Bijlage 2 Overzicht was-wordt artikelen + toelichting APV Zuidplas 2025 A25.001083
Tekst van het document
A25.001083
Was-wordt lijst APV 2025 De inhoud die is gelijk gebleven (of de strekking hiervan) is niet opgenomen in deze lijst. Was Artikel 1:1 Definities - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 eerste lid van de Bouwverordening gemeente Zuidplas 2018; - gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; - degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
Artikel 1:2 Beslistermijn
Wordt Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; Artikel 1:2 beslistermijn
Toevoegingen Wetgeving geactualiseerd Beperkingengebiedsactiviteit toegevoegd aan de definities
Artikel 1:2 lid 3 is vervallen
3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 4:11. Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het
Artikel 2.1 lid 3 is het woord ‘naar’ toegevoegd Artikel 2:1 lid 6 is vervallen
A25.001083
bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
5.
Afdeling 3 Evenementen
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Awb van toepassing Afdeling 3 Evenementen
Artikel 2:24 Definities
Artikel 2:24 Definities
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor een publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor een publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
d. het in een inrichting in de zin van de Drank– en horecawet gelegenheid geven tot dansen
d. het in een inrichting in de zin van de alcoholwet gelegenheid geven tot dansen 4. De burgemeester kan een evenement aanmerken als een klein evenement indien afgeweken wordt van het bepaalde in het derde lid, onder sub a en sub e, indien sprake is van een geringe afwijking en geen sprake is van enig vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt
Artikel 2:3 lid 5 is aangepast. Mogelijkheden voor het in behandeling nemen wordt hiermee verruimd
Artikel 2:6 lid 5 toegevoegd Met dit artikel is een ontheffing mogelijk gemaakt
Wetgeving geactualiseerd Artikel 2:24 lid 4 toegevoegd, mogelijkheid voor afwijking toegevoegd
A25.001083
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 4. De burgemeester kan tot 5 dagen voor aanvang van een meldingsplichtig evenement als bedoeld in het tweede lid besluiten het organiseren daarvan te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de verkeersveiligheid, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Bij deze afweging kan de burgemeester een samenloop van het evenement met andere evenementen of gebeurtenissen in dezelfde periode betrekken.
Artikel 2:25 lid 4 toegevoegd en ingevoegd (doornummeren overige artikelleden) Mogelijkheid tot verbieden van een meldingsplichtig evenement
A25.001083
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Artikel 2:26 lid 2 en 3 zijn vervallen
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
Artikel 2:28 lid 2 is vervallen Lid 3 is wetgeving geactualiseerd en verschoven naar lid 2.
2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. De burgemeester stelt voor het indienen van een aanvraag van een vergunning een aanvraagformulier vast. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien a. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, of
2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
A25.001083
Artikel 2:28a Terrassen 1. Het is verboden zonder vergunning als bedoeld in artikel 2:28 een terras te exploiteren. 2. In het geval een aanvraag voor een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 tevens van toepassing is op één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, beslist de burgemeester eveneens omtrent de ingebruikneming van de openbare weg als bedoeld in artikel 3.14 Verordening Fysieke Leefomgeving. 3. De burgemeester kan het in het tweede lid bedoelde gebruik van de openbare weg weigeren indien de verwachting bestaat dat het gebruik: a. schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c. afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk daarvan. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid, indien: a. het terras is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de openbare inrichting; b. de omvang van het terras beperkt is tot maximaal zes tafels en twaalf stoelen;
Artikel 2:28a is vervallen (opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving)
A25.001083
c. het terras tussen 0.00 uur en 8.00 uur gesloten is; d. de stoelen en tafels niet buiten worden opgeslagen; e. op het terras geen muziek te gehore wordt gebracht, tenzij het een collectieve festiviteit betreft als bedoeld in artikel 4:2; f. de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en de doorgang van het verkeer niet wordt belemmerd. Artikel 2:29 Sluitingstijd
Artikel 2:29 Sluitingstijd
6. Het in het eerste, tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet
6. Het in het eerste, tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Omgevingswet. Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Wetgeving in artikellid geactualiseerd
Wetgeving in artikelnaam geactualiseerd
A25.001083
Artikel 2:34a Definities
Artikel 2:34a Definities
dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34g Voorschriften aan vergunningen
Artikel 2:34g Voorschriften aan vergunningen
De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf en een slijtersbedrijf voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld: a. ter bescherming van de volksgezondheid, of b. in het belang van de openbare orde, of c. ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de wet.
De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf en een slijtersbedrijf als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld: a. ter bescherming van de volksgezondheid, of b. in het belang van de openbare orde, of c. ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Alcoholwet.
Wetgeving in artikel geactualiseerd
Wetgeving in artikel geactualiseerd
A25.001083
Artikel 2:37 Nachtregister De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden.
Artikel 2:37 is vervallen
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
3. De burgemeester weigert de vergunning:
2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. 5. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het tweede lid weigeren dan wel intrekken in het geval en onder voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 4. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend omgevingsplan. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. 6. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren dan wel intrekken in het geval en onder voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet integriteitsbeoordelingen door het openbaar
- Wetgeving geactualiseerd. - Artikel 2:39 lid 2 toegevoegd en ingevoegd - Doornummeren bestaande artikelleden na lid 2
A25.001083
bestuur. Artikel 2:42 Plakken en kladden
Artikel 2:42 Plakken en kladden
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b. met teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke
b. met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
2. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke
2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Zuid-Holland of de waterschapsverordening.
In artikel 2:42 lid 2 onder b “kalk” toegevoegd aan het verbod
Artikel 2:45 lid 2 is gewijzigd
Artikel 2:46 lid 2 wetgeving geactualiseerd
A25.001083
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1. Het is verboden:
1. Het is verboden:
a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. Artikel 2:48a Lachgasverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten, ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben of al dan niet tegen betaling aan te bieden, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten, ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben of al dan niet tegen betaling aan te bieden.
Artikel 2:47 lid 1 onder a uitgebreid door “hek en omheining” toe te voegen. Artikel 2:47 lid 1 onder b uitgebreid door “andere gebruikers en omwonenden” toe te voegen
b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. Artikel 2:48a is vervallen
A25.001083
3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
Artikel 2:50a is vervallen
1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:50b Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Artikel 2:50b is toegevoegd
A25.001083
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen
Artikel 2:51 Overlast door het stallen van fietsen of bromfietsen tegen privé-eigendom
Artikelnaam aangepast
Artikel 2:51a Overlast door het foutief stallen van fietsen of bromfietsen in de openbare ruimte
Artikel 2:51a toegevoegd
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan
A25.001083
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
3. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich met de hond op een plaats als bedoeld in het eerste lid bevindt, een plasticzakje of schepje voor de directe verwijdering van de uitwerpselen van de hond bij zich te hebben. 4. De eigenaar of houder van een hond is verplicht het in het vierde lid bedoelde hulpmiddel op verzoek van een toezichthouders als bedoeld in artikel 6:2 te laten zien. Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
3. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich met de hond op een plaats als bedoeld in het eerste lid bevindt, een plasticzakje of schepje voor de directe verwijdering van de uitwerpselen van de hond bij zich te hebben. 4. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder: consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 2:65 Bedelarij
De uitzondering genoemd in lid 2 ook toegevoegd aan lid 3 en lid 4
Artikel tekstueel aangepast
Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden. Artikel 2:71 Definitie
Artikel aangepast naar specifiek artikel van het Vuurwerkbesluit
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd liet bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel aangepast om straathandel te voorkomen
A25.001083
verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Artikel 2:78 Cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
Artikel 2:74a toegevoegd
Nummering artikel gewijzigd Artikel 2:78 lid 5 en lid 6 toegevoegd
5. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 6. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en
Artikel toegevoegd
A25.001083
herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf, of e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
Artikel toegevoegd
A25.001083
5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: • bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; - de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: • bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; - de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
Wetgeving geactualiseerd
A25.001083
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:5 Voertuigwrakken
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer en Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3. Het in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 5:2 lid 5 toegevoegd
Wetgeving geactualiseerd
Artikel 5:6 lid 3 aangepast naar beperkingengebiedactiviteiten Artikel 5.6 lid 4 toegevoegd
4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:8 Grote voertuigen 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:8 lid 6 toegevoegd
A25.001083
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
2. Dit verbod is niet van toepassing: a. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;
2. Dit verbod is niet van toepassing: b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege een bestuursorgaan of ander openbaar lichaam;
4. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
Artikel 5:11 lid 2 onder b aangepast naar bestuursorgaan of ander openbaar lichaam Artikel 5:11 lid 4 aangepast zodat paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is
4. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 5:14 Begripsbepaling
Artikel 5:14 Begripsbepaling
2. Onder venten wordt niet verstaan: c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17
2. Onder venten wordt niet verstaan: c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in het daaromtrent bepaalde in de Verordening Fysieke Leefomgeving en het omgevingsplan.
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
2. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.
2. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend omgevingsplan.
Wetgeving geactualiseerd
Wetgeving geactualiseerd Artikel 5:23 lid 4 is vervallen
4. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Zuid-Holland
Artikel 5:30 Veiligheid op het water 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Zuid-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Wetgeving geactualiseerd
A25.001083
A25.001083
Was-Wordt lijst toelichting APV De inhoud die is gelijk gebleven (of de strekking hiervan) is niet opgenomen in deze lijst was a.
f.
Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in de APV is beperkt tot de bebouwde kom. In bijlage 1 bij de APV is aangegeven welke gebieden binnen de gemeente Zuidpias als bebouwde kom zijn aangemerkt.
wordt a. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Voor het begrip ‘bebouwde kom’ kan aangesloten worden bij de aanwijzing van Gedeputeerde Staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Ook is het mogelijk om de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden. Een ander, praktisch alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de WVW 1994.
gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;
i. Weg Uit de begripsomschrijving van "openbare plaats" blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip "weg". In de APV is aansluiting gezocht bij de definitie in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg. Verschillende bepalingen in de APV hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het
c.
Beperkengebiedactiviteit: hierbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied.
g.
gebouw: Deze omschrijving verwijst naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet (voorheen: artikel 1, eerste lid, van de Woningwet): “bouwwerk dat een
toevoegingen Bebouwde kom uitgebreid Beperkingengebiedsactiviteiten toegevoegd Weg aangepast en doorgenummerd Definitie gebouw is aangepast
A25.001083
bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations.
voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. n. Weg
Artikel 1:2 Beslistermijn
De definitie van ‘weg’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen. Uit de definitie van ‘openbare plaats’ blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. Artikel 1:2 Beslistermijn
De kapvergunning (artikel 4:11) valt onder artikel 2.2, eerste lid, onder respectievelijk d en g, van de Wabo. De beslistermijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning is dezelfde als in het eerste lid is opgenomen: acht weken (artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo).
Vanwege vervallen van artikel 1:2 lid 3 vervalt de toelichting op dit artikel
Artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. Daarom is voor de genoemde ontheffing of vergunning een afwijking van het tweede lid opgenomen onder verwijzing naar artikel 3.9 van de Wabo. Artikel 2:3 kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Vijfde lid
Toelichting op het nieuwe vijfde artikellid toegevoegd
A25.001083
Een al te strikt vasthouden aan de kennisgevingstermijn verhoudt zich slecht tot de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid. De burgemeester kan daarom in bijzondere omstandigheden – bijvoorbeeld bij spontane manifestaties – afwijken van de kennisgevingstermijn. Wat betreft het in rekening brengen van legeskosten door gemeenten voor het kennisgeven van een betoging heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zich in een brief van 17 januari 2017 (Kamerstukken II 2016/17, 34 324, nr. 2) aan de Tweede Kamer op het standpunt gesteld dat het heffen van legeskosten kan worden gezien als een beperking van grondwettelijke vrijheden. Een expliciet wettelijk verbod op het heffen van leges voor het houden van een manifestatie is volgens de minister niet nodig, omdat dit al verboden zou zijn op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Beëindiging demonstratie Kan een vreedzame demonstratie worden beëindigd, enkel en alleen omdat die niet is aangemeld? Het EHRM oordeelde in haar arrest van 17-07-2007 (NJB 2007, 1839) dat in bijzondere omstandigheden, waarin een demonstratie een onmiddellijke reactie is op politieke gebeurtenissen, het enkel en alleen ontbreken van een melding onvoldoende is om de demonstratie te beëindigen.
Als er verder niets illegaals aan de hand is en de demonstratie geen bedreiging vormt voor de openbare orde, zou het beëindigen van de demonstratie alleen omdat de melding ontbreekt, een disproportionele beperking van het grondrecht om te demonstreren zijn. Zie ook EHRM 20-02-2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0220JUD000911704 (Nosov/Rusland). Verder is het laten horen van tegengeluid toegestaan (Rb. Den Haag 21-12-2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15812 (anti-Pegida)). Bovendien is
A25.001083
het belangrijk dat contactpersonen worden aangesteld tijdens demonstraties (EHRM 05-01-2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0105JUD007456812 (Frumkin/Rusland)). De Nationale ombudsman sluit zich daarbij aan: bij het beëindigen van een demonstratie moet in zijn visie altijd worden afgewogen of dat in het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of ter voorkoming van wanordelijkheden noodzakelijk is. Dat is overigens ook het beleid van de burgemeester van Den Haag. Dat blijkt uit het rapport “Demonstreren staat vrij” van de Nationale ombudsman, december 2007 (https://www.nationaleombudsman.nl/uploads/rapport2007290.pdf), waarin de juridische grenzen nog eens helder op een rij zijn gezet. Er is alle reden om de lijn van het EHRM en de Nationale ombudsman aan te houden: het grondrecht van demonstratie moet niet lichtvaardig worden beperkt, en niets is logischer dan om ook bij het beëindigen van een demonstratie vanwege het ontbreken van een melding af te wegen of het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de voorkoming van wanordelijkheden dat noodzakelijk maken. Niet voor niets schept het artikel in de APV de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een kort voor de demonstratie gedane melding te accepteren. 1.
Artikel 2:24 Definities Vierde lid: Een al te strikt vasthouden aan de voorwaarden uit het derde lid voor een klein evenement kan bij geringe afwijkingen van het bepaalde in lid 3 onder a en onder e en bij het ontbreken van een vermoeden van een mogelijke verstoring van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en/of milieu leiden tot een onnodige
Alinea is toegevoegd aan de toelichting
A25.001083
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat de burgemeester en aanvraagformulier vaststelt. De exploitant dient van dit formulier gebruik te maken bij de aanvraag van een exploitatievergunning. Het formulier is beschikbaar via de website van de gemeente. Derde lid Als het bestemmingsplan vestiging van een openbare inrichting ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning
administratieve last voor de burger. In dergelijke gevallen kan de burgemeester het evenement evenwel aanmerken als klein evenement. Artikel 2:25 Evenementenvergunning Vierde lid: Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 van de Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip ‘toezicht’ is ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig afdeling 10.1.1. van de Awb.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Tweede lid: Als het omgevingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het omgevingsplan. Strijd met het omgevingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie betreffende strijd met het bestemmingsplan (voor invoering Omgevingswet) is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt dit mee dat de
Deze alinea is toegevoegd aan de toelichting
Vanwege het schrappen van het tweede lid, komt de toelichting op het tweede lid te vervallen. Vanwege het vervallen van het tweede lid, wordt het derde lid het tweede lid. Het tweede lid (nieuw) is passend gemaakt aan de geldende wetgeving (Omgevingswet) en dit leidt tot een aangepaste toelichting op het tweede lid (nieuw).
A25.001083
moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake. Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de DHW jo. artikel 3, van de Wet Bibob. De DHW geldt, zoals hierboven vermeld, niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. Vierde lid Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca te ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse.
Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat omschreven in het vijfde lid.
burgemeester in een beoordeling treedt van het geldende omgevingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende omgevingsplan onverlet. Derde lid: Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca te ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat omschreven in het vijfde lid. Vijfde lid: In het vijfde lid van dit artikel worden een aantal categorieën openbare inrichtingen uitgezonderd van de vergunningplicht. Voor die categorieën, waar geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is een exploitatievergunning niet noodzakelijk.
Tot deze categorie behoren winkels in de zin van de Winkeltijdenwet die als nevenactiviteit een openbare inrichting exploiteren (onder a), openbare inrichtingen in een zorginstelling of museum (onder b), openbare inrichting die niet in een winkel zijn gevestigd, maar wat betreft de exploitatievorm en openingstijden aansluiten vergelijkbaar zijn een winkel (onder c), openbare inrichtingen die zich bevinden in een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant (onder d) en een Bed&Breakfast van een beperkte omvang (onder e).
A25.001083
Zesde lid In het zesde lid van dit artikel worden een aantal categorieën openbare inrichtingen uitgezonderd van de vergunningplicht. Voor die categorieën, waar geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is een exploitatievergunning niet noodzakelijk. Tot deze categorie behoren winkels in de zin van de Winkeltijdenwet die als nevenactiviteit een openbare inrichting exploiteren (onder a), openbare inrichtingen in een zorginstelling of museum (onder b), openbare inrichting die niet in een winkel zijn gevestigd, maar wat betreft de exploitatievorm en openingstijden aansluiten vergelijkbaar zijn een winkel (ondere), en een Bed&Breakfast van een beperkte omvang (onder d). Lex Silencio Positivio is niet van toepassing De Lex Silencio Positivo is niet van toepassing bij de Exploitatievergunning voor het horecabedrijf. Deze vergunningplicht geldt voor zowel natte- als droge horeca (inclusief coffeeshops). In de gemeente Zuidpias is het nodig dat vergunningverlening aan natte- en droge horecagelegenheden gepaard gaat met het stellen van voorwaarden na consultering van onder meer de politie, met name in het belang van derden bescherming (waarbij gesproken moet kunnen worden over inhoudelijke argumenten) en ter bescherming van de openbare orde. In de gemeente zijn enkele 'risico horeca' aanwezig.
Er zijn derhalve dwingende redenen van algemeen belang (art. 40 Dienstenrichtlijn) om af te zien van invoering. Lex Silencio Positivo Het advies van de VNG werkgroep hierover wordt op dit punt niet opgevolgd.
A25.001083
Artikel 2:28A Terrassen Artikel 2:28A is een noodzakelijke aanvulling op artikel 2:28. Op grond van artikel 2:28, zesde lid, zijn een aantal openbare inrichtingen immers vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht. Dit betekent dat deze openbare inrichtingen ook voor de exploitatie van een terras geen vergunning nodig hebben. De plaatsing en exploitatie van een terras (van een bepaalde omvang) kan echter voor overlast zorgen en de vrije doorgang van het verkeer in gevaar brengen. Artikel 2:28A, eerste lid, bepaalt daarom dat de exploitatievergunningplicht van toepassing is op alle openbare inrichtingen die een terras exploiteren. Dit verbod geldt derhalve in beginsel ook voor openbare inrichtingen die op grond van artikel 2:28, zesde lid, zijn vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht. Tweede en derde lid Op grond van het tweede lid is de burgemeester bevoegd een besluit te nemen over het gebruik van de openbare weg als terras. Hiermee wordt voorkomen dat een exploitant, naast de exploitatievergunning, ook een vergunning als bedoeld in artikel 3.14 Verordening Fysieke Leefomgeving moet aanvragen. De gronden (derde lid) waarop de burgemeester het gebruik van de openbare weg als terras kan weigeren zijn gelijk aan de gronden van 3.14 Verordening Fysieke Leefomgeving.
Vierde lid In het vierde lid worden kleine terrassen die door openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid, worden geëxploiteerd, uitgezonderd van de
Vanwege het vervallen van dit artikel (opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving), vervalt de toelichting op dit artikel.
A25.001083
vergunningplicht, mits het terras aan bepaalde voorwaarden voldoet. De voorwaarden hebben betrekking op de inrichting, de omvang en de openingstijden van het terras. Indien het terras aan deze voorwaarden voldoet, is de mogelijke overlast zeer beperkt en daarmee aanvaardbaar. Alleen in het geval het terras aan die voorwaarden voldoet, kan het terras zonder vergunning worden geëxploiteerd. Wanneer het terras niet aan de voonwaarden voldoet, dient de exploitant alsnog een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 APV aan te vragen. Verder geldt voor kleine terrassen onverkort dat het gebruik daarvan moet voldoen aan de vereisten van artikel 2:10. Voldoet het terras wel aan de voorwaarden van het voorgestelde artikel 2:28A, vierde lid, maar is de plaatsing daarvan toch in strijd met artikel 2:10 dan kan daarvoor een ontheffing worden gevraagd als bedoeld in artikel 2:10, derde lid APV. Artikel 2:39 Speelgelegenheden Tweede en derde lid
Artikel 2:39 Speelgelegenheden Derde en vierde lid
De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.
De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.
Door invoeging van een nieuw tweede lid, dat geen eigen toelichting behoeft, wordt de toelichting op het derde en vierde lid als volgt aangepast
A25.001083
De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.
De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. [Vervallen]
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. Het gaat hier om een ontheffing voor personen die om wat voor reden dan ook noodzakelijkerwijs in een plantsoen moeten zijn en voor wie dat normaliter verboden is. Voor het in opdracht van de overheid verrichten van werkzaamheden in plantsoenen geldt het verbod niet (tweede lid).
Artikel 2:48a Niet alleen overmatig drankgebruik, ook oneigenlijk gebruik van lachgas (als roesmiddel) leidt vaak tot overlastsituaties. In de ledenbrief lachgas van 14 mei 2020 (Lbr. 20/015) zijn wij ingegaan op de gevaren van oneigenlijk gebruik van lachgas en hebben wij
Vanwege het ontbreken van een toelichting op dit artikel, wordt de toelichting toegevoegd
Vanwege het vervallen van dit artikel, vervalt ook de toelichting op dit artikel.
A25.001083
gewezen op het kabinetsvoornemen om dit oneigenlijk gebruik tegen te gaan door lachgas te plaatsen op lijst II van het Opiumbesluit. Ook hebben wij aangegeven welke bestaande model-APVbepalingen (in totaal 11) gemeenten kunnen gebruiken om overlast door lachgas aan te pakken. Deze bepalingen zijn goed bruikbaar om hinder en overlast door lachgas tegen te gaan. Een specifieke bepaling over lachgas brengt met zich dat moet worden aangetoond dat de hinder of overlast inderdaad is veroorzaakt door het gebruik van lachgas. In de praktijk kan het lastig zijn om dit concreet aan te tonen. Er zijn gemeenten met een of meer specifieke lachgasverboden in de APV. Bij het opstellen van het voorbeeldartikel hebben die tot leidraad gediend. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben.
Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke.
A25.001083
Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). Artikel 2:50a Op grond van dit artikel geldt een verbod om op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Te denken valt hierbij aan zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG). Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren.
Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met
Vanwege het vervallen van dit artikel, vervalt ook de toelichting op dit artikel.
A25.001083
name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een antisamenloopbepaling (tweede lid). Voor evenementen – die niet altijd hoeven plaats te vinden op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven – is In artikel 2:26 eenzelfde verbod opgenomen. Artikel 2:50b Messen en andere voorwerpen als steekwapen Algemeen Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd.
De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de
Nieuw artikel toegevoegd. De toelichting op dit artikel toegevoegd
A25.001083
Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’. Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Eerste lid Op grond van dit lid kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend. Derde lid Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt.
A25.001083
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
Artikel 2:65 Bedelarij
Artikel 2:51 Overlast door het stallen van fietsen of bromfietsen tegen privé-eigendom
Wijziging benaming
Artikel 2:51a Overlast door het foutief stallen van fietsen of bromfietsen in de openbare ruimte Eerste lid In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Vooropstaat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn. Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of beëindiging van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen. Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden.
Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.
Nieuw artikel, toelichting toegevoegd
Artikel 2:65 Bedelarij
Toelichting is aangepast op de wijziging van het artikel
A25.001083
In 2000 is de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) verdwenen. De politie kan hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.
Omdat de strafbaarstelling van bedelarij in 2000 uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. Dit artikel, dat beoogt bedelarij tegen te gaan, voorziet daarin. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.
Artikel 2:71 Definitie Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn
Artikel 2:71 Definitie Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Dit besluit beoogt de hele keten rond vuurwerk te regelen. Van het invoeren of produceren tot transport, handel, opslag, bewerken en afsteken.