Bijlage 2 Juridische toelichting algemeen en artikelsgewijze toelichting Verordening inspraak- en participatie A22.002385
Tekst van het document
Algemene toelichting De participatieverordening in een notendop In de participatieverordening hebben we eisen opgenomen hoe Zuidplas omgaat met participatieprocessen en inspraak. We leggen vast welke uitgangspunten, spelregels en afspraken we daarbij gebruiken. Dit geldt voor de gemeentelijke inspraak- en participatieprocessen, maar ook voor participatieprocessen door de initiatiefnemer. We hebben met het kader participatie, de inspraak- en participatieverordening en de handreiking participatie door initiatiefnemers een samenhangend kader. Dat is belangrijk omdat het zorgt voor duidelijkheid. Zo creëren we bij de start van een traject helderheid over zaken als het participatieniveau, het managen van verwachtingen en de wijze van vastlegging. Dat draagt bij aan de voorspelbaarheid, eenduidige beoordeling en betrouwbaarheid. -
Formele participatieprocessen. De verordening gaat dus over formele participatieprocessen en de spelregels die gelden vanaf het participatieniveau ‘raadplegen’. Inspraak. De mogelijkheid om in te spreken blijft gewoon bestaan. Denk hierbij aan het indienen van een zienswijze bij afronding van een beleidsproces. Het raadplegen doen we meer bij de start of tijdens een beleidsproces.
Inspraak, participatie en ontwerpwetsvoorstel De raad is verplicht om een inspraakverordening vast te stellen (artikel 150 van de Gemeentewet). Er is een wetsvoorstel in voorbereiding om deze inspraak uit te breiden naar ‘participatie’. Het gaat hier om het ontwerpwetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau. Het ontwerpwetsvoorstel is op 5 juni 2020 door de ministerraad aanvaard en voor advies naar de Raad van State gestuurd en tot op heden nog niet ingediend bij het parlement. Verordeningsbevoegdheid Gemeenten die al op het ontwerpwetsvoorstel vooruit willen lopen, kunnen al wel een participatieverordening vaststellen. Omdat het om een ontwerpwetsvoorstel gaat, is naast artikel 150 van de Gemeentewet ook artikel 149 van de Gemeentewet (met de autonome verordeningsbevoegdheid van de raad) als grondslag voor de verordening toegevoegd. Definitie participatie Participatie betekent het betrekken van belanghebbenden (inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties) bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van gemeentelijk beleid. In de memorie van toelichting op het ontwerpwetsvoorstel staat hierover het volgende. Belanghebbenden hebben in toenemende mate een belangrijke rol in de agendering, de voorbereiding, de totstandkoming, de uitvoering en de beoordeling van beleid.
Niet alleen omdat men de gevolgen van beleid ervaart, maar ook omdat participatie belangrijk is in een democratie. Participatie mobiliseert de kennis en steun van belanghebbenden bij beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand nog niet weet, of nog niet wil bepalen, hoe deze opgelost kunnen worden. Participatie is belanghebbenden tijdig betrekken bij een plan of project. Belanghebbenden kunnen inwoners, vertegenwoordigers van bedrijven en professionals van maatschappelijke organisaties zijn. Door participatie kunnen goede ideeën van inwoners op tafel komen, waardoor de kwaliteit van het plan of project beter wordt. Participatie kan ook leiden tot meer steun (draagvlak) voor het beleid, plan of project, juist omdat goed wordt geluisterd naar inwoners. Participatie moet dus vroeg in het proces plaatsvinden, op het moment dat er nog iets te kiezen is en meningen of ideeën er nog toe doen.
Participatie vindt plaats op initiatief van de gemeente of op initiatief vanuit de samenleving (bijvoorbeeld door inwoners, ondernemers, projectontwikkelaars, bouwbedrijven). De gemeente kan ook samen met initiatiefnemers een plan of project ontwikkelen. Soms komt het initiatief uit de samenleving, maar is er (enige) ondersteuning vanuit de gemeente nodig. Voorbeelden initiatieven (kleinschalig individueel) Plaatsen van een dakkapel; Plaatsen van een schuurtje of bijgebouw; Verduurzaming van de woning; Bouwen van een woning; Hoe pak je dit soort initiatieven aan? Om individueel een initiatief van de grond te krijgen, is het belangrijk om in beeld te hebben op wie dit invloed heeft. Bijvoorbeeld op het zicht van omwonenden. Verandert er iets in het straatbeeld. Ook als het initiatief in uw beleving een positieve invloed heeft op de omgeving, is het nodig om de belanghebbenden om hun mening te vragen. Op die manier neemt u ieders perspectief mee. Zorg in ieder geval dat u iedere belanghebbende(n) tot in detail is informeert over uw plan. Daarnaast is het belangrijk dat de belanghebbende(n) de kans krijgt om te reageren op het initiatief. In de Handreiking Participatie bij initiatieven kunt u nalezen hoe u dat het beste doet. Deze informatie kunt u verzamelen en bijhouden in een logboek. Zo is alle participatie gebundeld.
De gemeente heeft een concept logboek beschikbaar welke u kunt gebruiken.
Procedure inspraak Participatie is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en commissievergaderingen. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. In artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet is afdeling 3.4 van de Awb als hoofdregel van toepassing verklaard op de inspraak. Het is ook mogelijk een andere procedure van toepassing te verklaren. Dit is ook zo opgenomen in het ontwerpwetsvoorstel. In de verordening kan het bevoegde bestuursorgaan in aansluiting op de wettekst besluiten om in specifieke beleidstrajecten zowel geheel als gedeeltelijk af te wijken van afdeling 3.4 van de Awb. Dit laatste kan bijvoorbeeld gebeuren in gevallen waarin het wenselijk is om de participatie op andere wijze te organiseren dan via het mondeling of schriftelijk naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met andere termijnen.
Alternatieven voor inspraak Andere mogelijkheden die buiten de hier geregelde participatie vallen zijn te vinden in het Kader Participatie van de gemeente Zuidplas. Artikel 150 van de Gemeentewet Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De Modelinspraakverordening van de VNG is in de loop der tijd aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet stedelijke vernieuwing). Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb De verordening is tevens aangepast aan de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb
(Stb. 2002, 54). In deze wet wordt afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet gewijzigd. Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw) Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel 150 van de Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan (zie ook de memorie van antwoord (MvA) Eerste Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz. 3). In de memorie van toelichting (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 31) is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het wenselijk is om wel een ontwerp ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren dan via het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met andere termijnen, aldus de MvT.
Artikelsgewijze toelichting Alleen de bepalingen die verdere toelichting vereisen, worden hieronder nader toegelicht. Artikel 1. Definities Beleidsvoornemen Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd. Inspraak Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet 'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen.
Wij adviseren echter het tweezijdige element van gedachtewisseling zo mogelijk wel onder de inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde doel kan worden gediend, te weten het creëren van draagvlak of steun voor beleidsvoornemens (zie ook de algemene toelichting, onder Alternatieven voor inspraak, over interactieve beleidsvorming). Inspraakprocedure De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is in de modelverordening afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard. Artikel 6, derde lid, van het model geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en organisatie van de inspraak. Participatie Bij de omschrijving van participatie is aangesloten bij de tekst van het ontwerpwetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau waarbij een wijziging van artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet is voorzien. Hierin is bepaald dat de raad een verordening vaststelt waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid worden betrokken.
Het huidige artikel 150 van de Gemeentewet omvat inspraak bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid; bij participatie
wordt dit uitgebreid met uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid. De omschrijving van participatiegerechtigden (ingezetenen en belanghebbenden) vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Het begrip belanghebbende is in artikel 1:2 van de Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb, zoals deze verordening. Artikel 2. Doelstelling en reikwijdte Dit artikel beschrijft de doelstelling en de reikwijdte van de verordening en waarom de gemeente participatie wil inzetten.
Artikel 3. Onderwerp van participatie Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluit of participatie mogelijk is. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het begrip omvat in elk geval raad, burgemeester en wethouders en burgemeester. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan participatie onderwerpen, of niet. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als participatie geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden wordt geregeld. Tweede lid In het tweede lid is bepaald dat participatie ook mogelijk is als initiatieven al binnen de vastgestelde beleidskaders past. Derde lid In het derde lid is bepaald dat elk bestuursorgaan bevoegd is besluiten te nemen over het wel of niet toepassen van participatie. Vierde lid In het vierde lid is bepaald dat participatie ook gedaan wordt door initiatiefnemers.
Vijfde lid In het vijfde lid is bepaald dat de initiatiefnemer voor zijn participatie gebruik moet maken van het Kader Participatie en de Handreiking participatie bij ruimtelijke initiatieven Zesde lid In het zesde lid is bepaald dat participatie altijd moet is als een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Zevende lid In het zevende lid is opgenomen wanneer geen participatie wordt verleend. Artikel 4. Participatieprocedure Eerste lid In artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, voor zover in de verordening niet anders is bepaald. Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de participatie. In de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van de Awb is de participatieprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. Tweede lid Als het bestuursorgaan de procedure van afdeling 3.4 van de Awb niet passend acht voor een specifiek beleidstraject, kan op grond van het tweede lid een andere procedure worden gevolgd. Artikel 5. Eindverslag participatie (logboek) Eerste lid
Er is hier niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 van de Awb. In artikel 3:17 van de Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de procedure mondeling naar voren is gebracht. Tweede lid, onder a Onder overzicht van de gevolgde participatieprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 van de Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd, enz. Tweede lid, onder b Het eindverslag dient een volledig overzicht te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke participatiereacties. In het eindverslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. De schriftelijke participatiereacties kunnen aan het eindverslag worden gehecht. Tweede lid, onder c Als het sluitstuk van participatie wordt voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. Derde lid Het bestuursorgaan geeft altijd een inhoudelijke reactie op het eindverslag. Vierde lid Het bestuursorgaan maakt een afweging in de procedure over hoe om te gaan met de geleverde inbreng. Indien zij niet ingaat op aangeleverde inbreng zal zij dit beargumenteren. Vijfde lid De bekendmaking van de resultaten van de participatieprocedure is uitermate belangrijk.
Dit rondt de participatieprocedure daadwerkelijk af. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het aantal participanten omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is belangrijk om aan het begin van de participatieprocedure al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen.
Artikel 6. Onderwerp van inspraak Eerste lid Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb: artikel 3:11 tot en met 3:13) Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Tweede lid Het tweede lid geeft aan hoe het bestuursorgaan omgaat met de ingekomen inspraakreacties. Dit omvat het opstellen van een nota van beantwoording zienswijzen. Daarin wordt in ieder geval opgenomen een overzicht van de opgenomen procedure, een weergave van alle schriftelijke en mondelinge zienswijzen en een reactie op de zienswijzen. Ook wordt aangeven wat er met de ingebrachte zienswijzen gebeurd. De bekendmaking van de resultaten van de participatieprocedure is uitermate belangrijk. Dit rondt de participatieprocedure daadwerkelijk af. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website.
Als het aantal participanten omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is belangrijk om aan het begin van de participatieprocedure al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen. Derde lid In het derde lid wordt bepaald dat het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure kan vaststellen.
Vierde lid In het vierde lid is opgenomen wanneer geen participatie wordt verleend.
Artikel 7. Inspraak ruimtelijke plannen Om de termijn van de informele procedure van het bestemmingsplan zo kort mogelijk te houden voert het college van burgemeester en wethouders de inspraakprocedure voor de ruimtelijke plannen als bestemmingsplannen, herzieningen daarvan en projectbesluiten. Immers op grond van artikel 160, lid 1 sub b van de Gemeentewet, is het college bevoegd de beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is belast. De raad wordt geïnformeerd over het voorontwerp, alle inspraak- en overlegreacties en de reactie van het college van burgemeester en wethouders daarop. De raad kan het voorontwerp op de agenda plaatsen voor de inhoudelijke behandeling. Artikel 8. Inspraak gerechtigden Beschrijving van de inspraak gerechtigden. Artikel 9. Omgevingsplan en omgevingsvergunning Eerste lid Het eerste lid bepaalt dat het bestuursorgaan bij de kennisgeving van het opstellen van een omgevingsplan zal laten weten op welke manier inwoners bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen betrokken zullen worden bij de voorbereiding van het omgevingsplan.
Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat participatie verplicht is voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die genoemd zijn in de beleidsregel “beleid inzake participatie Omgevingswet van Zuidplas” zoals dit door de gemeenteraad is vastgesteld. Derde lid Het derde lid bepaalt dat de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk is voor de onder het tweede lid genoemde participatie en deze zelf vorm dient te geven. Vierde lid Het vierde lid bepaalt dat het verslag van de participatie onderdeel uitmaakt van de aanvraag voor een omgevingsvergunning of de aanvraag voor het wijzigen van het omgevingsplan. Artikel 10. Intrekking oude regeling Met deze bepaling wordt de bestaande Inspraakverordening gemeente Zuidplas (2010) ingetrokken. Er wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de Verordening participatie in werking treedt (zie artikel 12). Artikel 11. Overgangsbepaling Overgangsbepaling voor procedures die onder de oude inspraakverordening gestart zijn. Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel Met deze bepaling wordt aangegeven wanneer de nieuwe verordening in werking treedt. Tevens is aangegeven dat artikel 9 in werking treedt zodra de Omgevingswet in werking treedt.
Ook wordt bepaald dat de citeertitel van deze verordening Verordening inspraak en participatie gemeente Zuidplas 2023 zal zijn.