm van 2 uren bezonning tussen 19 februari en 21 oktober. Gebouw 3 Gebouw 3 heeft in de bestaande situatie geen schaduwwerking van het bouwwerk. Het bestemmingsplan en het ontwerp heeft een minimale schaduwwerking op gebouw 3, echter valt dit ruim binnen de TNO norm. Gebouw 4 Gebouw 4 heeft in de bestaande situatie nagenoeg geen schaduwwerking van het bouwwerk. Het bestemmingsplan en het ontwerp heeft een verslechterende invloed op de schaduwwerking voor gebouw 4.
Echter valt het nieuwbouwplan ruim binnen de norm van 2 uur.
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Schaduwwerking appartementen winkels Gelet op de locatie van de beoogde nieuwbouw en de stand van de zon, zal er geen sprake zijn van schaduwwerking op de appartementen boven de winkels en overige gebouwen aan de zuidelijke en westelijke kant van de nieuwbouw. Om die reden is er geen meetpunt aan deze zijde van de beoogde nieuwbouw in het onderzoek meegenomen. Daglichttoetreding De daglichttoetreding van de omliggende woningen wordt niet verminderd indien er schaduwwerking optreed op omliggende panden door het nieuwbouwplan. De daglichttoetreding en schaduwwerking hebben geen relatie tot elkaar. Een woning ontvangt immers wel daglicht op het moment dat deze schaduw ontvangt. Gelet op de omvang en hoogte van de toekomstige bebouwing in combinatie met de afstand van die bebouwing tot de omliggende woningen zal er geen sprake zijn van een onaanvaardbare beperking van de lichtinval bij deze omliggende woningen in vergelijking tot de bestaande situatie en is een voldoende daglichttoetreding gewaarborgd. Resultaten Uit de resultaten blijkt dat het bestemmingsplan en het ontwerp voldoet aan voor de omliggende gebouwen aan de lichte TNO-norm voor bezonning.
4.9
M.E.R.
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r.. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 4.9.1
Toetsing planinitiatief
Het bestemmingsplan "De Twee Gebroeders" maakt de ontwikkeling van woningen, een gezondheidscentrum en een apotheek. Deze mogelijkheden moeten worden gezien als een activiteit die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelproject, categorie D11.2). De ontwikkelmogelijkheden blijven echter ruim onder de drempelwaarde van deze activiteit. Daarom kan (met een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling) worden gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. De ontwikkelingen liggen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000 gebied. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in hoofdstuk 4 van dit bestemmingsplan. 4.9.2
Conclusie
Op grond van het bovenstaande is het bestemmingsplan "De Twee Gebroeders" niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig. Een inhoudelijke uitwerking van deze afweging is te vinden in de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Dit is als Bijlage 5 bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. Burgemeester en wethouders dienen in te stemmen met de conclusie in het besluit.
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (zogenaamde plankaart) en de regels (planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is deze uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking.
5.2
Wijze van bestemmen
De regels bestaan uit vier hoofdstukken: Inleidende regels (hoofdstuk 1) Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Algemene regels (hoofdstuk 3) Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld op basis van de digitaliserings- en standaardiseringsvereisten, versie 2012 (IMRO en SVBP 2012, inclusief de wijzigingen van december 2013). Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende regels.
5.3
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen, waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten dienen te worden.
48
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
5.4
Bestemmingsregels
In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In dit hoofdstuk komen de volgende artikelen voor: Artikel 3 Gemengd Binnen de bestemming "Gemengd" zijn gestapelde woningen toegestaan op de verdiepingen. Op de begane grond zijn geen woningen toegestaan. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend huurwoningen toegestaan. Een koopwoning kent een hogere parkeernorm en een hoger effect op de parkeerdruk dan huurwoningen. Uit de parkeeronderzoeken blijkt dat het gewenste programma, bestaande uit 42 huurwoningen, past binnen de parkeercapaciteit. Echter past een variant koopwoningen niet binnen de parkeercapaciteit en voldoet de parkeerdruk niet aan hetgeen wat op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid als toelaatbaar en verenigbaar wordt geacht. Concluderend is daarom gekozen om koopwoningen uit te sluiten in artikel 3.1, onder a, van de regels. De uitsluiting wordt vanwege het gebrek aan parkeercapaciteit en een te hoge parkeerdruk als ruimtelijk relevant gezien. Om in de toekomst eventueel nog te voorzien in de realisatie van koopwoningen is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in artikel 8.2 van de planregels.
Afwijking is alleen mogelijk indien wordt voldaan aan het geldend parkeerbeleid en daarin de opgenomen mogelijkheden tot afwijking. Op de begane grond en eerste verdieping is de functie 'gezondheidscentrum' met ten hoogte 16 behandelkamers toegestaan. Een apotheek is uitsluitend toegestaan indien het aantal behandelkamers in het gezondheidscentrum ten hoogste 14 bedraagt. Deze regel is opgenomen om aan de parkeerbehoefte te kunnen voldoen. In paragraaf 3.2 is de parkeerbehoefte nader uitgewerkt. Bij de enkelbestemming Gemengd behorende functies zoals paden, wegen en parkeervoorzieningen, erven en terreinen, groenvoorzieningen, waterlopen en -partijen, voorzieningen van openbaar nut en kunstwerken zijn tevens toegestaan. Bebouwing is uitsluitend mogelijk binnen het bouwvlak. De maximale bouwhoogte en goothoogte is aangegeven op de verbeelding. Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de woonstraten in het plangebied. Binnen de bestemming zijn onder meer wegen met een verblijfsfunctie, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en voorzieningen van algemeen nut (zoals het reeds in het plangebied aanwezige transformatorhuisje) toegestaan.
5.5
Algemene regels
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Het doel van de antidubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens het bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel is een (dynamische) verwijzing naar de beleidsregels voor parkeren opgenomen. Daarnaast is een regeling opgenomen ten aanzien van de overschrijding van aanduidingsgrenzen, bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwonderdelen. Ten slotte is geregeld dat bepaalde bouwwerken met afwijkende maten zijn toegelaten. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de specifieke afwijkingsregels uit de bestemmingen in hoofdstuk 2 van de regels. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat met een ‘reguliere omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan’ kan worden toegestaan. Het gaat
Toelichting (vastgesteld)
49
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
bijvoorbeeld om afwijking tot 10% van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages. Tevens is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in artikel 8.2, waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning koopwoningen te realiseren. Zoals onder paragraaf 5.4 is besproken, voldoet een programma van koopwoningen niet aan de parkeercapaciteit. Er dient bij de afwijkingsmogelijkheid voldaan te worden aan het geldend parkeerbeleid en de daarin opgenomen afwijkingsmogelijkheden. Artikel 9 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Wanneer van deze bevoegdheid gebruik gemaakt kan worden, wordt beschreven in de regels. Artikel 10 Overige regels Er is een regeling opgenomen ten aanzien van het uitvoeren ondergrondse werken. Ten slotte is een regeling opgenomen over de werking van de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen: deze gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
5.6
Overgangs- en slotregels
In het hoofdstuk "Overgangs- en slotregels" (Hoofdstuk 4 van de regels) komen de volgende artikelen voor: Artikel 11 Overgangsrecht In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd Artikel 12 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderhavige bestemmingsplan.
50
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Twee Gebroeders
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1
Exploitatieplan en kostenverhaal
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het voorliggende plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. Ten aanzien van de voorziene ontwikkeling is tussen gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. De initiatiefnemer zal de gronden binnen het plangebied voor eigen rekening en risico bouw- en woonrijp maken. Daarnaast zijn afdoende bepalingen opgenomen over het kostenverhaal inzake de gemeentelijke inzet alsmede eventuele kosten als gevolg van planschadevergoedingen. De economische uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. Omdat het kostenverhaal middels de anterieure overeenkomst anderszins is verzekerd en geen noodzaak bestaat tot het opleggen van een tijdvak of fasering dan wel tot het stellen van eisen of regels, is het niet noodzakelijk een exploitatieplan vast te stellen. De economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Voorbereidingsfase
Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient voorafgaand aan een procedure van een bestemmingsplan waarin een ruimtelijke ontwikkeling wordt gefaciliteerd, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Deze vooraankondiging wordt gepubliceerd in Hart van Holland. Participatie Het voorlopig ontwerp is in het kader van participatie uitvoerig besproken met de Initiatiefgroep Rabobank-gebouw Beijerinkstraat, bestaande uit een groep omwonenden van het plangebied. Het ontwerp van het bouwplan is in afstemming met de Initiatiefgroep opgesteld en is in meerdere sessies voorgelegd aan de omwonenden. Hiermee konden omwonenden uitvoerig participeren in het voortraject. Het doorlopen van een voorontwerpfase wordt om deze reden niet nodig geacht. Coördinatieregeling Op 18 december 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas besloten de coördinatieregeling ex. artikel 3.30 Wet ruimtelijke ordening toe te passen op de voorbereiding, terinzagelegging, vaststelling en bekendmaking van voorliggend bestemmingsplan, en de benodigde omgevingsvergunningen en alle activititeiten en besluiten nodig voor de verwezenlijking van het voorgenomen plan.