CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 21 Bijlage 18 MER Deelrapport Archeologie cultuurhistorie en landschap A24.000185

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Chw Bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 121.605 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Aan het einde van het pleistoceen en aan het begin van het holoceen is op dit pakket een laag komklei afgezet afkomstig van overstromende vlechtende en meanderende rivieren. Dit is een pakket harde, grijze klei waar houtskool in voorkomt. Dit is dan ook een mogelijk bewoningsniveau uit het laat Paleolithicum. Volgens het DINO-loket komt dit pakket binnen het plangebied voor op ca. 11 m - NAP (ca. 5 m – mv). Vanaf het begin van het Holoceen is op dit pakket vanwege een stijgende zeespiegelstijging een relatief dik pakket veen afgezet (Formatie van Nieuwkoop, Basisveen). Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen zijn over een deel van de totale dalbreedte meanderende riviergeulen actief geweest die de afzettingen van vlechtende rivieren en het basisveen insneden. Dit zijn de stroomgordels die door het plangebied lopen genaamd Zuidplas, Delft en Gouderak. Deze diepe geulen zijn vaak kleiig opgevuld. De beddingafzettingen van de geulen van vlechtende en meanderende rivieren zijn uitgesproken grofzandig en zeer goed waterdoorlatend.6 In de top van deze afzettingen kan archeologie voorkomen vanaf het midden tot laat Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. Er zijn tevens aanwijzingen uit recent onderzoek die erop wijzen dat deze afzettingen zijn afgedekt door een pakket veen behorende bij de Formatie van Nieuwkoop.

Vanaf het Atlanticum (8000 jaar geleden) nam de invloed van de zee toe. Er ontstond een uitgebreid kreeksysteem waar wadafzettingen werden afgezet (Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Wormer). In de top van deze afzettingen is archeologie uit de Bronstijd mogelijk. Ook in kreeksystemen die in deze periode door het gebied lopen is op de oeverwallen bewoning mogelijk geweest. De beddingafzettingen van dit systeem kwamen in de loop van tijd hoger te liggen dan het omringende landschap, die door inklinking van het veen en de komklei lager kwam te liggen. Ook op deze kreekruggen of getij-inversieruggen is bewoning mogelijk geweest. Uit het onderzoek door RAAP uit 2014 is gebleken dat deze hoger gelegen getij-inversieruggen zijn geëgaliseerd en de top dus is verdwenen. In de loop van de Bronstijd echter werd het gebied vanwege de zeespiegelstijging natter en ontstond hoogveen (Formatie van Nieuwkoop). 3

Berendsen, 2008. De Mulder et al,. 2003. 5 Ouwerkerk en Paré 2022. 6 Cohen et. al 2009. 4

12 (30)

Achter de gesloten strandwallenkust breidde het veen zich over grote oppervlakten uit (Formatie van Nieuwkoop). In en op het hoogveen is archeologie mogelijk vanaf de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. De afwatering van het gebied vond plaats via veenstroompjes, die later, tijdens de Middeleeuwen, gebruikt werden voor de ontginning van het gebied, waarbij er op grote schaal vervening heeft plaatsgevonden. De invloed van de zee verdween echter niet helemaal. Periodieke overstromingen zorgden voor doorbraken van oeverwallen die langs de veenstroompjes waren ontstaan, met de vorming van crevasses als gevolg (laagpakket van Walcheren). De voortgaande ontginning en veenwinning leidde ertoe dat het gebied in de 18e eeuw vrijwel geheel onder water stond. Op plekken waar het veen verdwenen is, kwamen na de inpoldering in 1839 de afzettingen die onder het veen gelegen hadden (laagpakket van Wormer) weer aan de oppervlakte te liggen. Specifieke gegevens bodemopbouw Dr. M. Hijma heeft in 2009 in het kader van zijn promotie grootschalig onderzoek gedaan naar de landschapsontwikkeling van de Rijn-Maas delta tijdens het midden- en vroegHoloceen.7 Onderdeel van de dissertatie van Hijma is een doorsnede van de geologische opbouw van de ondergrond in de Rijn-Maas delta.

Volgens deze doorsnede (een noord-zuid georiënteerde lijn die langs Zoetermeer op een afstand van 2090 meter van het meest westelijke punt van het plangebied loopt) bestaat de ondergrond in de omgeving van het plangebied van boven naar beneden uit Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer (klei en zand afzettingen) tot 3 a 4 meter -mv. Daaronder bevinden zich afzettingen van de Echteld Formatie (Rijn-Maas delta afzettingen) met nog een dun dek (<1m dik) veen behorend tot de formatie van Nieuwkoop. Volgens de onderzoeksgegevens van Hijma is de top van dit veen/kleipakket omstreeks 6500 cal yr BP (ca. 4500 v.Chr.) afgezet. Geomorfologische kaart De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen aan die in het landschap te onderscheiden zijn. Het grootste gedeelte van het plangebied bevindt zich in een vlakte van getij-afzettingen (2M72). Door dit gebied loopt een getij-inversierug (3B71). In het uiterste zuiden en noordoosten is een veenrestvlakte aanwezig (2M83). Zie bijlage 2 voor een overzicht van de ligging van het plangebied op de geomorfologische kaart. Hoogtekaarten maaiveld (AHN3) Op kaarten van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is te zien dat het plangebied relatief laag gelegen is op ca. -6 m NAP (zie afbeelding 4). Te zien is dat door het plangebied een kronkelende kreeksysteem loopt die relatief hoog gelegen is op ca. 4,3 m – NAP.

Waarschijnlijk betreft dit een kreeksysteem die door de wad-kwelder afzettingen van het Laagpakket van Wormer heeft gelopen.

7

Hijma 2009.

13 (30)

Afbeelding 4: uitsnede van het AHN. Op de onderliggende kaart zijn de rood gekleurde gebieden relatief hooggelegen, en de blauw gekleurde gebieden relatief laag. Te zien is de hoger gelegen getij-inversierug.

Bodemkaart De eenheden op de Bodemkaart reflecteren de dynamische afzettingscondities ter plaatse van het plangebied. Het plangebied bevindt zich in een uitgestrekt gebied van voornamelijk kalkrijke en -arme leek-/woudeerdgronden, tochteerdgronden, plaseerdgronden, koopveengronden en kalkrijke poldervaaggronden. Zie bijlage 3 voor een overzicht van de ligging van het plangebied op de bodemkaart. Stroomruggen Een studie door de universiteit Utrecht in 2012 heeft de ligging van paleogeografische elementen in het omliggende landschap geactualiseerd. 8 Op deze kaarten zijn de stroomruggen die de Zuidplaspolder in de ondergrond doorkruist zichtbaar gemaakt. Het verbindingstracé kruist de stroomruggen ‘Delft’, ‘Gouderak’ en ‘Zuidplas’ op verschillende plaatsen. Zie bijlage 4 voor de ligging van het plangebied t.o.v. de stroomgordels. Volgens boorprofielen die te raadplegen zijn in het Dinoloket ligt de top van de afzettingen van deze stroomgordels (Formatie van Echteld) tussen de 8,4 en 13 m – NAP. In de documentatie van Cohen en Stouthamer is de diepteligging van de zandlagen weergegeven. De diepte van de zandlaag van de Gouderak stroomgordel ligt tussen de 6,5 en 15 m – NAP (ca. 0,5 tot 9 m – mv). Van Zuidplas is deze 8,5 tot 11 m – NAP (ca. 2,5 tot 5 m – mv) en van Delft is deze onbekend, maar ligt waarschijnlijk dieper dan de Zuidplas stroomrug.

8

Cohen et al. 2012.

14 (30)

Tabel 2-2: Overzicht van de stroomruggen in het gebied. Gegevens over einddatering en diepteligging zijn afkomstig uit Cohen et al. 2012.

Stroomrug

Einddatering

Diepteligging top

Gouderak

6.000 v.Chr.

-6.5 - -15.0 m NAP

Zuidplas

5.400 v.Chr.

-8.5 - -11.0 m NAP

Delft

6.200 v.Chr.

Onbekend (vermoedelijk dieper dan Zuidplasstroomrug)

Archeologische verwachting Mesolithische vindplaatsen Mesolithische vindplaatsen Mesolithische vindplaatsen

Afbeelding 5: Een overzicht van de stroomruggen die door het plangebied lopen. 53 = Gouderak, 376 = Delft, 204 = Zuidplas.

Dinoloket Er zijn in het DINOloket ca. 274 boringen bekend binnen het plangebied (BRO GeoTop v.1..4.1). In een aantal raaien zijn de boringen vrij dicht op elkaar geplaatst, in andere zones zijn deze boringen echter vrij ver uit elkaar met een tussenruimte van 300 of 400 meter. Toch is voor het algemene beeld een aantal dwarsdoorsnedes gemaakt van het plangebied om zo de diepten van de verschillende aanwezige bodemlagen visueler te maken. Deze doorsnedes zijn dus niet per se heel fijnmazig. Op één zuidwest-noordoost as en een noordwest-zuidoost as zijn er in twee raaien vrij veel boringen aanwezig, ca. elke 20 tot 50 meter.

15 (30)

In totaal zijn er vier dwarsdoorsnedes gemaakt, waarvan drie noordwest-zuidoost georiënteerd en één zuidwest- noordoost. Zie voor een overzicht van de dwarsdoorsnedes afbeelding 6 en 7. In de eerste dwarsdoorsnede (afbeelding 8), die loopt van noordwest naar zuidoost is te zien dat er diverse geulafzettingen van het Laagpakket van Wormer (in lichtblauw) vanaf ca. 8,8 m – NAP aanwezig zijn in deze doorsnede van ca. 3 km lengte. Daartussen zijn rond hetzelfde niveau geulafzettingen van de Formatie van Echteld aanwezig (in donkerblauw). Hier gaat het mogelijk om de stroomruggen behorende tot de Gouderak uit twee verschillende perioden. De lichtgroene gordel (rechterzijde dwarsdoorsnede, zie afbeelding 6) stamt uit ca. 7400 jaar geleden, de donkergroene gordel uit 8200 jaar geleden (linkerzijde dwarsdoorsnede). Deze diepte van ca. 8,8 m – NAP komt overeen met de diepte waarop de stroomgordelafzettingen zijn aangetroffen in het booronderzoek van RAAP (ca. 2,8 m – mv). Op deze dwarsdoorsnede is tevens te zien dat de Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen (in donkerbruin) vooral aan de noordzijde en in het midden van het plangebied aanwezig is. Ook hier en daar zichtbaar is het Basisveen (bruin) Uit dwarsdoorsnede 2 (afbeelding 9), die van zuidwest naar het noordoosten loopt en 5,1 km lang is, is ook diverse malen de donkerblauwe afzetting van de Formatie van Echteld te zien.

Aan de zuidwestzijde van het plangebied (links) bevindt deze zich op ca. 10 m – NAP (ca. 4 m – mv), terwijl deze in het midden van het plangebied licht oploopt naar 8,5 m – NAP, om vervolgens richting het noordoosten weer af te lopen naar 10 m – NAP. Opvallend is dat aan het uiterste noordoosten van het plangebied op ca. 14,8 m – mv nog een pakket dekzand aanwezig is (in geel, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). In dwarsdoorsnede 3 (afbeelding 10), die van het noordwesten naar het zuidoosten loopt is te zien dat er aan de zuidgrens van het plangebied nog een restant veen aanwezig is (oranje) aan de oppervlakte. Dit pakket is aanwezig tot op ca. 9,6 m – NAP (ca. 3,6 m – mv). Ook hier zijn de donkerblauwe afzettingen van de Formatie van Echteld te zien, die waarschijnlijk aan de stroomruggen toe te schrijven zijn. In dwarsdoorsnede 4 (afbeelding 11) zijn de vermoedelijke stroomrugafzettingen al relatief ondiep aanwezig aan de noordwestzijde op ca. 7,6 m – mv. Even verderop zijn ze opnieuw aanwezig, dan op ca. 8,8 m – mv. In dwarsdoorsnede 5 (afbeelding 12) zijn op slechts een beperkt aantal locaties de stroomrugafzettingen aanwezig. Opnieuw opvallend is hier het dekzand op ca. 13,3 m – mv. Alle aangetroffen Formaties van Echteld zijn in afbeelding 12 gevisualiseerd (in oranje) en geplot op de Rijn-Maasdelta van Cohen en Stouthamer.

Te zien is dat de boringen vrij accuraat zijn in het lokaliseren van de exacte positie van de Rijn-Maasdelta. Aangezien deze formatie de hoogste verwachting heeft op archeologie kan uit deze informatie een advies voor vervolgonderzoek volgen. In bijlage 8 en 9 zijn alle aangetroffen stroomgordels afgebeeld in een statische en interactieve 3d kaart. In afbeelding 13 is een dwarsdoorsnede opgenomen van het onderzoek door RAAP in 2014. De boringen zijn weergegeven van zuid naar noord. Op deze boorraai is te zien dat vooral in het zuidelijk deel van het plangebied stroomgordelafzettingen zijn aangetroffen vanaf een diepte van 3 meter onder maaiveld.

16 (30)

Afbeelding 6: Een overzicht van de reeds bekende boringen in het DINOloket en de gemaakte dwarsdoorsnedes in het groen, hier genummerd van 1 tot 4.

Afbeelding 7: Een overzicht van de gemaakte dwarsdoorsnedes met daaronder de Rijn-Maas Delta van Cohen en Stouthamer (2012)

17 (30)

Afbeelding 8: Dwarsdoorsnede 1. Noordwest aan de linkerzijde. Deze dwarsdoosnedes zijn tevens bijgevoegd als pdf (zie bijlage 5)

Afbeelding 9: Dwarsdoordsnede 2. Zuidwest aan de linkerzijde.

Afbeelding 10: Dwarsdoorsnede 3. Noordwest aan de linkerzijde.

18 (30)

Afbeelding 11: Dwarsdoorsnede 4. Noordwest aan linkerzijde.

Afbeelding 12: Dwarsdoorsnede 5. Noordwest aan linkerzijde.

19 (30)

Afbeelding 13: Alle aangetroffen locaties van de Formatie van Echteld geplot op de dwarsdoorsnedes en de Rijn-Maasdelta van Cohen en Stouthamer. In het oranje de aangetroffen Formatie van Echteld.

20 (30)

Afbeelding 14: De boorstaten van het onderzoek van RAAP uit 2014 (De Boer et. al. 2012). De dwarsdoorsnedes zijn van zuid naar de noordzijde van het plangebied.

2.3

Historische situatie

2.3.1 Historische situatie9 De bewoningsgeschiedenis van de Zuidplaspolder is gevormd door de relatie tussen locatiekeuze voor nederzettingen en de bodemgesteldheid. De aanwezigheid van een droge ondergrond in West-Nederland was een belangrijke factor waardoor men zich vestigde in een gebied dat geregeld door overstromingen werd bedreigd. Tot de veenvorming in het Neolithicum vormden de hoger gelegen rivierduinen, terrasranden en de oevers van de stroomgordels van Gouderak, Delft en Zuidplas de beste mogelijkheid tot bewoning. De veenvorming vanaf de Bronstijd zorgde tot de ontginning in de Middeleeuwen voor een nattere en minder aantrekkelijke omgeving voor bewoning. Afzettingen van de stroomgordels worden dieper dan 2,5 m -mv verwacht en kunnen mogelijk resten van mesolithische vindplaatsen bevatten.

9

Ouwerkerk en Paré 2022.

21 (30)

Bewoning van het veengebied zal zich hebben geconcentreerd langs veenstromen of andere, redelijk ontwaterde gebieden in het veen. De Rotte vormt een veenstroom die een eerste bewoningsbasis vormde in het veengebied. Deze zone heeft een archeologische verwachting voor resten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd, vanaf het maaiveld. Vindplaatsen in het veen zullen vermoedelijk grotendeels zijn verstoord door de turfwinning vanaf de Middeleeuwen. Vanaf de tiende eeuw wordt het gebied uitgegeven voor ontginning. De zones langs de rivieren vormde de basis waarvandaan de ontginningen plaats vonden. Hier ontstond ook bebouwing en kunnen resten vanaf de middeleeuwen aanwezig zijn, vanaf het maaiveld. Binnen het plangebied is echter geen ontginningsas bekend. De veenontginning leidde tot het ontstaan van grote waterplassen. Tijdens stormachtige maanden vormde het water een bedreiging voor het omringende land en de nederzettingen in de directe omgeving. Er werden verschillende voorstellen gedaan om de plassen in te polderen, maar het duurde tot halverwege de 19e eeuw voordat met de inpoldering werd begonnen. De hoge gronden in de westelijke helft van de polder vielen als eerste droog. Het nieuw gewonnen gebied werd gebruikt voor agrarische doeleinden.

10 2.4 Archeologische waarden Om de reeds bekende archeologische waarden in beeld te krijgen, zijn diverse bronnen geraadpleegd, zoals de Archeologische Monumentenkaart, Archis3 en archeologische waarden- en/of beleidskaarten van het betreffende gebied. 2.4.1 Archeologische Monumenten De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. In en in de directe omgeving van het plangebied (in een straal van 500 meter rondom het plangebied) zijn geen AMK-terreinen geregistreerd. 2.4.2 Archeologische vondstlocaties en onderzoeken In het Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed staan alle bekende archeologische vondsten/waarnemingen en onderzoeken geregistreerd. Binnen het plangebied zijn meerdere archeologische onderzoeksmeldingen en waarnemingen aangemeld. De onderzoeken hebben betrekking op bureau-, boor-, proefsleuvenonderzoek en opgravingen. Voor dit onderzoek zijn alleen de booronderzoeken of gravende onderzoeken bekeken om te zien of er relevante data beschikbaar is voor het opstellen van een landschapsmodel. In Archis is binnen het plangebied slechts 1 vondstlocatie bekend. Het betreft een nietarcheologisch vondstmelding uit de jaren 80 van de vorige eeuw (zaakidentificatie 2816632100). De vondst was een aardewerken scherf uit de Romeinse tijd.

Binnen het plangebied zijn diverse booronderzoeken uitgevoerd. Deze gegevens kunnen een beeld geven van de diepte van diverse grondlagen. De meeste booronderzoeken reikten echter slechts tot de maximale verstoringsgrens, en reikten niet dieper dan 2 meter, te ondiep om eventuele kreeksystemen of oever- en geulafzettingen van de Formatie van Echteld te bereiken. Twee onderzoeken bereikten echter wel dit niveau, die dwars door het huidige plangebied lopen. Dwars door het plangebied is door RAAP in 2012 een booronderzoek uitgevoerd.11 Het tracé liep door het midden van het plangebied van het noorden naar het zuiden. Tijdens dit onderzoek zijn in diverse boringen binnen het plangebied over een lengte van 350 meter pakketten oever- en geulafzettingen gekarteerd. Het betreft hier waarschijnlijk 10 11

Voor het beschrijven van de historische situatie is gebruik gemaakt van Buesink et al. 2010. De Boer et al. 2012.

22 (30)

afzettingen van de Gouderak stroomgordel. Het bodemprofiel loopt af, de mineraalarme veenafzettingen gaan naar beneden toe over in oever- en geulafzettingen. Deze afzettingen worden afgedekt door een pakket kleiige getijdenafzetttingen, toebehorend aan het Laagpakket van Wormer. De top van de oeverafzettingen ligt op 280 cm – mv (8,4 m – NAP) en is grotendeels intact. In een aantal boringen is een laklaag waargenomen in de oever- en/of komafzettingen (boring 2236 t/m 2239 en 2243) en is de top van de oeverafzettingen ontkalkt. Op basis van de diepte en stratigrafie van de afzettingen wordt uitgegaan van een datering in de periode Mesolithicum- Neolithicum. 12 Voor een afbeelding van de zone waar de oeveren geulafzettingen zijn aangetroffen zie afbeelding 14). Een ander onderzoek waarbij stroomgordelafzettingen zijn aangetroffen is het onderzoek door Sweco en RAAP, waarvan de laatste fase in 2014 is uitgevoerd. Het betrof een inventariserend booronderzoek met aanvullende karterende boringen. Er zijn afzettingen aangetroffen behorende bij de Gouderak stroomgordel. Deze bestonden echter niet uit een crevassewaaier, maar uit komkleien. Hiervoor is de archeologische verwachting laag. Er bleek wel een kreekrug of getij-inversierug behorende aan het Laagpakket van Wormer aanwezig te zijn.

Deze bleek echter in de top afgegraven te zijn, waarschijnlijk als gevolg van herverkaveling en nivellering in de jaren 60 van de vorige eeuw. Daarom is hier geen vervolgonderzoek geadviseerd. Tabel 2-3 Onderzoeksmeldingen uit Archis

12

Zaakidentificatienummer

Type onderzoek

Uitvoerder/Datum

Resultaat

2380844100 2342214100/2438557100

Booronderzoek Booronderzoek

RAAP 2011 Sweco/Archol 2014

Deels vervolg Geen vervolg

De Boer et al. 2012.

23 (30)

Afbeelding 15: Relatieve ligging plangebied en het boortracé dat in 2012 door RAAP is onderzocht (in paars). Ook weergegeven is de Rijn/Maas Delta door Cohen en Stouthamer (2012). In het oranje de boringen binnen het tracé waar oever- en geulafzettingen zijn gekarteerd.

Recentelijk heeft ten oosten van het plangebied, in het grondgebied van de gemeente Gouda en op ca. 600 m afstand, een archeologisch onderzoek plaatsgevonden, waar een archeologische vindplaats aangetroffen is uit de overgangsperiode van het Mesolithicum naar het Neolithicum.13 Hoewel nog niet veel gegevens over de vindplaats bekend zijn, wordt wel duidelijk dat de vindplaats waarschijnlijk gelegen in en in de top van de oeverafzettingen van de Gouderakse meandergordel gelegen is. De resten zijn op een diepte van ca. 2,5 tot 3 m onder maaiveld aanwezig en bevinden zich in een maximaal 1 m (gemiddeld 38 cm) dikke archeologische vondstlaag.

13

Pers. Comm. C. Thanos (ODMH)

24 (30)

Afbeelding 16: het huidige plangebied (in rood) met het nieuw onderzoeksgebied in paars, en potentiële vindplaatsen in blauw.

25 (30)

3

Gespecificeerde verwachting

Op basis van de geraadpleegde bronnen is en gespecificeerde verwachting opgesteld voor het plangebied. Op de pleistocene rivierafzettingen, specifiek in de Laag van Wijchen (Formatie van Kreftenheye) kunnen archeologische waarden uit het Paleolithicum en Mesolithicum voorkomen. Het is echter goed mogelijk dat deze laag is geërodeerd door de latere stroomruggen van Gouderak, Delft en Zuidplas, of door het Laagpakket van Wormer. Indien dit pakket nog is afgedekt door Basisveen dan is er een kans dat archeologische waarden uit deze periode nog intact zijn. Gezien de diepe ligging van dit pakket (ca. 4 tot 6 m – mv) is de kans dat dit pakket verstoord wordt door de beoogde bouwwerkzaamheden echter klein. In de top van het Basisveen is een lage kans op archeologie uit het Mesolithicum en vroege Neolithicum. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de top van het Basisveen verspoeld is geraakt door ofwel de stroomruggen, ofwel door de marine afzettingen van het Laagpakket van Wormer. Volgens het DINOloket is op een aantal plaatsen binnen het plangebied nog wel Basisveen aanwezig op ca. 4,5 tot 6 m – mv. In de top van de afzettingen van de stroomruggen van Gouderak, Delft en Zuidplas kunnen archeologische waarden voorkomen uit het Mesolithicum tot en met de Bronstijd.

Deze zandige afzettingen blijken uit recent onderzoek regelmatig afgedekt te zijn door een laag veen (Formatie van Nieuwkoop), en daardoor mogelijk goed geconserveerd. 14 Deze afzettingen bevinden zich volgens recent onderzoek en het DINOloket op ca. 2,8 m – mv. Recent onderzoek heeft aangetoond dat in ieder geval een deel van de Gouderakse meandergordel geschikt is geweest voor bewoning uit de overgangsperiode van het Mesolithicum naar het Neolithicum. Deze resten zijn ten oosten van onderhavig plangebied aangetoond op een diepteligging tussen 2,5 en 3 m -mv en worden herkend door middel van een humeus gevormde archeologische laag. De kans is aanwezig dat deze vindplaats zich voortzet tot in het plangebied. Vervolgens zijn deze afzettingen weer bedekt door mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer. De top van dit pakket is mogelijk korte tijd bewoonbaar geweest in de periode gedurende het Neolithicum tot en met de Bronstijd. Vanaf de Bronstijd, mogelijk zelfs iets eerder is er binnen het plangebied op grote schaal veen gevormd. In en op dit veen heeft mogelijk bewoning plaatsgevonden, specifiek op oevers van kreekjes die door het veen hebben gelopen. Dit veen is echter nagenoeg geheel verdwenen vanwege de ontginning van het veen vanaf de middeleeuwen. Daarbij, blijkt uit onderzoek (zie 2.4.2) dat ook de top van het Laagpakket van Wormer verstoord is geraakt.

De top van de kreekjes is nog aanwezig en zichtbaar op de AHN, maar uit onderzoek blijkt dat de top van deze kreekjes verstoord is geraakt, in elk geval in het oosten van het plangebied (zie 2.4.2). De verwachting op archeologie uit deze perioden is dan ook zeer laag. Vanwege de ontginning van het veen ontstond vanaf ca. de 10e eeuw een groot meer binnen het plangebied. Door de ontginning van het veen ligt het Laagpakket van Wormer weer aan het oppervlak, nadat het gedurende lange tijd onder water heeft gestaan. Het gebruiken van het plangebied als landbouwgrond heeft waarschijnlijk ook voor de nodige verstoringen gezorgd, bijvoorbeeld door ploegen.

14

Gemeld door dhr. Christo Thanos, uit onderzoek door Femke de Roode, onderzoek nog niet gepubliceerd.

26 (30)

4

Conclusie en advies landschappelijk onderzoek

4.1 Conclusie Voor de gehele Zuidplaspolder geldt een hoge verwachting voor archeologische resten ter hoogte van de ligging van de stroomruggen Gouderak, Delft en Zuidplas. De top van de stroomrugafzettingen liggen in het plangebied op een diepte van 2,5 tot 6 meter beneden maaiveld. De locatie van deze stroomruggen kan worden bepaald op basis van het model van de Rijn-Maasdelta van Cohen en Stouthamer, aangevuld met data uit het DINOloket. Op basis van deze gegevens kan een advies gegeven worden omtrent vervolgonderzoek. Voor de advieskaart zie afbeelding 17, 18 en 19. 4.2 Advies Op basis van de resultaten van het landschappelijk onderzoek wordt geadviseerd om de locatie en verwachting van de locaties van de stroomruggen Gouderak, Delft en Zuidplas te toetsen door middel van een inventariserend booronderzoek. Gezien de uitgestrektheid van het plangebied wordt geadviseerd om dit booronderzoek uit te voeren dwars over de diverse stroomruggen in dichte raaien van 25 m afstand tussen de boringen. Op deze manier kan met ca. 556 boringen een duidelijk beeld geschetst worden van de stroomruggen en de potentie voor archeologie (zie afbeelding 17 en bijlage 7). Normaliter zouden binnen een dubbelbestemming ca. 5 boringen per hectare worden gezet, wat zou resulteren in meer dan 3000 boringen.

Daarnaast kan de potentie voor archeologie in de top van het Laagpakket van Wormer, en de kreekjes in het Laagpakket van Wormer worden gegeven, die zich grotendeels in hetzelfde gebied bevinden zoals te zien is in afbeelding 18. De boringen worden tot minimaal 20 cm in de beddingafzettingen van de holocene riviersystemen gezet; indien een geul aangeboord wordt, bedraagt de maximale boordiepte 3,5 m. Met deze diepte zullen zowel de top van de stroomruggen als van de kreekruggen van het laagpakket van Wormer bereikt worden. Bij de vaststelling van het PvA kan nog nader gekeken worden naar aanpassingen van het aantal boringen/ de exacte locatie van de boringen om rekening te houden met o.a. bestaande bebouwing, kabels en leidingen etc. Daarnaast kan er gekeken worden of er ook in zones waar geen ingrepen aan de bodem zullen plaatsvinden boringen geplaatst dienen te worden, of dat deze kunnen vervallen. Daarbij zal er gefaseerd gebouwd gaan worden, indien gewenst kan ook deze fasering in het booronderzoek meegenomen worden. In het oostelijke deel zijn mogelijk archeologische resten aanwezig van een oostelijk gelegen vindplaats uit de overgangsperiode van het Meso- naar het Neolithicum. De kans is aanwezig dat deze vindplaats zich uitstrekt tot in het onderhavige plangebied.

Daarom wordt geadviseerd om langs de randen van het oostelijke deel van het plangebied, waarbij de afzettingen van de Gouderakse worden gevolgd, een raai boringen te plaatsen om te bepalen of hier tevens sprake is van deze vindplaats. Als uit het booronderzoek blijkt dat bepaalde zones een potentie hebben voor archeologie dan kan vervolgens een beslissing gemaakt worden voor vervolgonderzoek zoals een aanvullend (karterend) booronderzoek of bijvoorbeeld een proefsleuvenonderzoek, indien hier mogelijk archeologische waarden verstoord zullen worden.

27 (30)

Afbeelding 17: De boorkaart met de geadviseerde boringen binnen het plangebied.

Afbeelding 18: De geadviseerde boringen op het AHN.

28 (30)

Afbeelding 19: De geplande boringen afgebeeld op het masterplan van de toekomstige ingrepen.

29 (30)

Literatuurlijst en gebruikte bronnen Berendsen, H.J.A., 2008. Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’s. Assen. Boer, de, ir. G.H., J. Sprangers en W. Bosman. 2012. Rapportage onderzoeken Archeologie Aardgastransportleiding Beverwijk- Wijngaarden (A-803). RAAP-rapport 2449. Buesink, A., M. Mostert, J.M.J. Willems, C.C. Kalisvaart, 2010. Gemeentelijke beleidsnota Archeologie gemeente Zuidplas. BAAC rapport V-10.0038. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Rhine‐Meuse Delta Studies’ DigitalBasemap for Delta Evolution and Palaeogeography, Utrecht. K.M. Cohen, E. Stouthamer, W.Z. Hoek, H.J.A. Berendsen & H.F.J. Kempen (2009) Zand in Banen - Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Arnhem: Provincie Gelderland. Hijma, M.P., 2009: From river valley to estuary: The early-mid Holocene transgression of the Rhine-Meuse valley, The Netherlands. PhD Thesis Utrecht University. Hijma, M.P., K.M. Cohen, G. Hoffmann, A.J.F. van der Spek, E. Stouthamer, 2009. From river valley to estuary: the evolution of the Rhine mouth in the early to middle Holocene (western Netherlands, Rhine-Meuse delta). Netherlands Journal of Geosciences — Geologie en Mijnbouw 88 – 1, pp.13 – 53. Mulder, E.F.J., de, M.C. Geluk, I. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Groningen.

Ouwerkerk, L.P. en C. Paré. 2022. Archeologisch onderzoek Zuidplaspolder 20 kV tracé noord, gemeente Zuidplas. Sweco archeologische rapporten 2449. Thanos, C., 2018. Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente Zuidplas. Omgevingsdienst Midden-Holland.

ahn.maps.arcgis.com archis.cultureelerfgoed.nl beeldbank.cultureelerfgoed.nl. https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens www.topotijdreis.nl https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart# www.ruimtelijkeplannen.nl

Universiteitsbibliotheek Beeldbank VU Amsterdam

30 (30)

Bijlage 1. Locatie plangebied

Legenda Projectgegevens plangebied

Achtergrond BRT Achtergrondkaart

Locatie van het plangebied Gouda Zuidplas Opdrachtgever: Gemeente Zuidplas Projectnummer: 51007971-002 Status: Definitief Datum: 30-09-2022 20:11 Schaal: Formaat: A1

N © Sweco Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden

C:\Users\NLLEOO\OneDrive - Sweco AB\Gouda Zuidplas\GIS\qgis lokale versie, blad 1 van 1

standaard

Bijlage 2. Geomorfologische kaart

Legenda Projectgegevens plangebied

Landschap Geomorfologische kaart PDOK 2017 Geomorfologische kaart B71 - Getij-inversierug M72 - Vlakte van getij-afzettingen M81 - Ontgonnen veenvlakte M82 - Ontgonnen veenvlakte met petgaten M83 - Veenrestvlakte

Achtergrond BRT Achtergrondkaart

Geomorfologische kaart Gouda Zuidplas Opdrachtgever: Gemeente Zuidplas Projectnummer: 51007971-002 Status: Definitief Datum: 30-09-2022 20:15 Schaal: Formaat: A1

N © Sweco Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden

C:\Users\NLLEOO\OneDrive - Sweco AB\Gouda Zuidplas\GIS\qgis lokale versie, blad 1 van 1

standaard

Bijlage 3. Bodemkaart

Legenda Projectgegevens plangebied

Landschap Bodemkaart PDOK 2014 Bodemkaart Vergraven Water Bebouwing Dijk Bovenlandstrook AAP - Aangemaakte petgaten hEV - Aarveengronden hVb - Koopveengronden hVc - Koopveengronden hVk - Koopveengronden hVr - Koopveengronden Mn25A - Kalkrijke poldervaaggronden Mn35A - Kalkrijke poldervaaggronden Mn45A - Kalkrijke poldervaaggronden Mv41C - Drechtvaaggronden Mv61C - Drechtvaaggronden pMn55A - Kalkrijke leek-/woudeerdgronden pMn86C - Kalkarme leek-/woudeerdgronden pMo80 - Tochteerdgronden pMv81 - Liedeerdgronden Wo - Plaseerdgronden

Achtergrond BRT Achtergrondkaart

Bodemkaart Gouda Zuidplas Opdrachtgever: Gemeente Zuidplas Projectnummer: 51007971-002 Status: Definitief Datum: 30-09-2022 20:14 Schaal: Formaat: A1

N © Sweco Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden

C:\Users\NLLEOO\OneDrive - Sweco AB\Gouda Zuidplas\GIS\qgis lokale versie, blad 1 van 1

standaard

Bijlage 4. Rijn-Maasgordel van Cohen et. al. 2012

Legenda Projectgegevens plangebied

Landschap Rijn-Maas Delta (Cohen/Stouthamer 2012) ouddom EINDDATERINGEN RIVIERACTIVITEIT 450 - 800 14C BP = 1200 AD 800 - 1150 14C BP = 900 AD 6001 - 6500 14C BP = 5400 BC = 7400 cal BP 7001 - 7500 14C BP = 6200 BC = 8200 cal BP

Achtergrond BRT Achtergrondkaart

Rijn-Maasdelta van Cohen et. al 2012 Gouda Zuidplas Opdrachtgever: Gemeente Zuidplas Projectnummer: 51007971-002 Status: Definitief Datum: 07-10-2022 12:51 Schaal: Formaat: A1

N © Sweco Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden

C:\Users\NLLEOO\OneDrive - Sweco AB\Gouda Zuidplas\GIS\qgis lokale versie, blad 1 van 1

standaard

Bijlage 5. Dwarsdoorsnedes DINOloket

Verticale Doorsnede BRO GeoTOP v1.4.1

Verticale Doorsnede BRO GeoTOP v1.4.1

Verticale Doorsnede BRO GeoTOP v1.4.1

Verticale Doorsnede BRO GeoTOP v1.4.1

Bijlage 6. Advieskaart met boringen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14084306/1