Bijlage 2 Bestemmingsplan ’t Verlaat en Leliestraat Toelichting GEWIJZIGD A23.001610
Tekst van het document
•
Hierdoor ontstaan voor gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen mogelijkheden om tenminste drie zomerverblijfplaatsen en drie paarverblijfplaatsen in te nemen die duurzaam kunnen voortbestaan.
•
In het essentieel foerageergebied zijn voor de start van de werkzaamheden nieuwe bomen geplant. Om voldoende voedselaanbod voor vleermuizen (in de vorm van insecten) te bereiken zijn inheemse soorten aangeplant
•
De sloop van gebouwen en het kappen van bomen in het foerageergebied wordt uitgevoerd op een aangepast, vleermuisvriendelijke wijze.
Op basis hiervan heeft de Omgevingsdienst Haaglanden bij besluit van 19-05-2023 een beschikking in het kader van de Wet natuurbescherming afgegeven. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of een Belangrijk weidevogelgebied en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. In het onderzoek wordt dan ook gesteld dat een Voortoets, ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUS-stikstofberekening niet noodzakelijk zijn.
43
Stikstofdepositie Het voorliggende plan maakt een ontwikkeling mogelijk die wel een indirecte werking kan hebben op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Derhalve is een AERIUS-berekening opgesteld om de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen (zie bijlagen bij toelichting bijlage 7, Buro SRO, oktober 2023). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in de bouwfase en in gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is de ontwikkeling uitvoerbaar. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming of houtopstanden in het kader van de Wnb. Ten aanzien van soortenbescherming (vleermuizen) is een Mitigatieplan opgesteld om negatieve effecten te voorkomen dan wel te beperken. Op basis hiervan heeft Omgevingsdienst Haaglanden op 19 mei 2023 een beschikking in het kader van de Wet natuurbescherming afgegeven.
Daarnaast dient tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen de volgende maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen:
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
44
4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologische beleidsadvieskaart Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden is een archeologie beleid opgesteld. De archeologische beleidsadvies kaart is afgeleid uit de archeologische verwachtingskaart, waarbij de beleidsadviezen in de legenda zijn opgenomen. Door nieuwe inzichten, ontwikkelingen en uitgevoerde onderzoeken is deze kaart aan verandering onderhevig en hebben diverse actualisaties plaatsgevonden.
Het meest recente geactualiseerde archeologiebeleid is vastgelegd in de in juni 2017 opgestelde nota “Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente Zuidplas”, dat als aanvulling op de in 2010 vastgestelde beleidsnota gezien dient te worden. In januari 2018 zijn nog enkele redactionele wijzigingen aan deze nota aangebracht. Op 6 maart 2018 is het paraplubestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie' vastgesteld. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid, waarbij de vastgestelde archeologische beleidskaart de basis vormt voor de bij deze parapluherziening behorende verbeelding. Aan de hand van de archeologische verwachtingenkaart en beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Het gemeentelijk archeologisch beleid voorziet in vier categorieën, met bijbehorende oppervlakte- en dieptecriteria. Planspecifiek Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie'. De gronden van het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Dit houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden groter dan 1.000 m² en dieper dan 3 m -Mv.
Er wordt niet voldaan aan deze vrijstellingsgrenzen, daarom is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Transect, 29 december 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Op basis van het bureauonderzoek hangt de archeologische verwachting voornamelijk samen met de ligging van het plangebied op een stroomrug. Er zijn meerdere archeologisch relevante niveaus in het plangebied te onderscheiden. Het diepste niveau wordt gevormd door de top van de oeverafzettingen van de Delft stroomrug, die zich heeft ingesneden in de Formatie van Kreftenheye. De top heeft een verwachting voor de periode Mesolithicum en mogelijk Neolithicum en wordt verwacht tussen 8,1 en 13,2 m -NAP. Voor het plangebied geldt dat er theoretisch gezien de mogelijkheid bestaat op archeologische waarden uit het Neolithicum. Weliswaar stond het gebied in deze periode onder invloed van de getijden, wat ongunstig is voor bewoning en/of landgebruik door de dynamische omstandigheden. Na het sluiten van de kustlijn was het echter mogelijk dat de oevers van getijdegeulen voor een korte periode bewoonbaar waren. Zodoende wordt dit niveau op de getijdeafzettingen verwacht. De archeologische verwachting voor de periode Bronstijd – Late Middeleeuwen is laag.
Voor de perioden Bronstijd – Vroeg Middeleeuwen is dit gebaseerd op de vermoedelijk afgraving van het veen in het plangebied, wat plaatsvond gedurende de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Op basis van historische kaarten hebben in het plangebied mogelijk twee molens gestaan tijdens de eerste drooglegging, maar deze zijn onder water geraakt toen de Zuidplas ontstond. Tijdens de inpoldering van het gebied zijn er twee
45
andere molens aanwezig volgens de beleidskaart, waarvoor een zeer hoge verwachting geldt. Voor de locatie van deze molens geldt een hoge verwachting. Op grond van het archeologisch onderzoek is vastgesteld dat vanaf een diepte van 40 cm -Mv sprake is van een middelhoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van intacte resten uit het Neolithicum en een hoge verwachting voor het Mesolithicum en Nieuwe Tijd. Dit betekent dat in het kader van de herontwikkeling van het gebied rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van deze archeologische resten. Gezien de verwachting op archeologische resten in het plangebied wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren naar de stroomrug en de molenplaatsen. Inventariserend Veldonderzoek Door Transect is een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase' uitgevoerd (rapport d.d. 5 mei 2022): zie bijlagen bij toelichting bijlage 11. Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de archeologische verwachting. Het betreft uitsluitend een verkennende fase, in de vorm van een booronderzoek. Tijdens de verkennende fase worden de bodemopbouw, bodemintactheid en bodemreliëf in kaart gebracht. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden.
Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Op basis van het eerder uitgevoerde archeologische bureauonderzoek hangt de archeologische verwachting voornamelijk samen met de ligging van het plangebied op de Delft stroomrug. Deze is vanaf circa 7500 tot 6250 v. Chr. actief geweest, gedurende het Mesolithicum. Voor dit niveau is een (hoge) verwachting opgesteld. Het tweede potentiële niveau betreft de top van het Hollandveen. Op een topografische kaart uit 1651 is in het plangebied sprake van twee molens. Ook op de gemeentelijke verwachtingskaart zijn twee molens ingetekend (op een andere locatie). Deze zijn naar verwachting op het veen gebouwd. De vraag is in hoeverre er nog veen in het plangebied aanwezig is, gezien er sprake is geweest van veenafgraving ten behoeve van turfwinning. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek vervalt de verwachting ter plaatse van de molenlocaties. Deze molens zijn namelijk gebouwd op veen, vóór de vorming van de Zuidplas. Een veenpakket is hier namelijk niet aangetroffen, waardoor er geen restanten van molens meer worden verwacht. Er is hier uitsluitend een bouwvoor of recente ophoging aangetroffen, met daaronder afzettingen van het Laagpakket van Wormer. De afzettingen van de Delft stroomrug zijn aangetroffen in het plangebied.
Het beddingzand hiervan laat een vrij sterk verloop in oostelijke richting zien. In het westen bevindt dit zand zich op 370 cm -Mv (8,23 m NAP). Het diepste voorkomen van het beddingzand van de Delft stroomrug is op 760 cm -Mv (12,35 m NAP). Boven het beddingzand is sprake van geul- en oeverafzettingen. De oeverafzettingen zijn in twee boringen aangetroffen, hier is bovendien een matig humeus donkergrijszwart (aquatisch) niveau in de top gevormd. Deze afzettingen zijn echter slap en voorzien van rietresten. Daaronder komen humusvlekken voor. Deze kenmerken wijzen op relatief natte omstandigheden, waardoor het onwaarschijnlijk is dat deze oever droog genoeg heeft gelegen voor bewoning. In de boringen ten oosten van deze oeverafzettingen hiervan ontbreekt beddingzand, maar is op grotere diepte (930-970 cm -Mv (14,2 á 14,7 m -NAP) sprake van afzettingen behorende tot de Formatie van Kreftenheye, afgedekt met de Laag van Wijchen en een veenlaag. Boven dit veen bevinden zich komafzettingen van de Delft stroomrug. Gezien de oevers van de Delft stroomrug als te nat voor bewoning worden beschouwd, kan de verwachting op resten uit het Mesolithicum naar beneden worden bijgesteld. Conclusie Op basis van het veldonderzoek kan gesteld worden dat geen archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn in het plangebied.
Er is geen bezwaar tegen de voorgenomen plannen en er is geen vervolgonderzoek nodig. Dat houdt in dat in het voorliggende bestemmingsplan geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' gehanteerd hoeft te worden.
46
4.9 Waterparagraaf 4.9.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterplan Zuidplas Het waterplan, een gezamenlijk project van de gemeente Zuidplas en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, is opgesteld om maatregelen te nemen die zorgen voor droge voeten en een goede waterkwaliteit in de gemeente Zuidplas. Dat laatste is belangrijk voor de in en om het water levende planten en dieren, de landbouw en het recreatief medegebruik. Het waterplan heeft als resultaat een gezamenlijke visie en de uitwerking van de visie tot een concreet maatregelenprogramma met hierin een tijdsplanning, kostenraming en kostenverdeling. Ook de ruimtelijke consequenties van het waterbeleid worden aangegeven in het waterplan. In het waterplan wordt ingegaan op de bouwstenen: waterkwantiteit, waterveiligheid, waterketen en riolering, grondwater, oppervlaktewater en ecologie, beheer en onderhoud stedelijk water, waterbeleving en recreatie en water en Ruimtelijke Ordening.
47
Watertoets De watertoets omvat het afstemmingproces tussen de planontwikkelaar en de waterbeheerder. Het doel van deze afstemming is het element water een volwaardige plek te geven bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit is nodig om eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding te voorkomen en kansen voor een betere waterhuishouding te benutten. De meest belangrijke onderdelen van de watertoets zijn: een advies van de waterbeheerder bij ruimtelijke ontwikkelingen en een waterparagraaf.
4.9.2 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op ook op de lange termijn te voldoen aan de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:
• • • •
het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen; het zuiveren van afvalwater.
Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water’, moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave:
•
Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027
• •
Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027 Water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027
Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoename is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. 2. 3.
Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak
48
Keur en Beleidsregels Op grond van de Waterwet is van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;
Maar ook aan:
• •
Onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Planspecifiek Watercompensatie Voor het onderhavige gebied hanteert het hoogheemraadschap een compensatie-eis van 7%. Aangetoond dient te worden dat er voldoende wordt gecompenseerd. Het voorliggende plan valt onder de categorie 'middelgrote plannen'. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Door middel van de volgende berekening kan de benodigde watercompensatie bepaald worden: netto norm (%) = bruto norm (%) * oppervlakte plangebied (m²) / oppervlakte verhardingstoename (m²). Om de toename van de verharding en de benodigde watercompensatie te bepalen wordt in het kader van het stedenbouwkundige een verhardingsbalans opgesteld. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een verhardingsbalans opgesteld, waaruit blijkt dat in totaal ca. 23.800 m² aan verharding wordt toegevoegd. Daarvan dient 15% gecompenseerd te worden, wat neerkomt op 3.570 m² aan oppervlaktewater.
Ten opzichte van de bestaande situatie neemt het oppervlaktewater met de beoogde ontwikkeling met ruim 6.000 m² toe, waarmee ruimschoots voorzien wordt in voldoende watercompensatie. Op onderstaande afbeelding is de beoogde waterstructuur weergegeven.
49
Beoogde waterstructuur (bron: Buro SRO, d.d. 11-08-2022)
Afstemming met hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het hoogheemraadschap heeft ten behoeve van deze ontwikkeling de notitie 'Inrichting watersysteem ’t Verlaat in Zevenhuizen' (d.d. 27 januari 2022) opgesteld. Met het oog op een toekomstbestendige inrichting van het watersysteem is hierbij ook de herontwikkeling van de Swanladriehoek betrokken, waarbij gekeken is naar de aan- en afvoer van dit gebied in z’n geheel. Geconstateerd wordt dat de duiker bij de kruising van de Knibbelweg en de Noordelijke Dwarsweg nu al een knelpunt vormt en niet voldoet aan de afvoernormen van het hoogheemraadschap. Water van de wijken tussen Van ’t Verlaat en de Swanladriehoek. Om het water op een verantwoorde wijze richting het noorden af te voeren, zijn er aanpassingen nodig, zoals het aanpassen van stuwen en het realiseren van een nieuwe duiker van 800 mm bij de Stampioenstraat. Daarnaast wordt uitgegaan van het verbreden van de watergang tussen de Swanladriehoek en de kassen tot een breedte van minimaal 4 meter en met een diepte van minimaal 0,6 m. Deze verbreding wordt mogelijk gemaakt in het nieuwe bestemmingsplan voor de Swanladriehoek. Watersysteem Het waterpeil in dit gebied wordt overwegend gebracht op 5,42 m beneden NAP, waarbij het met de hierboven genoemde duiker bij de Stampioenstraat onderdeel wordt van peilvak GPG-840.
De bestaande watergang aan de Noordelijke Dwarsweg behoudt het huidige peilniveau. Ten noordwesten van het bestaande bedrijventerrein op de hoek van de Knibbelweg en de Noordelijke Dwarsweg wordt een nieuwe watergang voorgesteld, waarvan het waterpeil aansluit op die van de huidige watergang aan de Knibbelweg. Daarmee wordt een passende waterhuishoudkundige situatie van het bedrijventerrein veiliggesteld. De scheiding met het waterpeil in de rest van het plangebied wordt vormgegeven middels een schiereiland en een stuw. Waterafvoer Het voornemen is om de nieuwe woningen aan te sluiten op een gescheiden rioleringsstelsel, waarbij het afvalwater aangesloten wordt op het gemeentelijk rioolstelsel. Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem en afgevoerd naar de naastgelegen watergangen. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt.
50
Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard blijkt dat de planlocatie grotendeels is omringd door een hoofwatergang met een beschermingszone van 5 m aan weerszijde van de watergang. Met het voorgenomen plan zal de hoofdwatergang behouden blijven en binnen de beschermingszone zullen geen gebouwen worden gerealiseerd. Verder zijn er binnen en in de directe omgeving van de planlocatie geen regionale en/of primaire waterkeringen aanwezig. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de legger van hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
Uitsnede legger hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (bron: hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard)
Conclusie Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Door Antea Group is een memo opgesteld 'Verkeersgeneratie en -afwikkeling Van ’t Verlaat en Leliestraat' d.d. 15 april 2021: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9. In deze memo zijn de huidige en toekomstige verkeersgeneratie berekend, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende scenario's.
51
Het rapport is gebaseerd op een oude versie van het stedenbouwkundige plan, maar het aantal woningen in het rapport (360 woningen) is vergelijkbaar met het aantal woningen in het huidige stedenbouwkundige plan (359 woningen). Tevens gaat het rapport uit van een worstcase scenario. Om die redenen is geconcludeerd dat het rapport nog bruikbaar is voor de huidige plannen en hier niet op hoeft te worden aangepast. In het rapport wordt het volgende geconcludeerd:
•
De verkeersgeneratie als gevolg van deze motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm).
•
De toename van 1.207 mvt/etm zal naar verwachting niet leiden tot hinder op de aansluitende wegen. Op basis van de kruispuntberekeningen blijkt dat verkeerstechnisch er in beide scenario’s (één of twee ontsluitingsroutes) geen problemen zijn te verwachten op gebied van de doorstroming.
•
De Noordelijke Dwarsweg is een 50 km/h weg met een theoretische maximale capaciteit van ca. 12.000 mvt/etm. Uit de berekeningen blijkt een toename van de verkeersintensiteit van 1.207 mvt/etm. Het hoge toekomstscenario in het verkeersmodel gaat uit van ca. 5.500 mvt/etm (hierin zitten vrijwel alle ontwikkelingen al opgenomen). In geval deze ontwikkeling daar niet inzit, komt de verkeersintensiteit op de Noordelijke Dwarsweg op ca. 6.700 mvt/etm. Deze intensiteiten zijn ruim onder de grenswaarde voor een 50 km/h weg.
ontwikkeling
neemt
toe
met
1.207
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Zuidplas heeft op 5 november 2019 de 'Nota Parkeernormen 2019' vastgesteld. Deze nota vervangt de Beleidsnota Parkeernormen uit 2013. Er is rekening gehouden met de nieuwe parkeerkencijfers van het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW).
Bovendien zet de nieuwe nota in op meer flexibiliteit in de toepassing van kencijfers en parkeernormen door meer gebiedsgerichte en meer doelgroep specifieke normen. Planspecifiek In de 'Nota Parkeernormen 2019' is het onderhavige gebied deel van het gebiedstype 'Zone B', met een gemiddelde tot hoge auto-afhankelijkheid. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van in totaal 359 wooneenheden, waaronder 84 zorgwoningen, 40 aanleunappartementen en 20 woningen van een woongroep. In het kader van het stedenbouwkundige plan is de parkeerbehoefte berekend, waarbij ook rekening is gehouden met aanwezigheidspercentages. Er is gebruik gemaakt van de rapportage van Goudappel (d.d. 9 maart 2022), waarin de parkeerbehoefte van De Zevenster nader is onderbouwd: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10. Uit de berekeningen blijkt dat de beoogde ontwikkeling voor een parkeervraag van (afgerond) 547 parkeerplaatsen zorgt. Hierbij is ook rekening gehouden met 25 parkeerplaatsen ter compensatie voor de bewoners van Stampioenstraat-Tirionstraat.
52
Met de beoogde ontwikkeling wordt in dit aantal voorzien. Het gaat daarbij om 455 parkeerplaatsen in openbaar gebied en 92 parkeerplaatsen op eigen terrein of in een parkeergarage. Daarbij wordt bij een deel van de rijenwoningen uitgegaan van parkeren in de voortuin. Tevens wordt voorzien in twee (half-)verdiepte parkeerkelders onder appartementengebouwen. Voor wat betreft het parkeren op eigen terrein geldt een instandhoudingsplicht. De betreffende parkeerplaatsen zijn op de verbeelding voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - parkeren' en hiervoor is een regeling opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.
Beoogde situatie parkeren (bron: Buro SRO, d.d. 11-08-2022)
Conclusie In totaal worden net iets meer parkeerplaatsen voorgesteld dan er maximaal benodigd zijn. Derhalve wordt voldaan aan de parkeernormen.
4.11 Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit de WOll-tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2014 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is dan ook niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Conclusie Uit onderzoek naar NGE blijkt dat er geen belemmering is voor het voorgenomen initiatief.
53
4.12 Duurzaamheid Het belangrijkste doel uit het Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderd ten opzichte van 1990. In 2050 is de uitstoot van broeikasgassen zelfs met 95% afgenomen. Om de klimaatdoelen voor 2030 te behalen moet het tempo van verduurzaming omhoog. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).
Die eisen vervangen de EPC en zijn dus ook van toepassing op het voorliggende initiatief. MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo. Provinciaal energiebeleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied.
Ten aanzien hiervan geldt dat bij de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving bevat op welke wijze rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. GPR Stedenbouw Ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte is er GPR Stedenbouw. Dit komt nader aanbod bij het Inrichtingsplan. Planspecifiek Uit toelichting paragraaf 3.3.3 blijkt dat het voorgenomen plan past binnen het 'Programma Duurzaamheid en Klimaatadaptatie' van de gemeente Zuidplas. Daarnaast zullen de woningen voldoen aan de BENG-
54
normen en zal er gebruik gemaakt worden van duurzame installaties, goede isolatie en duurzame materialen. De woningen worden gasloos uitgevoerd. De maaiveldhoogte in het plangebied loopt van west naar oost af van 4 naar 5 m -NAP. Deze lage ligging vormt een reden om extra aandacht te besteden aan klimaatadaptatie. Hiertoe wordt het plangebied klimaatadaptief ingericht. Er zal sprake zijn van voldoende mogelijkheden om het regenwater op te vangen bij zware weersomstandigheden. De watergangen rond het plangebied blijven behouden en worden waar nodig verbreed en aanzienlijk uitgebreid. Dat helpt ook bij het tegengaan van hittestress, in combinatie met het opgaande groen in het plangebied.
4.13 Bezonning In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, in het besluit gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. De wet gebruikt hiervoor de term goede ruimtelijke ordening, waarbij voor plannen binnen een stedelijke omgeving een beperkte verslechtering acceptabel wordt geacht. Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningsstudie uit te voeren, waarmee wordt inzicht verkregen of sprake is van schaduwhinder en zo ja, in welke mate. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat geen directe wettelijke basis. Voor de inhoud wordt landelijk veelal gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘TNO-norm’, een richtlijn of er sprake is van voldoende en goede bezonning. De TNO-norm bevat een aantal uitgangspunten voor de mate van bezonning en tijdstippen die algemeen gehanteerd worden. Er is een lichte en een strenge TNO-norm geformuleerd. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De norm wordt alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Om die reden blijven noordgevels buiten beschouwing, omdat deze gevels nooit direct zonlicht. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer.
Zo houdt de lichte TNO-norm in dat er sprake is van voldoende bezonning bij ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag, in de periode van 19 februari tot 21 oktober en gemeten in de woonkamer op de begane grond, aan de binnenkant van het raam in het midden van de vensterbank. De normen zijn ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes, maar hiervoor geeft de TNO-norm geen ijkpunten. Planspecifiek Er is voor het onderhavige initiatief een bezonningsstudie uitgevoerd: ‘Bezonningsstudie Van ‘ t Verlaat – Leliestraat Zevenhuizen’ (Buro SRO, d.d. 14 juni 2022); zie bijlagen bij toelichting, bijlage 12. In deze studie is aangesloten bij de lichte TNO-norm. Voor wat betreft tuinen, dakterrassen en balkons, waarvoor de TNOnorm geen ijkpunten geeft, is in de bezonningsstudie uitgegaan dat 50% van het betreffende vlak, van een tuin, dakterras en/of balkon, zon heeft. De bezonningsstudie is gebaseerd op het stedenbouwkundig plan Van ’t Verlaat - Leliestraat, waarin nadrukkelijk rekening is gehouden met de inpassing van de nieuwe bebouwing ten opzichte van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Zo zijn de hogere bouwmassa’s meer in het binnengebied van het plan geplaatst. Daarmee is de invloed van het plan op de omgeving, wat betreft eventuele schaduwhinder, beperkt.
Uit eerste beoordeling blijkt dat de woningen aan de Knibbelweg, Noordelijke Dwarsweg en Leliestraat geen of nauwelijks schaduwhinder ondervinden. Alleen voor de Tirionstraat en Stampioenstraat is er mogelijk sprake van schaduwhinder. Dit geldt ook voor de woningen aan de Leliestraat, Dahliastraat en Schoolstraat. Daarom gaat deze bezonningsstudie alleen in op de woonbebouwing aan deze straten. De nieuwe situatie is in de bezonningsstudie afgezet tegen de huidige (planologische) situatie. Op de gegenereerde beelden is met kleur inzichtelijk gemaakt of sprake is van een verbetering (groen) of een verslechtering (rood) van de bezonningssituatie. Situatie Tirionstraat - Stampioenstraat De huidige situatie op de planlocatie veroorzaakt beperkte schaduwhinder op de gevels van de panden aan de Stampioenstraat en Tirionstraat. Het plan leidt tot een beperkte verslechtering van de bezonningsituatie voor de beschouwde panden aan deze straten. Gedurende de maanden september t/m maart treedt er in
55
de ochtend tussen 09:00 en 11:00 een effect op van circa 1 à 2 uur op de zuidoostelijke gevel van de woningen van de Stampioenstraat en Tirionstraat. Op de overige tijdstippen in de maanden maart en juni is er geen sprake van schaduwhinder op de zuidoostelijke gevels aan de Stampioenstraat en Tirionstraat. Daarmee treedt er geen dusdanige verslechtering op waarmee niet wordt voldaan aan 2 uur bezonning per dag op de beschouwde gevels. Daarmee wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Situatie Leliestraat - Dahliastraat - Schoolstraat In de huidige situatie veroorzaakt de bestaande (planologische) situatie reeds schaduwhinder op de achtergevels van de woningen aan de Dahliastraat. Dit gedurende de maanden september t/m maart in de ochtend tussen 9.00 en 12.00 uur. Het plan leidt niet alleen tot een beperkte verslechtering van de bezonningsituatie voor de beschouwde panden aan deze straten, maar juist ook tot een verbetering. In de maanden september en februari treedt er in de ochtend tussen 09:00 en 10:00 een effect op van circa 1 uur op de zuidgevel van de woningen aan de Schoolstraat 17 t/m 21 en 27 t/m 39. Op de overige tijdstippen (voor- en achtergevels) wordt er geen schaduwhinder ondervonden. Voor de woningen aan de Dahliastraat 20 t/m 24 treedt er alleen een beperkte verslechtering op in de maanden september en oktober van 10.00 uur tot 12.00 uur.
In de maanden september, oktober en februari treedt er juist ook een verbetering op voor een aantal woningen aan deze straat. Daarmee treedt er geen dusdanige verslechtering op, waarmee niet wordt voldaan aan 2 uur bezonning per dag op de beschouwde gevels. Er wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Conclusie Aangezien in de nieuwe situatie overal voldaan wordt aan de lichte TNO-norm, kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect bezonning.
56
hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Bestemmingen De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de geldende bestemmingsplannen. De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Zuidplas. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Groen De groenzones in het plangebied zijn veiliggesteld via de bestemming 'Groen'. De gebruikelijke gebruiksmogelijkheden worden geboden. Tevens zijn calamiteitenroutes mogelijk binnen deze bestemming. Verder zijn in verband met de bestemming alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten, zoals terreinafscheidingen en lichtmasten. Maatschappelijk Het woonzorgcentrum De Zevenster wordt voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk'. Deze gronden mogen gebruikt worden ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen en voor ten hoogste 84 woonzorgwoningen (inclusief vier plekken voor palliatieve zorg), met bijbehorende algemene (zorg-)ruimten en ondersteunende horeca uit categorie 0 van het gemeentelijke horecabeleid.
Tevens is ondergeschikte dienstverlening toegestaan; uitsluitend op de begane grond en tot een maximum oppervlakte van 25 m² b.v.o. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven dat volledig bebouwd mag worden. De maximum bouwhoogte (10 m) is aangeduid. Verkeer - Verblijfsgebied Ten behoeve van de ontsluiting en parkeerplaatsen wordt de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gehanteerd. Binnen deze bestemming zijn bijvoorbeeld ook groenvoorzieningen en straatmeubilair e.d. toegelaten. Er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals lichtmasten e.d. toegelaten. Tevens is een geluidscherm mogelijk gemaakt, ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm', met een maximale hoogte van 2 m.
57
Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen en waterpartijen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging, bermen en groenvoorzieningen en kunstwerken. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waaronder oeverbeschoeiingen. Tevens is een regeling opgenomen voor vlonders bij woonpercelen die met de achterkant aan de bestemming 'Water' grenzen. Ook binnen deze bestemming is ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' een geluidscherm toegestaan met een maximale hoogte van 2 m. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Er wordt voor de bewoner ruimte geboden voor aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven, tot maximaal 30% van het grondvloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m². Tevens zijn de daarbij behorende tuinen, bijbehorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden, speeltoestellen, water en kunstwerken toegestaan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd, waarbij ook de woningtypologie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd en gestapeld), het maximum aantal wooneenheden en de maximum goot- en/of bouwhoogten zijn vastgelegd.
Hierbij zijn verbijzonderingen op koppen van blokken mogelijk, conform het stedenbouwkundige plan. Zo is hier de mogelijkheid opgenomen om bij de aaneengebouwde en twee-aaneengebouwde woningen waarvoor een maximum bouwhoogte van 11 meter is opgenomen, verbijzonderingen in de vorm van drie bouwlagen (zonder kap) toe te staan. Maar ook de mogelijkheden die in de rest van het bouwvlak gelden (maximum goothoogte 7 m en maximum bouwhoogte 12 m) zijn hier van toepassing. Hiervoor is in de bouwregels een bepaling opgenomen. Ook is een regeling opgenomen voor het overschrijden van de maximale goothoogte met 2,5 meter, mits het niet meer dan 50% van de totale gevellengte van het bouwvlak betreft. Daarnaast is met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - groepsruimte' aangegeven dat ter plaatse groepsruimten zijn toegelaten. Verder is met de functie-aanduiding 'parkeergarage' aangeduid waar verdiept of halfverdiept parkeren plaats heeft. Voorts is een regeling opgenomen voor bijbehorende bouwwerken, inclusief een regeling voor erkers. Verder is een bepaling opgenomen voor de woningen waar de bijbehorende bouwwerken aan de voorzijde van de woning zijn beoogd. Hiervoor is de aanduiding 'bijgebouwen' opgenomen, waarbij geregeld is dat de bijbehorende bouwwerken op de betreffende bouwpercelen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gebouwd mogen worden.
Bij de woningen die met de achterkant aan de bestemming 'Water' grenzen is in een zone direct aan de waterbestemming de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - openheid' opgenomen; hier zijn geen vergunningplichtige en vergunningvrije bouwwerken toegestaan. Bij tuinen met een diepte tot 10 m is de aangeduide zone 3 m diep, terwijl bij diepere tuinen de aangeduide zone 4 m diep is. In de bestemmingsregeling is verder een 'Voorwaardelijke verplichting geluidscherm' opgenomen. Hiermee is veiliggesteld dat het benodigde geluidscherm wordt gerealiseerd in verband met de aanwezige bedrijven op de hoek van de Noordelijke Dwarsweg en de Knibbelweg. Het betreffende scherm is voorzien van de functieaanduiding 'geluidscherm'. Bepaald is dat de woningen binnen een straal van 100m gemeten vanaf het bestemmingsvlak, waarop ingevolge het bestemmingsplan "Zevenhuizen Dorp" de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 1" rust, pas in gebruik mogen worden genomen worden, als voorzien is in een geluidscherm overeenkomstig het uitgevoerde akoestische onderzoek.
Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken indien uit nader onderzoek blijkt dat de naastgelegen bedrijfsvoering een lagere geluidsemissie kent dan verondersteld in het uitgevoerde akoestische onderzoek, of als met maatwerkvoorschriften de bestaande geluidsruimte juridisch kan worden geborgd, of als bij de verdere planuitwerking blijkt dat de geluidsbelaste woningen uitgevoerd worden met een dove gevel.
58
Enkele overige regelingen In de Algemene regels is een regeling voor het parkeren opgenomen, met een verwijzing naar de op 5 november 2019 vastgestelde 'Nota Parkeernormen 2019'. Op grond hiervan wordt veiliggesteld dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Het gaat voorts ook over het voorzien in voldoende ruimte voor het laden of lossen van goederen. Er is bovendien bepaald dat op de gronden die op de verbeelding zijn voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - parkeren' een instandhoudingsplicht voor parkeervoorzieningen op eigen terrein rust. Tevens is onder de Algemene gebruiksregels een regeling opgenomen die regelt dat uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de beeldkwaliteitsrichtlijnen van het 'Stedenbouwkundig plan + Beeldkwaliteitsplan', dat als bijlage 1 bij de toelichting is gevoegd.
59
hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek De betreffende gronden zijn eigendom van de gemeente Zuidplas, met uitzondering van de huidige locaties van De Zevenster. De gemeente is voornemens deze grond te verwerven. Voor de ontwikkeling van dit gehele plan is een grondexploitatie vastgesteld. De investeringen worden grotendeels gedekt door de verkoop van de uitgeefbare gronden. Het resterende tekort is afgedekt in de gemeentelijke reserve. De plankosten van het bestemmingsplan komen ten laste van deze grondexploitatie. Hiermee is het kostenverhaal geborgd. Het is dus niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Dit is gebaseerd op artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening.
60
hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van Provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt vervolgens met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie Informatieavond 13 januari 2021 Op 13 januari 2021 heeft de gemeente Zuidplas samen met initiatiefnemers; De Zevenster, Woonpartners en Synchroon een online-informatieavond georganiseerd voor Van ‘t Verlaat/Leliestraat en voor Swanladriehoek. Tijdens deze informatieavond werden geïnteresseerden bijgepraat over de ontwikkelingen, de huidige status én stonden medewerkers klaar om vragen te beantwoorden. Daarbij zijn zorgen geuit, met name ten aanzien van de hoogte van de appartementen en het parkeren. De tijdens deze avond gestelde vragen zijn verwerkt in een document 'Vragen en antwoorden', dat terug te vinden is op de website van de gemeente Zuidplas. Daarop staat ook de opname van die avond. Informatieavond 22 november 2021 Tijdens de informatieavond van 22 november 2021 werd het aangepaste stedenbouwkundig plan voor Van ’t Verlaat gepresenteerd. In de uitwerking van dit plan is de input meegenomen die is opgehaald tijdens de eerste informatiebijeenkomst en tijdens de gesprekken met de klankbordgroep. Buro SRO presenteerde het plan en de andere leden van projectgroep (Woonpartners Midden-Holland, De Zevenster, Synchroon en de gemeente Zuidplas) waren aanwezig om vragen te beantwoorden.
De presentatie van het stedenbouwkundig plan en de opname van die avond zijn te vinden op de gemeentelijk website, evenals het Consultatiedocument waarin ingegaan wordt op de vragen en antwoorden zoals die aan bod zijn gekomen.
7.3 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening, is het voorontwerpbestemmingsplan verstuurd naar verschillende vooroverlegpartners. Reacties zijn ontvangen van provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, N.V. Nederlandse Gasunie, GGD Hollands Midden, Veiligheidsregio Hollands Midden, Dunea en Tennet. De opmerkingen zijn hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie (in cursief) voorzien.
61
1. Provincie Zuid-Holland (reactie d.d. 28 januari 2022) • Plancapaciteit De provincie constateert dat de plancapaciteit is verankerd in het regionale woningbouwprogramma (de planlijst). Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan. • Klimaatverandering Op grond van artikel 6.50 vraagt de provincie aan gemeenten inzichtelijk te maken in hoeverre rekening is gehouden met risico’s voor klimaatverandering. In paragraaf 3.3.3 wordt daar wel op ingegaan, zij het wat summier. Wellicht is het nog mogelijk om onder provinciaal beleid verder in te zoomen op artikel 6.50. Inhoudelijk kan ter onderbouwing worden geput uit de Klimaatatlas, Leidraad | Bouw Adaptief en Minimale eisen | Bouw Adaptief. Deze opmerking geeft aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan: paragraaf 3.3.3. van de toelichting zal op dit onderdeel aangevuld worden. 2. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK, reactie d.d. 27 januari 2022) • Watertoets Het hoogheemraadschap wijst op het feit dat er meer ontwikkelingen spelen in dit gebied, bijvoorbeeld de Swanladriehoek, waardoor het van belang is om opnieuw te kijken naar het gehele watersysteem. Voorgesteld wordt om het bestemmingsplan en met name de waterparagraaf, aan te passen als de afstemming rondom de watertoets is afgerond.
Het hoogheemraadschap heeft een notitie vervaardigd voor het watersysteem, in samenhang ook met de ontwikkelingen in de Swanladriehoek. Dit is meegenomen in de planvorming. Het stedenbouwkundige plan is hierop aangepast en dit is nader afgestemd met HHSK. Op enkele plaatsen is de verbeelding hier op aangepast. In samenhang hiermee is ook de toelichting (paragraaf 4.9) op dit onderdeel aangevuld. Deze opmerking geeft derhalve aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan. • Vlonders HHSK verzoekt om de regels over vlonders (artikel 6.2.2) weg te laten. Onze algemene regels van de Keur zijn hiervoor van toepassing. Indien een vlonder hier niet binnenvalt moet een vergunning bij ons aangevraagd worden. De betreffende regeling is een vertaling van de uitgangspunten uit het beeldkwaliteitplan en van wat hier ruimtelijk wenselijk is. Dat staat los van de vergunningplicht. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan. • Waterbeheerprogramma 2022-2027 Toelichting 4.9.2: Sinds begin dit jaar is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van toepassing. Deze opmerking geeft aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan: de toelichting wordt aangevuld met het Waterbeheerprogramma 2022-2027. 3. GGD Hollands Midden (reactie d.d.
22 november 2021) • Gezondheid-luchtkwaliteit GGD Hollands Midden wijst op het belang om het aspect ‘gezondheid’ in het bestemmingsplan te laten landen, zoals bedoeld met het door GGD-en en RIVM opgestelde document ‘Kernwaarden voor een gezonde leefomgeving’. Aangegeven wordt dat de beoogde locatie op voldoende afstand ligt tot de N219 en de A12, waarmee de locatie vanuit een oogpunt van gezondheid-luchtkwaliteit, een geschikte plek is voor woningbouw. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan. • Houtstook Aandacht wordt gevraagd voor emissie ten gevolge van houtstook. De GGD adviseert om de woningen op te leveren zonder rookgasafvoerkanalen voor houtkachels/allesbranders. Dit betreft een uitvoeringsaspect en wordt meegenomen bij de verdere uitwerkingen. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan.
62
• Geluidhinder Het geluid van het wegverkeer, treinverkeer, vliegtuigen, industrie en windturbines op de beoogde projectlocatie wordt voor gezondheid vertaald naar de kwaliteit ‘redelijk tot matig’. Vanuit gezondheidgeluidskwaliteit is de beoogde locatie hiermee een geschikte plek voor woningbouw, mits er rekening wordt gehouden met hogere geluidsbelasting (veroorzaakt door wegverkeer) van de woningen dicht langs de Noordelijke Dwarsweg en de Leliestraat. Voorts geeft de GGD nog enige adviezen t.a.v. het binnenniveau, geluidluwe zijdes en passende technische voorzieningen. Er wordt voldaan aan de voorwaarden vanuit de Wet geluidhinder, het gemeentelijke geluidbeleid en het Bouwbesluit. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan. • Binnenklimaat Aandacht wordt gevraagd voor het binnenklimaat. Door zorg te dragen voor een prettige temperatuur, geschikte isolatie en een goede binnenluchtkwaliteit, kunnen gezondheidsklachten die samenhangen met het gebouw worden voorkomen. Het gaat om klachten als vermoeidheid, hoofdpijn, sufheid en slaperigheid. De GGD geeft aan in dit stadium hier geen beoordeling over te kunnen geven. Dit betreft aspecten die in het kader van de omgevingsvergunningen aan bod komen. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan.
• Electromagnetische Velden Voor wat betreft Electromagnetische Velden (EMV), merkt GGD op dat op de beoogde projectlocatie geen nabijgelegen hoogspanningslijnen aanwezig zijn en er dus geen belemmeringen zijn op dit aspect. Wel wordt aangeraden om woningen op één tot vier meter afstand van transformatorhuisjes en wijkverdeelstations te plaatsen. Dit is doorgaans genoeg om verhoogde blootstelling aan elektromagnetische straling te voorkomen. Dit komt aan de orde in het kader van het inrichtingsplan voor dit gebied. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan. • Bodemkwaliteit Voor wat betreft de bodemkwaliteit adviseert GGD Hollands Midden om loodnormen voor dit gebied te bepalen die verder gaan dan het juridische maximum. Het gezondheidskundig advies is om voor gevoelige bestemmingen (wonen met tuin) 90 mg/kg aan te houden als richtwaarde en 100 mg/kg voor een speeltuin. De bodemkwaliteit is afdoende onderzocht, waarbij uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat er geen belemmering zijn voor de realisatie van de plannen en dat het terrein geschikt is voor het huidige en toekomstige gebruik. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen in het bestemmingsplan. • Groene plekken De GGD adviseert aanleg van aantrekkelijke, groene plekken die mensen –van alle leeftijden- die gelegenheid bieden te ontmoeten, ontspannen en bewegen.