Bijlage 2 Onderbouwing BOPA Noodopvang vluchtelingen Oekraïne J.A. Beijerinkstraat 31 Nieuwerkerk A24.002796
Tekst van het document
Onderbouwing BOPA Noodopvang vluchtelingen Oekraïne J.A. Beijerinkstraat 31 Nieuwerkerk aan den IJssel Gemeente Zuidplas
Colofon Gegevens over het project: Plannaam:
Noodopvang vluchtelingen Oekraïne J.A. Beijerinkstraat 31 Nieuwerkerk aan den IJssel
Datum:
16 december 2024
Projectnummer Buro SRO:
SR240165 (HvA /TR)
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Gemeente Zuidplas
Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:
’t Goylaan 11, 3525 AA Utrecht
Telefoon:
030-2679198
E-mail:
utrecht@buro-sro.nl
Internet:
www.buro-sro.nl
pagina 2 van 41
Inhoudsopgave Samenvatting
5
1.
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Aanduiding plangebied
6
1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
7
1.4
Leeswijzer
7
Huidige situatie
9
2.1
Beschrijving huidige situatie
9
2.2
Beschrijving nieuwe situatie
11
2.3
Beschrijving strijdigheid
13
2.
3.
4.
Toetsing aan beleid
15
3.1
Toetsing Rijksbeleid
15
3.2
Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening
15
3.3
Toetsing regionaal beleid
17
3.4
Toetsing gemeentelijk beleid
17
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
20
4.1
M.e.r.-beoordeling
20
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
21
4.3
Duurzaamheid
21
4.4
Gezondheid
22
4.5
Weging waterbelang
22
4.6
Klimaatadaptatie
23
4.7
Verkeer en parkeren
24
4.8
Natuur
26
4.9
Luchtkwaliteit
26
4.10
Geluid
27
4.11
Geur
28
4.12
Omgevingsveiligheid
29
4.13
Trillingen
32
4.14
Ruimtelijke kwaliteit
32
4.15
Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed
33
4.16
Bodem
33
4.17
Activiteiten en milieuzonering
34
4.18
Beperkingengebieden
35
5.
Participatie
36
6.
Financiële haalbaarheid
38
7.
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties
39
pagina 3 van 41
8.
Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan
Bijlage 1. Verslag inloopavond Oekraïneopvang Oase 12-09-2024
pagina 4 van 41
40
Samenvatting De gemeente wil graag bijdragen aan de benodigde opvang van vluchtelingen uit Oekraïne en wil daarvoor tijdelijk het bestaande voormalige Rabobankgebouw aan de J.A. Beijerinkstraat 31 in Nieuwerkerk aan den IJssel blijven benutten. In juli 2022 heeft de gemeente hiervoor reeds een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de opvang voor ongeveer 120-150 vluchtelingen uit Oekraïne. De gestelde termijn is echter verstreken, terwijl de behoefte nog bestaat en de taakstelling bovendien is toegenomen. Daarom bestaat het voornemen voor een nieuwe tijdelijke vergunning met de duur van 4 jaar, waarbij op deze locatie wordt uitgegaan van de opvang van maximaal 120 vluchtelingen uit Oekraïne (met een reguliere bezetting van 80-90 vluchtelingen). Dit initiatief, dat gepaard gaat met kleinschalige interne aanpassingen, voldoet aan de voorwaarden, die zowel het Rijks-, provinciaal als gemeentelijk beleid stellen. Ook vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu komen geen belemmeringen voort. Zo wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheden (auto en fiets), vormt het initiatief geen belemmering voor omliggende functies en wordt geen schade toegebracht aan natuur- of landschapselementen. Daarbij wordt met de ontwikkeling een passende, tijdelijk invulling gegeven aan een leegstaand kantoorpand.
Gesteld kan worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Impressie huidige situatie gezien vanaf de J.A. Beijerinkstraat (bron: Gemeente Zuidplas, augustus 2024))
pagina 5 van 41
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Op de locatie aan de J.A. Beijerinkstraat 31 in Nieuwerkerk aan den IJssel is het voormalige Rabobank-gebouw in gebruik als tijdelijke opvang voor ongeveer 120-150 vluchtelingen uit Oekraïne. Op 28 juli 2022 heeft de gemeente hiervoor een tijdelijke omgevingsvergunning verleend (V-2022-001693). De termijn van deze vergunning is verstreken, maar de behoefte aan deze opvanglocatie bestaat nog steeds. Bovendien is de taakstelling toegenomen. Daarom bestaat het voornemen voor een nieuwe tijdelijke vergunning voor de opvang van maximaal 120 vluchtelingen (met een reguliere bezetting van 80-90 vluchtelingen) uit Oekraïne met de duur van 4 jaar. In de ‘Beheersverordening Nieuwerkerk aan den IJssel’, dat onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan (omgevingsplan
van
rechtswege)
van
de
gemeente
Zuidplas,
zijn
de
gronden
aangewezen
voor
‘Kantoordoeleinden’ en ‘Verblijfsgebied’. Het (tijdelijke) gebruik voor de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne past niet binnen de mogelijkheden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zuidplas. Door middel van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (BOPA) kan worden afgeweken van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan. Het gaat hierbij om een BOPA waaraan, op basis van art 5.36 Omgevingswet, een termijn van in dit geval 4 jaar wordt gekoppeld. Tevens is dit in lijn is met het voortgezette kruimelgevallenbeleid van de gemeente Zuidplas. Als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning dient een onderbouwing opgesteld te worden, om aan te tonen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggende onderbouwing voorziet hierin.
1.2
Aanduiding plangebied
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Nieuwerkerk aan den IJssel, in de buurt Dorrestein. De percelen van het plangebied zijn gelegen tussen de J.A. Beijerinkstraat, Dorrestein (voormalig Lorentzstraat), het Prins Alexanderpad en het Burgemeester Van der Meulenpad. Het gebied heeft een oppervlakte van ca. 3.128 m² en bestaat uit vijf percelen. De percelen staan bekend onder de kadastrale gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel, sectie A, perceelnummer 4620, 5365, 6708, 6709 en (deels) 7911. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
pagina 6 van 41
Globale ligging, planlocatie rood omcirkeld (bron: Google Earth).
Globale begrenzing, planlocatie rood omkaderd (bron: Google Earth).
1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningsvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.
Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.
2.
Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.
Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.
met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl);
b.
als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling en wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, onderdeel ‘Beheersverordening Nieuwerkerk aan den IJssel’ en worden hierbij de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 3 bevat het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie/ het gebied. Aansluitend wordt het project in hoofdstuk 4 getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 komen de resultaten de participatie aan bod.
pagina 7 van 41
In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Vervolgens wordt in hoofdstuk 7 een algehele conclusie getrokken in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Tot slot volgt in hoofdstuk 8 het voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan van rechtswege, onderdeel ‘Beheersverordening Nieuwerkerk aan den IJssel’.
pagina 8 van 41
2.
Huidige situatie
2.1
Beschrijving huidige situatie
In het plangebied is het voormalige Rabobank-gebouw in 2022 in gebruik genomen ten behoeve van een tijdelijke noodopvang voor 120-150 vluchtelingen uit Oekraïne. Hiertoe is het gebouw opnieuw ingericht, waarvoor het ‘Beknopt Programma van Eisen Noodopvang vluchtelingen Oekraïne’ (concept d.d. 9 maart 2022) is opgesteld. De tijdelijke omgevingsvergunning is verleend voor een periode van 1 jaar. De navolgende afbeeldingen tonen impressies van de huidige situatie van het plangebied.
Impressie huidige situatie, zicht op fietsenstalling eigen terrein (zijde Lorentzstraat) (bron: Gemeente Zuidplas, augustus 2024)
pagina 9 van 41
Impressie huidige situatie (zicht vanaf Burgemeester Van der Meulenpad) (bron: bron: Gemeente Zuidplas, augustus 2024)
Er is in de huidige tijdelijke situatie sprake van een ‘hotelconcept’ waarbij geslapen wordt in kleinere vertrekken en men elkaar kan ontmoeten en om te eten in de gemeenschappelijke ruimtes. Er wordt centraal gekookt in de keuken
pagina 10 van 41
voor alle inwoners. Daarnaast zijn er gemeenschappelijke speelruimtes voor zowel oudere en jongere kinderen. Verder is in ruimten voorzien voor overleg met (hulp)instanties en voor vrijwilligers. Buiten het gebouw is een terras (tafels en stoelen) ingericht zodat de mensen ook buiten kunnen verblijven. Bij het inrichten van de ruimtes is rekening gehouden met een norm-privéruimtegebruik van 5 m² per persoon. Voor gezinnen van 4 personen betreft de slaapruimte dan bijvoorbeeld 20 m². Het gaat in totaal om 34 slaapruimtes. Omdat de samenstelling van de gezinnen kan verschillen wordt in verschillende formaten van slaapruimtes voorzien. Dit zijn 2, 3, 4 en meerpersoonskamers en daarnaast een mogelijk in te richten ruimte voor crisisopvang van vluchtelingen, voor meerdere bedden in één ruimte. Het gebouw voldoet in de huidige situatie aan de eisen uit het eerder hiervoor opgestelde ‘Beknopt Programma van Eisen’. Zo zijn er voldoende nutsfaciliteiten aanwezig en wordt aan de eisen voor (brand)veiligheid voldaan. Aangezien de ontwikkeling van tijdelijke aard is en plaats vindt binnen het bestaande gebouw en perceel wordt de ruimtelijke en stedenbouwkundige samenhang in de omgeving niet onevenredig verstoord.
2.2
Beschrijving nieuwe situatie
Op 28 juli 2022 heeft de gemeente een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne op de onderhavige locatie (Oase). De termijn van deze vergunning is verstreken, terwijl de behoefte aan deze opvanglocatie nog bestaat. Bovendien is de taakstelling toegenomen. Derhalve is de gemeente voornemens om een hernieuwd besluit te nemen en het tijdelijk vergunnen van deze activiteit met de duur van 4 jaar te verlengen, waarbij wordt uitgegaan van de opvang van maximaal 120 vluchtelingen uit Oekraïne (met een reguliere bezetting van 80-90 vluchtelingen). Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Zuidplas heeft op dinsdag 8 oktober 2024 besloten dat de Oase, vanwege de steeds hogere taakstelling, blijft worden ingezet voor de opvang van Oekraïners. Het wordt een eerste opvanglocatie en krijgt ook een time-outfunctie (TOL). Het huidige pand blijft dus worden ingezet voor de opvang van Oekraïners. Vrijwel de gehele huidige groep verhuist naar verwachting eind 2024 naar Kavel 13. Er is dus ruimte voor een nieuwe groep. Als Oekraïense vluchtelingen in Nederland binnenkomen, komen ze terecht op een eerste opvanglocatie. Een soort tussenstation. Vanuit daar worden de Oekraïners overgeplaatst naar de opvanglocaties waar zij voor langere termijn verblijven.
Dit ‘tussenstation’ was voorheen in Alphen aan den Rijn, maar deze opvanglocatie is per 1 november 2024 gesloten. De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft daarom gemeente Zuidplas verzocht Oekraïne-opvang 'Oase' deels in te zetten als eerste tijdelijke opvanglocatie. Deze tijdelijke opvang wordt crisisnoodopvang genoemd. Een onderdeel van de tijdelijke opvang is de time-outfunctie. Een time-outfunctie is bedoeld om ontheemden maximaal 14 dagen op te vangen en te begeleiden omdat het locatieteam van de opvang waar zij geplaatst zijn, het nodig vond om rust en veiligheid te creëren. Het betreft bijvoorbeeld mensen die ruzie hebben of waar huiselijk geweld is geweest. Ook kan het gaan om mensen die niet wilden luisteren naar het management van de andere opvanglocatie. Tijdens het verblijf krijgt degene professionele begeleiding. Tot op heden (over een periode meer dan een jaar) zijn nooit meer dan drie personen tegelijk in een time-out geweest. Een ontheemde die in een timeout zit, blijft maximaal twee weken op de onderhavige locatie.
pagina 11 van 41
De navolgende inrichtingstekeningen geven de inrichting weer.
Inrichtingstekening begane grond (bron: Gemeente Zuidplas, d.d. 16-02-2024).
Inrichtingstekening eerste verdieping (bron: Gemeente Zuidplas, d.d. 16-02-2024)
De parkeer- en verkeerssituatie blijft zoals die is. De eerder beredeneerde parkeerbehoefte van 30 parkeerplaatsen is in het openbaar gebied opgelost. Tevens is gebleken dat de verkeerssituatie geen negatieve invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer en de verkeersveiligheid op het omliggende wegennet. Het fietsparkeren vindt op eigen terrein plaats. In paragraaf 4.7 wordt hier nader op ingegaan.
pagina 12 van 41
2.3
Beschrijving strijdigheid
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Alle voorheen geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zuidplas. Op basis hiervan geldt voor de locatie de ‘Beheersverordening Nieuwerkerk aan den IJssel’ en daarmee het onderliggende bestemmingsplan ‘Dorrestein 2006’. Hierin zijn de gronden aangewezen voor ‘Kantoordoeleinden’ en ‘Verblijfsgebied’. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de beheersverordening (bestemmingsplan ‘Dorrestein 2006’).
Uitsnede verbeelding geldende beheersverordening, plangebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
De gronden met ‘Kantoordoeleinden mogen uitsluitend gebruikt worden voor kantoren, alsmede voor bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, groen en water. De gronden die voorzien zijn van ‘Verblijfsgebied’ zijn bestemd voor verblijf en verplaatsing, bepaald door en gericht op de aangrenzende en/of naburige bestemmingen en in samenhang daarmee voor wegen, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen, bermen en daarbij behorende beplantingen, groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. Er hebben met het onderhavige initiatief geen bouwactiviteiten plaats, het gaat uitsluitend om een ander tijdelijk gebruik van een bestaand gebouw. Het tijdelijke gebruik voor de opvang van maximaal 120 vluchtelingen (met een reguliere bezetting van 80-90 vluchtelingen) uit Oekraïne past niet binnen de mogelijkheden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, onderdeel ‘Beheersverordening Nieuwerkerk aan den IJssel’ van de gemeente Zuidplas. Door middel van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (BOPA) kan worden afgeweken van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan. Het gaat hierbij om een BOPA waaraan, op basis van art 5.36 Omgevingswet, een termijn van in dit geval 4 jaar wordt gekoppeld. Tevens is dit in lijn is met het voortgezette kruimelgevallenbeleid van de gemeente Zuidplas.
De ‘Beleidsregels planologische kruimelgevallen’ zijn aanvankelijk vastgesteld in 2015 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas en met ingang van 1 januari 2024 tevens van toepassing op kleine initiatieven waarvoor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van de Omgevingswet moet worden aangevraagd. Onderhavige ontwikkeling dient daarom als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te worden vergund, in welk kader een onderbouwing van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ vereist is. Voorliggend stuk voorziet in deze onderbouwing.
pagina 13 van 41
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan Het plan is op de volgende onderdelen strijdig met het tijdelijk deel van het omgevingsplan, onderdeel ‘Beheersverordening Nieuwerkerk aan den IJssel’:
▪
‘Kantoordoeleinden’, voor zover dit betrekking heeft op het (tijdelijk) gebruiken van het pand ten behoeve van opvang van vluchtelingen uit Oekraïne.
pagina 14 van 41
3.
Toetsing aan beleid
3.1
Toetsing Rijksbeleid
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
sterke en gezonde steden en regio's;
4.
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek Gezien de (tijdelijke) aard en omvang van het plan is de NOVI niet specifiek van belang. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot efficiënt ruimtegebruik en een goede fysieke leefomgeving, doordat de tijdelijke woningen zijn opgenomen in een voormalig kantoorpand. Hiermee blijft sprake van een maatschappelijke invulling aan het gebied.
3.2
Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland bestaat uit vier onderdelen: Ruimtelijke hoofdstructuur, Ambities en sturing, Omgevingskwaliteit en beleidskeuzes
Planspecifiek In het kader van de omgevingskwaliteit is de kwaliteitskaart geraadpleegd. Op de laag van de ondergrond ligt het plangebied in ‘veencomplex - veen’. Doordat er geen bebouwing wordt toegevoegd is het beperken van bodemdaling niet aan de orde. De laag van de stedelijke occupatie geeft weer dat het plangebied in ‘steden en dorpen’ is gelegen. De relevante bijbehorende richtpunten hebben betrekking op de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp en versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Hier wordt bij de beoogde ontwikkeling aan voldaan. De ruimtelijke impact van het geheel is beperkt doordat de ontwikkeling in een bestaand gebouw plaatsvindt en van tijdelijke aard is. Het initiatief leidt niet tot een aantasting van de stedelijke groen- en waterstructuur, omdat het een bestaande situatie betreft waarin het onderhavige perceel reeds bebouwd en verhard is. Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie.
pagina 15 van 41
3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
Planspecifiek Ruimtelijke kwaliteit In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: 1.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
2.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
3.
Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van ‘inpassen’ (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Er zijn geen wijzigingen op structuurniveau voorzien. Als gevolg van de ontwikkeling blijft de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk. Daarbij is ook van belang dat de tijdelijke invulling leegstand en daarmee een mogelijke achteruitgang van de ruimtelijke kwaliteit voorkomt. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 7.45 lid 1 van de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen: 'Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving’. Voor het voorgenomen plan wordt in 4.2 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt voldaan aan artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.45 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 7.41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a.
wateroverlast door overvloedige neerslag;
b.
overstroming;
c.
hitte;
d.
droogte.
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
pagina 16 van 41
Wateroverlast Uit de Atlas leefomgeving blijkt dat het plangebied grotendeels niet gevoelig is voor extreme neerslag. Ook zijn er in een eerder stadium klimaatbestendige terreininrichtingen uitgevoerd om extreme neerslag te kunnen verwerken. Specifieke maatregelen met betrekking tot wateroverlast worden dan ook niet nodig geacht. Overstroming Volgens de overstromingskaart van de klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat ter plaatse van het plangebied een kleine kans op overstroming bestaat. Het overstromingsbeeld voor regionale keringen geeft ook geen overmatige overstromingen weer. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk geacht. Hitte Ter plaatse van het plangebied is het volgens de klimaatatlas op dit moment aanzienlijk warmer dan gemiddeld. In de buitenruimte wordt er ruimte geboden om (onder overkapping) buiten te zitten. Hierdoor kan de hittestress worden beperkt. Verder zijn omliggende wegen, zoals het aangrenzende Prins Alexanderpad groen ingericht met bomen. Droogte In het plangebied lijkt op basis van de klimaatatlas droogte geen probleem te vormen. De grondwaterstand heeft met een peil van ca. 0,5 m-mv een normale stand in stedelijk gebied. Bodemdaling De bodem van het plangebied is op basis van de kwaliteitskaart bodemdalingsgevoelig. Echter vindt er naar verwachting tot 2050 geen bodemdaling plaats.
Doordat er geen ruimtelijke ingrepen worden gedaan is dit thema verder ook niet van belang voor het voorliggende plan. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
3.3
Toetsing regionaal beleid
Regionaal beleid, zoals de Regionale Woondeal en de Regionale Energiestrategie (RES) van Regio MiddenHolland zijn niet specifiek van toepassing op het onderhavige initiatief. Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn voor het initiatief vanuit het regionale beleid.
3.4
Toetsing gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Zuidplas 2040
De gemeenteraad van de gemeente Zuidplas heeft op 13 juli 2021 voor het grootste deel van de gemeente de 'Omgevingsvisie Zuidplas 2040' vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities voor de lange termijn, tot 2040. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten, dus: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie.
pagina 17 van 41
In de omgevingsvisie staan de volgende ambities centraal:
▪
Aantrekkelijk Zuidplas: Ingezet wordt op het bouwen van inbreidingslocaties binnen de dorpen. Daarnaast wordt ingezet op aanpassingen van de bestaande woningvoorraad. Als dorpen in Zuidplas uit willen breiden kan dat, maar alleen als een bijdrage wordt geleverd aan hogere doelen.
▪
Duurzaam Zuidplas: Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel mogelijk energieneutraal. Voor bestaande gebouwen wordt ook hierop ingezet, hoewel dit niet overal haalbaar zal zijn. Naast de energiedoelstellingen wordt gewerkt aan een klimaatbestendige omgeving. Klimaatadaptatie, onder andere het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast, heeft daarbij nadrukkelijk aandacht.
▪
Ondernemend Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een aantrekkelijk gemeente zijn voor ondernemers en ervoor zorgen dat er voldoende eigen werkgelegenheid is. Een gemeente met een aantrekkelijk vestigingsklimaat en belangrijke speler in de regio.
▪
Gezond Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn. Een gemeente met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners.
De omgevingsvisie is uitgewerkt in een visie per dorp. Hierin is aangegeven hoe een aantrekkelijk, duurzaam, ondernemend en gezond Zuidplas eruitziet per dorp. De omgevingsvisie geeft per thema, voor heel Zuidplas en per deelgebied en per dorp ambities, opgaven, kansen en te maken keuzes weer.
Planspecifiek Er is slechts sprake van een tijdelijke ontwikkeling in de vorm van een vluchtelingenopvang. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie van de gemeente om een divers, betaalbaar en flexibel woningaanbod te realiseren, zoals bedoeld met Aantrekkelijk Zuidplas. Verder draagt het benutten van een bestaand pand bij aan Duurzaam Zuidplas. Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities van de Omgevingsvisie Zuidplas 2040.
3.4.2
Beleidsregels planologische kruimelgevallen
In 2015 heeft het college van de gemeente Zuidplas de beleidsregels ‘Beleid inzake toepassing van planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas’ vastgesteld. Het doel van deze beleidsregels was om een duidelijk toetsingskader te scheppen op aanvragen omgevingsvergunningen voor (vaak relatief kleine) bouwplannen die afwijken van het bestemmingsplan. Hierbij bestond op grond van artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 2, van de Wabo de mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Deze relatief kleine bouwplannen werden in de volksmond ook wel ‘kruimelgevallen’ genoemd. Gelet op het ingaan van de Omgevingswet en daarmee de komst van de omgevingsplannen zijn deze beleidsregels per 1 januari 2024 tevens van toepassing op kleine initiatieven waar een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van de Omgevingswet voor moet worden aangevraagd (vastgesteld door het college op 12 december 2023). Onderdeel van de regels hierin is dat het verzoek niet in strijd met het ruimtelijk beleid van hogere overheden mag zijn en passend is in ander relevant beleid van de gemeente, waaronder de Structuurvisie Zuidplas 2030 of de rechtsopvolger daarvan (de huidige Omgevingsvisie Zuidplas). In de beleidsregels zijn in artikel 3.2 per categorie specifieke regels opgenomen op basis waarvan kan worden afgeweken van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan.
Deze afwijkingsmogelijkheden zijn gebaseerd op de
pagina 18 van 41
limitatieve lijst in het voorheen geldende artikel 4 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (kleine buitenplanse afwijking ofwel kruimelafwijking).
Planspecifiek Bij onderhavige ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de regel ‘ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar’ (artikel 3.2, onder 7 van de beleidsregels). In onderhavig geval wordt de vergunning voor de opvanglocatie verlengd voor een periode van 4 jaar. De bewuste locatie is in het Perspectief Ruimtelijke Opgaven 2024 van de gemeente Zuidplas aangeduid als ontwikkelproject. Gemeente en ontwikkelaar zijn in gesprek over een nieuw plan voor de bewuste locatie. Het is daarmee voldoende aannemelijk dat de noodopvang op termijn zal worden beëindigd. Bij de gevraagde termijn van 4 jaar is rekening gehouden met bestaande afspraken met de ontwikkelaar en benodigde tijd voor de uitwerking en planvorming rondom een nieuw plan. Indien mogelijk zal het gebruik eerder (na 2 jaar) beëindigd worden. Verder wordt ook voldaan aan de algemene en specifieke regels van het kruimelgevallenbeleid.
pagina 19 van 41
4.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1
M.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.
In bijlage V bij het omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit 2 verplichte stappen:
▪
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag;
▪
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De 3 hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.
de kenmerken van het project;
1.
de plaats van het project;
2.
de kenmerken van de potentiële effecten.
Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348 met een verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2017:694) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een
pagina 20 van 41
stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: 1.
Het project betreft een verlenging van de huidige situatie, waarbij er geen nieuwe wooneenheden worden toegevoegd en waarbij het gaat om een project van tijdelijke aard (ten hoogste 4 jaar).
2.
Het gaat om een gebied waar reeds verscheidene stedelijke functies te vinden zijn.
3.
Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats en het aantal bewoners blijft ongewijzigd, waardoor het milieueffect beperkt is.
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling vindt er een verlenging van de vergunning plaats en wordt de binnenruimte ietwat aangepast. Hierdoor wordt het plan niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied en is er een aanhoudende behoefte aan huisvesting voor vluchtelingen. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.3
Duurzaamheid
Het aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie zijn steeds belangrijkere thema’s geworden, gericht op een goede omgevingskwaliteit. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect ‘energie’. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Alle nieuwbouw moet vanaf 1 januari 2021 voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), maar dat geldt niet voor bestaande bouw.
pagina 21 van 41
Planspecifiek Het onderhavige initiatief heeft betrekking op het verlengen van het tijdelijke gebruik van een bestaand voormalig kantoorpand (oorspronkelijk bouwjaar: 1975) voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Het gebouw is in een eerder stadium door beperkte inpandige aanpassingen reeds geschikt gemaakt voor de opvang van vluchtelingen. Door het vestigen van deze opvanglocatie in een voormalige kantoorpand in de bebouwde kom, is sprake van een duurzame invulling van een bestaand gebouw en daarmee een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving.
4.4
Gezondheid
In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Daarnaast gaat het om het beschermen van de gezondheid en van het milieu, zoals bedoeld in artikel 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Hierbij gaar het om diverse aspecten, zoals kwaliteit van de buitenlucht, geluid van activiteiten en wegen, trillingen, geur etc.
Planspecifiek Er is bij de opzet in inrichting van het gebouw en het terrein rekening gehouden met voldoende mogelijkheden voor ontspanning en vermaak, gericht op een zo gezond mogelijke omgeving. De aspecten die van belang zijn voor het beschermen van de gezondheid, zoals bedoeld in het Bkl, komen in de navolgende paragrafen aan bod.
4.5
Weging waterbelang
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal Water Programma 2022-2027’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in
pagina 22 van 41
de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Waterschapsbeleid Voor de planperiode 2022-2027 is het nieuwe Waterbeheerplan ‘Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam’ van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) van toepassing. Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities van HDSR voor schoon en gezond water, duurzaamheid en een waterveilig en klimaatbestendig gebied. In het Waterbeheerplan is de planlocatie aangemerkt als Veenweidegebied. De bodem in de veengebieden daalt en de kosten voor het beheer van het watersysteem en infrastructuur blijven toenemen. Het is een gebied waar landbouw naast kwetsbare natuurgebieden ligt en waar stikstofproblematiek speelt. Veel agrariërs in dit gebied doen aan agrarisch natuurbeheer.
Het watersysteem kan met name in het Oude Rijngebied de klimaatverandering moeilijk opvangen, hier is een robuuster watersysteem en een meer klimaatbestendige inrichting nodig.
Planspecifiek Watercompensatie Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen wijzigingen aangebracht waarbij verharding wordt toegevoegd of verwijderd. Watercompensatie is voor de beoogde ontwikkeling daarom niet aan de orde. Waterafvoer Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool. Het afvalwater zal worden afgevoerd via de bestaande riolering. Voorts wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Waterkeringen Op basis van de leggerkaart van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) blijkt dat er in het plangebied en in de directe omgeving ervan geen beschermingszones van waterkeringen aanwezig zijn. Er is dan ook geen vergunning conform de Waterschapsverordening vereist. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het voorliggende initiatief.
4.6
Klimaatadaptatie
Klimaatadaptatie, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, is nodig. Het gaat daarbij om de gevolgen van extremer weer met hevige regenval, maar ook met perioden van droogte en hitte/hittestress.
pagina 23 van 41
Planspecifiek Uit de Atlas leefomgeving blijkt dat het plangebied grotendeels niet gevoelig is voor extreme neerslag, ook droogte lijkt op basis van de klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland droogte geen probleem te vormen. Verder blijkt uit de overstromingskaart van de klimaatatlas dat er hier een kleine kans op overstroming bestaat. Wel is het plaatse van het plangebied op dit moment aanzienlijk warmer dan gemiddeld. De hittestress zal naar verwachting niet toenemen doordat er in de buitenruimte ruimte wordt geboden tot recreatie onder een overkapping en er zijn kleine voortuintjes ingericht. Verder zijn omliggende wegen, zoals het aangrenzende Prins Alexanderpad groen ingericht met bomen. Aanvullende maatregelen met betrekking tot klimaatadaptatie worden niet nodig geacht.
4.7
Verkeer en parkeren
4.7.1
Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Planspecifiek Het plangebied betreft een voormalig en tot opvanglocatie heringericht kantoorgebouw dat goed is ontsloten via de J.A. Beijerinkstraat. Via de Batavierenlaan en de Kerklaan is de provinciale weg N219 te bereiken. In het kader van de voorgaande vergunningsaanvraag is een (kwalitatieve) inschatting gemaakt van het aantal verkeersbewegingen op deze wegen. Ten aanzien van de vorige situatie verandert het aantal vluchtelingen niet voor onderhavige vergunningaanvraag (voor de termijn van 4 jaar). De omvang van de opvang blijft maximaal 120 vluchtelingen (met een reguliere bezetting van 80-90 vluchtelingen). Hierdoor blijft de verkeerssituatie gelijk. Er bestaat een verkeersgeneratie van 140-150 motorvoertuigbewegingen per etmaal, waarvan de aanwezige vluchtelingen leidden tot ca. 60 voertuigbewegingen, vrijwilligers tot ca. 40 bewegingen, bevoorrading tot ca. 25 bewegingen en overig ondersteunend personeel tot ca. 17 bewegingen. Gesteld wordt dat de omliggende wegen voldoende capaciteit hebben om de verkeersaantrekkende werking te verwerken en dat de verkeersgeneratie geen negatieve invloed heeft op de verkeersveiligheid. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.7.2
Parkeren
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dienen voldoende parkeervoorzieningen gerealiseerd te worden. Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. In dit verband heeft de gemeenteraad op 5 november 2019 de ‘Nota Parkeernormen 2019’ vastgesteld.
Planspecifiek Autoparkeren Voor de functie van vluchtelingenopvang zijn in de ‘Nota Parkeernormen 2019’ geen parkeernormen opgenomen. Wel is eerder, in het kader van de voorgaande vergunningsaanvraag, op basis van destijds aangeleverde informatie een inschatting gemaakt van het benodigde aantal parkeerplekken. Hierbij is de parkeerbehoefte ingeschat op ca.
pagina 24 van 41
30 parkeerplekken, opgebouwd uit 16 parkeerplekken voor vluchtelingen en bezoekers, en ca. 14 voor vrijwilligers en overig ondersteunend personeel. Dit aantal komt overeen met wat in een vergelijkbare situatie op Kavel 13 aan de Steenbakkerij In Nieuwerkerk aan den IJssel is gehanteerd. In dat verband is daarvoor een onderbouwing door Commeo Mobiliteit opgesteld (rapport d.d. 29 september 2023). De hierin gehanteerde parkeernorm van 0,75 parkeerplaatsen per unit, komt omgerekend naar (maximaal) 120 personen uit op een parkeerbehoefte van 30 parkeerplaatsen Aangezien het pand niet over parkeerplaatsen beschikt op het eigen terrein wordt voor de invulling van de parkeernorm gebruik gemaakt van de parkeerplaatsen in het openbaar gebied. De ‘Nota Parkeernormen 2019’ biedt hiervoor mogelijkheden. Eén van de toetsingscriteria is dat de bezetting van de betreffende parkeerplaatsen, inclusief het beoogde gebruik van de door de initiatiefnemer te realiseren functies, niet hoger mag uitkomen dan 85% voor auto’s en 90% voor fietsen (zone B is van toepassing). Berekening voorgaande vergunningverlening In het kader van de eerder beoogde permanente herontwikkeling van het plangebied zijn de afgelopen jaren (voor de coronapandemie) diverse parkeeronderzoeken uitgevoerd. Hieruit bleek onder andere dat de bezetting het hoogst is op de zaterdagmiddag met 71,1%.
Voor de vluchtelingenopvang zal het meer voor de hand liggen dat op een werkdag de parkeerbehoefte het grootst zal zijn. Omdat hiervan niet direct cijfers van de bezettingsgraad beschikbaar zijn en de parkeerberekening gebaseerd is op inschattingen, is voor berekening van de (toenmalige) toename uitgegaan van de maximale bezettingsgraad voor de zaterdagmiddag (71,1%). Gelet op een bezetting van 30 (bezette) parkeerplekken door de voorgenomen ontwikkeling, is berekend dat de bezettingsgraad op 86% komt te liggen. Daarmee komt de bezettingsgraad hoger uit dan de norm van 85% uit de ‘Nota Parkeernormen 2019’. Echter wordt deze (geringe) overschrijding aanvaardbaar geacht omdat:
▪
Voor de bezetting in de huidige situatie uitgegaan is van de zaterdagmiddag, terwijl naar verwachting de parkeerbehoefte voor de vluchtelingenopvang op een werkdag groter zal zijn;
▪
Er sprake is van een tijdelijke situatie;
▪
De parkeerbehoefte van de vluchtelingenopvang in de praktijk mogelijk lager uitvalt.
Ervaringen autogebruik In navolging op de hiervoor genoemde bezettingsgraad van 86%, die in theorie hoger uitvalt dan de norm uit de Nota Parkeernormen 2019, is het autogebruik in de praktijk getoetst. Hieruit blijkt dat er op dit moment door de bewoners ongeveer 15 parkeerplekken worden gebruikt. Hierdoor zal in de praktijk worden voldaan aan de (maximale) bezettingsgraad norm van 85%. Bovendien is het doel voor de planlocatie om in de toekomst een kleinere groep te huisvesten, waardoor het de verwachting is dat het autobezit ook niet zal toenemen. Fietsparkeren In de ‘Nota Parkeernormen 2019’ is aangegeven dat voorzien moet worden in voldoende fietsparkeerplaatsen. Voor de vluchtelingen zijn hiervoor 10 parkeerplekken beschikbaar gemaakt. Hierbij wordt uitgegaan van gemeenschappelijk gebruik van fietsen. De fietsparkeerbehoefte voor bezoekers wordt ingeschat op ca. 11 fietsparkeerplekken. In totaal gaat het dan om ca. 21 fietsparkeerplekken. Op eigen terrein is hiervoor ruimte beschikbaar en er is nog een voorziening voor 4 fietsen aan de voorzijde het pand aanwezig. Er wordt daarmee voldaan aan de ‘Nota Parkeernormen 2019’.
pagina 25 van 41
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.8
Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffing verlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd.
Naast deze gebiedsbescherming gaat het ook om soortenbescherming. Bijzondere aandacht gaat uit naar stikstofdepositie, zoals geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are. Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft alleen een beperkte interne aanpassing en verder geen ingrepen aan de buitenzijde van het gebouw of sloopwerkzaamheden. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Biesbosch, op een afstand van circa 20 km vanaf het plangebied. Gelet op deze grote afstand is het niet nodig om hiervoor Aeriusberekeningen uit te voeren. Daarnaast blijkt uit een eerder uitgevoerd ecologisch onderzoek, in het kader van het bestemmingsplan ‘De Twee Gebroeders’, dat er voor die ontwikkeling geen beperkingen waren. Daarmee kan aangenomen worden dat het aspect natuur bij de voorgenomen ontwikkeling eveneens geen belemmering vormt.
4.9
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
pagina 26 van 41
Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 3.000 woningen (twee ontsluitingswegen) wordt per definitie aangemerkt als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Verder is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2022 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17,6 μg/m³ PM10, 9,4 μg/m³ PM2,5 en 18,4 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: 1.
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
2.
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
3.
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
4.
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het
beschermen
van
deze
geluidsgevoelige
gebouwen
gebeurt
aan
de
hand
van
vastgestelde
geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Bij het toelaten van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw langs een (spoor)weg of nabij een industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp), moet de gemeente rekening houden met het geluid door de bron. Daarnaast moet het geluid door de bron aanvaardbaar zijn (artikel 5.78s, Besluit kwaliteit leefomgeving).
Planspecifiek Met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de geluidbelasting van wegverkeer op de (gevels van de) opvanglocatie. Geluid door railverkeer en industrie is bij onderhavig verder niet van toepassing. Het Bkl bevat standaardwaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De standaardwaarde voor een gemeenteweg bedraagt 53 dB Lden bij de gevel van een geluidsgevoelig gebouw.
pagina 27 van 41
Op de hiernavolgende afbeelding is een uitsnede zichtbaar van de geluidkaart van de Atlas Leefomgeving.
Geluid van wegverkeer, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving).
Uit deze uitsnede blijkt dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een geluidsbelasting van ten hoogste 49 dB Lden. De standaardwaarden worden daarmee niet overschreden, waardoor het treffen van geluidwerende maatregelen niet vereist is. Geconcludeerd kan worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van het aspect geluid.
4.11
Geur
Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels
pagina 28 van 41
die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.
Planspecifiek In de paragraaf 4.17 Activiteiten en milieuzonering is benoemd dat de omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door voornamelijk woningen en enkele maatschappelijke en (kleine) bedrijfsactiviteiten. Verder is de planlocatie niet gelegen in de nabijheid van geurveroorzakende activiteiten. Daarmee vormt het aspect geur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12
Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn.
Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.
pagina 29 van 41
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico.