Bijlage 25 Bijlage 22 MER Deelrapport Natuur A24.000189
Tekst van het document
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
57/93
Effecten zijn te voorkomen of te verminderen (mitigeren) door een robuuste verbindingszone te realiseren zodat effecten door licht, geluid en recreanten worden voorkomen of verminderd. Het noordoostelijke deel van de EVZ ligt in een deel waar in het voorkeursalternatief het Koning Willem I (recreatie)bos gerealiseerd wordt. Hoewel de EVZ nog niet is gerealiseerd, is het gebied planologisch als EVZ aangewezen en kan er zonder bestemmingswijziging op deze strook geen bos worden gerealiseerd. Omdat het onderdeel is van de autonome ontwikkeling dat de EVZ gerealiseerd wordt, is het uitgangspunt dat de ontwikkeling van het Koning Willem I bos hier op aan sluit. Dat maakt dat in het voorkeursalternatief effecten als gevolg van fysieke aantasting door de realisatie van een bos zijn uitgesloten. Wel zal er naar verwachting sprake zijn van verstoring door geluid en recreanten in de ecologische verbindingszone. Aanvullend op de EVZ door de Groene Schakel, is in het VKA een extra groene verbinding voorzien door het Vijfde Dorp heen. Deze komt op de plek waar de buisleidingenzone het Vijfde Dorp doorsnijdt. Dit gebied wordt ingericht als natuur en recreatiezone, met als doel het natuurnetwerk in het plangebied te versterken. Door de realisatie van nieuwe infrastructuur, woningen e.d.
raken groene gebieden versnipperd en vormt de infrastructuur een barrière, waardoor soorten moeilijk deze gebieden (onderling) kunnen bezoeken. Barrièrewerking door infrastructuur kan worden voorkomen door fauna- en/of amfibieëntunnels onder de infrastructuur te realiseren. Bij het niet realiseren van fauna- en/of amfibieëntunnels wordt de barrièrewerking niet verminderd c.q. opgeheven waardoor een natuurgebied minder functioneel zal zijn in verband met een verminderde mate van uitwisseling tussen verschillende gebieden. Doelsoorten die gebruik moeten gaan maken van de EVZ, als deze wordt ingericht volgens de herziene nota, zijn: waterspitsmuis, dwergmuis, hermelijn, wezel, otter, ringslang, rugstreeppad, heikikker, groene glazenmaker, vroege glazenmaker, zilveren maan, oranjetipje, argusvlinder, moerassprinkhaan, kleine modderkruiper, snoek, kroeskarper, vetje, zeelt, paling, platte schijfhoren en zeggekorfslak. Samenvattend In het plangebied ligt de Groene Waterparel als onderdeel van de NNN. Op de Groene Waterparel zullen geen effecten optreden, dit is als uitgangspunt vastgesteld. De EVZ die in de autonome situatie door de Groene Schakel loopt zal – met in achtneming van enkele mitigerende maatregelen – ook na realisatie van het Vijfde Dorp goed kunnen functioneren. Desondanks is er wel sprake van een beperkte kwalitatieve verslechtering van deze EVZ.
Dit wordt gecompenseerd door een verbinding te realiseren via het Vijfde Dorp zelf, over de buisleidingenzone. Dit netwerk zorgt voor een buffer voor provinciaal beschermde gebieden en vergroot het leefgebied van aanwezige soorten. Dit alternatief leidt daarom tot een positief effect op het NNN (effectbeoordeling: 0/+). Tabel 5.3 Beoordeling voorkeursalternatief Aspectnaam Provinciaal beschermde gebieden
Voorkeursalternatief 0/+
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
58/93
5.2.3
Effecten op beschermde en bedreigde soorten
Op basis van bronnenonderzoek en een habitatgeschiktheidsbeoordeling is het plangebied potentieel geschikt voor de volgende beschermde soorten: huismus, gierzwaluw, steenuil, ransuil, buizerd, sperwer, diverse soorten vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis), waterspitsmuis, ringslang en platte schijfhoren. Verder zijn er verschillende niet beschermde (deels Rode Lijst) soorten in het plangebied aanwezig, zoals in zeer beperkte mate weidevogels als grutto, kievit, tureluur en slobeend, maar ook een amfibiesoort als bruine kikker. De huismus en gierzwaluw zijn gebouwbewonende soorten die in de bebouwing van het plangebied kan voorkomen. Dit geldt ook voor gebouwbewonende vleermuissoorten als gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). Tevens kan het plangebied fungeren als vliegroute (lintvormige landschapselementen zoals watergangen en bomenrijen) en als foerageergebied (weilanden, watergangen, bosschages/bomenrijen). De steenuil, ransuil, buizerd en sperwer kunnen hun jaarrond beschermde nesten hebben in bomen in het plangebied, maar ook aan de rand van het plangebied. Tevens kan het plangebied fungeren als foerageergebied voor deze soorten.
De waterspitsmuis, ringslang en platte schijfhoren worden vooral verwacht in het zuidelijk deel van het plangebied (Groene Waterparel), maar ook in het noordoostelijk deel (nabij Gouda). Door het plan kunnen leefgebieden van diersoorten of groeiplaatsen van (beschermde of Rode Lijst) plantensoorten verdwijnen. Door het voorgenomen plan worden (mogelijk) vaste verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen vernietigd of verstoord. Ook wordt (mogelijk) leefgebied van vogels en vleermuizen vernietigd of verstoord. Hierbij valt te denken aan vernietiging of aantasting van foerageergebied van vogels en vleermuizen en vliegroutes van vleermuizen, maar ook leefgebied van zoogdieren, amfibieën, reptielen en ongewervelden. Verder wordt (mogelijk) leefgebied van de waterspitsmuis, ringslang en platte schijfhoren vernietigd. Voor de aanwezige beschermde soorten zal zeer waarschijnlijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Omgevingsvergunning onder de Omgevingswet) aangevraagd moeten worden. De verwachting is dat de ontheffing zal worden verleend, maar dat rekening moet worden gehouden met mitigerende en compenserende maatregelen.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
59/93
Mitigerende maatregelen zullen bestaan uit onder andere werken buiten de gevoelige periode van een soort en het leefgebied voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt maken. Compenserende maatregelen die genomen moeten worden zijn soortafhankelijk, maar te denken valt aan het realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van kasten voor bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw en vleermuizen, maar ook aan het realiseren van geschikt leefgebied voor de soorten waarvan het leefgebied wordt aangetast. Verder geldt dat buiten het broedseizoen (ca. half maart tot half juli) moet worden gestart en dat met alle soorten rekening moet worden gehouden vanuit de altijd geldende zorgplicht. Als voor het broedseizoen werkzaamheden worden gestart en de werkzaamheden continue plaatsvinden, is de kans gering dat een vogel tot broeden komt in de directe omgeving van de werkzaamheden waarmee verstoring van een broedende vogel wordt voorkomen. Als dit niet mogelijk is, moet een broedvogelcontrole ter plaatse van het werkgebied worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige..
Binnen het plangebied komen diverse Rode Lijstsoorten voor, zoals in zeer beperkte mate weidevogels. Toenemende verstoring door geluid en licht van het plan – zoals infrastructuur, bedrijven en woningen – maken de reeds (zeer) beperkt geschikte gronden voor weidevogels nog minder geschikt of zorgen ervoor dat deze in zijn geheel verdwijnen. Om het verdwijnen van de zeer beperkt geschikte grond voor weidevogels te compenseren, kan worden ingezet op het voor weidevogels geschikter maken van weidegronden die gelegen zijn in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Dit kan door het nemen van enkele maatregelen zoals het (fors) verhogen van de grondwaterstand en minder intensieve landbouw. Met deze maatregelen wordt tevens invulling gegeven aan een toekomstbestendige landbouw. Binnen het ruim 1.000 ha grote plangebied wordt 390 ha bebouwd (waarvan 325 ha het Vijfde Dorp is en 65 ha bruto bedrijventerrein), 80 ha bos gerealiseerd en wordt in de Groene Schakel en het zoekgebied voor bedrijventerreinen natuur gerealiseerd. Dit levert in verschillende gebieden kansen op voor bestaande en nieuwe soorten. (Beschermde) soorten die hierdoor in het plangebied kunnen voorkomen zijn o.a. boommarter, vos, otter, ringslang en diverse soorten vogels zoals blauwborst en roerdomp.
Omdat het voorgenomen plan vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebied van beschermde soorten aantast of vernietigt, maar door de inrichting van het plangebied ook meer leefgebied wordt gecreëerd voor (meer) andere beschermde soorten, is het effect van dit alternatief beoordeeld als beperkt positief (score 0/+). Tabel 5.3 Beoordeling voorkeursalternatief Aspectnaam Beschermde en bedreigde soorten
Voorkeursalternatief 0/+
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
60/93
5.2.4
Effecten op de totstandkoming robuuste ecologische verbinding
In het voorkeursalternatief wordt een EVZ autonoom door het plangebied gerealiseerd en ligt deze in het te realiseren Koning Willem I bos en de Groene Schakel. Waar mogelijk zal de EVZ breder worden gemaakt en in samenspraak met de provincie Zuid-Holland wordt onderzocht of er een extra verbinding gerealiseerd wordt naar het zuidwesten van het plangebied, richting Eendragtspolder/De Rotte, zie onderstaand figuur. Omdat de realisatie van de EVZ autonoom is voorzien, wordt deze ontwikkeling niet de beoordeling meegenomen als een positieve ontwikkeling. Aanvullend op de EVZ door de Groene Schakel, is in het VKA een extra groene verbinding voorzien door het Vijfde Dorp heen. Deze komt op de plek waar de buisleidingenzone het Vijfde Dorp doorsnijdt. Dit gebied wordt ingericht als natuur en recreatiezone, met als doel het natuurnetwerk in het plangebied te versterken. Hoe de zone waardoor de EVZ loopt verder wordt ingericht is op dit moment niet duidelijk. Gezien de overige ambities van het basisalternatief (verbeteren biodiversiteit, realiseren van schaduwplekken, groen inzetten voor de leefbaarheid van het dorp) zijn er kansen om dit zodanig in te richten dat de gehele zone een groenstructuur wordt waar verschillende soorten in kunnen foerageren of zich in kunnen verplaatsen.
Met de EVZ en de natuurzone door het Vijfde Dorp worden de gebieden Krimpenerwaard en het Bentwoud met elkaar verbonden, waardoor uitwisseling van soorten tussen deze gebieden kan plaatsvinden. Op de kaart van de provincie Zuid-Holland is de te realiseren EVZ aangewezen als nog te ontwikkelen natuur en is het natuurtype niet bekend. Net buiten het plangebied, en grenzend aan de noordzijde, is de EVZ al wel gerealiseerd met natuurtype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Logischerwijs krijgt de te realiseren EVZ ook dit natuurtype. Richting Bentwoud
Eendragtspolder richting De Rotte
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
61/93
Figuur 5-2 | Een dubbele verbinding vanuit de Groene Waterparel richting Bentwoud: de voormalige ecologische verbindingszone (EVZ) langs de Vierde Tocht wordt ingericht als natuurzone (paarse stippellijn) + de nieuwe ligging van de EVZ door de Groene Schakel (licht groen), eventueel aangevuld met een verbinding richting Eendragtspolder/De Rotte
Met de realisatie van het Koning Willem I bos wordt een extra natuurtype in het plan gerealiseerd waardoor voor beminnende soorten zoals buizerd, havik extra leefgebied wordt gecreëerd en uitwisseling met het Bentwoud eenvoudiger mogelijk is. Om het Koning Willem I bos robuuster te maken is het raadzaam te kijken naar koppelkansen die dit bos laat aanhaken bij de natuurgebieden Bentwoud, Reeuwijkse Hout en het verder weg gelegen Nieuwkoopse Plassen. In het voorkeursalternatief wordt een peilfluctuatie gekozen met een bandbreedte van 30 tot 50 cm. Vanuit de gewenste natuurtypen is een dergelijk grote peilfluctuatie niet wenselijk omdat de meeste te realiseren natuurdoeltypen gevoelig zijn voor verdroging. Ten opzichte van de huidige situatie levert dit desondanks wel kansen op voor een robuuste ecologische verbinding. Door het realiseren van meerdere EVZ’s in het plangebied ontstaat een draagkrachtigere (robuustere) natuur. In het VKA wordt ook een hoger waterpeil gehanteerd. Dit is gunstiger voor de natuurdoeltypen die in dit gebied worden beoogd. Tot slot worden ecologische verbindingen door de stedelijke gebieden (Vijfde Dorp en bedrijventerreinen) aangelegd, wat het netwerk robuuster maakt voor verschillende soorten, zoals bijvoorbeeld vleermuizen en andere (kleinere) zoogdieren.
Vanwege het robuustere ecologische netwerk dat ontstaat als gevolg van de extra EVZ, het gunstigere waterpeil en de extra verbindingen in het stedelijke gebied heeft dit alternatief een sterk positief effect (effectbeoordeling: ++). Tabel 5.3 Beoordeling voorkeursalternatief Aspectnaam Robuuste ecologische verbinding
5.2.5
Voorkeursalternatief ++
Effecten op biodiversiteit
In de referentiesituatie is de biodiversiteit beperkt. Dit komt vooral door het overwegende agrarische gebruik en het open landschap. Het plan van het VKA biedt de kans om het plangebied natuurinclusief te ontwikkelen. Allereerst bevat de ontwikkeling van het Middengebied, de ontwikkeling van het Koning Willem I bos, de verbindingszone over de buisleidingenzone en de Groene Schakel. Dit zijn gebieden waar door de herontwikkeling meer kansen ontstaan om middels de inrichting een grotere biodiversiteit te stimuleren. Door natuurinclusieve maatregelen te nemen, zoals het toepassen van voorzieningen in gebouwen voor vogels en vleermuizen, maar ook door de openbare ruimte natuurvriendelijk in te richten, zoals bijvoorbeeld het gebruik van vlindervriendelijke beplanting en insectenhotels/bijenwoningen, zal de soortenrijkdom (biodiversiteit) ook binnen het Vijfde Dorp en de bedrijventerreinen toenemen. In het VKA zijn twee zonneparken voorzien. Zonneparken bieden op het eerste oog weinig biodiversiteit. Echter, indien bij de inrichting rekening wordt
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
62/93
gehouden met natuur, blijkt in de praktijk dat het mogelijk is om een zonnepark te realiseren met een goede biodiversiteit. Door de voorgenomen ontwikkeling van een robuust groen-blauw netwerk, ook binnen het stedelijk gebied van het Vijfde Dorp en de bedrijventerreinen, en het nemen van natuurinclusieve maatregelen in de stedelijke omgeving neemt de biodiversiteit toe. Het effect van dit VKA wordt daarom beoordeeld als positief (effectbeoordeling: ++). Tabel 5.3 Beoordeling voorkeursalternatief Aspectnaam Biodiversiteit
5.2.6
Voorkeursalternatief +
Conclusies effectbeoordeling VKA
Tabel 5.3 Overzicht effecten voorkeursalternatief Aspectnaam invullen Natura 2000-gebieden Provinciaal beschermde gebieden Beschermde soorten Totstandkoming robuuste ecologische verbinding Biodiversiteit
VKA 0 + 0/+ 0/+ ++
Beschermde gebieden Het VKA scoort beperkt positief op beschermde gebieden. Het VKA versterkt het provinciale netwerk NNN en vergroot het leefgebied van daarin aanwezige soorten. Het VKA heeft geen relevant effect op Natura 2000-gebieden of weidevogelgebieden. Beschermde en bedreigde soorten Omdat het voorgenomen plan vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebied van beschermde soorten aantast of vernietigt, maar door de inrichting van het plangebied ook meer leefgebied wordt gecreëerd voor (meer) andere beschermde soorten, is het effect van dit alternatief beoordeeld als beperkt positief. Totstandkoming robuuste ecologische verbinding Het VKA heeft een sterk positief effect op de totstandkoming van een robuuste ecologische verbinding. Dit komt door de aanleg van een extra verbinding door het Vijfde Dorp heen en door de realisatie van een groen netwerk door de verstedelijkte gebieden (Vijfde Dorp en bedrijventerreinen). Ook het verhogen van het waterpeil draagt hieraan bij. Biodiversiteit Door de voorgenomen ontwikkeling van een robuust groen-blauw netwerk, ook binnen het stedelijk gebied van het Vijfde Dorp en de bedrijventerreinen, en het nemen van natuurinclusieve maatregelen in de stedelijke omgeving neemt de biodiversiteit toe. Het effect van dit VKA wordt daarom beoordeeld als positief.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
63/93
5.3 Conclusies, aanbevelingen en maatregelen Algemeen Overwogen kan worden om meer in te zetten op hoogbouw. Door hoogbouw te realiseren blijft er meer grond over dat als natuur kan worden ingericht. Als de hoogbouw dan tevens als verticale tuin of bos wordt ingericht levert dit een extra impuls voor natuur op en vermindert het de risico’s op sterfte van vogels die tegen de hoogbouw aanvliegen. Beschermde en bedreigde soorten Voor de aanwezige beschermde soorten zal zeer waarschijnlijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Omgevingsvergunning onder de Omgevingswet) aangevraagd moeten worden. De verwachting is dat de ontheffing zal worden verleend, maar dat rekening moet worden gehouden met mitigerende en compenserende maatregelen. Mitigerende maatregelen zullen bestaan uit o.a. werken buiten de gevoelige periode van een soort en het leefgebied voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt maken. Compenserende maatregelen die genomen moeten worden zijn soortafhankelijk, maar te denken valt aan het realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van kasten voor bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw en vleermuizen, maar ook aan het realiseren van geschikt leefgebied voor de soorten waarvan het leefgebied wordt aangetast. Verder geldt dat buiten het broedseizoen (ca.
half maart tot half juli) moet worden gestart en dat met alle soorten rekening moet worden gehouden vanuit de altijd geldende zorgplicht. Als voor het broedseizoen werkzaamheden worden gestart en de werkzaamheden continue plaatsvinden, is de kans gering dat een vogel tot broeden komt in de directe omgeving van de werkzaamheden waarmee verstoring van een broedende vogel wordt voorkomen. Als dit niet mogelijk is, moet een broedvogelcontrole ter plaatse van het werkgebied worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige. Inrichting verbindingszones Het geschetste beeld van de EVZ vergt een hoge inspanning, zoals peilverhogingen en het afgraven van grond, waarbij een risico optreedt van opbarsting. Daarnaast is het vooralsnog de vraag of een kritisch natuurtype zoals nat schraalland of vochtig hooiland kan worden behaald. Dit zou in de praktijk betekenen dat niet alle typen gerealiseerd worden. Hierbij kan als alternatief het natuurtype (vochtige) kruiden- en faunarijk grasland worden aangewezen ter vervanging van nat schraalland/vochtig hooiland. Voor dit natuurtype is het afgraven van grond niet of nauwelijks nodig, evenals wijzigingen in het peil. Ook met dit natuurtype zal de EVZ naar behoren kunnen functioneren voor de gewenste doelsoorten, zeker wanneer dit een vochtige variant van kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) betreft.
Om het groen-blauwe netwerk in het Middengebied optimaal in te richten voor de beoogde soorten, is een gevarieerde natuurontwikkeling nodig. Dat betekent dat alleen richten op kruiden- en faunarijk grasland niet voldoende is. Vanuit de basis van dit natuurtypen moet gezocht worden naar zoveel mogelijk variatie in natte/droge gebieden, moeraszones, structuurrijke gebieden en hooilanden. Doordat het VKA aan de ene kant voorziet in het verhogen van het waterpeil en
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
64/93
tegelijkertijd selectief omgaat met het verhogen van het maaiveld, ontstaan droge, natte en overgangsgebieden. Daarin liggen kansen om het gebied gevarieerd in te richten en daarmee een robuust netwerk te realiseren. Biodiversiteit Natuurinclusief bouwen en ontwerpen richt zich op het realiseren van gezonde en aantrekkelijke steden en dorpen. Dit leidt voor alle gebruikers – zowel de mensen als flora en fauna – tot een prettige leefomgeving. Natuurinclusief bouwen en ontwerpen richt zich op zowel de inrichting van de openbare ruimte, als het zoveel mogelijk benutten van gebouwen als leefomgeving van verschillende soorten flora en fauna. Daardoor neemt de natuurwaarde van de stedelijke omgeving toe. Goed stedelijk groen zorgt daarnaast voor verkoeling in de zomerhitte, zuivert de lucht en biedt dus ook volop ruimte aan medestadsbewoners, zoals huismus, gierzwaluw, merel of gewone dwergvleermuis.
5.4 Leemten in kennis De daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied is op dit moment nog niet inzichtelijk. Soortgericht onderzoek zal moeten worden uitgevoerd om de aan- dan wel afwezigheid van beschermde soorten in het plangebied te bepalen en wat de effecten op eventueel aanwezige beschermde soorten is. Voor wat betreft de gewenste natuurtypen is niet inzichtelijk wat de voorraad aanwezige nutriënten in de bouwvoor (de bovenste 20 a 30 cm van de bodem) zijn. Het is hierdoor niet bekend hoelang het duurt om de gewenste cq noodzakelijke nutriëntenrijkdom in de bodem te krijgen voor de gewenste natuurtypen. Een onderzoek naar de hoeveelheid aanwezige nutriënten kan inzicht verschaffen wat de ontwikkeltermijn is voor de gewenste natuurtypen.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
65/93
Referenties BIJ12. Handreiking randeffecten 25 km in AERIUS C21. Datum 2 februari 2022. Versie 3.1. Ingezien van Handreiking-omgaan-met-randeffecten-25-km-0202-2022.pdf (bij12.nl) op 20 juni 2022 Cunha, A., S.A. Power, M.R. Ashmore, P.R.S. Green, B.J. Haworth, and R. Bobbink. 2002. "Whole ecosystem nitrogen manipulation: an updated review." Report-Joint Nature Conservation Committee (331). Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill (2011). Vleermuizen, Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Uitgevers BV Utrecht Zoogdiervereniging Nijmegen. Heil, GW, and WH Diemont. 1983. "Raised nutrient levels change heathland into grassland." Vegetatio 53 (2): 113-120. Kleijberg, Reinoud. 2020. Natura 2000 gebieden rond de Amsterdamse haven. Klimaatweb. Kamerbrief stand van zaken uitvoering motie over zwart kleuren rotorbladen windmolens. Ingezien van https://klimaatweb.nl/beleid/kamerbrief-stand-van-zaken-uitvoeringmotie-over-zwart-kleuren-rotorbladen-windmolens/ op 20 oktober 2022. Krupa, S. V. 2003. "Effects of atmospheric ammonia (NH3) on terrestrial vegetation: a review." Environmental Pollution 124 (2): 179-221. https://doi.org/https://doi.org/10.1016/S0269-7491(02)00434-7. http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0269749102004347. Lilleskov, Erik A, Thomas W Kuyper, Martin I Bidartondo, and Erik A Hobbie. 2019.
"Atmospheric nitrogen deposition impacts on the structure and function of forest mycorrhizal communities: a review." Environmental Pollution 246: 148-162. NDFF. Uitvoerportaal. Ingezien van https://www.ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul op 24 mei 2023 PDOK Viewer. Luchtfoto’s. Ingezien van PDOK Viewer op 20 juni 2022 Provincie Zuid-Holland. Interactie kaarten en Atlassen. Natuurnetwerk Nederland. Ingezien van NatuurNetwerk Nederland (arcgis.com) op 20 juni 2022 Regionale Energie Strategie. Bouwstenen voor het akkoord natuurinclusieve energietransitie wind en hoogspanning op land (versie 25 juni 2021). Ingezien van Natuurinclusieve Energietransitie voor Wind en Hoogspanning op Land - Regionale Energiestrategie (regionaleenergiestrategie.nl) Topografische kaart van Nederland. Ingezien van Topografische kaart van Nederland - de kadasterkaart, routes, downloads en tripplanning (topokaartnederland.nl) op 20 juni 2022 Van Diggelen, M.H. ijmegen, Y.J.M. Verstijnen, J.G.M Roelofs en A.J.P. Smolders. Uniek verschijnsel in de Groene Waterparel. Katteklei in de bodem leidt tot vegetaties van Oeverkruid-klasse in boerensloten.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
66/93
Landschap (2020) 37(2): 86-97Van Dobben, H.F., R. Bobbink, D. Bal, and A. van Hinsberg. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra (Wageningen). Van Donselaar, S. (2017). (Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland. Kenmerk: 20160402/rap01, d.d. 28 augustus 2017. ATKB. Velders, G.J.M., Aben, J.M.M., G.P. Geilenkirchen, H.A. den Hollander, L. Nguyen, van der Swaluw, E., W.J. de Vries, and R.J. Wichink Kruit. 2018. Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
67/93
Bijlage 1
Begrippenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-/ Natuurnetwerk Nederland (NNN)gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen.
Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
68/93
Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000- gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen.
Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
69/93
Bijlage 2 Achtergrondinformatie Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn er instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudings-doelstellingen voor het betreffende Natura 2000gebied niet in het geding zijn.
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet sinds 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningsplicht voor stikstofemissies, afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningsplicht. De goedkeuring of de vergunning met betrekking tot stikstofemissies in de gebruiksfase wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn. Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Er is verkend of er effecten op kunnen treden op Natura 2000-gebieden op basis van de ligging van het plangebied en de reikwijdte van de effecten.
Indien op basis van deze verkenning effecten niet op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten, kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: • Voortoets: geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een plan of project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijkt uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Dan is er geen vergunningsplicht en de initiatiefnemer hoeft verder niets te doen. Als er wel mogelijke significant negatieve effecten zijn, volgt een passende beoordeling. • Passende Beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. In een passende boordeling mag rekening gehouden worden
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
70/93
met mitigerende maatregelen. Als significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, volgt een ADC-toets. • ADC-toets: aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is Dwingende redenen van groot openbaar belang en in Compensatie is voorzien. Wet natuurbescherming: soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
71/93
Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Zorgplicht (artikel 1.11) • lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. • lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. • lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld13. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie Zuid-Holland geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond.
13 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Lijst jaarrond beschermde nesten (Lijst jaarrond
beschermde nesten (rvo.nl)
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
72/93
Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer en/of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Met artikel 8.1 van de verordening uitvoering Wet natuurbescherming van provincie Zuid-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 1. Tabel 1.
Vrijgestelde soorten in Zuid-Holland (Provincie Zuid-Holland, 2016)
Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en ten opzichte waarvan de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming; er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Provinciaal beleid De regels omtrent ruimtelijke kwaliteit waarvan gebieden met natuurwaarden een onderdeel zijn is in de provincie Zuid-Holland is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening 2022 (Provincie Zuid-Holland, 2022) artikel 6.9. Er zijn drie beschermingscategorieën waarvan categorie 1 en 2 van belang zijn in het kader van gebieden met natuurwaarden: 4. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
73/93
Bollenstreek, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e of 6.9f. 5. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9c of 6.9d. 6. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, kan ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a (landschappelijke inpassing van het plan). Er zijn daarmee 4 type beschermde gebieden aan te wijzen: •
•
•
•
Natuurnetwerk Nederland (cat. 1) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Graslanden Bollenstreek (cat. 1) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen graslanden Bollenstreek kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de ruimtelijke kwaliteit van de graslanden. Weidevogelgebied (cat. 2) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen belangrijk weidevogelgebied kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen als bedoeld artikel 6.9, zevende lid, geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. Groene buffer (cat.2) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.
De afweging voor ruimtelijke ingrepen in beschermingscategorie 1 en 2 gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’ (zie onderstaand figuur). In provincie ZuidHolland is de externe werking niet van toepassing. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het onderzoeksgebied. Een natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied en de noodzaak voor het doorlopen van een ‘nee, tenzij, procedure’.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
74/93
Het ‘nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
75/93
Bijlage 3
Rode Lijstsoorten
Soortgroep/soort Vogels Blauwe kiekendief Boerenzwaluw Bontbekplevier Boomvalk Brilduiker Dwergmeeuw Engelse kwikstaart Gele kwikstaart Graspieper Grauwe klauwier Grauwe vliegenvanger Grote lijster Grote mantelmeeuw Grutto Huismus Huiszwaluw Keep Kemphaan Kleine zilverreiger Kneu Koekoek Kraanvogel Kwak Nachtegaal Oeverloper Ortolaan Paapje Patrijs Pijlstaart Ransuil Ringmus Roerdomp Slobeend Smient Snor Spotvogel Steenuil Steltkluut Tapuit Torenvalk Tureluur Veldleeuwerik Velduil Visdief Watersnip Wielewaal Wilde zwaan Wintertaling Wulp Zeearend Zomertaling Zwarte mees Zwarte stern Vleermuizen Bosvleermuis Laatvlieger Tweekleurige vleermuis
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
76/93
Soortgroep/soort Grondgebonden zoogdieren Bunzing Haas Hermelijn Konijn Wezel Vissen Alver Grote modderkruiper Kroeskarper Rivierdonderpad Amfibieën Rugstreeppad Reptielen Muurhagedis Ringslang Ongewervelden Blauwe metselbij Blauwzwarte houtbij Bonte wespbij Bruin blauwtje Bruine rouwbij Doornkaakzandbij Dwerg-korfslak Gele luzernevlinder Genaveld tonnetje Gevlekte witsnuitlibel Groene glazenmaker Grote koekoekshommel Grote vos Huiskrekel Kleine kartuizerslak Kleine parelmoervlinder Kustbehangersbij Leptocerus Limnephilus Oranje zandoogje Platte schijfhoren Rode koekoekshommel Roodrandzandbij Roodsprietwespbij Sierlijke witsnuitlibel Vergeten schorshoren Wijngaardslak Flora Absintalsem Akkerandoorn Akkerleeuwenbek Amandelwolfsmelk Beemdkroon Bevertjes Blauw walstro Blauwe knoop Bleke schubwortel Blonde zegge Bolderik Bosaardbei Bostulp Brede orchis
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
77/93
Soortgroep/soort Flora Brede waterpest Dauwnetel Donkergroene basterdwederik Draadzegge Driekantige bies Duifkruid Echte gamander Franse silene Gele kornoelje Gewimperd langbaardgras Gewone agrimonie Glad biggenkruid Groot spiegelklokje Gulden boterbloem Gulden sleutelbloem Heemst Hondsviooltje Jeneverbes Kamgras Karwijvarkenskervel Kattendoorn Klavervreter Klein schorrenkruid Klein sterrenkroos Kleine bevernel Kleine ratelaar Kleine tijm Kleine valeriaan Kleinste egelskop Klokjesgentiaan Kluwenklokje Knikkend nagelkruid Knolsteenbreek Knopig doornzaad Korenbloem Kortarige zeekraal Krabbenscheer Krabbenscheer Kruidvlier Kruisbladwalstro Melkkruid Moerasbasterdwederik Moeraskartelblad Moeraswespenorchis Moeraswolfsmelk Muurganzenvoet Naakte lathyrus Nachtkoekoeksbloem Oosterse morgenster Oot Rapunzelklokje Rijstgras Rond wintergroen Ronde zonnedauw Ruige anjer Ruige leeuwentand Ruige weegbree Schijnraket Schorrenzoutgras Schubvaren Selderij
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
78/93
Soortgroep/soort Flora Sierlijke vetmuur Sikkelklaver Slanke mantelanjer Smalle raai Spaanse ruiter Steenanjer Stekelbrem Stengelloze sleutelbloem Stomp fonteinkruid Tripmadam Trosdravik Tweestijlige meidoorn Verfbrem Vleeskleurige orchis Vlottende bies Voorjaarsganzerik Waterdrieblad Waterscheerling Welriekende agrimonie Wild kattenkruid Wilde gagel Wilde kievitsbloem Wilde ridderspoor Witte munt Wolfskers Wrangwortel Zacht vetkruid Zeeweegbree Zwartmoeskervel
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
79/93
Bijlage 4 Toelichting stikstofdepositie Op basis van wetenschappelijk onderzoek zijn er geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat aangetoond veroorzaakt door depositie kleiner dan 1 kilogram stikstof per hectare per jaar. Deze hoeveelheid staat ongeveer gelijk aan een depositie van 70 mol N per hectare per jaar. Onderzoek geeft dan ook aan dat de KDW met een onzekerheidsmarge van 70 mol N/ha/jaar moeten worden gehanteerd (van Dobben et al. 2012). In de praktijk varieert de stikstofdepositie op habitattypen van nature binnen een jaar en tussen verschillende jaren, waardoor een exacte relatie tussen de hoogte van de depositie en de kwaliteit van een habitat niet is te leggen. Door meteorologische omstandigheden van jaar tot jaar treden variaties in de depositie op in de orde van grootte van 10% (Velders et al. 2018). Bij de huidige gemiddelde landelijke achtergronddepositie van circa 1.700 mol N/ha/jaar is de jaarlijkse variatie daarmee circa 170 mol. Gevolgen door stikstof op een habitattype worden veroorzaakt door deposities over een langere periode. Gelet op de natuurlijk variatie in depositie kan stikstofdepositie op een bepaalde locatie niet met een grotere nauwkeurigheid dan op honderden molen N/ha/jaar of hele kilogrammen N/ha/jaar vastgesteld worden.
Bovendien zijn er in experimentele studies zelden negatieve effecten aangetoond na experimentele deposities van minder dan 5 kg N/ha/jaar (350 mol N/ha/jaar) en in het geheel niet bij stikstofgiften van minder dan 1 kg N/ha/jaar (70 mol N/ha/jaar) (Cunha et al. 2002). In de wetenschappelijke literatuur is het dan ook gebruikelijk om stikstofdepositie uit te drukken in kg/ha/jaar, waarbij de auteurs afronden op 1 kg (Krupa 2003; van Dobben et al. 2012; Cunha et al. 2002; Lilleskov et al. 2019). Uit onderzoek blijkt dat pas bij een toevoeging van 122,5 mol N/ha/jaar (bij een achtergronddepositie van 2.100 – 2.450 mol N/ha/jaar) een effect is aangetoond op jonge heide (Heil and Diemont 1983). Hoewel de precieze relatie tussen concentratie van experimenteel toegevoegde stikstof en waarneembare effecten sterk samenhangt met de experimentele opzet en duur en met lokale effecten als bodemsamenstelling en achtergronddepositie, geven de bovenstaande en andere vergelijkbare studies aan dat waarneembare effecten pas verwacht kunnen worden bij toevoeging van tenminste 70 mol N/ha/jaar over meerdere jaren. De aanwezige habitattypen in Nederland produceren afhankelijk van de productiviteit jaarlijks 2.000 – 6.000 kg droge stof per hectare. Voor deze biomassaproductie is gemiddeld 30 – 90 kg N/ha/jaar nodig, ca. 2.150 – 6.400 mol N/ha/jaar.
Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie, zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). Een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/jaar komt overeen met 0,02 – 0,05% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Een deel hiervan zal uitspoelen naar het grondwater of uit de bodem verdwijnen door denitrificatie. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, zullen toenames van enkele molen niet leiden tot meetbare veranderingen in
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
80/93
groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie tussen soorten onderling (Kleijberg 2020).
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
81/93
Bijlage 5 Aanvullende onderbouwing windturbines 1. Aanvullende onderbouwing windmolens t.b.v. MER Zuidplaspolder Om de voorgenomen ontwikkelingen duurzaam van energie te voorzien is binnen het plan de optie onderzocht om windturbines te realiseren. Hiervoor is een quickscan uitgevoerd (zie bijlage 2 bij Deelrapport Duurzaamheid), waaruit twee locaties naar voren zijn gekomen: 1. Het gebied tussen de twee te ontwikkelen bedrijventerreinen. In het planvoornemen is dit gebied opgenomen als (recreatie)bos. Afhankelijk van de tiphoogte kunnen hier twee (tiphoogte 250 meter) of drie turbines (tiphoogte 200 meter) worden gerealiseerd. 2. Een zone langs spoorweg Gouda – Den Haag, ter hoogte van het Energielandschap. Binnen het plangebied is daar ruimte voor één turbine (tot 250 meter tiphoogte). Daarnaast is er net buiten het plangebied, aan de westzijde van de N219, ruimte voor een turbine met 150 meter tiphoogte. Langs de A12 zijn reeds vier bestaande windmolens aanwezig (paarse stippen). In onderstaand figuur is de variant weergegeven met turbines met een tiphoogte van 250 meter.
De realisatie van windturbines is onderdeel van het alternatief Circulair / duurzame energie. Windmolens kunnen een negatief effect hebben op aanwezig fauna, en dan specifiek op vogels en/of vleermuizen. Onderstaand wordt dit aspect nader beschouwd. Als eerste wordt ingegaan op het beoordelingskader dat is gebruikt voor de beoordeling. Daarna wordt het potentiële effect beschreven.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
82/93
2. Beoordelingskader: Natuurinclusieve Energietransitie Het Rijk, provincies, Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA), TenneT en groene partijen (Vogelbescherming Nederland, Zoogdiervereniging en de Natuur en Milieu Federaties) werken samen aan het traject Natuurinclusieve Energietransitie voor wind en hoogspanning op land (NIEWHOL). Het doel van dit traject is om te komen tot afspraken waarmee zowel wordt gezorgd voor de doorgang van de ontwikkeling van windparken en hoogspanningsverbindingen op land, als voor een vermindering van de negatieve effecten ervan op de staat van instandhouding van kwetsbare vogels en vleermuizen. Van belang is dat bestuurlijk is afgesproken om, waar dat mogelijk is, al te handelen in de geest van het nog te sluiten definitieve akkoord. De huidige praktijk in Nederland is dat alle windparken en hoogspanningsverbindingen een ontheffing nodig hebben op grond van hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming voor het opzettelijk doden van vogels en vleermuizen. De Europese Commissie heeft deze praktijk afgeraden en aanbevolen om bij de aanleg en exploitatie van windparken en hoogspanningsverbindingen in te zetten op het voorkomen van overtredingen van het verbod op het opzettelijk doden van vogels en vleermuizen. Dit kan door heldere, effectieve en goed gemonitorde mitigerende maatregelen te treffen.
De individuen die worden gedood ondanks de mitigerende maatregelen kunnen volgens de Europese Commissie worden beschouwd als incidenteel en onopzettelijk, mits het aantal slachtoffers zeer beperkt en onvermijdbaar is en geen negatief effect heeft op de staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarbij dringt de Europese Commissie aan op een goed nationaal beeld van de gunstige staat van instandhouding van vogels en vleermuizen. Mitigerende maatregelen moeten de aantallen aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen als gevolg van windturbines en hoogspanningsleidingen en de aantasting van hun leefgebied zoveel mogelijk beperken. Mitigerende maatregelen zijn in twee categorieën onder te brengen: a) locatieafhankelijk en b) generiek. Locatieafhankelijke maatregelen komen voort uit de Wet natuurbescherming en dienen altijd genomen te worden, indien van toepassing. Generieke maatregelen zijn aanvullende maatregelen om de negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. Ad a) Locatieafhankelijke maatregelen komen tot stand nadat voor een windpark of hoogspanningsverbinding in een zo vroeg mogelijk stadium, bijvoorbeeld via een locatiestudie, de (plan-)MER of omgevingsvergunning, de optimale inrichting en opstelling is vastgesteld.
Middels ecologisch onderzoek wordt ook vastgesteld of en zo ja welke specifieke locatieafhankelijke mitigerende maatregelen er nodig zijn om aanvaringsslachtoffers en eventuele andere negatieve effecten op vogels en vleermuizen te voorkomen. Hierdoor zullen op de ene locatie meer maatregelen genomen moeten worden dan op een andere locatie. Dit zorgt ervoor dat de effecten van verschillende projecten in principe vergelijkbaar zijn. Ad b) Generieke maatregelen voor vogels en vleermuizen staan onderstaand beschreven. Partijen erkennen dat naast deze maatregelen de locatiekeuze van groot belang is voor het voorkomen van negatieve effecten op vogels en vleermuizen. Het is daarom belangrijk om bij het ontwikkelen en vaststellen van de Regionale Energiestrategieën (RES) ook te voldoen aan de geldende natuurwetgeving en ecologisch gevoelige locaties zo veel mogelijk te vermijden.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
83/93
Vogels Lokaal voorkomende vogels Mitigerende maatregelen voor lokaal voorkomende vogels (i.e. vogels waarvan het broed-, rust- en/of foerageergebied is gelegen op of nabij de projectlocatie) vallen onder de locatieafhankelijke maatregelen. De maatregelen hangen daarmee af van de soort, locatie en andere omgevingsfactoren. Trekkende vogels Voor trekkende vogels zijn de volgende generieke maatregelen afgesproken. Uitgangspunt is om stilstandvoorzieningen 14 toe te passen op locaties en momenten van massale vogeltrek om aanvaringsslachtoffers onder trekvogelsoorten tot een minimum te beperken. Massale vogeltrek wordt gemeten aan de hand van het geschatte aantal trekvogels dat op rotorhoogte vliegt. De stilstandvoorzieningen worden gebaseerd op het in ontwikkeling zijnde vogeltrekvoorspellingsmodel. Stilstand moet ecologisch en economisch doelmatig zijn; partijen streven ernaar om het aantal uren stilstand / het rendementsverlies voor windmolens zo laag mogelijk te houden. De stilstandvoorziening wordt daarom altijd geoptimaliseerd per park om het grootste ecologische effect te bereiken met het minste energieverlies, met een maximum van 100 uur per turbine per jaar of het equivalent hiervan in energieverlies. Daarvoor kan advies worden gevraagd aan een team van onafhankelijke deskundigen aangewezen door de partijen bij dit akkoord.
Op projectlocaties zal de vogeltrek in het gebied – door een ecologisch ingenieursadviesbureau of vergelijkbare partij – worden gemonitord tijdens logische momenten (seizoensafhankelijk), voorafgaand aan de aanleg van het betreffende windpark. Het uitgangspunt van wanneer monitoring moet plaatsvinden zijn geïdentificeerde locaties waar veel vogeltrek plaats vindt. Deze informatie kan vervolgens worden gebruikt voor het besluit over de toepassing en optimalisering van de stilstandvoorziening. Vleermuizen Over stand van de populaties en voorkomen van vleermuizen is nog veel onbekend. Mede daarom zijn er afspraken gemaakt om deze kennis te vergroten. Tegelijkertijd is het noodzakelijk om op dit moment vleermuisslachtoffers zoveel mogelijk te beperken. Gezien het gebrek aan kennis is het lastig te bepalen waar en wanneer stilstand nuttig en effectief is. Onderstaande parameters en criteria voor de stilstand zijn gebaseerd op basis van de huidige ecologische kennis en de situatie in Nederland, en dienen te worden geëvalueerd. De monitoring dient er op gericht te zijn te toetsen of alle hiervoor genoemde parameters ecologisch gezien goed zijn gekozen en deze indien nodig aan te passen. Tevens wordt met de monitoring bekeken of de maatregelen en eventuele innovaties effectief zijn.
Lokaal voorkomende vleermuizen, bijvoorbeeld kraamkolonies vallen onder de locatieafhankelijke maatregelen. Daarnaast gelden de volgende generieke maatregelen. Stilstand voor vleermuizen wordt standaard toegepast bij een combinatie van hoog-risico-locaties en hoog-risicoperiodes en bepaalde weersomstandigheden. Stilstand is niet standaard aan de orde wanneer er sprake is van een laagrisico-locatie en/of een laag-risico-periode. Er is sprake van een hoog-risicoperiode tijdens de migratieperiode (tussen 15 juli - 15 oktober). De periode buiten de herfst-migratieperiode (tussen 15 maart – 15 juli) geldt als laag-risico14 Onder stilstand wordt verstaan dat de rotorbladen van de windturbine niet sneller draaien dan
1 rotatie per minuut.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
84/93
periode, omdat windparken over het algemeen niet dicht op bebouwing of bos, i.c. locaties met kraamverblijven, staan. Op locaties waar toch risico in bv. de kraamperiode optreedt, wordt dit opgemerkt door onderstaande monitoring en, indien noodzakelijk op basis van de evaluatie, ingeperkt door aanpassing van de stilstand. Met betrekking tot locaties wordt een onderscheid gemaakt tussen hoog-risico en laag-risico-locaties voor individuele turbines en parken. Er is sprake van een hoog-risico-locatie in het geval de turbines worden geplaatst op of vlak langs grote wateren (150 m) en/of op minder dan 150 m afstand van bos. Op overige locaties is sprake van een laag-risico-locatie. Op deze locaties en in deze periode wordt stilstand standaard toegepast onder de volgende condities: droog weer en een temperatuur van 10°C of meer en een windsnelheid van 5 m/s of lager op ashoogte in het binnenland of 6 m/s of lager op ashoogte in kustgebieden en tussen zonsondergang en zonsopgang. Stilstand moet ecologisch en economisch doelmatig zijn. Daarom streven partijen ernaar om het aantal uren stilstand voor windmolens zo laag mogelijk te houden. Om dit mogelijk te maken, is zowel bij stilstand, als bij niet stilstand, monitoring aan de orde. Monitoring dient te gebeuren door de partij die een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming heeft verkregen. 3.