CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 24 Bijlage 21 Waterstructuurplan Middengebied Zuidplaspolder A24.000188

Gemeenteraad 23 april 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Chw Bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 146.444 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De herkomst van het water is ook in een gemiddeld overzicht gegeven. Voor het Dorp is de herkomst van het water nagenoeg gelijk. De verschillen in waterpeilen in combinatie met de gehanteerde schematisatie zorgen er voor dat in variant 1 nog een minimale hoeveelheid kwel wordt berekend.

Afbeelding 3.10 Herkomst water Watertuinen en het Dorp bij 30 cm peilfluctuatie (links variant 1, rechts varianten 2-A-B-C)

31 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Afbeelding 3.11 Herkomst water Watertuinen en het Dorp bij 50 cm peilfluctuatie (links variant 1, rechts varianten 2-A-B-C)

De inlaatdebieten bij flexibel peilbeheer van 30 cm (afbeelding 3.10) zijn ongeveer 6 % van de waterbalans. Door een grotere peilvariantie toe te staan (50 cm) neemt dit af tot 3 % (variant 1) of 2 % (varianten 2-A-BC). Groene Waterparel De afbeeldingen van de berekende waterstandsvariatie, een overzicht van de debieten en de herkomst van het water is weergegeven in afbeelding 3.12 tot en met 3.14. Voor de Groene Waterparel is er in de waterbalans geen verschil tussen variant 1 en varianten 2-A-B-C. In de berekeningen is aangenomen dat waterinlaat start nadat de waterstand 5 cm is gedaald.

Afbeelding 3.12 Waterstandsvariantie Groene Waterparel (berekend met de waterbalans)

32 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Afbeelding 3.13 De bijdrage van de verschillende bronnen aan inkomende debieten in de Groene Waterparel

Afbeelding 3.14 Herkomst water Groene Waterparel

Het uitgangspunt voor de waterbalans is dat de aan- en afvoer en de waterpeilen van de Groene Waterparel hetzelfde zijn in de toekomstige situatie. Dit biedt de mogelijkheid om de waterbalans te verifiëren aan de hand van metingen en ervaringen van het waterschap. De eerste indruk is dat de totale waterafvoer in de juiste orde van grootte ligt maar dat in de praktijk meer inlaat nodig is, of plaats vindt dan nu berekend. In de huidige balans maakt inlaat water 9 % van het totaal uit. In de nadere uitwerking van de watersysteemanalyse in de volgende fase, is een verdiepingsslag op dit punt noodzakelijk.

3.1.2

Waterkwaliteit - fosfor

De met de waterbalans berekende externe P-belasting geeft een indicatie voor de waterkwaliteit in het toekomstig watersysteem: als de externe nutriëntenbelasting onder de kritische grenswaarde blijft, dan geeft dit een goede uitgangssituatie voor een helder, plantenrijk water met een goede waterkwaliteit.

33 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Onderstaande grafieken tonen voor ieder deelgebied de externe belasting ten opzichte van de kritische belasting afbeelding 3.15 t/m afbeelding 3.17. De stippellijn en de zwarte aaneengesloten lijn geven de kritische belasting weer voor een waterdiepte bij 50 cm (d=50) en een waterdiepte bij 70 cm (d=70). De verschillende kleuren geven de herkomst van de externe belasting aan: vanuit neerslag, verhard oppervlak, uitspoeling (grondwater naar oppervlaktewater), incidente afvoer vanuit het noordwestelijk gebied, inlaat (voor peilbeheer), afvoer vanuit een ander peilgebied en kwel.

Afbeelding 3.15 Externe nutriëntenbelasting Energielandschap

34 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

De verschillen tussen de varianten zijn hoofdzakelijk te vinden voor het deelgebied Energielandschap, bij variant 1 inclusief de Vierde Tocht. In variant 1 is een duidelijk hogere belasting te zien die in deze variant ook de kritische belasting overtreft. De belangrijkste bronnen in de belasting zijn: - de aanvoer vanuit het Dorp. De waterkwaliteit van het water is hier niet de belangrijkste oorzaak, maar vooral de hoeveelheden water (zie ook afbeelding 3.5). Hierbij wordt opgemerkt dat uit is gegaan van standaard waarden voor afstromend hemelwater in het Dorp omdat uit studies nog geen duidelijk inzicht is gekomen uit de invloed van berm- en bodemfiltratie hier op. Ook is geen rekening gehouden met waterkwaliteitsprocessen (retentie) in het oppervlaktewatersysteem van het Dorp; - de aanvoer van water uit het noordwestelijk gebied. Zowel de hoeveelheid water die wordt aangevoerd als de kwaliteit daarvan zijn nog niet volledig inzichtelijk. De orde van grootte van deze bijdrage is echter wel correct. Daaruit kan worden geconcludeerd dat deze aanvoer een belangrijke bijdrage levert aan de belasting; - de uitspoeling van de bodem; - tenslotte de kwel. Ook hier is de precieze hoeveelheid (kwelflux in mm/d) en kwaliteit (in mg P/l) onzeker. De grafiek geeft een indicatie.

Echter is het advies de invloed van de kwel op de nutriëntenbelasting nader te specificeren door waterkwaliteitsmetingen te doen van het diepe grondwater. Zo kan de invloed van de kwel op de waterkwaliteit beter worden ingeschat. Inmiddels is het veldonderzoek in gang gezet, en wordt deze binnenkort gestart. De resultaten worden nader uitgewerkt in de watersysteemanalyse. Afbeelding 3.15 laat voor variant een aanzienlijke overschrijding zien. Door de aanname en onzekerheden geeft de grafiek geen volledige zekerheid. Gezien de mate van overschrijding is bij variant 1 echter geen helder watersysteem te verwachten. Voor het Energielandschap bij varianten 2-A-B-C nadert de belasting de kritische belasting. Hier is te zien dat de waterdiepte een behoorlijke invloed heeft op de hoogte van de kritische belasting. Dit toont het belang aan van een goede inrichting van het watersysteem met voldoende ondiepe plekken voor de ontwikkeling van vegetatie. Voor varianten 2-A-B-C is de uitspoeling van onverhard terrein de belangrijkste bron. In het Energielandschap zal de huidige bodem grotendeels behouden blijven. Voor de watersysteemanalyse in waterhuishoudingsplan fase 2, wordt daarom aanbevolen de uitspoeling van de bodem beter in beeld te brengen en waar nodig maatregelen te definiëren om de uitspoeling te beperken.

Voor de andere beschouwde gebieden is de berekende belasting steeds lager dan de kritische belasting. Dit betekent dat er goede mogelijkheden zijn voor een helder watersysteem. In de Groene Waterparel is dit nu al het geval maar voor het gebied van het Dorp betekent dit een aanzienlijke verbetering. Voor het Dorp is afvoer afkomstig van verhard gebied de belangrijkste bron. Het toepassen van berm- of bodemfiltratie zijn mogelijkheden om deze invloed te beperken.

35 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Afbeelding 3.16 Externe nutriëntenbelasting Watertuinen en Vijfde Dorp

36 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Afbeelding 3.17 Externe nutriëntenbelasting Groene Waterparel. Hierbij is het inlaatwater afkomstig van de Watertuinen en het Dorp

Aanvullende gevoeligheidsanalyses Aanvullend zijn er gevoeligheidsanalyses gedaan om inzicht te krijgen in bepaalde ‘draaiknoppen’ om het waterpeil en de waterkwaliteit te beïnvloeden. De bijbehorende belastinggrafieken van deze analyses zijn bijgevoegd in bijlage III. Samengevat zijn de conclusies van deze analyses als volgt: - aandacht voor inrichting met bodempassages (de P-concentratie vanuit Watertuinen/Dorp 0.26 mg/L in plaats van 0,31 mg/L). Resultaten: · lagere nutriëntenbelasting afkomstig van verhard oppervlak;

37 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

·

·

3.1.3

in variant 1 is in het Energielandschap en de Vierde Tocht de nutriëntenbelasting nog steeds hoog, doordat de concentratie wel minder wordt door bodempassages, maar het debiet is significant hoog waardoor er nog steeds een hoge nutriëntenbelasting richting het Energielandschap wordt afgevoerd; in varianten 2-A-B-C leidt de mindere belasting via afstromend hemelwater tot een beperkte verbetering.

Waterkwaliteit - chloride

Voor de verschillende deelgebieden is ook een stoffenbalans voor chloride opgesteld. In tegenstelling tot fosfor is er voor chloride geen invloed van waterkwaliteitsprocessen op de concentraties. Daarom kan deze balans goed worden gebruikt voor verificatie van de balans. Dit is hier goed mogelijk voor de Groene Waterparel omdat daar de situatie nauwelijks veranderd. Afbeelding 3.18 geeft voor de Groene Waterparel de berekende en gemeten chloride concentraties. In de afbeelding is ook de herkomst van het water te zien.

Afbeelding 3.18 Resultaten chloride balans Groene Waterparel

Uit de afbeelding volgt dat de concentraties in de winter redelijk kloppen maar dat de pieken gedurende de zomer in de berekeningen veel lager zijn dan de metingen. Mogelijke oorzaken hiervan zijn: - de concentraties chloride in het inlaatwater worden onderschat. Er zijn geen continu metingen beschikbaar. Daarom is uitgegaan van zomergemiddelde waarden. Mogelijk bevat het inlaatwater tijdens pieken meer chloride; - de concentratie chloride in het kwelwater wordt onderzocht. Hier is met simulaties naar gekeken, maar aanpassing daarvan leidt niet tot een betere fit. De gemeente heeft een grondwatermonitoring in gang gezet om ook meer inzicht te krijgen in de chloride en fosfor gehaltes in het grondwater; - de dynamiek van de kwel wordt ook nader onderzocht door de grondwatermonitoring dat is gestart. Dit is van belang omdat in de zomer met dalende grondwaterstanden de kwel toeneemt. Het model dat nu gebruikt is, is niet geschikt om dit te simuleren. Voor de watersysteemanalyse is deze dynamiek wel van belang;

38 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

-

de gemiddelde waterdiepte die is aangehouden (50 cm) is groter dan de werkelijkheid. Hierdoor is de dynamiek in het model te gering. Ook dit aspect kan de inde watersysteemanalyse nader worden onderzocht.

3.2

Beoordelingsmatrix

In onderstaande tabel zijn de varianten beoordeeld op basis van de beoordelingscriteria zoals genoemd in hoofdstuk 2.1. De beoordeling is gebaseerd ten opzichte van elkaar, en ten opzichte van de ‘nulsituatie’ indien er geen ingrepen in het watersysteem zouden plaatsvinden.

39 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Tabel 3.1 Beoordelingsmatrix Beoordelingscriteria

Variant 1 - Vierde Tocht

Variant 2A - Gedeeltelijk langs Dorp/Watertuinen

Variant 2B - Derde Tocht

Variant 2C - 2½ Tocht

Toelichting / Uitgangspunten

0/+ Fosforbelasting blijft onder de kritische grenswaarde in het Dorp/Watertuinen. Dit is een indicatie voor helder water.

+ Kritische belasting wordt niet overschreden bij een waterdiepte van 50 cm. De berekende belasting is ongeveer gelijk aan de kritische belasting bij een waterdiepte van 70 cm.

+ Kritische belasting wordt niet overschreden bij een waterdiepte van 50 cm. De berekende belasting is ongeveer gelijk aan de kritische belasting bij een waterdiepte van 70 cm.

+ Kritische belasting wordt niet overschreden bij een waterdiepte van 50 cm. De berekende belasting is ongeveer gelijk aan de kritische belasting bij een waterdiepte van 70 cm.

Kritische grensbelasting wordt overschreden in het Energielandschap en de Vierde Tocht. Hierdoor zijn woekering van onwenselijke waterplanten, algen en/of kroos te verwachten.

Vermindering van de externe nutriënten aanvoer in Dorp/Watertuinen en de Vierde Tocht en Energielandschap ten opzichte van als er niets veranderd zou worden in het huidige watersysteem. De externe nutriëntenbelasting moet echter wel via de nieuwe afvoerroute worden afgevoerd, met een extra belasting voor de nieuwe afvoerroute langs het Dorp/Watertuinen en de Derde Tocht als gevolg.

Vermindering van de externe nutriënten aanvoer in Dorp/Watertuinen en de Vierde Tocht en Energielandschap ten opzichte van als er niets veranderd zou worden in het huidige watersysteem. De externe nutriëntenbelasting moet echter wel via de nieuwe afvoerroute worden afgevoerd, met een extra belasting de Derde Tocht als gevolg.

Vermindering van de externe nutriënten aanvoer in Dorp/Watertuinen en de Vierde Tocht en Energielandschap ten opzichte van als er niets veranderd zou worden in het huidige watersysteem. De externe nutriëntenbelasting moet echter wel via de nieuwe afvoerroute worden afgevoerd, met een extra belasting voor de nieuwe tocht.

+ Aanzienlijk minder kwel. Het Energielandschap en Vierde Tocht houden wel kwel (maar minder ten opzichte van het huidig watersysteem).

+ Aanzienlijk minder kwel m.u.v. het Energielandschap en de nieuwe watergang

++ Aanzienlijk minder kwel m.u.v. het Energielandschap

++ Aanzienlijk minder kwel m.u.v. het Energielandschap en de nieuwe watergang

Stijghoogte kwel: NAP -6,00 tot -5,90 m.

a. Aanvoer

++ minimale inlaat nodig ten opzichte als er niets veranderd zou worden in het watersysteem en vergeleken met de andere varianten.

+ afname inlaat ten opzichte als er niets veranderd zou worden in het watersysteem. De afname van de benodigde inlaat is minder dan variant 1, doordat er minder wateraanvoer is vanuit de Watertuinen/Dorp.

+ afname inlaat ten opzichte als er niets veranderd zou worden in het watersysteem. De afname van de benodigde inlaat is minder dan variant 1, doordat er minder wateraanvoer is vanuit de Watertuinen/Dorp.

+ afname inlaat ten opzichte als er niets veranderd zou worden in het watersysteem. De afname van de benodigde inlaat is minder dan variant 1, doordat er minder wateraanvoer is vanuit de Watertuinen/Dorp.

Aandeel inlaat water circa 6 % in het Vijfde Dorp bij 30 cm peilfluctuatie. Nog 2 of 3 % bij 50 cm peilfluctuatie.

b. Afvoer

+

-

-Veel knelpunten Derde Tocht

Robuust afvoersysteem

Derde Tocht heeft beperkte capaciteit. Knelpunten blijven deels bestaan

Knelpunten t.p.v. waterverbinding bij kruising Derde tocht/N219

Hydraulische toets met als uitgangspunten: 88 ha afvoer naar Derde Tocht max capaciteit incidentele afvoer: 90 m3/min

-Een waterpeil van NAP -5,75 m in de Vierde Tocht conflicteert met de leidingen die nu al aanwezig zijn in de Buisleidingenstraat. Het maaiveldhoogte varieert

De gemiddelde maaiveldhoogte is NAP -5,8 m (AHN4) en lokaal lager, tot NAP -6,80 m

1. Waterkwaliteit a. Belasting van het watersysteem met Fosfor

b. Kwel

2. Waterkwantiteit

De afvoer vanuit het Dorp en de Watertuinen wordt onder vrij verval afgevoerd naar het Energielandschap. Vanuit het Energielandschap voert het onder vrij verval af naar de Vierde Tocht;

4 bruggen met minimale doorstroombreedte van 4 m

17 duikers in de Derde Tocht hebben een kleinere diameter dan 1 m. Deze duikers moeten worden vervangen om de incidentele afvoer aan te kunnen. 4 bruggen met minimale doorstroombreedte van 4 m

-Een waterpeil van NAP -5,75 m in de Vierde Tocht conflicteert met de leidingen die nu al aanwezig zijn in de Buisleidingenstraat. Het maaiveldhoogte varieert.

-Een waterpeil van NAP -5,75 m in de Vierde Tocht conflicteert met de leidingen die nu al aanwezig zijn in de Buisleidingenstraat. Het maaiveldhoogte varieert

De incidentele afvoer vanuit het westelijk agrarisch gebied wordt via een gemaal opgepompt naar de Vierde Tocht; De afvoercapaciteit van de Vierde Tocht voldoet aan de maximale afvoer capaciteit van 90 m3/min. 3. Obstakels/ conflicten Buisleidingenstraat

40 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

0/De buisleidingenstraat behoudt grotendeels voldoende drooglegging;

Beoordelingscriteria

Variant 1 - Vierde Tocht

Variant 2A - Gedeeltelijk langs Dorp/Watertuinen

Variant 2B - Derde Tocht

Variant 2C - 2½ Tocht

Toelichting / Uitgangspunten

b. Eigendomssituatie

De oplossingsrichtingen zijn te realiseren in de huidige eigendomssituatie van de gemeente.

De oplossingsrichtingen zijn niet te realiseren in de huidige eigendomssituatie van de gemeente. Er zijn aanpassingen nodig aan de zuidoostelijke deel van Derde Tocht, zoals het verbreden van de Derde Tocht met circa 2m en verdiepen met circa 0,2 m

-De oplossingsrichtingen zijn niet te realiseren in de huidige eigendomssituatie van de gemeente. Er zijn aanpassingen nodig aan de Derde Tocht, zoals het vervangen van circa 17 duikers, het verbreden van de Derde Tocht met circa 2 m en verdiepen met circa 0,2 m

-De oplossingsrichtingen zijn niet te realiseren in de huidige eigendomssituatie van de gemeente. Groene Schakel nog niet in eigendom

Hydraulische berekening laat zien dat er opstuwing plaatsvindt in de Derde Tocht wanneer de incidentele afvoer vanuit het agrarisch gebied wordt afgevoerd; Bij een verbreding van 1 tot 2 m, en een verdieping van de watergang van 0,2 m is de opstuwing verholpen. Dit betekent dat de Derde Tocht verbreed moet worden in varianten 2A en 2B.

0 bestaande lintbebouwing kan worden ingepast door de percelen te isoleren van het waterpeil door een sloot achter de woningen. Dit geldt voor iedere variant;

bestaande lintbebouwing kan worden ingepast door de percelen te isoleren van het waterpeil door een sloot achter de woningen. Dit geldt voor iedere variant; Bebouwde percelen i.r.t. verbreding Derde tocht

bestaande lintbebouwing kan worden ingepast door de percelen te isoleren van het waterpeil door een sloot achter de woningen. Dit geldt voor iedere variant;

0 bestaande lintbebouwing kan worden ingepast door de percelen te isoleren van het waterpeil door een sloot achter de woningen. Dit geldt voor iedere variant;

0 Door watergangen nu ruim te dimensioneren ontstaat een systeem dat ook in de toekomst robuust is

Krappe verbinding (Derde Tocht) geen ruimte voor toekomstige verbreding

Krappe verbinding (Derde Tocht) geen ruimte voor toekomstige verbreding

0 Door watergangen nu ruim te dimensioneren ontstaat een systeem dat ook in de toekomst robuust is

+ Huidige wateroppervlakken bieden voldoende ruimte om maalstop op te vangen, ook in tussentijdse situaties. Het flexibel peilbeheer maakt het systeem minder afhankelijk van inlaat. Door 50 cm peilfluctuatie toe te staan bij flexibel peilbeheer wordt inlaatbehoefte nog kleiner en kan een extra’+’ worden gescoord

+ Huidige wateroppervlakken bieden voldoende ruimte om maalstop op te vangen. Het flexibel peilbeheer maakt het systeem minder afhankelijk van inlaat. Door 50 cm peilfluctuatie toe te staan bij flexibel peilbeheer wordt inlaatbehoefte nog kleiner en kan een extra’+’ worden gescoord

+ Huidige wateroppervlakken bieden voldoende ruimte om maalstop op te vangen. Het flexibel peilbeheer maakt het systeem minder afhankelijk van inlaat. Door 50 cm peilfluctuatie toe te staan bij flexibel peilbeheer wordt inlaatbehoefte nog kleiner en kan een extra’+’ worden gescoord

+ Huidige wateroppervlakken bieden voldoende ruimte om maalstop op te vangen. Het flexibel peilbeheer maakt het systeem minder afhankelijk van inlaat. Door 50 cm peilfluctuatie toe te staan bij flexibel peilbeheer wordt inlaatbehoefte nog kleiner en kan een extra’+’ worden gescoord

4. Inpassing bestaande bebouwing en infra

Inpassing bestaande bebouwing en infra

Bebouwde percelen i.r.t. verbreding Derde Tocht

5. Toekomstbestendig a. Flexibiliteit

b. Klimaatrobuust in elke fase

6. Fasering Realiseerbaar direct na fase 1

7. Financiële haalbaarheid

--

--

--

Aanpassingen bij Derde Tocht vragen verwerving. Hiervoor enkele jaren beschikbaar

Veel aanpassingen Derde Tocht nodig. Deze delen moeten nog verworven worden. Hiervoor zijn enkele jaren beschikbaar maar aanleg vraagt veel eigendom en grootschalige ingreep

Gebied moet nog verworven worden. Hiervoor zijn enkele jaren beschikbaar maar aanleg vraagt veel eigendom en grootschalige ingreep

Niet realiseerbaar direct na fase 1 door eigendomssituatie

-

--

--

--

aanpassingen nodig aan toegangswegen en onderhoudsgebouw gasleiding (ophogen) op lokale lage plekken;

aanpassingen aan gasleiding, toegangsweg en onderhoudsgebouw benodigd bij hoge peil in Vierde Tocht (ophogen/verleggen)een deel ‘extra’ tocht;

Aanpassingen aan gasleiding, toegangsweg en onderhoudsgebouw benodigd bij hoge peil in Vierde Tocht (ophogen/verleggen);

Aanpassingen aan gasleiding, toegangsweg en onderhoudsgebouw benodigd bij hoge peil in Vierde Tocht;

Een deel ‘extra’ tocht aanleggen achter bestaande lintbebouwing;

Een nieuwe Tocht aanleggen tussen de Tweede en Derde Tocht;

Vervangen van 17 duikers in de Derde Tocht (huidige diameter < 1 m);

Grondeigendom locatie tussen Tweede en Derde Tocht nu niet van de gemeente, dus aankoop nodig;

+ Realiseerbaar direct na fase 1

Kostenposten

aanleggen 1 grote stuw en kleine stuw aanleggen achter bestaande lintbebouwing; extra kunstwerk onder N219 Verbreding Derdee Tocht

Verbreding Derde Tocht’ Complexe waterverbinding bij kruising N219/Knibbelweg

41 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Complexe waterverbinding bij kruising N219/Knibbelweg

Kunstwerken binnen het Dorp buiten beschouwing Deze zijn voor varianten min of meer gelijk en het betreft geen complexe kunstwerken

3.2.1

Vergelijking varianten

1. Waterkwaliteit Zoals eerder genoemd, wordt de waterkwaliteit in alle varianten beter ten opzichte van de huidige situatie. Dit vanwege de vermindering van landbouwfuncties in het Middengebied Zuidplas (minder nutriëntenbelasting voert af richting het watersysteem), en het tegendrukken van de kwel door het verhogen van de waterpeilen. Als we inzoomen op de varianten, is de verwachting dat bij variant 1 de kritische grensbelasting van fosfor wordt overschreden in het Energielandschap en de Vierde Tocht. Door de Vierde Tocht hydrologisch te isoleren gedurende ‘incidentele afvoer’ wanneer de externe nutriëntenbelasting het hoogst is, worden nadelige effecten voorkomen in de nabijgelegen gebieden, de Groene Waterparel en het Dorp/Watertuinen. In de varianten 2A, 2B en 2C is de verwachting dat de kritische fosforbelasting niet wordt overschreden bij een waterdiepte van 50 cm. Bij een waterdiepte van 70 cm is de kans groter dat de kritische belasting wordt overschreden. Echter is deze overschrijding lager dan in variant 1. Voor de waterkwaliteit in het Energielandschap en de Vierde Tocht is de verwachting dat de varianten 2A, 2B en 2C dus een betere optie zijn dan variant 1. De externe nutriëntenbelasting moet in de varianten 2A, 2B en 2C elders worden afgevoerd, en brengt dus een extra belasting op de omliggende gebieden (Derde Tocht, gedeeltelijk langs het Dorp en de 2½ Tocht).

Het effect op deze watersystemen is niet onderzocht in dit onderzoek en blijft dus een aandachtspunt voor de nadere uitwerking van deze varianten. Het is in elk geval ongewenst dat dit water een groot deel van het watersysteem belast. Directe afvoer naar gemaal Abraham Kroes is dus wenselijk. Een kanttekening bij alle varianten is dat er in de nadere uitwerkingsfase aandacht moet zijn voor de Ecologische Sleutelfactoren om daadwerkelijk een helder watersysteem te realiseren. Een goede waterkwaliteit is namelijk niet alleen afhankelijk van de externe nutriëntenbelasting, maar ook van bijvoorbeeld het lichtklimaat (zie ook ESF2 [ref 5]). Zo hanteert HHSK als voorwaarden voor de wijk dat alle passende verbetermaatregelen moeten worden genomen die nodig zijn voor een Goed Ecologische Potentieel (GEP). In het vervolg op het waterstructuurplan, wordt de invulling van passende maatregelen nader uitgewerkt. 2. Waterkwantiteit De te verwachten benodigde inlaat wordt in alle varianten minder dan als er niets zou worden veranderd in het watersysteem. Dit vanwege het basisprincipe dat het gebied water moet vasthouden en het instellen van flexibel peilbeheer. In variant 1 is er minder waterinlaat nodig in droge zomers ten opzichte van de andere varianten, door de aanvoer vanuit de Watertuinen/Dorp.

In de varianten 2 is dit niet het geval waardoor het water in het Energielandschap meer uitzakt gedurende droge periodes. Een optimalisatie op de varianten 2A, 2B en 2C zou kunnen zijn om, net zoals in variant 1, de Watertuinen/Dorp (deels) af te laten wateren op het Energielandschap, waardoor het peil in het Energielandschap minder uitzakt en er dus minder inlaat nodig is. Aanvullend is er gekeken naar de benodigde en beschikbare afvoercapaciteit per variant. In variant 1 blijft de huidige afvoercapaciteit behouden in de Vierde Tocht (gemaal 90 m3/s). In variant 1 is een grote automatische stuw nodig om de afvoer uit het gebied te reguleren. Verder zijn twee kleine stuwen nodig in variant 1 voor het peilbeheer in de twee delen van het Dorp en om de afvoer richting de Vierde Tocht te regelen. Bij varianten 2A, 2B en 2C moeten er diverse ingrepen worden gedaan om de benodigde watercapaciteit te realiseren.

42 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Door het opzetten van het waterpeil in de Vierde Tocht gaat in theorie waterberging verloren. Echter dit wordt gecompenseerd omdat incidentele inundatie van laag gelegen groen langs de Vierde Tocht en in het Energielandschap wordt geaccepteerd. 3. Obstakels/conflicten Buisleidingenstraat De buisleidingenstraat is een 70 m strook grenzend aan de Vierde Tocht, waarin nutsbedrijven hoofdtransportleidingen hebben die van groot belang zijn voor de energievoorziening. De gemiddelde maaiveldhoogte in deze strook is NAP -5,8 m (AHN4) en lokaal lager, tot NAP -6,80 m. Indien het waterpeil in de Vierde Tocht wordt verhoogd, is er (plaatselijke) verhoging van het maaiveld nodig om het terrein begaanbaar te houden en inspectie mogelijk te maken. Echter, moet de initiatiefnemer aantonen dat ophogingen geen gevolgen hebben (zie ook richtlijnen van de Gasunie, [ref. 7]). De verwachting is dat er weinig speelruimte is om van deze eis af te wijken. Dit omdat het over grote infrastructuur gaat van nationaal belang, en de leidingenbeheerders van de huidige leidingen die er al liggen (Gasunie) deze vereisten ook hebben aangegeven in eerdere overleggen met de gemeente. Eigendomssituatie De ingrepen die nodig zijn in het watersysteem voor variant 1 kunnen worden gerealiseerd binnen de eigendomsgrenzen van de gemeente.

Varianten 2A en 2B kunnen wegens de benodigde aanpassingen in de Derde Tocht niet volledig worden gerealiseerd binnen de eigendomsgrenzen. Bij variant 2C is dit ook het geval, vanwege de nieuw te aanleggen watergang in de Groene Schakel die niet in eigendom is van de gemeente. Varianten 2A, 2B en 2C kunnen gezien de huidige eigendomssituatie niet worden uitgevoerd op de korte termijn (fase 1). 4. Inpassing bestaande bebouwing en infra Voor de realisatie van het Middengebied Zuidplas is het inpassen van de bestaande bebouwing en infrastructuur een belangrijk aandachtspunt. Zo heeft in alle varianten het verhogen van het waterpeil ter plaatse van de Watertuinen en het Dorp, mogelijk effect op de bestaande infrastructuur en bestaande bebouwing als hier geen rekening mee wordt gehouden. Wat betreft de lintbebouwing, zijn de meeste lintbebouwingen hydrologisch aangesloten op het peilvak achter de woning. Dit is het plangebied van de Watertuinen en het Dorp. Door een sloot aan te leggen achter de woningen, op een lager peil dan het Dorp en de Watertuinen, kan de lintbebouwing hydrologisch worden geïsoleerd waar nodig, zodat het verhogen van het waterpeil geen invloed heeft op de lintbebouwing. Deze ingreep is van toepassing op alle varianten en kan in variant 2A worden gecombineerd met de waterafvoer.

Bij de varianten 2A, 2B en 2C moeten er nog aanvullende ingrepen worden gedaan om de bestaande bebouwing en infrastructuur in te passen. Aanvullend ligt de benodigde verbreding van de Derde Tocht (variant 2A en 2B) langs bebouwde percelen. 5. Toekomstbestendigheid Flexibiliteit De varianten 2A en 2B maken gebruik van de Derde Tocht. Deze zal verbreed moeten worden om voldoende capaciteit te hebben. Dan blijft de watergang echter krap en is aanpassing moeilijk indien in de toekomst tocht meer capaciteit gewenst is. In variant 1 heeft de Vierde Tocht voldoende capaciteit en in Variant 2C kan de nieuwe watergang ruim worden gedimensioneerd. Klimaatrobuust systeem in elke fase De criteria voor het waarborgen van een klimaatrobuust systeem in elke fase van de ontwikkeling, is beschouwd als niet onderscheidend voor de varianten. De reden hiervoor is dat dit een uitgangspunt is. In het volgende hoofdstuk is de waterberging van 200 mm getoetst. 6. Fasering nieuwbouwontwikkeling De fasering wordt nader toegelicht in hoofdstuk 5, een vooruitblik van de fasering.

43 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Echter geldt in algemene zin dat in variant 1 de oplossingsrichting direct te realiseren is. Voor varianten 2 is dit niet mogelijk direct na fase 1, vanwege de eigendomssituatie rondom Derde Tocht en de Groene Schakel, en het kunstwerk die nodig is onder de N219. De verwachting is dat de werving van de gronden en het mogelijk maken van het kunstwerk onder de N219 een langjarig proces is. 7. Financiële haalbaarheid De financiële haalbaarheid is met name beoordeeld op de ingrepen die aanvullend nodig zijn ten opzichte van de varianten onderling. In elke variant is een nieuw gemaal nodig. Dit is dus niet onderscheidend. In variant 1 is een grote automatische stuw nodig om de afvoer uit het gebied te reguleren. Verder zijn twee kleine stuwen nodig in variant 1 voor het peilbeheer in de twee delen van het Dorp en om de afvoer richting de Vierde Tocht te regelen. In de varianten 2A en 2B is gekeken naar het profiel van de Derde Tocht. De bodembreedte varieert volgens de legger tussen 2 en 5 m en de waterdiepte tussen 0,6 en 0,8 m, Het talud is overal 1:2. Hiermee is het profiel op veel plaatsen te krap en een afvoer van 100 m3/minuut (opgebouwd uit 90 voor de gemaalcapaciteit en 10 m3/min voor de percelen die afwateren op de tocht) te verwerken. Om de stroomsnelheid te beperken tot 0,2 m/s is verbreding van 1 tot 2 m nodig. Het verhang is dan circa 0,1 m/km.

In het noordelijke deel van de Derde Tocht zijn duikers aanwezig die vervangen moeten worden. De eerste inschatting is dat de bruggen in het zuidelijke deel (4 m breed) net voldoende capaciteit hebben. In de varianten 2A en 2B is er daarnaast een knelpunt op te lossen bij de kruising van de Knibbelweg en de N219. Om de waterverbindingen te maken zijn ruime duikers onder bestaande wegen nodig. Voor variant 2C zijn er minder knelpunten met bestaande infrastructuur. Wel zal de gehele watergang moeten worden gegraven en moeten de benodigde gronden worden aangekocht. Naar verwachting zullen vanwege de bereikbaarheid van percelen ook enkele bruggen nodig zijn. Voor alle varianten 2 geldt dat de gehele buisleidingen straat onder water komt te staan. Om deze bereikbaar en inspecteerbaar te houden is een ophoging nodig. Dit brengt kosten mee waarbij nadrukkelijk wordt opgemerkt dat ophoging niet is toegestaan volgens de standaard omschrijving Dubbelbestemming ‘leiding-Gas’ zoals de Gasunie deze voor bestemmingsplannen hanteert. Tenslotte is een controle berekening uitgevoerd voor variant 1 waar de Vierde Tocht met een lager waterpeil het Dorp doorsnijdt. Dit heeft als potentieel risico dat water uit het Vijfde Dorp wegzijgt naar de Vierde Tocht waardoor extra inlaat nodig zou zijn.

Hiervoor is een berekeningen van de wegzijging vanuit het Dorp naar de Vierde Tocht gemaakt op basis van de volgende uitgangspunten: - waterstandsverschil: 0,6 m; - afstand tussen watergang in het Dorp en de Vierde Tocht: 50 m; - dikte ophooglaag 2 tot 2,5 m, grondwaterstand 1 m-maaiveld zodat afvoer plaats kan vinden via een 1 m dik zandpakket; - doorlatendheid ophoogzand 5 m/dag; - lengte waarover kwel kan plaatsvinden: 2 km (zijde van de leidingen straat niet meegerekend omdat daar een extra brede bufferstrook is; - er is geen rekening gehouden met een intree weerstand van de waterbodem. Daarmee is sprake van een overschatting in de berekening. De afvoer wordt daarmee 120 m3/dag. Deze hoeveelheid is klein ten opzichte van overige posten in de waterbalans. Op basis hiervan worden geen maatregelen tegen wegzijging nodig geacht tenzij bij de plan uitwerking watergangen van het Dorp relatief dichtbij de Vierde Tocht worden gepland (minder dan 20 m afstand).

44 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

4 TOETSING WATERBERGING (OP STRUCTUURPLAN NIVEAU) De waterbalansen in de vorige hoofdstukken gaan vooral in op het functioneren in gemiddelde situaties (‘dagelijkse ontwerpnorm’). Voor het Vijfde Dorp zijn hoge ambities ten aanzien van klimaatadaptatie. Belangrijk daarin is de aanwezigheid van voldoende waterberging om een extreme bui te kunnen verwerken. Niet alleen in de reguliere situaties, maar ook in een situatie waarbij gedurende 48 uur een maalstop geldt. Dit is vertaald naar toetsing op de beschikbaarheid van voldoende waterberging om 200 mm tijdelijk te kunnen opslaan. In dit hoofdstuk is een verkennende berekening opgenomen voor de systemen: - Dorp en Watertuinen; - Energielandschap en Vierde Tocht. Daarbij is uitgegaan dat een eventueel tekort in het Dorp kan worden gevonden in het Energielandschap. Omdat de plannen nog maar beperkt zijn uitgewerkt, betreft dit een verkennende berekening. Benodigde waterberging Dorp, Watertuinen en Energielandschap Als eerste zijn de hoeveelheden te bergen water bepaald: - Dorp en Watertuinen: Oppervlak verharding en water: 177 ha (138+39) → 354.000 m3; - Energielandschap en Vierde Tocht: 43 ha (13+30) → 85.000 m3. Voor het onverhard terrein (groen oppervlak) wordt uitgegaan van berging in de bodem en plassen op het maaiveld.

Beschikbare waterberging De beschikbare waterberging is als volgt op structuurplanniveau benaderd: - watergangen in Dorp en Watertuinen: De drooglegging is 1,0 m. Bij deze berekening is uitgegaan van 0,9 m peilstijging. Dit levert een beschikbare waterberging van 349.000 m3 op. Theoretisch is dit net niet voldoende (verschil van 5.000 m³). Een kleine hoeveelheid water kan op laaggelegen groen in het Dorp worden geborgen of wordt afgevoerd naar het Energielandschap; - Energielandschap en Vierde Tocht: De drooglegging verschilt hier sterk omdat de maaiveldhoogte varieert. In een eerste benadering wordt uitgegaan van 0,4 m peilstijging. Dit levert 49.000 m3 waterberging op. De resterende berging kan onder deze extreme situaties plaatsvinden op groen, onverhard oppervlak. Het oppervlak onverhard in dit gebied is 48 ha. De resterende wateropgave is 41.000 m3 inclusief het water uit het Dorp. Dit betekent dat tijdelijk gemiddeld 8 cm water op het groen oppervlak staat. Daarmee leveren de nu gehanteerde oppervlakken een basis om tot een robuust watersysteem te komen. In deze benadering is het gebied geheel zelfvoorzienend. In periode van een maalstop wordt geen rekening gehouden met afvoer van het noordwestelijk gebied op de Vierde Tocht. In deze situatie kan de doorvoer van water naar het gemaal namelijk niet plaatsvinden.

Daarmee is er in de bepaling van de beschikbare waterberging op structuurplanniveau geen groot verschil tussen de varianten 1 en 2A-B-C. Indien in variant 1 wel rekening wordt gehouden met afvoer via het gemaal leidt dat in 48 uur tot circa 259.000 m3 extra water. Verdeeld over het oppervlak water en onverhard zou dit een extra peilstijging van

45 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

0,4 m betekenen. Dit zou dan extra zijn ten opzichte van het uitgangspunt ‘eigen broek ophouden’ omdat dit water van buiten het plangebied betreft. Bedrijventerrein Voor het bedrijventerrein zijn nog geen gegevens beschikbaar om een vergelijkbare berekening uit te voeren. Vanwege het hoge percentage verharding is de eerste inschatting dat minimaal 15 % open water op of in de directe nabijheid van het bedrijventerrein (in het Koning Willem I bos) noodzakelijk zal zijn.

46 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

5 VOORUITBLIK FASERING In afbeelding 5.1 is in een overzichtskaart weergegeven welke delen als eerste worden ontwikkeld.

Afbeelding 5.1 Eerste ontwikkelingen Middengebied (zwarte omkadering; rood: verkeersontsluiting) bron: presentatie Werkatelier Zuidplas Middengebied d.d. 24 januari 2023

De delen die het eerst ontwikkeld worden zijn het Energielandschap ten zuidwesten van de Vierde Tocht, het Dorp voor het deel ten noordoosten van de Vierde Tocht en de benodigde ontsluiting (rood aangegeven) om het Dorp richting de N219 te verbinden. Bij het ontwikkelen van de eerste fase van het Dorp zal ook de waterhuishouding op orde moeten worden gebracht. Dit betekent dat de nieuwe waterstructuur, de benodigde ophoging van het gebied en de toekomstige waterpeilen moeten worden ingesteld. Door bij het bouwrijp maken de waterstructuur direct aan te brengen is steeds voldoende waterberging beschikbaar op het moment dat verharding (wegen, woningen) in het gebied worden aangebracht. In deze eerste fase houden de percelen rond de Vierde Tocht hun huidige functie en zijn daarom grootschalige aanpassingen in de waterhuishouding nog niet mogelijk. Dit betekent dat tijdelijke voorzieningen (bijvoorbeeld stuwtjes) nodig zijn om de afwatering naar de omgeving te reguleren.

47 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Om de afwatering in de tijdelijke situatie mogelijk te maken zal vanuit de te ontwikkelen gebied steeds afwatering richting de Vierde Tocht nodig zijn. Om efficiënt te werken is het daarbij wenselijk om de afwatering zo min mogelijk te hoeven omleggen en vanuit energiegebruik en duurzaamheid is het om water in het hoge pand van de Vierde Tocht af te wateren. Hiermee is het namelijk niet nodig het water binnen de Vierde Tocht te verpompen. Hoe de ontwikkelingen binnen de contour uit afbeelding 5.1 worden gerealiseerd is niet (volledig) bekend. Een mogelijkheid om flexibiliteit toe te voegen is om een watergang langs de randweg van het Kreekdorp aan te leggen. Elk te ontwikkelen gebied krijgt zijn eigen waterhuishoudkundig systeem dat afwatert op deze watergang. Bij het afvoer op de Vierde Tocht wordt een stuw geplaatst om het waterpeil in het Dorp te reguleren en water vast te houden. De afvoer vindt aan de zuidoost zijdeplaats (dus niet in het Energielandschap) om onnodig pompen te voorkomen (zie afbeelding 5.2). Voor de eerste fase van het Energielandschap wordt tussen het Energielandschap en de Vierde Tocht een tijdelijke stuw geplaatst om het waterpeil in het Energielandschap te reguleren. Wanneer een groter deel van de ontwikkeling heeft plaatsgevonden, wordt het peil in de Vierde Tocht aangepast.

Bij deze wijze van aanleg zijn weinig tijdelijke watergangen of kunstwerken nodig en is er flexibiliteit in de fasering en kan deze eventueel tussentijds worden aangepast. In hoofdstuk 3 zijn eerste berekeningen uitgevoerd aan de wegzijging van opzetten van het waterpeil. Uit deze berekeningen blijkt dat geen voorzieningen (kwelschermen, kleidam) nodig is om groot waterverlies door wegzijging te voorkomen. Een uitzondering geldt voor watergangen die op korte afstand langs een peilgrens worden gelegd (circa 20 m afstand). Verdere fasering Hoe de fasering verder verloopt is nu nog onduidelijk. Op het moment dat een groot deel van het gebied rondom de Vierde Tocht een andere functie heeft gekregen, kan het waterpeil worden aangepast. Op dat moment zal het nieuwe gemaal gereed moeten zijn en zal afhankelijk van de gekozen variant ook de afwateringsroute voor het Westelijk agrarisch gebied beschikbaar moeten zijn. Dit betekent dat in de planning een aantal jaren vooruit moet worden gekeken om tijdig de juist voorzieningen aan te leggen.

48 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Afbeelding 5.2 Schets tijdelijke afwatering (grote versie zie bijlage V)

Tekstbox 5.1 Flexibel peilbeheer en droogvallende delen watersysteem

Flexibel peilbeheer en droogvallende delen watersysteem Eén van de kenmerken van een robuust watersysteem is dat het niet of minder afhankelijk is van de inlaat van water. Om dat te bereiken wordt in natte perioden water opgeslagen om dit te benutten voor de droge perioden. Dit ‘opslaan van water’ vindt zowel in het oppervlaktewatersysteem als in de bodem plaats. In diverse nieuwbouwwijken in Nederland is al ervaring met een flexibel peilbeheer, ook in lagere delen zoals de Haarlemmermeerpolder of het boezemsysteem van Friesland. Vaak wordt daarbij als bandbreedte tussen maximum en minimum 0,3 m verschil aangehouden. In het huidige klimaat is dit meestal voldoende om droge zomers op te vangen binnen het bestaande watersysteem. Uit de analyses in hoofdstuk 3 blijkt al dat hiermee een aanzienlijke besparing op inlaatwater mogelijk is. Een verdergaande optie is om een waterstandsvariatie van 0,5 m toe te staan. Voor zover bekend zijn voor woonwijken in Nederlandse polders nog geen ervaringen met dergelijke peilvariaties. De afstemming van het ontwerp op deze peilvariatie vraagt een aanzienlijke inspanning met als belangrijke aandachtspunten: - bij een lage waterstand vallen grote delen van de oevers droog, zeker bij toepassing van een flauw talud. Welk beeld levert dit op voor bewoners van het Dorp; - bij een lage waterstand zal de resterende waterdiepte beperkt zijn.

Bijvoorbeeld wanneer bij de maximale waterstand 1,2 m waterdiepte aanwezig is, zal in een droge situatie nog 0,7 m overblijven; Wat zijn hiervan de gevolgen voor vissen, waterplanten en ook onderhoud (verlanden); - om waterverbindingen te blijven behouden zijn ruimere duikers nodig, bijvoorbeeld minimaal 800 mm in plaats van 600 mm. Een deel wordt opgelost door sloten en greppels toe te passen die droog mogen vallen, zie schets hieronder. In bijlage V zijn uitgebreidere doorsneden opgenomen.

49 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

De uitdagingen die hierbij spelen zijn aanzienlijk. Daarom wordt voorgesteld om bij de uitwerking van de eerste plannen de maximale peilfluctuatie van 50 cm als uitgangspunt te hanteren en na te gaan hoe dit vertaald kan worden naar een inpasbaar en beheersbaar ontwerp. Wanneer dit succesvol is, kan dit in de eerste plannen worden ingevoerd. Door wel (beperkte) voorzieningen voor de inlaat van water aan te brengen, kan in de praktijk zo nodig worden bijgestuurd indien een lage waterstand leidt tot problemen of overlast.

Afbeelding 5.3 Waterstandsvariatie

Relatie met ontwatering In bovenstaande afbeelding is dit schematisch weergegeven. Behalve dat het watersysteem zorgt voor waterberging heeft het ook een functie voor de ontwatering (beheersing van grondwaterstanden). Daarvoor is het gunstig dat een vertakt watersysteem bestaat met droogvallende greppels en sloten. Deze dragen bij aan de ontwatering. In een later stadium zal de ontwatering verder uitgewerkt moeten worden. Dan kan het nodig blijken om via cunetdrainage de grondwaterstanden te beheersen voor delen van het plangebied die verder van het watersysteem afliggen.

50 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

6 ADVIES WATERSTRUCTUUR In dit hoofdstuk wordt het eindbeeld geschetst dat wordt geadviseerd op basis van dit onderzoek. In de eerste paragraaf wordt het eindbeeld geschetst. In paragraaf 6.2 worden de discussiepunten uit het onderzoek toegelicht en wat dit betekent voor het eindbeeld. Op basis van het geadviseerde eindbeeld en de discussiepunten wordt een routekaart naar een toekomstrobuust watersysteem voorgesteld in paragraaf 6.3.

6.1

Eindbeeld

Op basis van het onderzoek, is het advies voor het watersysteem hieronder toegelicht. In het algemeen geldt dat het advies voor de ontwerpkeuzes bestaat uit een combinatie van de varianten.

Afbeelding 6.1 Advies waterstructuur (zie voor grote versie bijlage VI)

Afvoerroute noordwestelijk gebied Het advies is om de afvoerroute voor de afvoer vanuit het noordwestelijk gebied, om te leiden langs het Dorp/Watertuinen. De belangrijkste reden is dat varianten 2A, 2B en 2C aanzienlijk beter scoren op de waterkwaliteit dan variant 1, als we kijken naar de waterkwaliteit in het Energielandschap en de Vierde Tocht.

51 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Hierbij geldt dat varianten 2B (afvoer westelijk agrarisch gebied via Derde Tocht) en 2C (afvoer westelijk agrarisch gebied via 2½Tocht) als moeilijk te realiseren varianten worden beschouwd, vanwege aanwezige knelpunten en de benodigde aankoop van een aanzienlijk oppervlakte grond. Echter betekent deze afvoerroute (varianten 2A, 2B en 2C) dat er een extra nutriëntenbelasting wordt afgevoerd op de Derde Tocht. Het onderzoeken van het effect van de extra nutriëntenbelasting is geen onderdeel geweest van de scope in dit onderzoek. In een nadere uitwerking moet worden uitgewerkt hoe om te gaan met de extra nutriëntenbelasting op de Derde Tocht. Mocht deze extra nutriëntenbelasting niet kunnen worden opgelost met een ‘slimme inrichting’ of indien de verbinding vanwege andere redenen in de praktijk niet te realiseren is, dan bestaat er een alternatief om de afvoer via de Vierde Tocht en het Energielandschap te laten afvoeren (variant 1) met een optimalisatie daarin. De waterbalans laat zien dat een groot aandeel van de extra nutriëntenbelasting op het Energielandschap en de Vierde Tocht afkomstig is van de afvoer vanuit het Dorp en de Watertuinen. In de optimalisatie kan de externe nutriëntenbelasting worden verlaagd door de reguliere afvoer van de Watertuinen en het Dorp te laten afwateren op de Vierde Tocht, aan de oostelijke grens van het plangebied.

Dit is ook mogelijk rekening houdend met de waterberging, want de berekening laat zien dat voor het Dorp en de Watertuinen de waterberging in het Energielandschap maar zeer beperkt is. Dit kan praktisch worden ingevuld door aan de kant van het Energielandschap een (nood)uitlaat op te nemen. Dit heeft als bijkomend voordeel dat de waterafvoerrichting in de toekomst ook gestuurd kan worden. Waterpeilen Het advies voor de waterpeilen is weergegeven in tabel 6.1. Variant 1 geniet de voorkeur voor de waterpeilen in het Energielandschap en de Vierde Tocht. In deze variant wordt ten opzichte van de huidige situatie het waterpeil in de Vierde Tocht verhoogd maar niet tot het niveau van het Dorp. Vanwege het belang van de buisleidingenstraat en de investering die daaraan gekoppeld is, wordt variant 1 voor de in te stellen waterpeilen als realistische optie gezien. Dit resulteert al in een aanzienlijke verbetering van de waterkwaliteit en het robuust inrichten van het watersysteem. Op dit moment worden varianten 2A, 2B en 2C vanwege de buisleidingenstraat niet als haalbare optie gezien. Waarbij overigens wel wordt aanbevolen om met de beheerders en eigenaren van de leiding te bespreken welke waterhuishoudingkundige aanpassingen exact mogelijk zijn.

Tabel 6.1 Eigenschappen watersysteem - advies eindsituatie Deelgebied

Waterpeil [m NAP]

Functies

Aanvoer

Afvoer

Dorp en Watertuinen

-6,05 / -5,55

Stedelijk gebied Vasthouden afvoer stedelijk gebied

Ringvaart

Vierde Tocht (benedenstrooms) en/of Energielandschap

Energielandschap

-6,40 / -5,90

Waterberging voor extreme situaties (T=100 bui en bij maalstop)

Dorp en Watertuinen of Vierde Tocht

Vierde Tocht → gemaal Abraham Kroes

Vierde Tocht

-6,40 / -5,90

Afvoer en waterbergende functie Watertuinen en Dorp

Ringvaart

gemaal Abraham Kroes

Groene waterparel

Behouden zoals huidige situatie. Meerdere waterpeilen variërend van -5,90 tot -6,48

Agrarisch gebied en ecologische zone

Deels uit het Dorp/Watertuinen

gemaal Abraham Kroes

52 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Deels uit de Ringvaart

Deelgebied

Waterpeil [m NAP]

Functies

Aanvoer

Afvoer

Koning Willem I bos en bedrijventerreinen

minimaal -6,32/6,42

Bos Bedrijventerreinen

Ringvaart

regulier: gemaal Zuidplas bij calamiteiten: via Vijfde tocht naar gemaal Abraham Kroes (zoals huidige situatie)

Gebieden isoleren en waterpeil ophogen waar mogelijk, rekening houdend met definitieve functies en mogelijke inpassing infrastructuur/te behouden bebouwen

Bandbreedte streefwaterpeil Het advies is om waar mogelijk in het plan een flexibel waterpeil te hanteren van 50 cm. Een flexibel peil van 50 cm, maakt het watersysteem meer veerkrachtig en robuust voor wateroverlast en droogte, dan bij een flexibel peil van 30 cm, omdat het dan minder afhankelijk wordt van de inlaat. Echter het vertalen van deze peilfluctuatie naar een ontwerp brengt meer uitdaging met zich mee, zoals de droogval van oevers, het ‘beeld’ dat bewoners bij het Dorp beleven, de resterende waterdiepte en het ontwerp van kunstwerken. In bijlage V is een tekening opgenomen waarin de waterstandsfluctuatie is weergegeven in smalle en brede watergangen maar ook in greppels en sloten die droog kunnen vallen. Een consequentie van de keuze is bijvoorbeeld dat grotere duikers nodig kunnen zijn. Waar normaalgesproken een diameter van 600 mm vereist zou zijn, wordt dat nu 800 mm. Geadviseerd wordt om in de uitwerking van het ontwerp te onderzoeken in hoeverre grotere peilfluctuaties dan 30 cm, liefst tot 50 cm inpasbaar zijn, rekening houdend met de oeverinrichting, het ecologisch functioneren bij minimale waterstanden en onderhoudsaspecten. Koning Willem I Bos en bedrijventerreinen Het advies is om het huidige waterpeil te hanteren, en waar mogelijk te verhogen. Een verhoging van het waterpeil komt ten goede aan het GEP in dit gebied.

Hierbij zijn de uitgangspunten dat het maaiveld in dit gebied niet wordt opgehoogd, en er rekening moet worden gehouden met de belangrijkste infrastructuur die hier aanwezig is. De definitieve inrichting van dit gebied (welk type bos) is nog niet duidelijk. De optimalisatie van het watersysteem worden gezamenlijk uitgewerkt met de verdere ruimtelijke uitwerking van dit gebied. Voor de bedrijventerreinen wordt aangesloten op de bestaande waterpeilen met uitzondering van de uitbreiding van het Gouwe Park (Gouwe Park II). Hier zal worden een geringe peilverlaging worden toegepast om aan te sluiten op het bestaande bedrijventerrein. Toekomstperspectief waterkwaliteit afvoer westelijk agrarisch gebied Voor de afvoer van het westelijk agrarisch gebied is te zien dat deze in variant 1 substantieel bijdraagt aan de fosfor belasting. Ook voor microverontreinigingen zoals bestrijdingsmiddelen zorgt deze afvoer voor een belasting. De meest gewenste optie is dat de verontreiniging bij de bron wordt opgelost. Dit is van belang omdat ook bij loskoppeling van de Vierde Tocht de afvoer nog steeds, maar dan elders, zorgt voor ongewenste belasting van de waterkwaliteit. Het waterschap is reeds bezig om dit te stimuleren, echter is vooruitzicht op de korte termijn dat dit nog niet de gewenste resultaat oplevert (zie ook [ref. 9]).

6.2

Discussie

Hoewel met dit onderzoek een goed inzicht is verkregen in mogelijke effecten, zijn er ook een aantal zaken waarover een meer nauwkeurig beeld gevormd kan worden als er meer gegevens beschikbaar zijn. De onzekerheden zijn als volgt: - de nutriëntenbelasting van de kwel en de kwelflux. Zowel de hoeveelheden kwel als de kwaliteit zijn nu ingeschat. Door metingen van de kwaliteit en bij de systeemanalyse nader in te zoomen op de geohydrologie kan in de nadere uitwerking een betere inschatting worden gemaakt;

53 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

-

-

-

de afvoer van het noordwestelijk gebied. Het is op dit moment niet mogelijk de exacte afvoerflux in te schatten op basis van de gegevens die beschikbaar zijn. De afvoerflux is in het onderzoek overschat, waar de kwaliteit gedeeltelijk is onderschat. Een debietmeting en kwaliteitsmeting van de inlaat in de Vierde Tocht op de plangrens, helpt om de resultaten te valideren. Echter, is de verwachting dat de strekking van de uitkomsten niet anders zijn; de invloed van bestaande bodems op de belasting via uitspoeling is gebaseerd op landelijke kentallen. Per situatie kunnen echter verschillen optreden afhankelijk van de bodemsamenstelling en (historisch) grondgebruik. Dit werkt ook in de toekomst door naar de waterkwaliteit. Beter inzicht hierin is nodig om inzicht te krijgen in de belasting en eventueel benodigde maatregelen; afwenteling naar Derde Tocht, extra nutriëntenbelasting. Het effect van de extra nutriëntenbelasting is niet bekeken in dit onderzoek. Het advies is om de Derde Tocht te isoleren van de aangrenzende gebieden om verspreiding van de nutriëntenbelasting te voorkomen.

6.3

Routekaart naar het toekomstig watersysteem

Watersysteemanalyse Voor de verdere uitwerking van de waterhuishouding wordt aanbevolen om het volgende te onderzoeken: - kwelonderzoek. Het advies is om de kwelhoogte en kwaliteit van de kwel nader te onderzoeken. De peilbuisonderzoeken zijn reeds uitgezet. Het advies is om de komende jaren continu te meten om goed inzicht te krijgen in het verloop en de fluctuatie in de kwel en kwaliteit. Met deze inzichten kan worden bekeken in hoeverre de kwelflux bijdraagt aan de externe nutriëntenbelasting in het plangebied; - voor de delen die niet opgehoogd worden: onderzoek naar de uitspoeling van onverhard gebied en de invloed daarvan op de waterkwaliteit; - nadere uitwerking van dit waterstructuurplan in een watersysteemanalyse om inzicht in de werking van het toekomstige systeem te verbeteren en daarmee in de toekomst waterhuishoudkundige maatregelen (zowel kwantiteit als kwaliteit) beter te kunnen afwegen. In deze watersysteemanalyse worden ook andere relevante Ecologische Sleutel factoren meegenomen. In de watersysteemanalyse is de waterkwaliteit nadrukkelijk een aandachtspunt. Door ingrepen in het watersysteem veranderen grondwaterstromingspatronen en stijghoogten.

Dit zal gevolgen hebben voor het optreden van kwel in en rond het plangebied; - in zicht verkrijgen in de benodigde verwerving gronden voor verbreding Derde Tocht en de mogelijkheid daarvoor; - afstemming over de inpassing van de buisleidingstraat in de inrichtingsplannen rondom de Vierde Tocht, met de leidingbeheerders ter plaatse van de buisleidingenstraat (zoals Gasunie) en de beheerders van de buisleidingenstraat zelf; - het effect van het verkleinen van het huidige afvoergebied op afvoergemaal Bierhoogt op de benodigde afvoercapaciteit voor de incidentele afvoer vanuit het noordwestelijk gebied; - HHSK is van plan in de tweede helft van 2023 een watersysteemanalyse voor de gehele Zuidplaspolder uit te voeren. Aanbevolen wordt om daarin niet alleen naar de huidige situatie te kijken maar ook het effect van ruimtelijke ontwikkelingen op korte en langere termijn mee te nemen. Er is een trend naar een meer zelfvoorzienende en robuuste watersysteem. Door deze aanvullende slag wordt duidelijk op welke wijze ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het oplossen van de huidige knelpunten in het waterbeheer. Het waterstructuurplan voor het Middengebied geeft al aan welke bijdrage dit project levert aan een robuuster watersysteem.

De watersysteemanalyse voor de gehele polder kan ook de basis zijn voor een verfijnde watersysteemanalyse voor het Middengebied waarin dan direct de interacties met andere delen van de polder worden meegenomen. Deze systeemanalyse toetst het voorliggende structuurplan en zal mogelijk input zijn voor project overstijgende maatregelen. Nadere uitwerking De hiervoor genoemde onderzoeken vormen de basis voor op te stellen inrichtingsplannen voor het gebied, inclusief ontwerp van de waterhuishouding. Specifiek voor het Koning Willem I Bos geldt dat inzicht in het type bos en de gebruiksintensiteit (betreedbaarheid) nodig zijn om de waterhuishouding uit te werken. Deze informatie is namelijk van belang in verband met de te realiseren drooglegging en ontwatering.

54 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

Daarnaast is inzicht in de fasering nodig om te weten op welk moment welke waterhuishoudkundige voorzieningen nodig zijn. Met deze planning kan worden gezorgd voor tijdige start van de voorbereiding. Fasering Gezien de fasering van de nieuwbouwlocatie (fase 1, zie ook hoofdstuk 5 en afbeelding 5.2) en de huidige gebruiksfuncties van percelen is het advies om niet te wachten totdat het mogelijk is in één keer de eindsituatie te realiseren, maar in stappen te komen tot de gewenste eindsituatie van het watersysteem. Hierbij is het uitgangspunt dat in iedere fase het watersysteem klimaatrobuust is. De eerste stap is fase 1 van de gebiedsontwikkeling. Dit is weergegeven in bijlage V en aangegeven met onderdeel fase 1. Het waterpeil in de Vierde Tocht wordt in deze fase nog niet opgehoogd, en het gemaal niet verplaatst. Het peil van het te ontwikkelen gebied in fase 1 ter plaatse van de Watertuinen en het Dorp wordt wel opgehoogd. Het advies is om een ringsloot aan te leggen langs de randweg om het te ontwikkelen gebied af te wateren via de Vierde Tocht achter het huidige gemaal. De vervolgstap in de volgende fasen van de gebiedsontwikkeling, is om de Vierde Tocht op te hogen, waarbij het Dorp en de Watertuinen afwatert op de Vierde Tocht aan de oostgrens van het plangebied.

Op dat moment zullen ook: - het gemaal verplaatst moeten zijn; - de nieuwe afvoer route voor de afwatering van het westelijk agrarisch gebied gereed moeten zijn.

55 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

7 CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN Conclusie In dit waterstructuurplan is een analyse gemaakt over de bepalende ontwerpkeuzes voor de waterstructuur. Verschillende varianten zijn onderzocht voor de hoogte van het waterpeil en de afvoerroute van het noordwestelijk gebied. De varianten zijn een weergave van enerzijds de voorkeuren vanuit de gemeente Zuidplas en anderzijds de voorkeuren vanuit het waterschap HHSK. Uit de uitwerking van dit waterstructuurplan blijkt dat de gebiedsontwikkeling kan zorgen voor de instelling van een robuuster watersysteem. De geplande ophogingen in het gebied zorgen dat de gemaakte afspraken over waterveiligheid worden ingevuld. De ophoging maakt het tevens mogelijk waterstanden te verhogen en daarmee de kwel terug te dringen en de waterkwaliteit te verbeteren. Dit leidt er toe dat in het beschouwde gebied, afhankelijk van de gekozen variant, grotendeels of in het geheel een helder watersysteem kan worden gerealiseerd. In de plannen kan het aantal peilgebieden sterk worden teruggebracht en door invoering van een flexibel peilbeheer neemt de afhankelijkheid van inlaat water af. Dit draagt bij aan een robuust en veerkrachtig watersysteem.

Tenslotte is bij toetsing van de plannen op structuurplan niveau gebleken dat het Middengebied Zuidplas en het Energielandschap kunnen voorzien in de benodigde waterberging (200 mm) gedurende een situatie met een maalstop van 48 uur. Daarmee biedt de gebiedsontwikkeling de kans om een versnipperd en kwetsbaar watersysteem om te vormen naar een klimaatrobuust en toekomstgericht watersysteem. De varianten voor de afvoerroute van het westelijk agrarisch gebied en de hoogte van de waterpeilen in het Energielandschap, de Vierde Tocht en de Watertuinen en het Dorp, zijn met elkaar vergeleken. De varianten zijn beoordeeld op de factoren: waterkwaliteit, waterkwantiteit, obstakels, flexibiliteit, toekomstrobuustheid, fasering en financiële haalbaarheid. Op basis van deze elementen is een advies tot stand gekomen voor de wenselijke waterstructuur voor het Vijfde Dorp.

Op basis van dit onderzoek is het advies voor de waterstructuur (eindsituatie): - het waterpeil te verhogen naar een streefwaterpeil van NAP -6,05/-5,55 m ter plaatse van de Watertuinen en het Kreekdorp; - het waterpeil te verhogen in de Vierde Tocht en het Energielandschap naar NAP -6,40/-5,90 m, om rekening te houden met de buisleidingenstraat; - een minimaal flexibel peil te hanteren van 30 cm en waar dit ruimtelijk is in te passen een flexibel peil te hanteren van 50 cm; - de afvoer vanuit het noordwestelijk gebied om het Kreekdorp heen te leiden gedeeltelijk langs de Watertuinen en het Kreekdorp, en via de Derde Tocht geïsoleerd af te voeren naar het gemaal Abraham Kroes; - peilgebieden ter plaatse van het Koning Willem I Bos en de bedrijventerreinen waar mogelijk te verhogen. Dit is afhankelijk van de drooglegging (zonder op te hogen) en de inpassing van de bestaande infrastructuur. Het advies is om stapsgewijs te komen tot de eindsituatie. Dit maakt het ook mogelijk om de eindsituatie te herijken op een later tijdstip, als meer gegevens beschikbaar zijn over de mogelijkheden tot werving van benodigde gronden voor aanpassingen buiten de eigendomssituatie en de nutriëntenbelasting van de kwel.

56 | 58

Witteveen+Bos | 136828/23-012.112 | Definitief 02

De ontwerpkeuzes voor het waterpeil en de afvoerroute (in fasering) vormen de basis voor de integrale uitwerking van het waterhuishoudingsplan. Advies vervolgacties en onderzoek Het advies is om de volgende vervolgacties en onderzoeken uit te voeren: - afstemming met beheerders buisleidingenstraat en beheerders huidige leidingen: concretiseren wat is mogelijk wat betreft het ophogen van het waterpeil en maaiveld en wat niet; - onderzoek naar de kwaliteit van het diepe grondwater in de peilbuizen van de grondwatermonitoring dat in gang is gezet door de gemeente Zuidplas; - tot nu toe is alleen productiviteit/belasting van het watersysteem meegenomen. Aanbevolen wordt om bij de ruimtelijke inrichting rekening te houden met alle relevante ecologische sleutelfactoren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14002804/1