Bijlage 2 Toelichting Verordening Fysieke Leefomgeving 2023 Omgevingswet A23.001397
Tekst van het document
Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen waarbij onder verantwoordelijkheid van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas wordt gewerkt (artikel 9.7 van de bouwverordening), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken (als deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan. Binnen de gemeente Zuidplas is er voor gekozen om de naam Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te hanteren in plaats van de eerder genoemde Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is gekozen omdat de nieuwe naam beter aansluit bij de reikwijdte van de nieuwe werkzaamheden van de commissie. De verwijzingen in dit artikel zijn aangepast naar de nieuwe naam. Daarnaast zijn leden 3 en 4 samengevoegd voor de leesbaarheid.
Artikel 6.18 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas Toelichting In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het onder verantwoordelijkheid van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas afdoen van het welstandadvies. De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas als bekend mag worden verondersteld. Daarnaast kan het college ook kiezen voor afdoening onder verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan het college advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Op basis van artikel 5.1 van de Omgevingswet moet de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals vermeld in de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van de Woningwet.
Het college is verplicht om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas (artikel 22.7 en 22.9 van de Omgevingswet). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van artikel 22.7 en 22.9 van de Omgevingswet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd. Onder de Omgevingswet is een bouwwerk vergunningplichtig, meldingplichtig of vergunningvrij. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk door het college ter advisering aan de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas moet worden voorgelegd. Artikel 9.7 biedt de mogelijkheid voor de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten
64
aan een of meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas als bekend mag worden verondersteld. Geen mandatering Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Art. 10:1 Algemene wet bestuursrecht definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas is geen bestuursorgaan. Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Algemene wet bestuursrecht) maar adviseert de commissie het college. Samengevat: Sinds de inwerkingtreding van de wet is ‘flitsen’ alleen mogelijk als: voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of, het daartoe aangewezen lid van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas aanwezig is, en het oordeel van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas over het betreffende bouwplan als bekend mag worden verondersteld. Binnen de gemeente Zuidplas is er voor gekozen om de naam Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te hanteren in plaats van de eerder genoemde Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is gekozen omdat de nieuwe naam beter aansluit bij de reikwijdte van de nieuwe werkzaamheden van de commissie.
De verwijzingen in dit artikel zijn aangepast naar de nieuwe naam. Artikel 6.19 Adviseurs Toelichting Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering te laten voorlichten door ambtenaren (eerste lid) of door externe deskundigen (tweede lid). Een ambtenaar of een andere deskundige kan ingevolge het derde lid op uitnodiging van de commissie aanwezig zijn bij de vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Deze regeling sluit aan op de gegroeide praktijk, waarbij de commissies afhankelijk van de behoefte, specifieke adviseurs inschakelen (bijvoorbeeld een specialist op het gebied van historische interieurs of een specialist op het gebied van duurzaam bouwen). Binnen de gemeente Zuidplas is er voor gekozen om de naam Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te hanteren in plaats van de eerder genoemde Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is gekozen omdat de nieuwe naam beter aansluit bij de reikwijdte van de nieuwe werkzaamheden van de commissie. De verwijzingen in dit artikel zijn aangepast naar de nieuwe naam. Artikel 6.20 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht Toelichting Lid 1 Het eerste lid legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel.
In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij positieve advisering van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas een expliciete motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend. Binnen de gemeente Zuidplas is er voor gekozen om de naam Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te hanteren in plaats van de eerder genoemde Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is gekozen omdat de nieuwe naam beter aansluit bij de reikwijdte van de nieuwe werkzaamheden van de commissie. De verwijzingen in dit artikel zijn aangepast naar de nieuwe naam. Artikel 6.21 Verwerking van het advies Toelichting Dit lid is opgenomen met het oog op een goede vervulling van de adviestaak. Daarvoor is nodig dat de commissie voortdurend inzicht heeft in hoe het college omgaan met de uitgebrachte adviezen.
65
§ 6.3.4 Werkwijze Artikel 6.22 Reglement van orde Toelichting Eerste lid De commissie stelt een reglement van orde vast. Tweede lid Dit lid geeft aan welke onderwerpen in ieder geval in het reglement van orde worden opgenomen. Derde lid Dit lid regelt de bekendmaking van het reglement van orde. Dat kan als bijlage bij deze verordening, of als aparte bekendmaking met een goede verwijzing naar deze verordening. Juridisch gezien behoeft het reglement van orde niet in de verordening zelf te worden opgenomen. Binnen de gemeente Zuidplas is er voor gekozen om de naam Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te hanteren in plaats van de eerder genoemde Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is gekozen omdat de nieuwe naam beter aansluit bij de reikwijdte van de nieuwe werkzaamheden van de commissie. De verwijzingen in dit artikel zijn aangepast naar de nieuwe naam. Artikel 6.23 Relatie met andere adviseurs Toelichting Dit artikel regelt een goede afstemming tussen de werkzaamheden van andere adviseur(s) op het gebied van de omgevingskwaliteit en de commissie. Binnen de gemeente Zuidplas is er voor gekozen om de naam Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te hanteren in plaats van de eerder genoemde Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is gekozen omdat de nieuwe naam beter aansluit bij de reikwijdte van de nieuwe werkzaamheden van de commissie.
De verwijzingen in dit artikel zijn aangepast naar de nieuwe naam. Artikel 6.24 Vergoeding Toelichting Dit artikel regelt dat de leden van de commissie een vergoeding kunnen opvangen voor de werkzaamheden die zij verrichting voor de commissie gebaseerd op de tarieven die jaarlijks worden afgesproken met Dorp, Stad en Land. § 6.3.5 Jaarverslag Artikel 6.25 Jaarlijkse verantwoording Toelichting Jaarverslag Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas vloeit voort uit artikel 22.7 en 22.9 van de bruidsschat. Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het ‘verslagjaar’ van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas kunnen lopen van juni tot juni.
Jaarverslag het college Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de welstandszorg te vergroten, is ook aan het college ingevolge artikel 22.7 en 22.9 van de bruidsschat de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:
66
op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas; opmerkelijke ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en de rol van het welstandstoezicht daarin; aard en betekenis van de belangrijkste bouwplannen en de wijze waarop het plan is behandeld en tot tand gekomen is; feitelijke (getalsmatige) informatie.
Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Samen met het jaarverslag van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas wordt hierdoor het gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd. In de Omgevingswet is een algemene verslagverplichting voor het college ogenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Binnen de gemeente Zuidplas is er voor gekozen om de naam Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te hanteren in plaats van de eerder genoemde Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is gekozen omdat de nieuwe naam beter aansluit bij de reikwijdte van de nieuwe werkzaamheden van de commissie. De verwijzingen in dit artikel zijn aangepast naar de nieuwe naam. § 6.3.5 Overgangsbepalingen Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas. Artikel 6.26 Onvoorzienbaarheid Toelichting Dit artikel regelt als er situaties voorkomen die niet beschreven zijn in deze verordening, het college uiteindelijk bevoegd is om te beslissen in geschillen, nadat zij het advies van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas gehoord hebben. Artikel 6.27 Overgangsrecht Toelichting Vanwege de invoering van het de Omgevingswet komen veel wetten en artikelen te vervallen.
Dit artikel zorgt ervoor dat tijdens de overgangsfase de juridische basis voor de benoeming van de leden van de commissie, de advisering en werkzaamheden op de juiste manier kunnen doorgaan. Afdeling 6.4 Overige procesregels § 6.4.1 Beschermd rijksmonument Artikel 6.28 Vergunning voor beschermd rijksmonument Toelichting In dit artikel is geregeld dat de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas adviseert over vergunningen voor beschermde rijksmonumenten. Binnen de gemeente Zuidplas is er voor gekozen om de naam Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te hanteren in plaats van de eerder genoemde Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor is gekozen omdat de nieuwe naam beter aansluit bij de reikwijdte van de nieuwe werkzaamheden van de commissie. De verwijzingen in dit artikel zijn aangepast naar de nieuwe naam. § 6.4.2 Gemeentelijk erfgoed Artikel 6.29 Gemeentelijk erfgoedregister Toelichting In dit artikel is de term monumentenlijst aangepast naar erfgoedregister. Deze term komt voort uit de Erfgoedwet en verwijst naar de brede inhoud van de term cultureel erfgoed. Op de monumentenlijst werden alleen onroerende gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten opgenomen. In het erfgoedregister worden al het op grond van deze verordening aangewezen/ geregistreerde erfgoed en het door de minister aangewezen erfgoed opgenomen.
67
§ 6.4.3 Bomen en houtopstanden Artikel 6.30 Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst Toelichting In Zuidplas is sprake van een gedifferentieerde boombescherming. Bomen kunnen naar status worden ingedeeld in drie categorieën: waardevolle houtopstanden, structuurbomen en functionele bomen. Alleen voor de eerste categorie is een beschermingsregime in de onderhavige verordening opgenomen. Voor de twee laatste categorieën wordt door het college kapbeleid vastgesteld. Waardevolle houtopstanden vormen de ‘top’ van het bomenbestand. Ze hebben een bijzondere waarde voor de leefomgeving. Het college bepaalt welke houtopstanden als zodanig worden gekwalificeerd en neemt ze op in de Bomenlijst Zuidplas. Het college kan hiervoor beleidsregels opstellen. De lijst wordt elke negen jaar opnieuw vastgesteld. Afdeling 6.5 Planschade § 6.5.1. Aanvraag om tegemoetkoming in planschade Artikel 6.31Indiening van de aanvraag en de mededeling van ontvangst Toelichting Vast moet staan dat het binnengekomen schrijven een aanvraag bevat om tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening en dat daarbij tevens wordt voldaan aan de vereisten van artikel 4:2 Algemene wet bestuursrecht: de aanvraag moet worden ondertekend en ten minste bevatten: naam en adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.
Aanvrager moet gebruikmaken van een door het college vastgesteld formulier volgens bijgevoegd model. Daarin moet aanvrager onder meer aangeven welke van de in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening genoemde planologische maatregelen aan de orde is. Tevens wordt aan de hand van het formulier voor aanvrager duidelijk dat er voor een ontvankelijke aanvraag meer gevraagd wordt dan alleen een verzoekbrief om tegemoetkoming planschade als gevolg van een planologische maatregel. De planschade-oorzaak moet worden aangegeven en aanvrager moet de aard en hoogte van de tegemoetkoming nader motiveren en onderbouwen. Volgens artikel 4:2, tweede lid en artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om later aanvulling van de aanvraag te verlangen. De wet noemt daarvoor geen termijn. Dit betekent dat het college op elk moment tijdens de behandeling van de aanvraag alsnog kan besluiten tot het laten aanvullen van de aanvraag, indien blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens ontbreken.
In het tweede lid is bepaald dat de datum van ontvangst van de aanvraag wordt geregistreerd aangezien dit van belang is voor de bepaling van de wettelijke rente over de uit te kerenschadevergoeding en in verband staat met de verjaringsregeling (indiening moet plaatsvinden binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan of (tijdelijk) omgevingsplan of het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden). Het is ons beleid de envelop met postzegel of poststempel te bewaren. Met de invoering van de Omgevingswet komt het begrip planschade te vervallen en wordt vervangen door het begrip nadeelcompensatie. Echter kunnen er na de invoering van de Omgevingswet wel nog aanvragen lopen die vallen onder het oude recht. Van daar dat deze artikelen nog opgenomen zijn in de VFLO. Echter wordt er na elke verwijzing van een oude wet of regelgeving de zin toegevoegd, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. § 6.5.2. Adviescommissie Planschade Artikel 6.32 Opdrachtverstrekking Toelichting Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan een of meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Wet Basis Registratie Ondergrond of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Wet Basis Registratie Ondergrond geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder
68
buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond moet het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in artikel 6.1.3.1 Wet Basis Registratie Ondergrond worden overschreden. In het laatste geval dienen niettemin een of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht te worden verstrekt. De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking. Met de invoering van de Omgevingswet komt het begrip planschade te vervallen en wordt vervangen door het begrip nadeelcompensatie.
Echter kunnen er na de invoering van de Omgevingswet wel nog aanvragen lopen die vallen onder het oude recht. Van daar dat deze artikelen nog opgenomen zijn in de VFLO. Echter wordt er na elke verwijzing van een oude wet of regelgeving de zin toegevoegd, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 6.33 Adviseur of adviescommissie Toelichting Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken. Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie de Nota van Toelichting bij het Wet Basis Registratie Ondergrond, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als een van de adviseurs (tweede of derde lid) in een adviescommissie. Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van een of meerdere adviseurs noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie).
In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over voldoende deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering dient te beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de planschade kan een tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid op het gebied van planschade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische verslechtering beschikt. Het is aan het college om, na advies te hebben ingewonnen bij de (eerste) adviseur, te beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde adviseur dan vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De adviseurs dienen de in artikel 6.1.3.4 Wet Basis Registratie Ondergrond genoemde zaken te betrekken. Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Wet Basis Registratie Ondergrond bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn gemoeid is instemming van het college vereist.
Artikel 6.34 Deskundigheid en onafhankelijkheid Toelichting Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Wet Basis Registratie Ondergrond schrijft voor dat de verordening regels moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon als adviseur overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde lid, genoemde aspecten waarop hij of zij de aanvraag dient te beoordelen. In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 6.1.1.1 onder c, Wet Basis Registratie Ondergrond waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid
69
van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald dat die adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt artikel 4, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van planologische maatregelen. Artikel 6.35 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie Toelichting Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals de wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van een adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt.
Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals de wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zich niet kunnen verenigen met de aanwijzing van een of meerdere adviseurs is er de mogelijkheid om een of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals de wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, kunnen een of meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld een verzoek tot wraking van een of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te maken. Het college moet binnen twee weken na het verstrijken van de termijn tot het indienen van een verzoek tot wraking beslissen. Met de invoering van de Omgevingswet komt het begrip planschade te vervallen en wordt vervangen door het begrip nadeelcompensatie. Echter kunnen er na de invoering van de Omgevingswet wel nog aanvragen lopen die vallen onder het oude recht. Van daar dat deze artikelen nog opgenomen zijn in de VFLO.
Echter wordt er na elke verwijzing van een oude wet of regelgeving de zin toegevoegd, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 6.36 Werkwijze adviseur of adviescommissie Toelichting Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals de wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd. In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie.
Volgens artikel 6.1.3.5, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond mag van de bezichtiging worden afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen. Het concept advies dient binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan de gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals de wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, te worden toegezonden. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd (zevende lid). Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Wet Basis Registratie Ondergrond bepaalt dat de verordening aandacht moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, eventueel andere
70
betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals de wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij de opstelling van het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting bij het Wet Basis Registratie Ondergrond noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde periode op het concept advies te reageren (zie de Nota van Toelichting bij het Wet Basis Registratie Ondergrond, Stb. 2008, 145, p. 66). In dit kader bepaalt het achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals de wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het concept advies te reageren. Het negende en het tiende lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het advies aan het college. Met de invoering van de Omgevingswet komt het begrip planschade te vervallen en wordt vervangen door het begrip nadeelcompensatie. Echter kunnen er na de invoering van de Omgevingswet wel nog aanvragen lopen die vallen onder het oude recht. Van daar dat deze artikelen nog opgenomen blijven in de VFLO.
Echter wordt er na elke verwijzing van een oude wet of regelgeving de zin toegevoegd, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. § 6.5.3. Beschikking advies planschade Artikel 6.37 Beschikking van het college Toelichting Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Wet Basis Registratie Ondergrond of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht . Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Wet Basis Registratie Ondergrond geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Wet Basis Registratie Ondergrond moet het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld.
Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgen burgermeester en wethouders acht weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De laatst-genoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in artikel 6.1.3.1 Wet Basis Registratie Ondergrond worden overschreden. In het laatste geval dienen niettemin een of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht te worden verstrekt. De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking
71
Hoofdstuk 7 Handhaving Afdeling 7.1 Strafbepalingen Artikel 7.1 Strafbepaling Toelichting Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225 en van de tweede categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 Wetboek van Strafrecht rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2 (artikel 23, tweede lid, Wetboek van Strafrecht). Strafbaarheid rechtspersonen Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht vallen ook rechtspersonen onder de werking van gemeentelijke strafbepalingen.
Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid Wetboek van Strafrecht). Dat betekent dat voor overtredingen van de Algemene plaatselijke verordening door een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (€ 4500 ). Medebewindsvoorschriften In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is veelal in deze wetten opgenomen. De strafbedreiging van artikel 7.1 is op deze gemeentelijke voorschriften in deze verordening niet van toepassing. Overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht (boete van de tweede respectievelijk derde categorie). Hechtenis? Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een Algemene plaatselijke verordening-bepaling hechtenis wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer terug te dringen “ten gunste” van de geldboete.
Toch is in dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging van een vrijheidsstraf. Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en vergunningsvoorschriften Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in dit artikel met straf bedreigd. Ook de overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens artikel 1:4 van de Algemene plaatselijke verordening gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1:4, tweede lid, op. Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 3.23) en voor het vellen van houtopstanden (paragraaf 3.2.3) vallen onder de Omgevingswet. Zie de artikelen in paragraaf 5.11 Omgevingswet. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel 3.14) kan neerkomen op het opslaan van roerende zaken, bijvoorbeeld als het gaat om de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen in containers. Een ontheffing daarvoor valt dan onder de Omgevingswet en wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning. Artikel 5.5 van de Omgevingswet verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning op grond van artikel 3.14, 3.22 of paragraaf 3.2.3 van deze verordening.
72
In hoofdstuk 18 van de Omgevingswet en in de Wet economische delicten is het handelen zonder of in strijd met deze drie vergunningen geregeld. De strafbepalingen van deze verordening zijn er dus niet op van toepassing. Afdeling 7.2 Aanwijzing toezichthouders Artikel 7.2 Toezichthouders Toelichting Op grond van dit artikel kan het college personen aanwijzen die met het toezicht op de naleving van de bepalingen in de Algemene plaatselijke verordening zijn belast. De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. In dit hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Artikel 7.3 Binnentreden van woningen Toelichting In dit artikel wordt bepaald wanneer een toezichthouder het recht heeft tot het binnentreden van woningen en andere aangeduide objecten.
73
Hoofdstuk 8 Overgangsrecht Artikel 8.1 Overgangsbepalingen Toelichting Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening. Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc). Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).
74
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Intrekking verordeningen en vervallen bepalingen Dit artikel regelt de intrekking en het vervallen van de verschillende verordeningen en bepalingen waarop deze verordening is gebaseerd. Artikel 9.2 Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 9.3 Citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting.
75