CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 22 - Veiligheidsrichtlijnen

Gemeenteraad 27 augustus 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning Tiny Houses Zevenhuizen34.786 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het maatgevende scenario voor de bluswaterbehoefte is in de tabel groen gearceerd. Dit scenario houdt echter geen rekening met de omgeving of eventuele regionale interventiekenmerken (zie hiervoor paragraaf 3.3 en 3.4). Hierdoor kan de hoeveelheid bluswater hoger of lager komen te liggen. Het spreekt daarom voor zich dat de gegevens in de groengearceerde vakken niet in alle gevallen gelden.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Hoofdstuk 4 - Bluswater aan de hand van zeven thema’s

In dit hoofdstuk worden de bluswaterbehoeften voor verschillende scenario’s gepresenteerd. De volgende zeven maatschappelijke thema’s vormen het ordeningsprincipe voor de bluswateradvisering:

26

Voor zover van toepassing staat er boven elke tabel links ‘offensief’ en rechts ‘defensief’. Hiermee wordt bedoeld dat in algemeenheid een kleine brand offensief bestreden kan worden en dat op een glijdende schaal grotere branden een meer defensieve inzet vragen.

4.1

Natuurlijke omgeving1

Onder natuurlijke omgeving worden de volgende soorten (natuur)gebieden verstaan: • Bos, zowel loof- als naaldbos • Heide • Duingebied • Veengebied

4.1.1

Verantwoordelijkheden en achtergrond

De meeste natuurgebieden krijgen over het algemeen niet te maken met grootschalige veranderingen. Wel worden er diverse nieuwe natuurgebieden aangelegd en nieuwe activiteiten binnen of aan de rand van natuurgebieden gevestigd. Gezien het natuurbrandrisico, dat door de gevolgen van de klimaatverandering ook nog toeneemt, is het noodzakelijk dat er ook hiervoor een adequate bluswatervoorziening beschikbaar is. De vraag is hierbij hoeveel bluswater nodig is voor natuurbrandbestrijding en binnen welke tijd dit beschikbaar moet zijn. Dit is bij natuurbranden afhankelijk van het brandvermogen dat vrijkomt (dit hangt af van de soort vegetatie) en de ontwikkelsnelheid. Van deze grootheden is nog weinig bekend, omdat zij van een groot aantal variabelen afhankelijk zijn en het doen van praktijkproeven in Nederland welhaast onmogelijk is.

4.1.2

Complexiteit en bestrijding van natuurbranden

Binnen de brandgevoelige natuurgebieden wordt onderscheid gemaakt tussen natuurbranden in bos, op heide/grasland, in veengebied, duinen en rietkragen. Recent zijn daar door het droge, warme weer ook akkerlandbranden van onder andere korenvelden bijgekomen. Voor het bestrijden van natuurbranden moet rekening gehouden worden met specifieke omstandigheden. Zo is de ontwikkeling van een natuurbrand afhankelijk van een groot aantal factoren, bijvoorbeeld de soort vegetatie, de windsterkte, luchtvochtigheid, vochtigheid in vegetatie, temperatuur en het jaargetijde. Voor de bestrijding van een natuurbrand komen daar, net als bij de bestrijding van andere branden, nog een aantal variabelen bij. Denk hierbij aan de ontdekkingstijd en de opkomsttijd, de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de brand en de beschikbaarheid van voldoende, al dan niet specifiek, brandweermaterieel en -personeel en bluswater.

1

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Het beheersen van het natuurbrandrisico is een primaire verantwoordelijkheid van de betreffende natuurbeheerder. Hierbij hoort ook de verantwoordelijkheid voor de bereikbaarheid van het natuurgebied en de beschikbaarheid van voldoende bluswater. Gemeenten zijn overeenkomstig de Wet veiligheidsregio’s verantwoordelijk voor een adequate bluswatervoorziening in de openbare ruimte. Hierbij kunnen gemeenten in geval van vergunningverlening bij een hoger brandrisico zwaardere eisen stellen aan bluswater en ook aan bereikbaarheid. Daarnaast kunnen gemeenten als voorwaarde voor het vergunnen van nieuwe activiteiten in een gebied waar geen adequate bluswatervoorziening voorhanden is, deze als voorwaarde opnemen. Voor natuurgebieden zijn bij wetgeving geen eisen gesteld aan een duiding voor een adequate bluswatervoorziening.

Dit maatschappelijke thema is opgesteld door de landelijke vakgroep natuurbrandbeheersing.

27

In de natuurbrandbestrijding wordt ten aanzien van de tactiek onderscheid gemaakt in toegankelijk en ontoegankelijk terrein en een offensieve dan wel defensieve aanpak. De strategie is om daar waar mogelijk en verantwoord zo snel mogelijk de kop van het vuurfront te beheersen. Daarnaast is het gebruikelijk om bij natuurbrandbestrijding te werken met flanken. Afhankelijk van de grootte van de natuurgebieden in een veiligheidsregio zal hiermee bij de materieelkeuze en de toepassing van diverse soorten watertransportsystemen rekening gehouden moeten worden.

4.1.3

Bluswatercapaciteit

De hoeveelheid benodigd bluswater ter bestrijding van een natuurbrand is vooral afhankelijk van de soort vegetatie die brandt, het brandvermogen dat hierbij vrijkomt, de omvang van de brand, de uitbreidingssnelheid en de tactische keuzes die men maakt. Bij een kleine, bereikbare brand zal de brand wellicht als een oppervlaktebrand bestreden worden en bij meer ontwikkelde branden zal men in eerste instantie vooral het voortschrijdende vuurfront bestrijden. Een cascade is daarbij moeilijk aan te geven, omdat in natuurgebieden compartimenteringen zoals in de gebouwde omgeving grotendeels ontbreken, een compartiment een groot aantal hectaren kan beslaan en de compartimentsgrenzen kilometers lang kunnen zijn. Op basis van beperkt (experimenteel) onderzoek (Lemaire en Van Mierlo, 2014) kan in combinatie met professionele ervaringen de volgende gemiddelde bluswatervraag worden bepaald:

De benodigde bluscapaciteit moet gerealiseerd worden via de tankinhoud van de eigen TS’en en via de aanwezige bluswatervoorzieningen in combinatie met de hierbij binnen de brandweer gebruikelijk toegepaste waterlogistieke systemen: WTS- 500, -1000- en -2500-systemen en/of het pendelen met tankautospuiten.

4.1.4

Advies

Een eenvoudig te gebruiken methode is het trekken van cirkels met een diameter van 2 km om bluswatervoorzieningen van ca. 1.500 l/min en groter. Hiermee kunnen lacunes in de bluswatervoorziening worden opgespoord en komt er een verantwoorde bluswatercapaciteit beschikbaar waardoor een goede basis gelegd wordt voor een adequate bestrijding van beheersbare natuurbranden. Hierbij is tevens een relatie gelegd met het instrument Risico-Index Natuurbranden (RIN), waarin bij onderlinge afstanden van bluswatervoorzieningen van meer dan 2 km op dit onderdeel de hoogste risicoscore wordt toegekend.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Voor een defensieve bestrijding (het aanbrengen van natte stoplijnen) bij heide- en grasbranden naast een zandpad of verharde weg is een te organiseren bluswatercapaciteit nodig van circa 4 l/m2 met een diepte van 5 meter, die periodiek moet worden onderhouden (15-30 minuten). De noodzakelijke hoeveelheid water is dan vooral afhankelijk van de lengte van de te maken stoplijnen en het tijdverloop.

28

Bij de positionering en realisatie van bluswatervoorzieningen in en rond natuurgebieden is het goed om met het volgende rekening te houden: • Veel bluswaterbronnen (in de vorm van brandkranen, geboorde putten en open water) bevinden zich in de gebouwde omgeving van de natuurgebieden, zoals bij recreatieondernemingen, bedrijven, zorginstellingen en woningen. Daarnaast worden bij steeds meer infrastructurele kunstwerken bluswaterbronnen aangelegd. Op basis van de aanwezige bluswaterbronnen in de gebouwde omgeving en het als bluswater beschikbare open water in een natuurgebied moet beoordeeld worden of er binnen een afstand van 2 km voldoende bluswater te operationaliseren is. • Het is belangrijk dat de bluswatervoorzieningen op logische punten worden aangebracht. Hierbij moet rekening gehouden worden met de opstelplaatsen, met de mogelijkheid tot het kiezen van meerdere rijrichtingen en met een zo veilig mogelijke opstelling met betrekking tot de brandbaarheid van de omliggende vegetatie. Dit gaat altijd in overleg met het bevoegd gezag. Voor een natuurgebied is dat de eigenaar/beheerder ervan.

4.2

Gebouwde omgeving

De bluswaterbehoefte voor de gebouwde omgeving is in deze paragraaf in beeld gebracht, waarbij de gebruiksfuncties uit het Bouwbesluit van 2012 gehanteerd zijn en zo veel mogelijk reeds is toegewerkt naar de terminologie van de Omgevingswet.

In tabel 4.1 is een indeling weergegeven van de drie hoofdtypen waarin bouwwerken kunnen worden onderverdeeld, evenals bepaalde bijbehorende onderscheidingscriteria, waaronder hun gebruiksfuncties. Woningen Woningen (tot 20 meter)

Na 2003 1945-2003 Voor 1945 Portiek voor 2003

Hoogbouw Hoogbouw (hoogste verblijfsvloer > 20 meter)

Utiliteitsgebouwen Logiesfunctie Kantoorfunctie Onderwijsfunctie jonger dan 12 jaar Onderwijsfunctie ouder dan 12 jaar Bijeenkomstfunctie kinderdagverblijf Bijeenkomstfunctie algemeen Gezondheidszorgfunctie zonder bedgebied Gezondheidszorgfunctie met bedgebied Celfunctie Winkelfunctie < 1.000 m2 Winkelfunctie > 1.000 m2 Sportfunctie Overige gebruiksfuncties

20-70 meter Boven de 70 meter

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

De standaardbrandkromme is door het gebruik van nieuwe materialen en betere isolatie niet meer dezelfde als enkele tientallen jaren geleden. Bij het opstellen van dit document is hier rekening mee gehouden door gebruik te maken van de basisprincipes van brandbestrijding.

Tabel 4.1: Gebruiksfuncties gebouwde omgeving

29

Hieronder worden de gebruiksfuncties toegelicht, verdeeld over drie paragrafen: 4.2.1 gaat over woningen, 4.2.2 over hoogbouw en 4.2.3 over utiliteitsbouwwerken. Op het moment van het opstellen van dit beleidsdocument is zo veel mogelijk rekening gehouden met zowel het huidige Bouwbesluit als de nieuwe Omgevingswet. Hiervoor is een middenweg gekozen. Het betreft hier nadrukkelijk een denkkader. Het is de taak van de adviseurs om in individuele gevallen de genoemde getallen daar waar mogelijk naar beneden bij te stellen en daar waar noodzakelijk naar boven bij te stellen. Deze bijstelling moet door de adviseurs worden voorzien van toelichting.

4.2.1

Woningen (tot 20 meter hoogte)

Met woningen tot 20 meter hoogte wordt bedoeld: grondgebonden woningen en gestapelde bouw (woningen) tot 20 meter hoogte, waarbij de hoogste verdiepingsvloer zich maximaal 20 meter boven het maaiveld bevindt. Deze woningen zijn onderverdeeld naar de periode waarin ze zijn gebouwd en maken circa 80 tot 90% van de bebouwing uit. De onderverdeling in periodes hangt samen met de toegepaste bouwwijze, bouwmaterialen en de mate van preventieve voorzieningen die in de woning zijn aangebracht. 1. In de vooroorlogse bouw van vóór 1945 zijn oorspronkelijk vrijwel geen preventieve voorzieningen toegepast, waardoor er een groter risico is op branduitbreiding, branddoorslag en brandoverslag. Dit kan resulteren in snelle uitbreiding en groter instortingsgevaar. De woningen beschikken vaak ook nu nog niet of nauwelijks over enige vorm van brandpreventieve voorzieningen. 2. Naoorlogse bouw (1945-2003) is een grote en diverse groep waarin er wel sprake is geweest van enige preventieve voorzieningen, maar niet op het niveau van na 2003. 3. In het Bouwbesluit van 2003 zijn de eisen voor brandpreventieve voorzieningen verbeterd en landelijk geüniformeerd.

Een woning die gebouwd is boven een winkel met een bouwperiode van 19452003 zal een grotere hoeveelheid bluswater vragen dan eenzelfde soort woning die gebouwd is als rijtjeswoning in een woonwijk. Dit zit vooral in de hogere vuurlast van de winkel onder de woning. De winkel en de woning bepalen samen hoeveel bluswater er nodig is voor dit bouwwerk als geheel.

Voor de advisering van bluswater is het van belang om naast de gebruiksfunctie en de bouwperiode te kijken naar de omgevings- en de interventiekenmerken. Deze zijn van belang voor de hoeveelheid bluswater die nodig is bij het bestrijden van een brand. Daarnaast is het van belang om te kijken of woningen gecombineerd zijn met andere functies (zoals een woning boven een winkel of bij een bedrijf op het terrein).

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bouwwerken kunnen gebouwd zijn op basis van gelijkwaardige oplossingen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk een kantoorpand te bouwen met langere vluchtwegen, mits er bijvoorbeeld rookmelders geplaatst zijn. Dit zorgt ervoor dat mensen eerder gewaarschuwd worden en het bouwwerk kunnen ontvluchten. Rookmelders doen echter niets aan de beperking van brand. Wel kan het zo zijn dat dankzij genoemde gelijkwaardigheidsvoorzieningen, voor de bluswatervoorziening een stap verder in het cascademodel voor brand gekeken kan worden. De andere optie is dat als iedereen veilig buiten staat en het doel is om de omliggende bouwwerken te beschermen tegen brandoverslag, het betreffende bouwwerk als verloren zal worden beschouwd. Bij oppervlakten groter dan 2.500 m2 zal de bluswaterbehoefte afgestemd moeten worden op het behoud van de omliggende bouwwerken/omgeving. Voor het behoud van omliggende bouwwerken en omgeving zal maatwerk in de bluswaterbehoefte geleverd moeten worden. Bij het maatwerk is het vooral zaak om het bevoegd gezag goed te informeren over de consequenties van de omvang en duur van een brand en de indirecte gevolgen.

30

Naast de gebruiksfunctie gezondheidszorg, die in paragraaf 4.2.3 bij utiliteitsbouw behandeld wordt, is er in toenemende mate sprake van woningen waarin (tijdelijke) zorg wordt verleend. Deze zorg kent verschillende vormen en is bij de brandweer niet (altijd) op voorhand bekend. In woningen waarin zorg wordt verleend, zullen in veel gevallen niet- of verminderd zelfredzame bewoners zijn, waarbij veelal het belang van redden voor het bestrijden van de brand zal gaan. Het uitgangspunt van dit document is dat voor redding geen extra water noodzakelijk is. Redden gebeurt in de regel met dekking door stralen die gevoed worden met het water uit de tank van de tankautospuit(en). Onder het cascademodel voor woningen is in tabelvorm de bluswaterbehoefte weergegeven. Er is uitgegaan van een standaardinzet in een standaardomgeving. Daarbij is vanuit de landelijke handreiking een vertaling gemaakt naar regionaal bluswaterbeleid dat rekening houdt met de interventiekenmerken en de omgevingskenmerken van de regio. De groengearceerde vlakken geven de maatgevende bluswaterbehoefte weer. Deze hoeveelheden zijn voor de brandbestrijding zelf en niet voor het koelen van de omgeving of van naastgelegen bouwwerken. Indien een dergelijke bescherming van de omgeving noodzakelijk is, betreft het een brand die groter is dan de standaardafwijking.

De tijden geven aan hoe snel bluswater gewenst is na aankomst van de eerste TS en voor hoe lang de bron beschikbaar dient te zijn. Interventiemoment

Ruimte Verdieping Compartiment

Buiten compartiment Uit in voorwerp

Na 2003

1945-2003

Voor 1945

Portiek voor 2003

Uit in ruimte

Uit in verdieping

Uit in compartiment

OFFENSIEF

DEFENSIEF

125 l/min

500 l/min

500 l/min*

1.000 l/min

minimaal 4.000 l/min

Tank

Binnen 6 min gedurende 30 minuten

Binnen 6 min gedurende 1 uur

Binnen 30 min gedurende 2 uur

Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

125 l/min

500 l/min

1.000 l/min

2.000 l/min

Minimaal 4.000 l/min

Tank

Binnen 6 min gedurende 30 minuten

Binnen 6 min gedurende 1 uur

Binnen 30 min gedurende 2 uur

Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

125 l/min

500 l/min

1.000 l/min

2.000 l/min

Minimaal 4.000 l/min

Tank

Binnen 6 min gedurende 30 minuten

Binnen 6 min gedurende 1 uur

Binnen 30 min gedurende 2 uur

Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

125 l/min

500 l/min

1.000 l/min

2.000 l/min

Minimaal 4.000 l/min

Tank

Binnen 6 min gedurende 30 minuten

Binnen 3 min gedurende 1 uur

Binnen 30 min gedurende 2 uur

Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Voorwerp

* Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 1.000 l/min. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd afgeweken worden naar het absolute minimum van 500 l/min.

Figuur 4.1: Uitwerking cascademodel voor woningen tot 20 meter hoogte

31

Het is noodzakelijk om per woonwijk over een of meer strategisch gekozen bluswatervoorzieningen te beschikken, om in te kunnen spelen op een eventuele escalatie van het incident en te kunnen optreden in de resterende treden van de cascade. De bluswatervoorziening moet aan de eisen van de bluswatervoorzieningen voldoen zoals opgenomen in dit beleidsdocument. De behoeftebepaling is afhankelijk van de omgeving en van interventiekenmerken, en is dus maatwerk. 4.2.1.1 Woningen na 2003 Bij een beginnende brand in een woning van na 2003 – in het cascademodel ‘voorwerp in brand’ – wordt een inzet doorgaans uitgevoerd door middel van één aanvalsstraal met de inhoud van de tank van de TS. Er wordt hier uitgegaan van een offensieve binneninzet dan wel een buiteninzet. Bij een volledig ontwikkelde brand in een woning kan er een offensieve of defensieve binnen- dan wel buiteninzet worden gedaan met twee of meer aanvalsstralen, uitgaande van optimale brandscheidingen. Aangezien de inhoud van de watertank van de TS niet voldoende is, dient er een aanvullende bluswatervoorziening beschikbaar te zijn.

4.2.1.3 Woningen van vóór 1945 Bij woningen van vóór 1945 is het, net als bij woningen uit 1945-2003, als gevolg van het ontbreken van brandpreventieve voorzieningen (rookmelders zijn wel verplicht vanaf 1 juli 2022) niet waarschijnlijk dat een brand snel opgemerkt wordt. Daarnaast zal een woningbrand zich in woningen van vóór 1945 snel kunnen ontwikkelen door het ontbreken van brandscheidingen of een compartimentering. Hierdoor is het risico op branduitbreiding, branddoorslag en brandoverslag groter dan bij woningen uit de periode 1945-2003. Woningen van vóór 1945 bevinden zich vaak in oude binnensteden. De bereikbaarheid van dit soort bouwwerken is vaak niet optimaal. Ze zijn daarnaast regelmatig complex en in het verleden in veel gevallen meermaals verbouwd. De bevelvoerder heeft hierdoor langer nodig om zich een beeld te kunnen vormen van de brand. Een inzet zal daarom snel plaatsvinden met twee aanvalsploegen, waardoor er geen waterploeg beschikbaar is en zodoende de chauffeur zelf de waterwinning moet opbouwen. Bovendien zal de waterwinning snel moeten worden opgebouwd om escalatie te voorkomen. In dergelijke wijken/bij dergelijke woningen zal daarom al snel een tweede eenheid moeten worden gealarmeerd.

Zoals in paragraaf 3.4 is toegelicht, is de vuistregel dat binnen 6 minuten waterwinning vanaf een brandkraan opgebouwd kan zijn, als deze brandkraan op maximaal 100 meter afstand ligt. Bij woningen van vóór 1945 moet wel per wijk bekeken worden of de tijd van 3 minuten noodzakelijk is. Dit zal vooral gelden voor oude binnensteden en moeilijk bereikbare bouwwerken. Voor vrijstaande woningen van vóór 1945 kan volstaan worden met 6 minuten voor waterwinning.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

4.2.1.2 Woningen uit 1945-2003 De vroege detectie van een woningbrand is vanwege het ontbreken van voorzieningen zoals rookmelders (rookmelders zijn verplicht vanaf 1 juli 2022) bij woningen uit de periode 1945-2003 minder waarschijnlijk dan in het geval van nieuwbouw. Een ontwikkelde woningbrand brengt een verhoogd risico op branddoorslag en -overslag als gevolg van niet-optimale brandscheidingen met zich mee. Verdere ontwikkeling van de brand binnen de verdieping is aannemelijk voor dergelijke bouwwerken. Hierdoor is de inzet van meer dan één aanvalsstraal benodigd, en is dus aanvullend bluswater nodig.

32

4.2.1.4 Portiekwoningen van vóór 2003 Portiekwoningen beschikken maar over één vluchtroute, die tevens de aanvalsroute voor de brandweer is. Dit zal de inzet bij een brand bemoeilijken. Het is aannemelijk dat er rook in de vluchtroute terechtkomt, wat vluchten en de inzet van de brandweer belemmert. De brandweer zal hier eerst inzetten op redding, met als gevolg dat de brand zich verder zal kunnen ontwikkelen. Daarnaast is de detectie van rook en daarmee de alarmering van personen in portiekwoningen van vóór 2003 niet geborgd (vanaf 1 juli 2022 zijn rookmelders wel verplicht gesteld). De complexiteit van de inzet neemt hierdoor toe, waardoor waterwinning binnen 3 minuten vanaf een brandkraan opbouwen benodigd is; dit is haalbaar wanneer een brandkraan op maximaal 50 meter afstand ligt. 4.2.1.5 Energietransitie in de gebouwde omgeving De energietransitie was bij het schrijven van dit beleidsdocument nog in volle ontwikkeling. De verwachting is dat het gebruik van fossiele brandstoffen uitgefaseerd zal worden. Hoe dat gaat gebeuren is nog niet uitgekristalliseerd, maar in hoofdlijnen betekent het beleid van ‘nul op de meter’ dat de centrale energievoorraden kleiner worden en de lokale groter. Het is nog niet duidelijk wat dat precies gaat betekenen voor de hoeveelheid bluswater per brand.

Het zou in de toekomst kunnen zijn dat er op bepaalde plekken meer of misschien wel minder water nodig is. In dit beleidsdocument wordt uitgegaan van wat er ten tijde van het schrijven bekend is. Bij het lokale gemeentelijk energiebeleid (per wijk), zal bekeken moeten worden of de keuzes die gemaakt zijn van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid van bluswater.

Voor zover nu valt te overzien, zullen de gevolgen van deze ontwikkelingen voor bluswater de volgende zijn: 1. Er zal meer ingezet worden op het koelen (bij gasbranden) en/of neerslaan van toxische rook uit bijvoorbeeld li-ionaccu’s. Dat betekent niet dat er direct méér water (debiet) nodig is, maar vaak wel dat water langduriger beschikbaar moet zijn. 2. Bij buurtbatterijen geldt feitelijk hetzelfde: er zal langdurig water nodig zijn. Een aantal van deze buurtbatterijen staat in containers. Bij een mogelijke beginnende brand van de batterij is de huidige inzettactiek het koelen van de batterij door het vullen van de container. De locatie van de batterijcontainers in de publieke buitenruimte hangt samen met de locatie waar het bluswater beschikbaar moet zijn: idealiter is er bluswater met voldoende debiet en tijdsduur in de directe nabijheid van de opslaglocatie beschikbaar. 3. Bij het overgaan van aardgas naar waterstof zal er niet direct méér water nodig zijn dan er nu al bij woonhuizen beschikbaar is, maar wel als er lokaal een bufferopslag wordt geïnstalleerd.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

De volgende zaken kunnen de bluswatercapaciteit bij het thema gebouwde omgeving beïnvloeden: 1. Woningen worden zelfvoorzienend op het gebied van energie. Dit houdt in dat in energieneutrale woningen veel (brandbare) isolatiematerialen gebruikt gaan worden en opslag van energie kan gaan plaatsvinden (batterijen). 2. Voor wijken gelden dezelfde zaken als genoemd in punt 1, maar de energieopslag kan meer buitenshuis en centraal in de wijk liggen (zoals buurtbatterijen of waterstofopslag). 3. Bij een (bovenregionale) aanpak zoals een warmtenet is er, behalve isolatiematerialen, juist geen sprake van de potentieel risicoverhogende aspecten zoals genoemd in bovenstaande punten. 4. De toename van elektrische voertuigen en laadpunten leidt tot een verhoogde kans op branden in publieke ruimten, waaronder parkeergarages.

33

4.2.2

Hoogbouw (inclusief lagere bouwwerken met een inzetdiepte groter dan 60 meter)

Binnen het type hoogbouw wordt er een onderscheid gemaakt tussen twee soorten: hoogbouw van 20-70 meter, inclusief lagere bouwwerken met een inzetdiepte groter dan 60 meter, en hoogbouw hoger dan 70 meter. De hoogbouw van hoger dan 70 meter beschikt over een eigen blussysteem: een hydrofoor. De eisen voor hoogbouw hoger dan 70 meter zijn beschreven in de handreiking “Brandveiligheid van hoge gebouwen” (2014) en vereisen maatwerk. Hierop wordt in deze uitwerking niet verder ingegaan. De hoogbouw van 20-70 meter is in onderstaand cascademodel weergegeven met daaronder de benodigde bluswaterhoeveelheid om een mogelijke brand te bestrijden. Voor advisering over de benodigde hoeveelheid bluswater is het van belang om naast de gebruiksfunctie te kijken naar de omgevings- en de interventiekenmerken. Het uitgangspunt is hier dat een woning in haar geheel een compartiment is. Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment

Uit in voorwerp

Uit in ruimte

Uit in verdieping

Uit in compartiment

OFFENSIEF Hoogbouw 20-70 m

Hoogbouw > 70 m

DEFENSIEF

125 l/min

500 l/min*

n.v.t.

1.500 l/min

minimaal 4.000 l/ min

Binnen 3 min gedurende 4 uur

Binnen 3 min gedurende 4 uur

n.v.t.

Binnen 3 min gedurende 4 uur

Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

Maatwerk

Maatwerk

* Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 1.000 l/min. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd afgeweken worden naar het absolute minimum van 500 l/min.

Figuur 4.2: Uitwerking cascademodel voor hoogbouw en lagere bouwwerken met een inzetdiepte groter dan 60 meter

Bij hoogbouw van 20-70 meter (of bij gebouwen met een inzetdiepte van meer dan 60 meter) dient een (droge) blusleiding te zijn aangebracht. Hierdoor is een directe aanvullende bluswatervoorziening nodig die onder druk staat, zodat de brandweer bij aankomst direct kan aansluiten (binnen 3 minuten). Een droge blusleiding zonder de daarbij behorende bluswatervoorziening zou zinloos zijn. De blusleiding en de slangen moeten immers eerst gevuld worden voordat er geblust kan worden. De tank van een TS is hiervoor niet voldoende. Er dient dus in de nabijheid van de hoogbouw van 20-70 meter een voorziening te zijn die onder druk staat en snel water kan leveren (1.500 l/min). De voorziening 1.500 l/min is gebaseerd op het gebruik van een droge blusleiding waarbij rekening is gehouden met het vullen en kunnen gebruiken van voldoende water op het hoogste punt. De inzet is bepaald op basis van een compartimentsbrand waarbij voor het voorkomen van branddoorslag en brandoverslag twee stralen lage druk noodzakelijk zijn bij de inzet in het compartiment en één straal lage druk voor het compartiment erboven.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Buiten compartiment

34

4.2.3

Utiliteitsbouwwerken

Utiliteitsbouwwerken zijn bouwwerken die voor het algemeen nut worden gebruikt en niet (privaat) bewoond worden. De indeling van de bouwwerken die in onderstaande tabel staat, is opgesteld conform het PREVAP en ingedeeld in de categorieën zelfredzaam en verminderd zelfredzaam. De toekomstige indeling van het Besluit bouwen leefomgeving komt voor het grootste gedeelte overeen met deze categorieen. Zelfredzaam Kantoorfunctie Onderwijsfunctie andere Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport of algemeen Gezondheidsfunctie andere Winkelfunctie < 1.000 m2 Winkelfunctie ≥ 1.000 m2 Sportfunctie < 1.000 personen Sportfunctie ≥ 1.000 personen Industriefunctie Overige gebruiksfuncties

Verminderd zelfredzaam

Tabel 4.2: Een indeling van utiliteitsbouwwerken in de categorieën zelfredzaam en verminderd zelfredzaam

4.2.3.1 Zelfredzaam en verminderd zelfredzaam In beide gevallen zijn de voorzieningen erop gericht dat alle personen het bouwwerk veilig kunnen verlaten. Bij niet-zelfredzame personen kan dit met ondersteuning door een bhv-organisatie en/of preventieve maatregelen. Dit stelt de brandweer in staat om te starten met brandbestrijding. Indien bij aankomst van de brandweer de ontruiming nog niet geslaagd is en ondersteund moet worden, is er sprake van redding. Redding kan plaatsvinden door mensen uit het bouwwerk te halen, of door hen naar een veilige plek elders in het pand te brengen, bijvoorbeeld het naastgelegen brandcompartiment. Daarnaast kan door blussing het gevaar (de (beperkte) brandhaard) weggenomen en een redding gerealiseerd worden. Mens- en/of gebouwkenmerken kunnen ertoe leiden dat er voor een effectieve en snelle bestrijding en voorkoming van escalatie gekozen wordt voor een bluswatervoorziening die snel beschikbaar is; te denken valt hierbij aan de 3 of 6 minutennorm zoals toegelicht in paragraaf 3.4.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Logiesfunctie Onderwijsfunctie basisonderwijs Bijeenkomstfunctie kinderopvang of personen met fysieke of geestelijke beperking Gezondheidsfunctie met bedgebied Celfunctie

35

Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten compartiment Uit in voorwerp

Uit in ruimte

Uit in verdieping

OFFENSIEF Zelfredzaam Kantoorfunctie

125 l/min Tank

Onderwijsfunctie andere

125 l/min Tank

Bijeenkomst voor het aanschouwen van sport en 125 l/min algemeen

Gezondheidsfunctie andere

Binnen 6 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 2 uur minimaal 4 uur 1.000 l/min

2.000 l/min

4.000 l/min

Binnen 60 min voor Binnen 30 min Binnen 6 min gedurende 1 uur gedurende 2 uur minimaal 4 uur

Binnen 6 min gedurende 30 minuten

Binnen 6 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 2 uur minimaal 4 uur

125 l/min

500 l/min

1.000 l/min

125 l/min

Tank

Tank Sportfunctie < 1.000 pers.

125l/min

Sportfunctie ≥ 1.000 pers.

125l/min

Industrie-functies

125 l/min Tank 125 l/min Tank

2.000 l/min

2.000 l/min

4.000 l/min

4.000 l/min

Binnen 6 min Binnen 6 min Binnen 15 min Binnen 30 min voor gedurende gedurende 1 uur gedurende 2 uur minimaal 4 uur 30 minuten 1.000 l/min 1.500 l/min 2.000 l/min 4.000 l/min Binnen 6 min Binnen 15 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 2 uur gedurende 4 uur minimaal 4 uur 1.000 l/min 3.000 l/min 8.000 l/min** 16.000 l/min** Binnen 6 min Binnen 15 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 4 uur gedurende 4 uur minimaal 4 uur 500 l/min* 1.000 l/min 2.000 l/min 4.000 l/min Binnen 6 min Binnen 6 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 2 uur gedurende 4 uur minimaal 4 uur 1.000 l/min 1.500 l/min 2.000 l/min 4.000 l/min Binnen 6 min Binnen 15 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 2 uur gedurende 4 uur minimaal 4 uur 1.000 l/min 3000 l/min 8.000 l/min** 16.000 l/min** Binnen 6 min Binnen 15 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 4 uur gedurende 4 uur minimaal 4 uur 500 l/min Binnen 3 min gedurende 30 minuten

1.000 l/min

2.000 l/min

4.000 l/min

Binnen 3 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 2 uur minimaal 4 uur

125 l/min

500 l/min

1.000 l/min

Tank

Binnen 6 min gedurende 30 minuten

Binnen 6 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 2 uur minimaal 4 uur

500 l/min

1.000 l/min

Tank

Binnen 3 min gedurende 30 minuten

Binnen 3 min Binnen 30 min Binnen 60 min voor gedurende 2 uur gedurende 2 uur minimaal 4 uur

125 l/min

1.000 l/min

2.000 l/min

Bijeenkomstfunctie kinderopvang of personen 125 l/min met fysieke of geestelijke beperking

Tank 125 l/min Tank

2.000 l/min

2.000 l/min

4.000 l/min

5.000 l/min

4.000 l/min

Binnen 6 min Binnen 15 min Binnen 60 min gedurende 1 uur gedurende 2 uur gedurende 4 uur 500 l/min* 1.000 l/min 2.000 l/min 4.000 l/min Binnen 3 min Binnen 6 min Binnen 15 min Binnen 60 min voor gedurende 1 uur gedurende 4 uur gedurende 4 uur minimaal 4 uur

*

Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 1.000 l/min. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd afgeweken worden naar het absolute minimum van 500 l/min. ** Conform “Doorontwikkeling grootschalig brandweeroptreden visie 2.0” , sept 2018, Brandweer Nederland.

Figuur 4.3: Uitwerking cascademodel voor utiliteitsgebouwen

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Winkelfunctie ≥ 1.000

Celfunctie

4.000 l/min

Tank

125 l/min

Gezondheidszorg met bedgebied

2.000 l/min

1.000 l/min

Winkelfunctie < 1.000 m2

Onderwijsfunctie basisonderwijs

1.000 l/min

DEFENSIEF

500 l/min

Tank

Verminderd zelfredzaam Logiesfuncties

500 l/min Binnen 6 min gedurende 30 minuten 500 l/min Binnen 6 min gedurende 30 minuten

Uit in compartiment

36

4.2.3.3 Utiliteit met de aanwezigheid van zelfredzamen Dit soort utiliteitsbouwwerken wordt gebruikt door (in principe) zelfredzame personen. De brandpreventieve voorzieningen die conform de wet- en regelgeving geëist worden, zijn afgestemd op het type bouwwerk. Dankzij de brandpreventieve voorzieningen — tenzij deze door bijvoorbeeld verbouwingen zijn aangetast — is het in principe mogelijk dat de aanwezigen bij brand een dergelijk bouwwerk tijdig kunnen verlaten, of naar een veilige locatie binnen het pand zelf kunnen vluchten. De beschreven bluswatercapaciteit wordt aangewend om de brand te bestrijden en zou niet ingezet hoeven te worden om redding te ondersteunen.

4.2.3.5 Overige gebruiksfuncties Overige gebruiksfuncties is een restcategorie, die door de grote variëteit maatwerk vereist. Hierbij speelt het verblijf van mensen een ondergeschikte rol. 4.2.3.6 Parkeergarages In het “Afwegingskader parkeergarages” (Brandweer Nederland, 2016) is een kader opgesteld voor de beoordeling van brandveiligheidsvoorzieningen in parkeergarages. Dit afwegingskader vormt de basis voor de uitwerking van de bluswatervoorziening in parkeergarages. Het bestrijden van branden in parkeergarages is zeer complex vanwege de minimale eisen die worden gesteld aan operationele voorzieningen. Het is moeilijk om de brandhaard te lokaliseren, te verkennen en te benaderen door de sterke rookontwikkeling en hoge temperaturen. Voor ondergrondse en besloten parkeergarages geldt dat de gevaren groter zijn dan wanneer er sprake is van een bovengrondse en open parkeergarage. Garages worden regelmatig gecombineerd met andere functies, waardoor bij brand ook indirecte elementen een rol kunnen spelen, zoals de noodzaak tot het ontruimen van belendende bouwwerken.

• Waar het concept van beheersbaarheid van brand met een sprinklerinstallatie van

•

toepassing is, richt de brandweerinzet zich in basis op het afblussen van de door de sprinklerinstallatie beheerste brand (offensieve binnenaanval), onder voorwaarde dat de omstandigheden dit toelaten. Een inzet met twee aanvalsstralen zal over het algemeen volstaan om de brand te bestrijden. Waar het concept van beheersbaarheid van brand met een stuwdrukventilatie (ventilatie ter ondersteuning van de brandweerinzet) van toepassing is, richt de brandweerinzet zich in basis op het behouden van de omliggende brandcompartimenten (defensieve binnenaanval). Indien de omstandigheden het toelaten, richt de brandweerinzet zich op het blussen van de brand in de brandruimte (offensieve binnenaanval). Hiervoor zullen twee aanvalsstralen worden ingezet.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

4.2.3.4 Utiliteit met de aanwezigheid van verminderd zelfredzamen Alle bouwwerken uit deze categorie worden gebruikt door verminderd zelfredzame personen. Ook is het mogelijk dat er maatregelen zijn getroffen, zoals bij gevangenissen, waardoor de personen zich niet zelf in veiligheid kunnen brengen. Voor deze bouwwerken zijn brandpreventieve voorzieningen verplicht, conform wet- en regelgeving. Deze zijn over het algemeen zwaarder dan bij het utiliteitstype ‘utiliteit zelfredzaam’. De brandpreventieve voorzieningen moeten namelijk verhinderen dat een brand zich uitbreidt naar een ander compartiment, en er bovendien voor zorgen dat de aanwezige bhv-organisatie ook nog in staat is om mensen te evacueren. De bhv-organisatie moet minimaal een ontruiming van het brandcompartiment naar het naastgelegen brandcompartiment (waar de brand, dankzij de preventieve voorzieningen, niet naar is uitgebreid) uit kunnen voeren. De bluswatercapaciteit zal dan altijd voldoende moeten zijn om de brand beheersbaar te houden en de redding te ondersteunen.

37

• Waar het concept van uitbrandscenario van toepassing is, is de brandweerinzet in basis •

gericht op het behouden van de omliggende brandcompartimenten (offensieve buitenaanval/ defensieve binnenaanval). Waar het concept van afbrandscenario van toepassing is, is de brandweerinzet in basis gericht op het behouden van de omliggende bebouwing (defensieve buitenaanval/offensieve buitenaanval). Afhankelijk van het aantal af te schermen zijden worden meerdere stralen en/of waterkanonnen ingezet.

Al deze scenario’s zijn beredeneerd op basis van branden in voertuigen met conventionele verbrandingsmotoren. Binnen het voertuigenbestand zijn tegenwoordig veel hybride/elektrische voertuigen; de gevolgen van een brand zijn hiervoor nog onduidelijk; deze vallen dan ook buiten de scope van dit document. Hierin worden de landelijke ontwikkelingen gevolgd. Voor volautomatische autobergingen (VAB) wordt geadviseerd te kiezen voor een afbrandscenario van de VAB, met het oog op de veiligheid van de incidentbestrijders. In een VAB zijn normaalgesproken geen mensen aanwezig, zodat er geen reddingen hoeven te worden uitgevoerd. Het ontbreken van afscheidingen in VAB’s in combinatie met slecht zicht als gevolg van rookontwikkeling maakt echter het risico dat incidentbestrijders verdwalen, onbereikbaar zijn en/of een of meer verdiepingen naar beneden vallen zeer reëel.

4.2.4

Bijzondere situaties met betrekking tot de gebouwde omgeving

4.2.4.1 Bedrijventerreinen Op bedrijventerreinen zijn, naast de voorzieningen die bij objecten zelf zijn getroffen, openbare voorzieningen noodzakelijk voor het geval beheersmaatregelen falen. Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment

Buiten compartiment Uit in voorwerp

Industrieel object

Uit in ruimte

Uit in verdieping

Uit in compartiment

OFFENSIEF

DEFENSIEF

Zie gebouwde omgeving of maatwerk in combinatie met een openbare voorziening van 1.000 l/min

2.000 l/min tot 8.000*

minimaal 4.000 l/min tot 16.000*

Binnen 6 min gedurende 1 uur

Binnen 30 min gedurende 2 uur

Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

* Conform “Doorontwikkeling grootschalig brandweeroptreden visie 2.0”, sept 2018, Brandweer Nederland.

Figuur 4.4: Het cascademodel voor bedrijventerreinen

Voor bedrijventerreinen geldt dat er een vergroot risico op een geëscaleerde brand kan bestaan. In een dergelijke setting is vaak sprake van grote brandcompartimenten. Objecten op bedrijventerreinen zijn bouwkundig zodanig ingericht dat het compartiment volledig in brand kan staan. ‘Brand bij de buren’ kan voorkomen, maar is niet gebruikelijk en wordt daarom als afwijking aangemerkt.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

In deze paragraaf worden drie bijzondere vormen van bebouwing besproken, die niet vallen onder een van de categorieën uit de rest van dit hoofdstuk. Het gaat om bedrijventerreinen, bulkopslagen en agrarische inrichtingen.

38

Gelet op de aard van een dergelijk bouwwerk, het gebruik en de opslag van goederen en/of gevaarlijke stoffen is een volledige compartimentsbrand een realistisch scenario. Daarom is ervoor gekozen een compartimentsbrand als het maatgevende scenario aan te merken en vormt daardoor de standaardafwijking. De inzet zal erop gericht zijn om belendende percelen te behouden, terwijl het compartiment zelf waarschijnlijk verloren zal gaan. Voor dit type inzet is al snel minimaal 4 x LD benodigd. Aanvullende capaciteit wordt verkregen door de inzet van waterkanonnen en torenstralen. In dat geval is een bluswatervoorziening in combinatie met een grootschalig watertransport nodig om een defensieve inzet mogelijk te maken. Als alternatief kunnen bedrijven ook een collectieve bluswatervoorziening (zoals een gezamenlijk sprinklerbassin of een blusvijver) aanleggen, passend bij de omvang van het bedrijventerrein en specifieke aspecten van de inrichtingen.

4.2.4.3 Agrarische inrichtingen Onder agrarische inrichtingen worden boerderijen en stallen verstaan. Een offensieve inzet zal in eerste instantie met één à twee aanvalsstralen worden uitgevoerd. Omdat de aanrijtijd bij agrarische inrichtingen meestal vrij lang is en daarnaast de brand vaak laat ontdekt wordt (geen detectie), is het in de praktijk vaak zo dat een brand al dusdanig geëscaleerd is dat alleen nog een defensieve inzet gedaan kan worden om de belendende percelen te behouden en overslag naar de omgeving te voorkomen. Een inzet met aanvalsstralen en waterkanonnen is afhankelijk van het aantal te beschermen zijden en varieert daardoor tussen de 1.500 liter per minuut en 6.000 liter per minuut. Interventiemoment

Voorwerp

Ruimte Verdieping Compartiment

Buiten compartiment Uit in voorwerp

Uit in ruimte

Uit in verdieping

Uit in compartiment

OFFENSIEF Agrarische inrichting

500 l/min

500 l/min

1.000 l/min

Tank

Tank

Binnen 6 min gedurende 1 uur

1.500 – 6.000 l/ min (afhankelijk van omgeving) Binnen 30 min gedurende 2 uur

DEFENSIEF minimaal 6.000 l/min Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

4.2.4.2 Bulkopslagen (buiten) Grote buitenopslagen van diverse materialen, zoals autobanden, afval, organisch afval, cacao et cetera, kunnen te maken krijgen met brand. Wanneer door een temperatuurstijging (broei) in de opslag brand uitbreekt, is de brandbestrijding complex. Bluswater kan niet altijd de kern bereiken en door de grote hoeveelheid materiaal kan een dergelijke brand meerdere dagen in beslag nemen. Voor de bluswatervoorziening bij kleine, beheerste branden zijn specifieke maatregelen nodig, terwijl een grootschalige, langdurige watervoorziening noodzakelijk is voor een geëscaleerde brand. Een geëscaleerde brand vereist een bluswatervoorziening van minimaal 6.000 liter per minuut na een uur.

Figuur 4.5: Uitwerking cascademodel voor agrarische inrichtingen

39

Vanwege de lange aanrijtijden is het erg belangrijk te investeren in brandpreventieve voorzieningen. Bij het tijdig ontdekken van een brand zal de brand mogelijk nog onder controle te krijgen zijn met een beperkte hoeveelheid bluswater. Dit vereist maatwerk en is afhankelijk van het waterprofiel in de omgeving (grondwaterlagen, open water, beschikbare waterbronnen), maar ook van de repressieve organisatie. 4.2.4.4 Maatwerk grote brandcompartimenten De brandweer levert bij grote brandcompartimenten een vangnet dat bedoeld is om de gevolgen van brand te beperken voor zover dat in de dan actuele omstandigheden mogelijk en verantwoord is. Schadebeperking binnen een brandcompartiment, of binnen een gebouw is hierbij zeker niet het eerste doel. Eerst komt de veiligheid van mensen, inclusief die van de brandweer zelf en vervolgens het beperken van schade bij belendingen. Wanneer een brand zich binnen een groot compartiment kan doorontwikkelen, zal er uiteraard betrekkelijk snel sprake zijn van een grote brand. Het is duidelijk dat er bij een grote brand een groot beroep op de brandweer zal worden gedaan. Bij een groter beroep op de brandweer is veelal ook een grotere bluswaterbehoefte. Aanvullend bluswater voor grote brandcompartimenten is een verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar.

De locatie, uitvoering, hoeveelheid en bereikbaarheid van de bluswatervoorziening is maatwerk en moet worden afgestemd met de adviseur van de brandweer. De noodzakelijke koeling van omliggende aangrenzende bouwwerken/ percelen (defensief buiten), kan indicatief worden bepaald als 10 liter water/m2 (vuistregels koelend vermogen, NIPV).

Technologische omgeving

Het thema technologische omgeving omvat alle activiteiten met gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen worden op grote schaal met name in industriële activiteiten gebruikt en komen voor in objecten en infrastructuur. Thema 5 verkeer en vervoer beschrijft de scenario’s met gevaarlijke stoffen op de weg, het spoor en het water; daarom wordt er hier niet nader op ingegaan. Gevaarlijke stoffen bij inrichtingen vragen om maatwerk, omdat de hoeveelheid in een insluitingssysteem (alle vormen van opslag) sterk varieert en er sprake is van regelgeving die leidt tot bepaalde beheersmaatregelen. Dit is vooral van toepassing op activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Voor de bepaling van de bluswaterbehoefte kan gebruikgemaakt worden van het BrandweerBRZO-scenarioboek (Landelijk Expertise Centrum BrandweerBRZO, 2009).

4.3.1

Activiteiten met gevaarlijke stoffen

In principe worden beheersmaatregelen in of bij het object of terrein getroffen om het bovenmatige risico voor de omgeving (het afwijkende scenario) te compenseren. Voorbeelden hiervan zijn brandcompartimentering, (automatische) blusinstallaties en vloeistofopvang. De openbare bluswatervoorziening is aanvullend op de bij het object of terrein aangebrachte bluswatervoorzieningen/installaties. In geval van escalatie zal ter bescherming van de omgeving beschikt moeten worden over bluswatervoorzieningen. Om uitbreiding naar de omgeving te voorkomen, kan deze bescherming bestaan uit het blussen van brand of het koelen van bijvoorbeeld het insluitsysteem, de aangestraalde bebouwing en de tankwagen of ketelwagon. Bij incidenten met toxische stoffen kan geprobeerd worden om de emissie neer te slaan of te sturen (offensief). In het geval van instantane emissie, waarbij in één keer de inhoud van een tankwagen, ketelwagon of insluitsysteem vrijkomt, is dit maar beperkt haalbaar. Voor het beschermen van de omgeving kan ingezet worden op het benedenwinds plaatsen van waterschermen om de wolk met gevaarlijke stoffen te verdunnen (door middel van mengen of oplossen), op het indammen van een toxische of corrosieve plas of op het opnemen in inert absorptiemateriaal en het afdekken van de plas met schuim.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

4.3

40

Omdat de bluswatervoorziening voor activiteiten met gevaarlijke stoffen maatwerk vereist, is deze hier niet verder uitgewerkt. De openbare voorziening voor dergelijke objecten is in de volgende paragraaf beschreven. Wat betreft activiteiten met externe veiligheidsrisico’s kunnen enkele categoriale inrichtingen onderscheiden worden. Dit zijn inrichtingen die veelal uit een aantal vaste installaties bestaan, waardoor voor de berekening van risico’s van dezelfde waarden en afstanden kan worden uitgegaan. Het gaat om: • lpg-tankstations • inrichtingen voor verpakte gevaarlijke stoffen met een hoeveelheid van meer dan 10.000 kilogram per opslagplaats • ammoniakkoelinstallaties met een inhoud van minder dan 10.000 kilogram ammoniak • opslagen van meer dan 100.000 kilogram kunstmeststoffen • insluitsystemen voor propaan met een inhoud van 13 m3 tot 50 m3. Voor lpg-tankstations en propaan zijn ook in de bluswatervoorziening generieke uitspraken mogelijk. De andere opslagen hebben, rekening houdend met de wijze van uitvoering van de opslag en de omgeving, specifieke maatwerkvoorzieningen nodig. Voor de bluswaterbehoefte kan gekeken worden bij Verkeer en Vervoer, dreigende BLEVE. Voorwerp

Interventiemoment

Verdieping Compartiment

Buiten compartiment Uit in voorwerp

Uit in ruimte

Uit in verdieping

Uit in compartiment

OFFENSIEF Inrichting met gevaarlijke stoffen

Maatwerk in combinatie met een openbare voorziening van 1.000 l/min

Binnen 6 min gedurende 1 uur

1.500 – 8.000* l/min (afhankelijk omgeving) Binnen 30 min gedurende 2 uur

DEFENSIEF Minimaal 6.00016.000 l/min* Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

* Conform “Doorontwikkeling grootschalig brandweeroptreden visie 2.0”, sept 2018, Brandweer Nederland.

Figuur 4.6: Uitwerking cascademodel voor activiteiten met gevaarlijke stoffen

4.3.2

Emplacementen

Een spoorwegemplacement is een deel van het spoor waar handelingen worden verricht aan treinen, zoals het samenstellen of splitsen van goederentreinen. Emplacementen zijn inrichtingen waarvoor nu nog een Omgevingsvergunning vereist is. Onder de Omgevingswet zal dit veranderen en zullen emplacementen onder algemene regels vallen die in het Besluit activiteiten leefomgeving worden opgenomen. Op emplacementen waar ook handelingen met wagons met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd, zijn de scenario’s van het doorgaand spoor (de vrije baan) mogelijk. Kanttekening daarbij is dat voor emplacementen beheersmaatregelen zijn getroffen, waarvan sommige van invloed zijn op de omvang van een scenario.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Ruimte

41

Het ballastbed kan bijvoorbeeld, mits de bufferfunctie gegarandeerd is, een dempende invloed hebben op de omvang van een plasbrand en daarmee op de hoeveelheid benodigd bluswater. Dit dient per emplacement door een onderzoek te worden aangetoond. Hierdoor kan de bluswatervoorziening, afhankelijk van de borging van het grindbed als beheersmaatregel, tussen de 2.000 l/min en de 6.000 l/min (binnen 15 min) variëren. Er wordt naar de volgende situaties voor emplacementen gekeken: • zonder activiteiten met gevaarlijke stoffen • met activiteiten met gevaarlijke stoffen o gevaarlijke stoffen met lage drempelwaarde o gevaarlijke stoffen met hoge drempelwaarde met een beperkt aantal objecten of kwetsbare natuur in de omgeving • • met objecten en kwetsbare natuur in de omgeving. Daarnaast hebben de omgeving van het emplacement en de bevolkingsdichtheid invloed op de inzet van de brandweer en dus op de hoeveelheid bluswater. Bij een lage bevolkingsdichtheid is het mogelijke effect voor de omgeving hier gering, waardoor de keuze kan worden gemaakt om de lading en/of de locomotief gecontroleerd uit te laten branden. De omgeving wordt geïnformeerd en krijgt, indien nodig, instructie(s).

Interventiemoment Voorwerp: kleine brand Ruimte: loc/wagon zonder gevaarlijke stoffen

Uit

Brand gevaarlijke stoffen/ BLEVE/ gaswolk

Uit

OFFENSIEF

Uit

DEFENSIEF

Type emplacement Geen gevaarlijke stoffen, lage dichtheid omgeving

Geen gevaarlijke stoffen, hoge dichtheid omgeving

Emplacement met activiteiten gevaarlijke stoffen*

500 l/min

2.000 l/min

Tank

Binnen 30 min voor minimaal 2 uur

1.000 l/min

2.000 l/min

4.000 l/min

Binnen 6 min gedurende 1 uur

Binnen 30 min

Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

1.000 l/min

6.000 l/min

Minimaal 6.000 l/min

Binnen 6 min gedurende 1 uur

Binnen 15 min gedurende 2 uur

Binnen 60 min voor minimaal 4 uur

Figuur 4.7: Uitwerking cascademodel voor emplacementen

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bij een gemiddelde tot hoge bevolkingsdichtheid moet additioneel bluswater voorhanden zijn binnen een af te leggen slangafstand van 200 meter tot de incidentlocatie en dit moet eenvoudig bruikbaar zijn. Hiervoor mag gebruik worden gemaakt van de openbare blusvoorzieningen in de directe omgeving van een emplacement. De bluswatercapaciteit moet minimaal 500 l/min zijn. Het is mogelijk om af te wijken van deze bluswatereis indien er op de locatie van het emplacement is aangetoond door onderzoek dat een BLEVE geen maatgevend scenario is.

42

4.3.3 De energietransitie in een technologische omgeving Ook voor de technologische omgeving heeft de energietransitie gevolgen. Andere typen stoffen en nieuwe manieren van opslag zullen hun intrede doen. Het is in dit stadium nog onbekend wat de gevolgen voor de benodigde bluswatervoorziening zullen zijn. Voor enkele ontwikkelingen wordt hieronder een indicatie van de bluswatervoorziening gegeven. 4.3.3.1 Windmolens Een van de pijlers van de energietransitie is de opwekking van energie met windturbines, ofwel windenergie. Windturbines zijn tientallen tot enkele honderden meters hoog (gemeten tot aan de tiphoogte). Vanwege deze hoogte is de brandweer ernstig beperkt in haar optreden. In de regel reiken redvoertuigen niet hoger dan 30 meter, terwijl vooral in de turbine (die zich op veel grotere hoogte bevindt) brand kan plaatsvinden. Bluswater heeft zodoende geen toegevoegde waarde. 4.3.3.2 Zonneparken Naast het toepassen van zonnepanelen en -collectoren op daken van objecten zoals huizen en bedrijven worden er ook steeds meer grootschalige zonneparken gerealiseerd. Overbelasting in een van de componenten op een zonnepark kan leiden tot brand in de panelen of in de begroeiing onder of rondom de panelen. Brand op een zonnepark kan gepaard gaan met toxische stoffen in de rook.

4.3.3.3 Battery packs Bij buurtbatterijen geldt feitelijk hetzelfde: er zal langdurig water nodig zijn. Een aantal van deze buurtbatterijen staat in containers. Bij een mogelijke beginnende brand van de batterij is de huidige inzettactiek het koelen van de batterij door het vullen van de container. De locatie van de batterijcontainers in de publieke buitenruimte hangt samen met de locatie waar het bluswater beschikbaar moet zijn: idealiter is er bluswater met voldoende debiet en tijdsduur in de directe nabijheid van de opslaglocatie beschikbaar.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Een inzet van de brandweer zal zich in eerste instantie richten op redding van personen (indien aanwezig) en daarnaast op het voorkomen van uitbreiding naar de omgeving. Blussen van de installatie zelf is alleen mogelijk indien adequate maatregelen voor het spanningsloos maken van de installatie zijn getroffen. Een kleinschalige brand kan met eigen middelen worden bestreden. Voor het voorkomen van uitbreiding is een openbare bluswatervoorziening van 1.000 liter per minuut nodig. Daarmee is een inzet met lage druk om de omgeving te beschermen mogelijk.

43

4.4

Vitale infrastructuur en voorzieningen

Onder de vitale infrastructuur en voorzieningen vallen alle processen die zo essentieel zijn voor de Nederlandse samenleving, dat bij uitval of verstoring ervan sprake is van een ernstige maatschappelijke ontwrichting. Veelvoorkomend zijn bijvoorbeeld branden in verdeelstations in het elektriciteitsnet, waardoor uitval van de elektriciteitsvoorziening optreedt. In de “Handreiking Regionaal Risicoprofiel” wordt uitgegaan van de volgende crisistypen: • verstoring energievoorziening (olie, gas, elektriciteit) • verstoring drinkwatervoorziening (kan gevolgen hebben voor de bluswatervoorziening) • verstoring rioolwaterafvoer en afvalwaterzuivering • verstoring telecommunicatie en ICT • verstoring afvalverwerking • verstoring voedselvoorziening. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) maakt onderscheid tussen een groot aantal processen die vitaal zijn voor Nederland. Omdat deze processen op een of andere wijze in de fysieke omgeving kunnen voorkomen, bijvoorbeeld doordat zij in een bouwwerk gevestigd zijn, hebben zij vanuit brandveiligheidsperspectief gezien een koppeling met een van de andere thema’s. Het gaat dan vooral om de gebouwde omgeving, technologische omgeving en verkeer en vervoer. De bluswaterbehoefte wordt vaak vanuit die fysieke component bepaald en daarom moet daarvoor het betreffende hoofdstuk van dit document worden geraadpleegd.

Overigens zal het voor de brandweer niet altijd op voorhand duidelijk zijn dat een object een vitaal belang herbergt.

4.5

Verkeer en vervoer

Er zijn bij het thema verkeer en vervoer vijf soorten hoofdvervoer te onderscheiden: • vervoer over de weg • vervoer over het water • vervoer over het spoor • vervoer door de lucht • vervoer door buisleidingen. Voor bluswater bij tunnels geldt aparte wet- en regelgeving. Deze is onder andere opgenomen in het Bouwbesluit (2012). In de Omgevingswet zal straks deze eis zijn overgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

De continuïteit wordt allereerst door proactieve en preventieve maatregelen beheerst vanuit de sector zelf, maar ook vanuit de overheid. Het belang van de continuïteit kan een extra argument zijn om aanvullende beheersmaatregelen te treffen. Proactieve en preventieve maatregelen liggen het meest voor de hand, maar ook de bluswatervoorziening kan worden geoptimaliseerd. Dit kan bijvoorbeeld door de bluswatervoorziening op een volgende stap in het cascademodel in te richten (boven maatgevend scenario), voor zover brand het vitale belang kan schaden en voor zover dit vitale belang op grote (bovenlokale) schaal kan uitvallen. Ondanks dat dit niet vanuit wetgeving kan worden afgedwongen, is het ten zeerste aan te bevelen om boven het maatgevende scenario aan het bevoegd gezag te adviseren.

44

Bij de bluswateradvisering met betrekking tot het thema verkeer en vervoer dient rekening gehouden te worden met de omgeving. Ter illustratie: de eisen aan een bluswaterinrichting voor het bestrijden van een spoorincident op een station in het centrum van een stad zijn waarschijnlijk anders dan bij eenzelfde spoorincident in een weiland.

4.5.1

Vervoer over de weg

Vervoer over de weg is een complex onderwerp. Er zijn wegen binnen een woonwijk, grotere doorgaande wegen binnen een stad of dorp, provinciale wegen, snelwegen, enzovoort. Op al deze wegen kan een ongeluk gebeuren met een voertuig en/of kan er brand ontstaan. De ernst of het effect van een brand is afhankelijk van het soort voertuig en de lading daarvan. In de gebouwde omgeving wordt er bij een voertuigbrand van uitgegaan dat voldoende bluswater aanwezig is. Dit zal niet automatisch inhouden dat er bij elke verkeersader in een gemeente bluswater aanwezig dient te zijn, maar wel langs of bij wegen die langs/door risicolocaties, kwetsbare gebieden of gebieden die van belang zijn voor een gemeente/provincie lopen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan woonwijken, cruciale wegen voor de economie of een weg die langs een school loopt. Op dergelijke locaties is misschien zelfs extra bluswater nodig. Een weg in het buitengebied van een gemeente zal niet altijd bluswater in de buurt hebben.

Interventiemoment Autobrand

Uit

Cabine- of ladingbrand

Vrachtwagen gevaarlijke stoffen/ voorkomen BLEVE/ emissie sturen plasbrand

Uit

Uit

OFFENSIEF Vervoer over de weg

500 l/min

Tank

DEFENSIEF 1.000 l/min

Binnen 6 min gedurende 1 uur

4.000 l/min Voorkomen BLEVE: binnen 6 min Bij gevaarlijke stoffen: binnen 15 min voor minimaal 4 uur

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Er is voor vervoer één cascademodel ontwikkeld dat zowel het ‘gewone vervoer’ over de weg bevat als het vervoer van gevaarlijke stoffen. In bijlage III zijn op basis van het HART (Handleiding Risicoanalyse Transport) de scenario’s voor ruimtelijke veiligheid nader uitgewerkt. De scenario’s in figuur 4.8 zijn richtlijnen voor incidenten op de weg. De omgeving, de drukte op de weg en de soorten stoffen die worden vervoerd maken dat een advies kan afwijken van de getallen in figuur 4.8.

Figuur 4.8: Uitwerking cascademodel voor vervoer over de weg

45

Voor het blussen van een autobrand van niet-elektrische voertuigen zal in eerste instantie binnen de regio geen aanvullend water nodig zijn. De brand zal worden bestreden met het water of schuim dat aanwezig is in de tank van de TS. Bij het blussen van een brand in een cabine of lading (zijnde niet gevaarlijke stoffen) zal bij een inzet gebruik worden gemaakt van extern bluswater dat binnen 6 minuten beschikbaar moet zijn. Dit uitgangspunt is opgesteld aangezien ladingen divers kunnen zijn. Is er binnen deze tijd geen bluswater aanwezig, zal er gekeken moeten worden naar een alternatieve manier om bluswater ter plaatse te krijgen. De laatste stap van dit cascademodel heeft vooral betrekking op incidenten met gevaarlijke stoffen. Dit betreft een mogelijke plasbrand, het voorkomen van een BLEVE of het vrijkomen van gevaarlijke lading in de vorm van een toxische wolk. Bij het voorkomen van een BLEVE hebben het wegnemen van de brand en het koelen van de tank prioriteit. Voor het wegnemen van de (plas)brand is meestal schuimvormend materiaal nodig. Voor het advies 6.000 l/min is de achtergrond te vinden in bijlage III.

4.5.2

Vervoer over het water

Bij vervoer over water wordt ervan uitgegaan dat een schip, in geval van een incident, naar de wal komt, waar de bluswatervoorzieningen van de kade kunnen worden gebruikt. Voldoende bluswater op kades wil zeggen: 10 liter per minuut per vierkante meter. Indien een schip niet naar de wal kan komen, zal het incident op het schip zelf bestreden moeten worden. Dit valt niet onder het adviesbeleid bluswater en bereikbaarheid. De scenario’s die nodig zijn voor ruimtelijke veiligheid gebaseerd op het HART zijn te vinden in bijlage III.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Het maatgevende scenario is bij verkeer en vervoer niet een van de stappen in het cascademodel, maar is afhankelijk van het soort verkeer dat over de weg plaatsvindt. Het maatgevende scenario wordt hier, in het bijzonder, bepaald door het effect van een incident en niet door de kans dat een incident zal plaatsvinden. Uiteraard kan er naar aanleiding van de omgeving voor gekozen worden om minder of geen bluswater aan te leggen. Het besluit over deze risicobenadering ligt bij het bevoegd gezag. De energietransitie heeft invloed op het hiervoor weergegeven cascademodel. Het is bekend dat branden van voertuigen met bijvoorbeeld lithiumaccupakketten een ander brandverloop kennen en daarmee een andere bluscapaciteit vereisen dan branden van voertuigen met een verbrandingsmotor. Het is nog niet duidelijk op welke wijze de energietransitie leidt tot andere incidentbestrijding op de weg en de behoefte aan het type bestrijdingsmiddel. Wanneer hier meer over bekend is, zal dit beleidsdocument worden aangevuld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14428680/1