Bijlage 2 Beantwoording technische vragen beleidskader cameratoezicht Z24.001209
Tekst van het document
*Z24.001209*
Memo
onderwerp Beantwoording technische vragen cameratoezicht ter attentie van Gemeenteraad
datum 07/05/2024
kenmerk Z24.001209
kopie aan N.v.t.
bijlage
afzender R. IJsselstijn
telefoon 0180-330300
e-mail r.ijsselstijn@zuidplas.nl
cluster Uitvoering Samenleving en Veiligheid
Als volgt onderstaand de beantwoording van technische vragen over het beleidskader cameratoezicht, agendapunt 9 van de gemeenteraadsvergadering van 14 mei 2024. Vragen van de fractie CU/SGP : 1. In het beleidskader lijkt de reikwijdte van de inzet van camera’s in het kader van toezicht ruimer te worden omschreven als de bevoegdheid die in artikel 151c Gemeentewet is opgenomen. Hoe verhoudt hetgeen onder 2.1 is omschreven als primaire en secundaire doelstelling en hetgeen in de APV is omschreven zich tot de in de Gemeentewet uiterst restrictief omschreven bevoegdheid? In de uitwerking van het beleidskader lijkt namelijk een veel ruimere reikwijdte omschreven (inzet ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten), dan waartoe de bevoegdheid van de burgemeester reikt. Immers het beleidskader vermeldt ook dat inzet met gebruikmaking van cameratoezicht in het kader van opsporing van strafbare feiten niet valt onder de bevoegdheden van de burgemeester en is daarom nooit een beoogd doel op zich.
Dan kan het toch ook geen subdoel zijn? Ter toelichting enkele passages uit het beleidskader en de Algemene Plaatselijke Verordening: Beleidskader Primair: handhaving van de openbare orde, inclusief het voorkomen van strafbare feiten en ernstige overlast die invloed hebben op de orde en rust in de samenleving; Secundair: het voorkomen en terugdringen van criminaliteit en ernstige overlast, het vergroten van de efficiëntie en effectiviteit van het optreden van de politie, gemeentelijke handhavers en andere diensten, preventieve werking door aanwezigheid van cameratoezicht en het bevorderen van het gevoel van veiligheid. Tot slot heeft cameratoezicht een repressieve functie; politie en justitie kunnen de camerabeelden gebruiken voor opsporingsdoeleinden. APV Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.
Pagina 1 van 6
onderwerp Beantwoording technische vragen cameratoezicht
registratienummer Z24.001209
Antwoord Het beleidskader verruimt de reikwijdte van de inzet van toezichtcamera’s in de openbare ruimte in het belang van de handhaving van de openbare orde niet. Het openbare gebied en het handhaven van de openbare orde daarin, is hier het primaire uitgangspunt overeenkomstig artikel 151c Gemeentewet en het gestelde in de APV. Er is door de Hoge Raad (2007) en de regering (2010) een bredere uitleg aan het begrip “verstoring openbare orde” gegeven. Het gaat hierbij ook om het risico en voorkoming van strafbare feiten zoals bijvoorbeeld drugshandel op straat, vernieling en intimiderend gedrag. Indien bij verstoring van de openbare orde daadwerkelijk strafbare feiten worden gepleegd en middels het cameratoezicht worden vastgelegd, kunnen deze beelden wel gebruikt worden bij de opsporing/vervolging van de strafbare feiten waarbij daders achterhaald en verantwoordelijk gesteld kunnen worden. Dit subdoel is afhankelijk van het primaire doel, maar betreft geen bevoegdheid van de burgemeester. Er vindt in dat geval invordering van camerabeelden plaats vanuit de politie/OM. De doelstelling van het gemeentelijke cameratoezicht dat het onderwerp is van onderhavige regeling, betreft «handhaving van de openbare orde», waaronder ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten valt, die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving.
In deze doelbepaling, die is vastgelegd in het eerste lid van artikel 1 51c Gemeentewet, is tevens de begrenzing te vinden van de bevoegdheid van het lokale bestuur om toezichtcamera’s in het belang van de handhaving van de openbare orde te mogen plaatsen. Met een ander doel dan de handhaving van de openbare orde mogen geen ca mera’s worden geplaatst of gebruikt, dus ook niet ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Dit laat evenwel onverlet dat de beelden die zijn vastgelegd met de bedoelde toezichtcamera’s, onder strikte voorwaarden voor de opsporing van een concreet strafbaar feit door de politie/OM ingevorderd kunnen worden. (Kortom, gebruikmaking van de camerabeelden in het belang van de opsporing strafbare feiten als zogeheten ‘bijvangst’ mag onder voorwaarden). 2. Zowel in het beleidskader als in de APV is nu beleid geformuleerd. Dit beleidskader is deels overlappend, terwijl in het beleidskader niet is uitgewerkt hoe de inzet van het cameratoezicht nu vooraf wordt getoetst (bijv. welke criteria relevant zijn) en achteraf wordt geëvalueerd.
Kortom: wat zijn de exacte criteria voor de inzet ervan, de bepaling van de duur ervan en op grond van welke criteria wordt de inzet ervan geëvalueerd? Er wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat “Ingesteld cameratoezicht dient te worden beëindigd als niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en/of het beoogde doel is bereikt.” Maar de voorwaarden worden niet expliciet genoemd. Antwoord Met de APV, artikel 2:78, cameratoezicht op openbare plaatsen, is de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 151c Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op openbare plaatsen bij de burgemeester belegd. In de memorie van toelichting bij de APV staat kort toegelicht wat deze vorm van cameratoezicht inhoudt en wordt verwezen naar een aantal belangrijke specifieke grondbeginselen (subsidiariteit/proportionaliteit). De toelichting APV is hier beperkt en geeft geen concrete nadere uitwerking aan belangrijke criteria. Dit is wel het geval in onderhavige regeling. Er is hier geen sprake van strijdigheid tussen de verordening en de regeling, waarbij de APV overigens te allen tijde leidend is. Toetsingscriteria en voorwaarden teneinde cameratoezicht in te kunnen stellen, staan in onderhavige regeling vermeld en komen onder meer voort uit het EVRM, de daaruit voortvloeiende EU-richtlijnen en Gemeentewet.
Elk afzonderlijk besluit tot plaatsing van toezichtcamera’s in het belang van de handhaving van de openbare orde, wordt getoetst aan deze criteria. Per afzonderlijke situatie moet door de burgemeester beoordeeld worden of het plaatsen van camera’s evenredig is aan het doel dat bereikt moet worden. Dat hangt af van de ernst van voorliggende problematiek op een locatie en of het daardoor legitiem is inbreuk te maken op de persoonlijke
Pagina 2 van 6
onderwerp Beantwoording technische vragen cameratoezicht
registratienummer Z24.001209
levenssfeer van inwoners, bezoekers en/of ondernemers (proportionaliteit). Ook moet daarbij worden overwogen of minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn (subsidiariteit). De tijdsduur voor het instellen van cameratoezicht ter handhaving van de openbare orde, is afhankelijk van het te dienen doel. Kort gezegd, hoe ernstig en terugkerend vindt aantasting van de openbare orde plaats. Het vraagt dus om zorgvuldig maatwerk per situatie. Een harde randvoorwaarde hierbij is ook dat over het in te stellen cameratoezicht en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen overeenstemming moet zijn in de driehoek (burgemeester, OM en politie). Ook het kenbaarheidsvereiste blijft hier onverminderd van toepassing. Wordt het doel niet langer gediend, dan moeten de camera’s worden verwijderd. Tussentijds en na afloop vindt evaluatie van het cameratoezicht plaats. Dat geschiedt aan de hand van incidentcijfers en/of -meldingen, waargenomen overlast/aantasting openbare orde door politie en/of gemeentelijke Handhaving, etc. 3. Langdurend cameratoezicht betekent in Zuidplas voor een periode van maximaal twee jaar. Na deze periode vindt er een evaluatie plaats en kan het cameratoezicht eventueel worden verlengd, aldus het beleidskader.
Maar waarom is dit twee jaar en op grond van welke criteria is dit dan in overeenstemming met artikel 151c Gemeentewet? Twee jaar is immers niet een ‘beperkte’ duur. Antwoord De bevoegdheid tot de inzet van cameratoezicht wordt niet beperkt tot een wettelijk verankerde maximale tijdsduur. Gemeenten zijn in samenwerking met de politie, met het oog op de lokale situatie zelf het beste in staat om te beoordelen in welke vorm en voor welke duur de inzet van cameratoezicht, met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (vorenstaande criteria), op de meest efficiënte manier kan plaatsvinden. De burgemeester bepaalt derhalve, met inachtneming van het bepaalde in de Gemeentewet en verordening, de tijdsduur van de gebiedsaanwijzing. Deze plicht om een bepaalde tijdsduur vast te leggen laat onverlet dat de burgemeester de gebiedsaanwijzing dient in te trekken indien op enig moment het cameratoezicht niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde. Het is de taak van de burgemeester om na te gaan of een gebiedsaanwijzing nog noodzakelijk en actueel (dat wil zeggen: niet verlopen) is. Voordat de duur van een gebiedsaanwijzing afloopt, zal de burgemeester moeten overwegen of verlenging noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde. Zie hier het belang van de evaluatiemomenten. 4.
Het beleidskader is voorts niet helder over het feit of beelden permanent ook worden opgeslagen, ook wanneer er niet wordt meegekeken. De camera’s staan permanent aan, maar worden niet permanent real time of live uitgekeken. Betekent dit dat wanneer niet real time wordt meegekeken dat er wel beeldopnames worden gemaakt? Is dit dan wel toegestaan op grond van de wet? Is het permanent opnemen juist niet in strijd met de strikte en begrensde bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 151c Gemeentewet? Antwoord Bij de totstandkomingsgeschiedenis van de wetgeving hieromtrent is uitgebreid stilgestaan bij het moeten kunnen opnemen van beelden. Daarbij is de afweging gemaakt tussen het belang van enerzijds het waarborgen van de privacy, anderzijds het belang van de handhaving van de openbare orde alsook de kosten en capaciteit voortvloeiend uit ‘real-time’ toezicht. In de Gemeentewet (artikel 151c, lid 9) is expliciet een bewaartermijn van maximaal vier weken opgenomen. Camerabeelden mogen dus worden opgenomen. Dat is van belang om achteraf daders te kunnen achterhalen en daartegen op te kunnen treden door politie/OM, maar ook voor het verhalen van schade. Camerabeelden worden na deze periode automatisch verwijderd, tenzij de camerabeelden worden verwerkt en langer worden bewaard in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Dit verwerken valt onder de Wet Politiegegevens. 5. In het beleidskader wordt opgemerkt dat “Opgenomen camerabeelden van bijvoorbeeld evenementen, demonstraties of zaken omtrent handhaving horeca worden (i.h.k.v. de handhaving van de openbare orde) door de politie zo nodig aan de gemeente worden verstrekt voor interne handhavings- en evaluatiedoeleinden.” Op grond van welke bevoegdheid is dit toegestaan? Interne
Pagina 3 van 6
onderwerp Beantwoording technische vragen cameratoezicht
registratienummer Z24.001209
handhavings- en evaluatiedoeleinden behoren immers niet tot de handhaving van de openbare orde. Kunt u dit toelichten en nader onderbouwen? Antwoord Als camerabeelden, verkregen vanuit het in het belang van de handhaving van de openbare orde ingestelde cameratoezicht, zijn verwerkt als politiegegeven door de politie, kan de politie deze gegevens op grond van de Wet Politie Gegevens verstrekken aan belanghebbenden die in die wet vermeld staan. Het verstrekken van de camerabeelden is in dit geval niet anders dan het verstrekken van andere politiegegevens aan dergelijke belanghebbenden. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld bestuurlijke handhaving, handhaving door buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) van de gemeente, schadeverhaal in civiele procedures, etc. 6. In het beleidskader wordt opgemerkt dat wanneer een camera naar binnen kan kijken bij besloten plaatsen (denk aan een woning) wordt zogeheten ‘blurring’ toegepast waardoor de privacy van de inwoner(s) gewaarborgd blijft. In de praktijk wordt dit in beginsel zoveel als mogelijk voorkomen. Op grond van welke bevoegdheid zou het mogelijk zijn dat met camera’s van cameratoezicht in woningen wordt gekeken? Dit moet toch te allen tijde worden voorkomen, omdat dit in strijd is met de wet. Cameratoezicht is immers uitsluitend toegestaan op openbare plaatsen.
Kunt u dit uitleggen? Antwoord In beginsel wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen worden gefilmd. Dat blijft te allen tijde het uitgangspunt. Kan dit niet voorkomen worden omdat fysieke plaatsing niet anders kan, dan wordt middels technische oplossing zogeheten ‘blurring’ op dat gedeelte van de beelden waar in de woning kan worden gefilmd toegepast. Er wordt dus in geheel niet gefilmd in woningen en private tuinen/erven, dat is niet toegestaan en valt niet onder de reikwijdte van artikel 151c Gemeentewet. 7. In het verlengde van de vorige vraag geldt dit ook voor de inzet van flexibele camera’s. In het beleidskader wordt opgemerkt: “Deze camera’s worden ook hier in principe niet op woningen gericht en hebben enkel zicht op de openbare ruimte. Dit cameratoezicht wordt in beginsel voor de duur van drie maanden ingesteld en wordt indien nodig verlengd of eerder gestopt als niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en/of het beoogde doel is bereikt.” Er mag uit principe niet op woningen worden gericht. Wat wordt dan bedoeld met ‘in principe niet op woningen’? Voorts op basis waarvan is het bepaald dat de duur drie maanden is? Antwoord Zie antwoord vraag 6 ten aanzien van het filmen van en in woningen. Ten aanzien van de duur van flexibel cameratoezicht is de termijn gesteld op maximaal drie maanden of zoveel eerder als het doel niet langer bestaat.
De termijn van drie maanden verhoudt zich goed tot situaties waar in beginsel kortdurend cameratoezicht gewenst is en verwacht wordt dat het doel daarmee wordt bereikt. De termijn kan na evaluatie worden verlengd of zoals eerder aangehaald zoveel eerder worden beëindigd als het doel niet langer bestaat. 8. In het beleidskader wordt opgemerkt dat zowel de burgemeester als de korpschef gehouden zijn tot het uitvoeren van een DPIA. De Autoriteit Persoonsgegevens (zie: https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/themas/cameratoezicht/cameratoezicht-opopenbare-plaatsen/verwerking-van-camerabeelden#:~:text=politie%20en%20gemeente,De%20politie%20is%20verantwoordelijk%20voor%20de%20verwerking%20van%20de%20camera beelden,de%20uitvoering%20van%20het%20cameratoezicht.) stelt dat de korpschef van politie in het kader van de Wet politiegegevens verwerkingsverantwoordelijke is en niet de burgemeester. Waarom is dan toch voorgeschreven dat de burgemeester gehouden is tot het uitvoeren van een DPIA? Kan dit in de praktijk niet tot verwarring leiden? Hoe is die verantwoordelijkheid in de praktijk geregeld? Bestaat er tussen de gemeente Zuidplas en de politie een verwerkersovereenkomst?
Pagina 4 van 6
onderwerp Beantwoording technische vragen cameratoezicht
registratienummer Z24.001209
Antwoord Zodra camerabeelden worden verwerkt, wordt dit een politiegegeven en is de korpschef van de politie verwerkingsverantwoordelijke in het kader van de Wet politiegegevens. Voorafgaand aan het eventueel verwerken van de camerabeelden, is de burgemeester verantwoordelijk voor het camerasysteem, verbindingen, de opslag van camerabeelden in de toegestane bewaartermijn van 4 weken, etc. Voor dit deel tot aan de verwerking van de camerabeelden door de politie, is de DPIA van toepassing voor de gemeente. Dit leidt niet tot verwarring. 9. Begrijpt de fractie van de CU/SGP het beleidskader nu goed dat er feitelijk in de toekomst alleen nog sprake is van flexibel cameratoezicht en dat de vaste camera’s vanwege de verouderde techniek wordt uitgefaseerd? Kunt u aangeven welke gebieden nu permanent cameratoezicht kennen, die straks nog slechts flexibel cameratoezicht zullen kennen en wat dit voor consequenties kan hebben voor de handhaving van de openbare orde in de gemeente? Antwoord Nee, beide vormen van cameratoezicht zijn mogelijk onder artikel 151c Gemeentewet. Van beide vormen zal ook (indien noodzakelijk) gebruik worden gemaakt. Voor langduriger cameratoezicht zijn statische camera’s praktischer. Voor kortdurend cameratoezicht lenen flexibel in te zetten camera’s zich beter. Op dit moment is er geen sprake van permanent cameratoezicht op locaties in de gemeente Zuidplas.
Indien handhaving van de openbare orde middels cameratoezicht noodzakelijk wordt geacht, wordt overwogen of dat middels statische of flexibele camera’s of een combinatie van beiden uitgevoerd zal worden. Dit heeft geen consequenties in de mate waarin de openbare orde kan worden gehandhaafd. Flexibel kan vervangen worden door statisch cameratoezicht en vice versa.
Vragen van de fractie CDA: 1. In het beleidskader lezen we dat er voorheen gebruik werd gemaakt van statisch cameratoezicht. Wordt er met dit kader op de huidige locaties mee gestopt? Antwoord Op de huidige locaties waar eerder statisch cameratoezicht van toepassing was, is thans niet langer sprake van statisch cameratoezicht. Mochten locaties opnieuw in aanmerking komen voor cameratoezicht, wordt per situatie overwogen of flexibel of statisch cameratoezicht of een combinatie daarvan gewenst is. Daaromtrent worden zorgvuldige afwegingen gemaakt aan de hand van de criteria genoemd in onderhavige regeling zoals proportionaliteit/subsidiariteit. 2. Onder langdurig cameratoezicht wordt in dit kader verstaan maximaal 2 jaar, met een mogelijkheid tot verlenging. Is de verwachting dat de opzet van de huidige locaties op korte termijn zal wijzigen? Antwoord Zie antwoord vraag 1. 3. Aangegeven wordt dat het huidige camerasysteem vervangen moet worden. Gaat dit om de statische camera’s of is hier ook de inzet van flexibele camera’s in meegenomen? Antwoord Bij vervanging wordt uitgegaan van een combinatie van statische en flexibele camera’s.
Pagina 5 van 6
onderwerp Beantwoording technische vragen cameratoezicht
registratienummer Z24.001209
4. Op welke locaties staan op dit moment vaste camera’s en geldt er een aanwijzingsbesluit? Antwoord Thans is er geen sprake van cameratoezicht in het belang van de handhaving van de openbare orde in de gemeente.
Pagina 6 van 6