CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Bijlages ODMH I23.000867

Gemeenteraad 6 juni 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Ontwerpwijziging gemeenschappelijke regeling ODMH8.318 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bestuur ODMH

ODMH Omgevingsdienst Middcn-Holland

S. Kodde

123.000867 ! 20/03/2023 Gemeente Zuidplas

088 - 5450496

skodde@odmh.nl

Postbus 45 2800 AA Gouda

College van burgemeester en wethouders van Zuidplas Postbus 100 2910 AC Nieuwerkerk aan den IJssel

Onderwerp

088 - 5450000

www.odmh.nl

Verzenddatum

16-03-2023

Ons kenmerk

101542

Bijlagen

3

4e Wijziging gemeenschappelijke regeling ODMH - ontwerp

Geacht college,

Zoals u weet is op 1 juli 2022 een aantal wijzigingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen in werking getreden. Als gevolg hiervan is een aanpassing van de gemeenschappelijke regeling van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) noodzakelijk.

De wijzigingen in de wet hebben als doel de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende en controlerende rol van de gemeenteraden en Provinciale Staten in relatie tot gemeenschappelijke regelingen te versterken. Voorstel voor ontwerpwijziging Een van de wijzigingen betreft een wijziging in de procedure tot het treffen of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling. Voortaan krijgt de gemeenteraad eerst de gelegenheid om zienswijzen over een ontwerpregeling bij het eigen college naar voren te brengen. Volgens de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben gemeenteraden daar acht weken de tijd voor.

Bijgaand treft u een voorstel aan voor een ontwerpwijziging van de regeling van de ODMH, met een toelichting op de wijzigingen. Tevens is een geconsolideerde versie van de regeling van de ODMH bijgevoegd, met daarin de voorgestelde wijzigingen verwerkt. Verzoek Wij verzoeken u te besluiten de ontwerpwijziging van de regeling van de ODMH volgens bijgevoegd voorstel vast te stellen en de stukken voor zienswijzen voor te leggen aan de gemeenteraad.

Wij ontvangen graag spoedig bericht van uw besluit en eventueel bij u ingebrachte zienswijzen. Om ervoor te zorgen dat de wijziging van de regeling tijdig in werking kan treden, verzoeken wij u dit voor het begin van het zomerreces van 2023 af te ronden.

Vervolg Na de behandeling van eventueel ingebrachte zienswijzen zal het algemeen bestuur van de ODMH een definitief voorstel voor het wijzigen van de regeling van de ODMH opstellen. Dit zal daarna voor vaststelling aan u worden voorgelegd. Op grond van de Wet gemeenschappelijk regelingen is voor uw definitieve besluit om de wijziging vast te stellen instemming vereist van de gemeenteraad. Dit

1 van 2

betekent dat de gemeenteraad twee keer in de procedure tot wijzigen van de regeling wordt betrokken. Nadat u heeft besloten de gemeenschappelijke regeling te wijzigen, maakt u dit besluit zelf bekend in het Gemeenteblad. Daarna zal provinciebestuur de definitieve wijziging bekend maken in het Provinciaal blad (nadat alle deelnemers hebben besloten).

Toelichting op de wijzigingen Een inhoudelijke toelichting op de wijzigingen leest u in de bijlagen. Het wijzigen van de regeling van de ODMH heeft geen financiële gevolgen.

Meer informatie Heeft u vragen, neem dan gerust contact met ons op. U kunt uw vragen stellen aan de heer A. Mutter of mevrouw S. Kodde, via het e-mail adres Skodde@odmh.nl

Hoogachtend, Algemeen bestuur van de Omgevingsdienst Midden-Holland,

T. van Vugt, Voorzitter

A. Mutter, Secretaris

Deze brief is digitaal vastgesteld.

Bijlagen: 1. Voorstel ontwerpwijziging Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland 2. Toelichting ontwerpwijziging Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland 3. Geconsolideerde versie Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland

2 van 2

4® Wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland

Ontwerp Het college van burgemeester en wethouder van de gemeente (NAAM) / Het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

overwegende dat: Op 1 juli 2022 de Wet gemeenschappelijke regeling is gewijzigd; als gevolg van deze wet een aanpassing in de gemeenschappelijke regeling van de Omgevingsdienst Midden-Holland vereist is; tevens andere aanpassingen in de gemeenschappelijke regeling van de Omgevingsdienst Midden-Holland nodig zijn.

gelet op: artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en artikel 35 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland; de toestemming van de gemeenteraad / Provinciale Staten d.d.

Besluit:

Artikel I De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland als volgt te wijzigen:

A Aan artikel 10 twee leden toe te voegen die luiden: 5.

6.

Indien deze regeling of de wet dat bepaalt, of indien het algemeen bestuur dat in voorkomende gevallen nodig acht, worden besluiten van het algemeen bestuur vooraf voor zienswijzen voorgelegd aan de vertegenwoordigende organen. Ingezetenen van de deelnemers of andere belanghebbenden worden niet betrokken bij besluiten van het algemeen bestuur.

B Artikel 11 als volgt te wijzigen: Aan het eerste lid wordt achter de eerste volzin een zin toegevoegd die luidt:

De informatie wordt schriftelijk verstrekt of mondeling in vergaderingen van de vertegenwoordigende organen.

1

Een nieuw lid wordt toegevoegd dat luidt: 4.

De vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid.

C Artikel 17 als volgt te wijzigen: Onderdeel d van het derde lid vervalt.

D

Aan artikel 17 een lid toe te voegen dat luidt:

6.

Het algemeen bestuur kan besluiten het functioneren van de regeling te evalueren. Voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie worden het doel, de reikwijdte en de wijze van evaluatie door het algemeen bestuur bepaald, daarbij worden de deelnemers gehoord.

E

Aan artikel 20 een lid toe voegen dat luidt:

3.

Besluitenlijsten en andere documenten van het dagelijks bestuur worden openbaar gemaakt overeenkomstig de bepalingen uit de Wet open overheid.

F Artikel 28 als volgt te wijzigen: Het eerste lid wordt vervangen door een nieuw lid dat luidt: 1.

Bij het voorbereiden van de begroting worden de artikelen 58b en 59 van de wet gevolgd.

Het tweede tot en met het vijfde lid vervallen.

G Artikel 29 als volgt te wijzigen: Het derde lid wordt vervangen door een nieuw lid dat luidt:

3.

Op het vaststellen van de begroting is artikel 58 van de wet van toepassing.

2

H

Artikel 30 als volgt te wijzigen;

Het eerste lid wordt vervangen door een nieuw lid dat luidt: 1.

Op het vaststellen van de jaarrekening is artikel 58 van de wet van toepassing.

Het tweede lid vervalt.

I Artikel 37 als volgt te wijzigen:

Het tweede lid vervalt. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

Een nieuw lid wordt toegevoegd dat luidt: 3.

Bij het bepalen van het bedrag van de verschuldigde schadeloosstelling worden in ieder geval de volgende onderdelen meegewogen; a. de directe kosten en de reële toekomstige schade voor de regeling en de overige deelnemers als gevolg van het uittreden van de deelnemer, waarbij een overbruggingsperiode van vijfjaar geldt, b. de kosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend; deze worden ‘naar rato’ berekend, dat wil zeggen als de procentuele bijdrage van de uittredende deelnemer aan de gemeenschappelijke regeling c. het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve, en d. de hoogte van de jaarlijkse bijdrage van de uittredende deelnemer op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan hetjaar van uittreding.

J Artikel 38 als volgt te wijzigen: Aan het eerste lid wordt achter de eerste zin een zin toegevoegd die luidt:

De deelnemers besluiten niet tot opheffing dan nadat de vertegenwoordigende organen daarover zijn gehoord.

Artikel II

Dit besluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Overeenkomstig artikel 52 jo. artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen maakt het bestuur van de provincie Zuid-Holland de wijziging van de regeling tijdig bekend in het Provinciaal blad. De wijziging van de regeling treedt in werking na deze bekendmaking. 3

Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland, vierde wijziging.

— dit is een ontwerp-----Bij besluit van (datum) door het college vastgesteld, na verkregen toestemming van de gemeenteraad Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (NAAM)

De burgemeester

de secretaris

4

ODMH Omgevingsdienst Midden-Holland

Toelichting Ontwerpwijziging Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland

Inleiding De colleges van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas en Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland zijn deelnemer in de Gemeenschappelijke regeling van de Omgevingsdienst Midden-Holland. De basis daarvoor is de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) Op 1 juli 2022 is de Wgr gewijzigd’. De wijziging heeft als doel de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende en controlerende rol van de gemeenteraden en Provinciale Staten in relatie tot gemeenschappelijke regelingen te versterken.

Een aantal van deze wijzigingen is op 1 juli 2022 direct in werking getreden, maar een ander deel zal binnen twee jaar na inwerkingtreding verwerkt moeten worden in alle gemeenschappelijke regelingen, waaronder in de Gemeenschappelijke regeling van de Omgevingsdienst Midden-Holland (hierna: de regeling van de ODMH). Dit vergt een besluit van de deelnemers in de regeling. Deze memo bevat een toelichting op de wijzigingen die in de regeling van de ODMH nodig zijn en worden voorgesteld aan de deelnemers. De juridische vertaling is weergegeven in een ontwerpwijziging van de regeling (bijlage). Voor het totaalbeeld is de versie van de regeling bijgevoegd waarin de voorgestelde wijzigingen zijn verwerkt (een geconsolideerde versie).

Proces De raden en Provinciale Staten worden eerst in de gelegenheid gesteld om zienswijzen over de ontwerpwijziging van de regeling in te brengen bij het eigen college. Zij hebben daarvoor acht weken de tijd.

De colleges worden verzocht de eventueel ingebrachte zienswijzen voor het begin van het zomerreces aan het bestuur van de ODMH te melden. De zienswijzen worden daarna behandeld. Dit leidt tot een definitief voorstel van het bestuur van de ODMH aan de deelnemers om de regeling te wijzigen.

Voor een definitief besluit van de deelnemers om de regeling te wijzigen is toestemming van de raden en Provinciale Staten vereist. Dit betekent dat de raden en Provinciale Staten twee keer in het proces tot wijziging van de regeling worden betrokken. Wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen De belangrijkste wijzigingen zijn: 1. Het versterken van de positie van de gemeenteraden en Provinciale Staten bij besluitvorming; a. Invoeren zienswijzeprocedure bij treffen (en wijzigen) regeling b. Mogelijkheid zienswijzeprocedure bij andere besluiten dan de ontwerpbegroting c. Regionale gemeenschappelijke raadscommissie d. Afspraken over participatie in de gemeenschappelijke regeling 1 Wet van 15 december 2021, Stb. 2022, nr. 18. Zie voor de inwerkingtreding KB 21 maart 2022, Stb. 2022, nr. 128.

1 van 6

e. Actieve informatieplicht van het bestuur van de regeling 2. Het invoeren/verduidelijken van controle-instrumenten; a. Recht van enquête b. Verduidelijking onderzoeksbevoegdheid lokale rekenkamers 3. Het verbeteren van de positie van gemeenteraden en Provinciale Staten met betrekking tot het functioneren van de regeling; a. Afspraken over evaluatie b. Betere aansluiting begrotingscyclus op gemeentelijke cyclus c. Aanscherping afspraken uittreding

Gevolgen voor de regeling van de ODMH Bovenstaande wijzigingen worden hieronder uitgewerkt met daarbij vermeld wat de gevolgen zijn voor de regeling van de ODMH en welke aanpassingen nodig zijn. 1a. Invoeren zienswijzeprocedure bij treffen (of wijziqen) reqelinq Om de positie van de raden en Provinciale Staten te verbeteren wordt aan deze organen het recht toegekend om bij het treffen of wijzigen van een regeling een zienswijze naar voren te brengen. Zij kunnen hun opvattingen over een ontwerpregeling binnen acht weken kenbaar maken bij hun college.

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: Geen aanpassing nodig. Deze wijziging volgt rechtstreeks uit de Wgr. De bepaling (opgenomen in artikel 1 van de Wgr) is op 1 juli 2022 direct in werking getreden. Vanwege deze bepaling wordt nu eerst een ontwerpwijziging van de regeling aan de raden en Provinciale Staten voorgelegd voor zienswijzen. 1b. Zienswijzeprocedure bij andere besluiten dan de ontwerpbeqrotinq In de regeling moeten afspraken zijn gemaakt over welke besluiten van het bestuur van de regeling vatbaar zijn voor een zienswijze van de gemeenteraden en Provinciale Staten (artikel 52 Wgr jo. artikel 10, vijfde en zesde lid Wgr). > Gevolgen voor de regeling van de ODMH: aanpassing nodig. In de regeling van de ODMH is al een bepaling opgenomen over het voor zienswijzen voorleggen van besluiten van het algemeen bestuur tot het deelnemen in of oprichten van privaatrechtelijke rechtspersonen. Daarnaast is in de wet al geregeld dat de ontwerpbegroting aan een zienswijzeprocedure wordt onderworpen.

Besluiten over het opheffen van de regeling lenen zich wellicht voor zienswijzen van de raden en Provinciale Staten. Dat is nog niet opgenomen. Andere besluiten van bestuur van de ODMH die voor een zienswijzeprocedure in aanmerking kunnen komen zijn op voorhand niet te bedenken. Dit heeft er mee te maken dat de ODMH vooral een uitvoerende dienst is en niet zelf beleid vaststelt Het vaststellen van beleid is een bevoegdheid van de colleges zelf. Om in specifieke gevallen de mogelijkheid open te laten om raden en Provinciale Staten toch vooraf te betrekken bij besluitvorming door het algemeen bestuur, wordt aan artikel 10 van de regeling van de ODMH een vijfde lid toegevoegd. In dat lid wordt bepaald dat wanneer het algemeen bestuur daar aanleiding toe ziet, het bestuur kan besluiten tot een zienswijzenprocedure.

2 Man 6

Dit nieuwe artikel laat ook de mogelijkheid bestaan dat het algemeen bestuur de colleges voorstelt om beleidsinhoudelijke onderwerpen waar de colleges over gaan voor zienswijzen voor te leggen, zoals de gemeentelijke Nota vergunningverlening, toezicht en handhaving (Nota VTH). In deze Nota VTH worden vierjaarlijks de inhoudelijke doelstellingen en prioriteiten en de uitvoeringsstrategie voor de taken van de omgevingsdienst opgenomen. Het algemeen bestuur stelt deze regionale, gemeentelijke nota op, de colleges stellen hem uiteindelijk afzonderlijk vast. Het algemeen bestuur van de ODMH vindt het wenselijk om de raden te betrekken bij het opstellen van de Nota VTH. Daarom kan het algemeen bestuur van de ODMH bij de aanbieding van de Nota VTH aan de colleges voor vaststelling, aan hen voorstellen om de nota eerst voor zienswijzen aan de raden voor te leggen. Daarnaast wordt aan artikel 38 een bepaling toegevoegd over het horen van de raden en Provinciale Staten bij besluiten tot opheffing van de regeling. 1c. Regionale gemeenschappelijke raadscommissie De gemeenteraden en Provinciale Staten krijgen de mogelijkheid om een regionale gemeenschappelijke adviescommissie in te laten stellen bestaande uit raadsleden en leden van Provinciale Staten.

Een eventuele gemeenschappelijke adviescommissie is onderdeel van de gemeenschappelijke regeling en wordt daarom ingesteld door het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling (openbaar lichaam) is verplicht om de commissie in te stellen als de raden en Provinciale Staten hier unaniem om vragen (artikel 52 Wgr jo. artikel 24a Wgr).

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: Geen aanpassing nodig. Deze bepaling volgt rechtstreeks uit de Wgr. 1d. Afspraken over burgerparticipatie en inspraak Participatie bij beleid wordt steeds belangrijker gevonden in Nederland. In elke regeling moet daarom worden opgenomen of, en zo ja op welke wijze, ingezetenen én belanghebbenden de mogelijkheid krijgen tot inspraak over beleidsmatige onderwerpen die bij de gemeenschappelijke regeling zijn belegd (artikel 52 Wgr jo. artikel 10, zevende lid Wgr).

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: aanpassing nodig. Burgerparticipatie bij beleid is van groot belang. Hoewel de ODMH vanuit zijn expertise vaak betrokken is bij het opstellen van beleid, stelt het bestuur van de ODMH zelf geen beleid of verordeningen vast die ingezetenen binden. De ODMH is vooral een uitvoeringsgerichte gemeenschappelijke regeling. De uiteindelijke beleidskeuzes liggen bij de colleges en raden. Burgerparticipatie en inspraak dient daarom via of namens de colleges en raden te verlopen en niet via het bestuur van de ODMH. Omdat de ODMH geen besluiten vaststelt die zich lenen voor burgerparticipatie en inspraak, wordt aan artikel 10 van de regeling van de ODMH een zesde lid toegevoegd, inhoudende dat bij besluiten van het bestuur van de ODMH geen burgerparticipatie of inspraak wordt toegepast. Ie. Actieve informatieplicht Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling heeft een actieve informatieplicht over wat er binnen de regeling speelt. Deze informatieplicht komt overeen met de informatieplicht die het college heeft ten opzichte van de gemeenteraad of Provinciale Staten. In de gemeenschappelijke regeling moeten afspraken worden gemaakt over welke en de wijze waarop informatie wordt aangeleverd (artikel 52 Wgr jo. artikel 17 Wgr).

3 van 6

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: aanpassing nodig. In de regeling van de ODMH is al een bepaling opgenomen over het actief informeren van de raden en Provinciale Staten. Aan dit artikel (artikel 11. eerste lid) moet nog worden toegevoegd op welke wijze dit gebeurt. Het ligt voor de hand om de voor de raden en Provinciale Staten relevante informatie schriftelijk of mondeling te verstrekken. De keuze voor een methode hangt af van het onderwerp. Sowieso zijn alle stukken van het algemeen bestuur in de praktijk openbaar en daarmee ook beschikbaar voor de raden en Provinciale Staten. De ODMH plaatst deze stukken op de website zodat deze voor een ieder zijn in te zien^. In de regeling is daarover echter nog geen bepaling over opgenomen. Een bepaling daarover wordt nu toegevoegd (artikel 11, vierde lid van de regeling van de ODMH). Ook wordt een bepaling toegevoegd over het openbaar maken van documenten van het dagelijks bestuur (artikel 20, derde lid van de regeling van de ODMH). Als gevolg van de Wet open overheid zullen de stukken van het bestuur in de toekomst te vinden zijn op open.overheid.nl. Naast structurele informatievoorziening via het openbaar maken van documenten kunnen de raden en Provinciale Staten de ODMH om inlichtingen over specifieke onderwerpen verzoeken (incidentele informatievoorziening). Dat volgt rechtstreeks uit de Wgr.

De raden en Provinciale Staten kunnen de ODMH daarvoor uitnodigen, zoals dat nu ook al het geval is.

2a. Recht van enguête De gezamenlijke gemeenteraden en Provinciale Staten krijgen de mogelijkheid om een enquête uit te voeren naarde bestuursvoering van een regeling. Dat kan door zelf een regionale onderzoekscommissie in te stellen. Daarvoor is een unaniem besluit nodig van alle raden en Provinciale Staten.

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: Geen aanpassing nodig. Deze bevoegdheid volgt rechtstreeks uit de Wgr. 2b. Verduidelijking onderzoeksbevoegdheid lokale rekenkamers Rekenkamers zijn al bevoegd onderzoek te verrichten bij gemeenschappelijke regelingen, inlichtingen in te winnen, documenten te vorderen en indien nodig bij de betrokken instelling een onderzoek in te stellen. In de Wgr wordt verduidelijkt dat de lokale rekenkamers, waaronder gezamenlijke rekenkamers, de mogelijkheid hebben om onderzoek te doen naar het gevoerde bestuur van een gemeenschappelijke regeling waaraan een gemeente deelneemt.

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: Geen aanpassing nodig. Deze bevoegdheid volgt rechtstreeks uit de Wgr. 3a. Afspraken over evaluatie Het wordt verplicht om afspraken te maken over evaluatie van de gemeenschappelijke regeling om op die manier stil te staan bij het functioneren van de regeling. Er kan ook worden gekozen voor de afspraak om de regeling niet te evalueren (artikel 52 Wgr jo. artikel 11a Wgr).

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: aanpassing nodig. De regeling van de ODMH bevat nog geen bepaling over evaluatie van de regeling. Daarom wordt daarover nu een bepaling toegevoegd die een evaluatie van de regeling mogelijk maakt. De bepaling is opgenomen in het zesde lid van artikel 17 van de regeling van de ODMH. 2 Zie bijvoorbeeld de stukken van 2022: https://www.odnnh.nl/over-odmh/bestuur/bestuur/verqaderinqen-2022/

4 van 6

Wijzigingen in relevante wetgeving kunnen een logische aanleiding vormen om de regeling tegen het licht te houden. In de praktijk vindt evaluatie doorlopend plaats; binnen het bestuur, in de P&C-cyclus (begroting, maandrapportages en jaarrekening) en via het stellen van en toetsen aan kwaliteitscriteria

Het algemeen bestuur van de ODMH heeft uitgesproken het wenselijk te vinden om in ieder geval ten in ieder geval ten tijde van het opstellen van de volgende Nota VTH (zie toelichting onder 1b.) een evaluatie uit te voeren. Dat zal rond 2025 / 2026 zijn.

3b. Aanpassing van de begrotingscyclus Bijdragen aan een gemeenschappelijke regeling zijn verplichte uitgaven voor de gemeente of provincie die moeten worden verwerkt in de eigen begroting. Om gemeenteraden en Provinciale Staten meer positie te geven in de begrotingscyclus van een r ' " een gemeenschappelijke regeling is ervoor gekozen de termijnen voor de indiening van de kadernota. ontwerpbegroting en begroting j aan te passen.

De cyclus start formeel met de kadernota. Deze moet nu uiterlijk 30 april door het dagelijks bestuur van van een een regeling naar de raden en Provinciale Staten worden verzonden (dat was voorheen 15 april). De volgende stap in de begrotingscyclus is het door het dagelijks bestuur van de regeling toezenden aan de gemeenteraad en Provinciale Staten van de ontwerpbegroting voor zienswijzen. Dit moet twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Dat was voorheen acht weken.

Nieuw IS verder dat het voortaan verplicht is te reageren op de door de raden en Provinciale Staten ingediende zienswijzen. Het dagelijks bestuur moet schriftelijk én gemotiveerd terugkoppelen wat het van de zienswijzen vindt en tot welke conclusie dat heeft geleid.

De procedure gaat dan verder met de vaststelling van de ontwerpbegroting. Daarin verandert niets Wat wel nog verandert, is dat de inzending van de vastgestelde begroting aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, als financieel toezichthouder, voortaan niet meer vóór 1 augustus hoeft te geschieden, maar vóór 15 september. Dat betekent dus dat er grofweg zes weken meer zijn voor de procedure, waarbij wel moet worden opgemerkt dat een deel daarvan binnen het zomerreces valt als er geen goed proces wordt uitgelijnd. De ODMH is er voorstander van om de gehele begrotingscyclus steeds voor het zomerreces’Jte ronden en zal daarnaar streven.

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: aanpassing nodig. Hoewel de aanpassingen in de begrotingscyclus direct uit de Wgr zelf volgen, is toch een aanpassing in de regeling van de ODMH nodig. De bepalingen in de regeling worden in lijn gebracht met de met de wettelijke bepalingen. Zoveel mogelijk zal worden verwezen naar de wet zelf, zodat bepalingen niet (meer) dubbel zijn geregeld. 3c. Aanscherping afspraken uittreding In iedere regeling moeten afspraken worden gemaakt over de gevolgen van uittreden van een deelnemer voor het vermogen voor de rechtspersoon en de overige deelnemers (artikel 52 Wgr jo. artikel 9, eerste lid Wgr). Daarbij moet in ieder geval worden gedacht aan afspraken over personeel contracten, huisvesting en investeringen (alle directe kosten). Er kan niet meer worden volstaan met een algemene bepaling dat het algemeen bestuur de uittredingsvoorwaarden bepaalt.

5 van 6

> Gevolgen voor de regeling van de ODMH: aanpassing nodig. De regeling van de ODMH bevat nu alleen een algemene bepaling over uittreding. Om te zorgenI voor rechtszekere situatie wordt een bepaling toegevoegd over hoe de uittreedkosten worden bepaald I • > » - — — - ---

(artikel 37, derde lid van de regeling van de ODMH). Bij de vaststelling van de financiële gevolgen gaat het naast de financiële kant van de uittreding zelf (vermindering taken), ook om de overname van contracten (huurovereenkomsten, arbeidsovereen­ komsten, inkoopcontracten e.d.). Daarbij zal vooral van belang zijn welke kosten toerekenbaar zijn. Wat tevens een rol zal spelen is de periode die de regeling nodig heeft zich aan te passen. Daarbij is '___________ het hanteren van een overbruggingsperiode van vijf jaar in de meeste gevallen redelijk. Overigens is uittreden uit de regeling van de ODMH in de praktijk lastig. Colleges van gemeenten en provincies zijn het namelijk verplicht om voor de uitvoering van het milieubasistakenpakket deel te nemen in een omgevingsdienst.

Overige wijzigingen In artikel 17, derde lid onder d. van de regeling van de ODMH is opgenomen dat besluiten over het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen van de regeling tot de bevoegdheid van het algemeen bestuur behoren. Deze bevoegdheden behoren echter bij de deelnemers. Deze bepaling wordt daarom geschrapt. Het algemeen bestuur neemt overigens wel besluiten die samenhangen met de besluiten van de deelnemers over deze onderwerpen. De taken en bevoegdheden die het algemeen bestuur daarin heeft zijn weergegeven in de artikelen 35 tot en met 37 van de regeling van de ODMH.

6 van 6

ODMH Omgevingsdienst Midden-Holland

Geconsolideerde versie Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland per 1-7-2024

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING OMGEVINGSDIENST MIDDEN HOLLAND (inclusief het wijzigingsbesluit van 11 oktober 2012, het 2- wijzigingsbesluit van de deelnemers met datum inwerkingtreding 1 januari 2016, het 3’ wijzigingsbesluit van de deelnemers met datum inwerkingtreding 1 januari 2020 en het 4® wijzigingsbesluit van de deelnemers met datum inwerkingtreding 1 juli 2024)

Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1

Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst

b.

dagelijks bestuur:

c.

colleges.'

d.

deelnemers:

e.

regeling: wet:

g

omgevingsdienst:

h.

vertegenwoordigende organen:

regiogemeenten:

j-

werkgebied;

Midden-Holland; het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Midden-Holland; Gedeputeerde Staten van Provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten; de colleges van Provincie Zuid-Holland en de regiogemeenten; de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland; de Wet gemeenschappelijke regelingen; het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam de Omgevingsdienst Midden-Holland; Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland en de gemeenteraden van de regiogemeenten; de gemeenten Alphen aan den Rijn, BodegravenReeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen, Zuidplas en de uit een of meer van deze gemeenten gevormde fusiegemeenten, en de op grond van artikel 36 van deze regeling toegetreden andere gemeenten; het grondgebied van de regiogemeenten dan wel het grondgebied van de hele provincie Zuid-Holland indien dat ten aanzien van een taak specifiek is bepaald in het mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten.

Hoofdstuk 2 Omgevingsdienst Midden-Holland

1 van 12

4

Artikel 2

Instelling

1.

Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Midden-Holland.

2.

De omgevingsdienst is gevestigd in Gouda.

Artikel 3

Belang

De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van Gedeputeerde Staten en bestuursorganen van de taken op het gebied van het omgevingsrecht in het regiogemeenten bij de uitvoering van hun I algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het gebied van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 4, eerste lid, onder b genoemde wetten.

Artikel 4

1.

Taken

Aan de omgevingsdienst komen ter behartiging van de belangen waarvoor de regeling is getroffen, de volgende taken en bevoegdheden toe: Het verrichten van adviserende, ondersteunende en voorbereidende werkzaamheden op het a. gebied van de zorg voor het omgevingsrecht en de uitvoering van programma’s en projecten

op het gebied van omgeving; Het namens de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten en voor zover daartoe mandaat is verleend, uitvoeren van de bij of krachtens de navolgende wetten

b.

toebedeelde taken en bevoegdheden: a. de Wet milieubeheer; b. de Wet geluidhinder; c. de Wet bodembescherming; d. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; e. de Wet ruimtelijke ordening; f. de Woningwet; g- de Gemeentewet; h. de Algemene wet bestuursrecht; i. de Wet openbaarheid van bestuur; j. de Omgevingswet. Het namens de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten tevens c. uitvoeren van omgevingstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in het

d.

eerste lid, onder b, voor zover daartoe mandaat is verleend; Het namens Gedeputeerde Staten en voor zover daartoe mandaat is verleend uitvoeren van de volgende taken en bevoegdheden, met inachtneming van met de provincie overeengekomen beleid: a. de taken en bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid onder b, voor zover Gedeputeerde

Staten het bevoegd gezag zijn; b. omgevingstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan onder a. genoemd; 2. Aan de omgevingsdienst komen voorts die taken en bevoegdheden toe welke op verzoek van een 1—of nf Gedeputeerde rsoHpniitPPrdp Staten worden uitgevoerd uitqevoerd en B&W van de regiogemeenten of meer colleges van uitgeoefend. 3. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in de vorige leden genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur met de deelnemers schriftelijk werkafspraken en afspraken over vergoedingen gemaakt.

2 van 12

4.

5.

6.

7.

Voorzover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan wel indien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen. Werkzaamheden met betrekking tot de in lid 1 onder b en c bedoelde taken en bevoegdheden die zijn gestart door de Milieudienst Midden-Holland voor het operationeel worden van de omgevingsdienst, worden voortgezet of overgenomen door de Omgevingsdienst Midden-Holland. De omgevingsdienst kan tevens taken uitvoeren of diensten verrichten voor en op verzoek van andere instanties dan de deelnemers. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van deze taken worden door of namens het dagelijks bestuur met de betreffende instanties schriftelijk werkafspraken en afspraken over vergoedingen gemaakt.

Hoofdstuk 3: Inrichting en samenstelling van het bestuur

§1-

Algemene bepaling

Artikel 5:

Het bestuur

Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. §2.

Algemeen bestuur

Artikel 6:

1. 2.

3.

4.

Samenstelling

Het algemeen bestuur bestaat uit twee leden per deelnemer, die door en uit het eigen college worden aangewezen. De colleges kunnen voor de door hen benoemde leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen benoemde leden bij afwezigheid vervangen. De plaatsvervangende leden dienen deel uit te maken uit van het eigen college. De aangewezen leden kunnen tevens elkaar vervangen. Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college van burgemeester en wethouders respectievelijk Gedeputeerde Staten, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het college van burgemeester en wethouders voorziet respectievelijk Gedeputeerde Staten voorzien zo spoedig mogelijk in de opvulling van de vacature. De colleges kunnen hun lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Na het ontslag wordt zo spoedig mogelijk voorzien in de opvulling van de vacature.

Artikel 1-.

Incompatibiliteiten

Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een der deelnemers dan wel door of vanwege het bestuur van de omgevingsdienst aangesteld of daaraan 3 van 12

ondergeschikt. Met een ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van een der deelnemers dan wel de omgevingsdienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

Artikel 8:

Vergaderingen

1. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. 2. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak ais het daartoe beslist. 3. Voorts vergadert het indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een lid van het algemeen bestuur schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.

Artikel 9:

Openbaarheid

1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. 2. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. 3. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

Artikel 10: 1.

2.

3. 4.

5.

6.

Besluitvorming

Het aantal stemmen van een lid van het algemeen bestuur staat in relatie tot het ingebrachte budget van de deelnemer die hij vertegenwoordigt. De voorzitter onthoudt zich van stemmen. Voor elke €100.000 ingebracht budget op basis van de laatstelijk vastgestelde begroting ontstaat voor de betreffende deelnemer 1 stem. Een besluit is bij gewone meerderheid van stemmen aangenomen, tenzij in de regeling of in het reglement van orde, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1, anders is bepaald. Wanneer is bepaald dat voor besluitvorming een gekwalificeerde meerderheid vereist is, geldt dat hieraan is voldaan indien 3/4 van het aantal leden van het algemeen bestuur aanwezig is en een 3/4 meerderheid van het totaal aantal stemmen van alle deelnemers wordt behaald. Indien deze regeling of de wet dat bepaalt, of indien het algemeen bestuur dat in voorkomende gevallen nodig acht, worden besluiten van het algemeen bestuur vooraf voor zienswijzen voorgelegd aan de vertegenwoordigende organen. Ingezetenen van de deelnemers of andere belanghebbenden worden niet betrokken bij besluiten van het algemeen bestuur.

Artikel 11: Verantwoordinqs- en informatieplicht 1. Het algemeen bestuur verstrekt aan de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het bestuursbeleid van de omgevingsdienst nodig is of die door één of meer leden van die vertegenwoordigende organen wordt verlangd. De informatie wordt schriftelijk verstrekt of mondeling in vergaderingen van de vertegenwoordigende organen. 2. Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd. 3. Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 4. De vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid.

§3.

Dagelijks bestuur 4 van 12

Artikel 12:_____Samenstelling 1. De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het algemeen bestuur gekozen, met dien verstande dat de leden van het dagelijks bestuur niet de meerderheid uitmaken van het algemeen bestuur. 2. De voorzitter is voorzitter van het dagelijks bestuur. Artikel 13:

Ontslag

1. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. 2. Het ontslag als bedoeld in het eerste lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen. 3. Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 4. Een lid van het dagelijks bestuur wordt terstond ontslagen bij verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

§4.

Voorzitter

Artikel 14:

Aanwijzing

1. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan. 2. Het algemeen bestuur wijst uit het dagelijks bestuur een plaatsvervangend voorzitter aan.

§5.

Commissies

Artikel 15:

Adviescommissies

1. Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het regelt de bevoegdheden en de samenstelling. 2. De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter. 3. Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld. Artikel 16:

Bestuurscommissies

1. Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling. 2. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. 3. Het algemeen bestuur kan aan een commissie als bedoeld in het eerste lid bevoegdheden van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur overdragen, met uitzondering van de bevoegdheid

5 van 12

tot het vaststellen van de begroting of van de jaarrekening alsmede bevoegdheden aangaande het beheer van de organisatie en personele bevoegdheden. 4. Bevoegdheden van het dagelijks bestuur kunnen niet dan op voorstel van het dagelijks bestuur worden overgedragen aan een commissie zoals bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4: Bevoegdheden

§1-

Bevoegdheden algemeen bestuur

Artikel 17:

Bevoegdheden algemeen bestuur

1. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de omgevingsdienst. 2. Alle bevoegdheden, bedoeld in de regeling, berusten bij het algemeen bestuur voorzover deze niet bij of krachtens de wet of deze regeling aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn toegekend. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van de wet is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot: a. Het vaststellen en wijzigen van de begroting. b. Het vaststellen van de jaarrekening; c. Het vaststellen en wijzigen van verordeningen. d. Vervallen 4. Het algemeen bestuur besluit slechts tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. 5. Voordat een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt genomen wordt aan de vertegenwoordigende organen een ontwerpbesluit toegezonden en worden zij in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen bij het algemeen bestuur in te brengen. 6. Het algemeen bestuur kan besluiten het functioneren van de regeling te evalueren. Voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie worden het doel, de reikwijdte en de wijze van evaluatie door het algemeen bestuur bepaald, daarbij worden de deelnemers gehoord. Artikel 18:

Overdracht van bevoegdheden

Het algemeen bestuur kan zijn bevoegdheden aan het dagelijks bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

§2.

Bevoegdheden dagelijks bestuur

Artikel 19:

Bevoegdheden dagelijks bestuur

1. Het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst berust bij het dagelijks bestuur voor zover niet bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het algemeen bestuur zal worden beraadslaagd en besloten. 3. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur, tenzij bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast.

6 van 12

J

4. Het dagelijks bestuur neemt, alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. 5. Het dagelijks bestuur is bevoegd namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur te besluiten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. 6. Het dagelijks bestuur is bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van handelingen als bedoeld in artikel 17, vierde lid van deze regeling. 7. Het dagelijks bestuur dient de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties desgevraagd van bericht en advies over al hetgeen het openbaar lichaam betreft. Van een dergelijk verzoek en de inhoud ervan doet het dagelijks bestuur mededeling aan de deelnemers. Artikel 20:

1. 2. 3.

§3.

Verantwoording

De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Besluitenlijsten en andere documenten van het dagelijks bestuur worden openbaar gemaakt overeenkomstig de bepalingen uit de Wet open overheid. Bevoegdheden voorzitter

Artikel 21:

Bevoegdheden voorzitter

1. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de omgevingsdienst. 2. De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde. 3. De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan. 4. Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de plaatsvervangende voorzitter. Artikel 22:

Verantwoording

1. De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur. 2. Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang. 3. De voorzitter verschaft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers alle inlichtingen die door deze organen of een of meer van hun leden worden gevraagd.

Hoofdstuk 5: Ambtelijke organisatie Artikel 23:

Inrichting organisatie

Het dagelijks bestuur regelt de inrichting van de organisatie van het openbaar lichaam. 7 van 12

Artikel 24: Vervallen

Artikel 25: Vervallen Artikel 26:

1. 2. 3.

4. 5.

6.

Directeur

De directeur van de organisatie van het openbaar lichaam wordt, op voordracht van het dagelijks bestuur, door het algemeen bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. Het algemeen bestuur stelt voor de directeur een instructie vast. Hierin worden de taken en bevoegdheden van de directeur weergegeven. De directeur is belast met de bedrijfsvoering en de dagelijkse leiding. Tevens is hij voor een correcte uitvoering van hetgeen hem door middel van de in het tweede lid bedoelde instructie is opgedragen, verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur. De directeur treedt op als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam bij de vervulling van hun taak en heeft in het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur een adviserende stem. Alle stukken, die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris mede ondertekend.

Artikel 27:

Overig personeel

1. Het dagelijks bestuur is, binnen het raam van de door het algemeen bestuur vastgestelde formatie, belast met het tewerkstellen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en met het schorsen en ontslaan van het personeel van de Omgevingsdienst, de directeur van de dienst uitgezonderd. 2. Het dagelijks bestuur bepaalt onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten worden aangegaan en welke CAO op het personeel in dienst van de Omgevingsdienst van toepassing is. Op het personeel in dienst van de Omgevingsdienst is daarnaast het Personeelshandboek van toepassing. 3. Waar in de in het tweede lid bedoelde regelingen gesproken wordt van "gemeenteraad", "college" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de directeur.

Hoofdstuk 6:

§1-

Begroting

Artikel 28: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Financiën en beheer van de Omgevingsdienst

Voorbereiding begroting

Bij het voorbereiden van de begroting worden de artikelen 58b en 59 van de wet gevolgd. Vervallen Vervallen Vervallen Vervallen Indien noodzakelijk vinden begrotingswijzigingen plaats bij de voorjaarsnota en/of de najaarsnota.

8 van 12

■i

7. Voorgenomen begrotingswijzigingen worden vooraf voor een zienswijze aangeboden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. Hiervan kan worden afgezien als het totaal aan mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt en de wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in financiële dekking is voorzien.

Artikel 29:

Vaststelling begroting

1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 10 wordt de begroting vastgesteld wanneer een drie-vierde meerderheid in het algemeen bestuur is bereikt. 2. In de begroting wordt vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is aan de omgevingsdienst. 3. Op het vaststellen van de begroting is artikel 58 van de wet van toepassing. §2.

Jaarrekening

Artikel 30:

Vaststelling

1. Op het vaststellen van de jaarrekening is artikel 58 van de wet van toepassing. 2. Vervallen 3. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. §3.

Beheer en garantstelling

Artikel 31:

Financiële administratie

Het algemeen bestuur stelt een verordening vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het financieel beheer van de omgevingsdienst. Artikel 32:

Garantstelling

De deelnemers zullen zorgdragen dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

§4

Financiën

Artikel 33:

1.

2.

Uitgangspunten financieel beleid

Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Op deze regels is artikel 212 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Op deze regels is artikel 213 met uitzondering van artikel 213a van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34:

Betaling

9 van 12

t-

1. 2. 3.

De deelnemers betalen uiterlijk 16 januari, 16 april, 16 juli en 16 oktober een voorschot in de bijdrage van het lopende boekjaar ten bedrage van 25% van het begrote budget. De definitieve afrekening over het voorgaande boekjaar vindt plaats binnen twee maanden na vaststelling van de jaarrekening. Het exploitatiesaldo van een vastgestelde jaarrekening in een jaar komt ten bate dan wel laste van de deelnemers, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. De verdeling is gebaseerd op de inbreng van de deelnemers.

Hoofdstuk 7: Wijziginci. toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 35 :

Wijziging van de regeling

. De deelnemers, alsmede het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling. 2. Voor wijziging van de regeling is een gekwalificeerde meerderheid van stemmen van de deelnemers vereist. 3. De deelnemers besluiten niet tot wijziging dan nadat toestemming is gekregen van Provinciale Staten en de gemeenteraden van de regiogemeenten conform artikel 51 van de wet. 4. De wijziging wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt. 5. Bij de wijziging wordt bepaald wanneer deze in werking treedt. Artikel 36:

Toetreding

1. Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten bestuursorganen van waterschappen en andere openbare lichamen toetreden. 2. Toetreding is mogelijk op ieder moment nadat de deelnemers, na toestemming van de vertegenwoordigende organen, hiertoe bij gekwalificeerde meerderheid hebben besloten. 3. Het betreffende bestuursorgaan dat wil toetreden dient hiertoe een verzoek in bij het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst. Bij het verzoek wordt het besluit gevoegd waaruit de toestemming van het eigen vertegenwoordigde orgaan blijkt. 4. Het dagelijks bestuur brengt het verzoek ter kennis van het algemeen bestuur en geeft daarbij een advies over de toetreding. Het algemeen bestuur doet vervolgens een voorstel en geeft daarin aan welke voorwaarden, waaronder financiële, aan de toetreding zijn verbonden.

Artikel 37:

Uittreding

1. Een deelnemer kan uit de regeling treden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van haar bestuursorganen. 2. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en stelt de verschuldigde schadeloosstelling vast. 3. Bij het bepalen van het bedrag van de verschuldigde schadeloosstelling worden in ieder geval de volgende onderdelen meegewogen: a. de directe kosten en de reële toekomstige schade voor de regeling en de overige deelnemers ais gevolg van het uittreden van de deelnemer, waarbij een overbruggingsperiode van vijfjaar geldt, b. de kosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend; deze worden ‘naar rato’ berekend, dat wil zeggen als de procentuele bijdrage van de uittredende deelnemer aan de gemeenschappelijke regeling, c. het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve, en 10 van 12

d. de hoogte van de jaarlijkse bijdrage van de uittredende deelnemer op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding. 4. De deelnemers dienen overeenkomstig artikel 51 van de Wet in te stemmen met de door het algemeen bestuur vastgestelde verschuldigde schadeloosstelling.

Artikel 38:

1.

Opheffing

De deelnemers kunnen bij unanimiteit besluiten de regeling op te heffen. De deelnemers besluitgQ niet tot opheffing dan nadat de vertegenwoordigende organen daarover zijn gehoord. 2. Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan op om tot opheffing van de regeling te komen. Het algemeen bestuur beslist in afwijking van artikel 10 bij unanimiteit. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. 4. Bij ontbinding van de regeling, in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft de omgevingsdienst voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voorzover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van de omgevingsdienst. 5. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 6. Zonodig blijven de organen van de omgevingsdienst ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 8:

Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 39:

Archief

1.

2.

3.

4. 5. 6.

7.

8.

De bepalingen van de Archiefwet 1995 en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsvoorschriften zijn, voor zover deze betrekking hebben op de archiefbescheiden van gemeenten, van overeenkomsti­ ge toepassing op de omgevingsdienst. Het algemeen bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening, met inachtneming van artikel 40, lid 1 en 2 van de Archiefwet 1995, draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst. De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de omgevingsdienst. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur de archiefbewaarplaats van het Streekarchief Midden Holland aan.

Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995, belast een inspecteur van de Groene Hart Archiefinspectie. Bij opheffing van de omgevingsdienst worden de archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het Streekarchief Midden Holland.

11 van 12

♦

Artikel 40:

Klachtregelingen

1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtregeling vast. 2. De Nationale ombudsman is, onverminderd het bepaalde in de Wet Nationale ombudsman, bevoegd tot behandeling van klachtschriften als bedoeld in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 41:

Inwerkingtreding

1. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. 2. De regeling wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt. 3. De regeling is in werking getreden op 18 april 2012, gewijzigd per 11 oktober 2012, 1 januari 2016 en 1 januari 2020. 4. De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst MiddenHolland”. 5. Gedeputeerde Staten zenden de regeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

12 van 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12759495/1