Bijlage 16 Bijlage 4 ROM Quickscan A24.001763
Tekst van het document
Bijlage 4 QuickScan Ruimtelijke ordening en milieu (ROM) Herontwikkeling locatie Rehobothschool
1
1.
Beoordeling en conclusie per aspect
Bodem Voorafgaand aan de bouw van een bodemgevoelig c.q. grondwatergevoelig gebouw moet vooronderzoek uitwijzen of verder onderzoek van bodem en/of grondwater nodig is om vast te kunnen stellen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden en/of dat er sprake is van een significante verontreiniging van grondwater. In dit geval is sprake van een bodemgevoelig gebouw. Onderzoek is daarom wel noodzakelijk. Er zijn van het plangebied bij de Omgevingsdienst Midden-Holland verouderde bodemkwaliteitsgegevens bekend. Op het westelijk deel van het plangebied is in 1999 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Van de Helm, kenmerk KOM810010, d.d. 4 januari 1999). Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de uitbreiding van het schoolgebouw. In de ondergrond zijn sterke verontreinigingen met zware metalen en minerale olie vastgesteld. In de bovengrond en het grondwater zijn enkel lichte verhogingen aangetoond. In verband met de aanwezigheid van een sterke verontreiniging is in 1999 een saneringsplan opgesteld (locatiecode ZH166600037, d.d. 4 maart 1999). Aangegeven wordt dat de aanwezige verontreiniging door middel van een betonnen vloer afgedekt zal worden. Bij de ODMH is geen saneringsevaluatie bekend. Gezien het schoolgebouw wel is uitgebreid, kan worden aangenomen dat er sanerende maatregelen zijn genomen.
Het is niet bekend of er nog een restverontreiniging aanwezig is. In het kader van de ruimtelijke procedure moet een bodemonderzoek volgens de norm NEN 5725 worden uitgevoerd. Aangezien het terrein in verband met de aanwezige verontreiniging als verdachts wordt aangemerkt, wordt aanbevolen om tevens direct een verkennend bodemonderzoek conform de norm NEN 5740 uit te voeren. Dit onderzoek is noodzakelijk voor de omgevingsvergunning activiteit Bouwen. GZP: Er is inmiddels een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd Archeologie Op grond van de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente ‘Zuidplas’ geldt archeologische waarde WA3 en een klein gedeelte met waarde WA1. Er moet een archeologisch onderzoek worden gedaan als de grond over een oppervlakte van 1.000 m2 en een diepte van 3 m wordt geroerd. Voor deze ontwikkeling worden de vrijstellingscriteria hoogstwaarschijnlijk niet overschreden. Voor de realisatie van woningbouw op de locatie is dan geen archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk. GZP: Er is inmiddels wel een archeologisch onderzoek uitgevoerd Ontplofbare oorlogsresten Uit ervaring blijkt dat circa 10 a 15% van de tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte munitie niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven.
Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een orienterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Indien nodig gevolgd door een nader onderzoek, indien nodig gevolgd door opsporing van ontplofbare oorlogsresten of andere passende maatregelen. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is naar onze mening niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, kunnen wij niet met zekerheid stellen dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Externe veiligheid Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied/aandachtsgebied van een risicobron (inrichting, weg, spoor, buisleiding). Het plangebied ligt niet in het aandachtsgebied van een hoogspanningsleiding. Er hoeft geen verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Geluid van weg, spoor en/of industrieterrein 2
Er wordt een geluidsgevoelige bestemming gerealiseerd. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving geldt er een onderzoeksplicht. Weg: Als de ontwikkeling plaats vindt langs een weg met een intensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, dan moet in het kader van het ‘evenwichtig toedelen van functies aan locaties’ (ETFAL) een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De locatie ligt binnen het aandachtsgebied van de weg (o.a. Nassaustraat en Raadhuisstraat), akoestisch onderzoek is noodzakelijk. Spoor: De locatie ligt niet binnen het aandachtsgebied van het spoor. Industrieterrein: De locatie ligt niet binnen de aandachtsgebied van een gezoneerd industrieterrein. Trillingen De locatie ligt niet in de nabijheid van een spoorweg, drukke weg of andere bron van trillingen. Activiteiten en milieuzonering De ontwikkeling betreft, vanuit Activiteiten en Milieuzonering bezien, een milieugevoelige activiteit. In de directe nabijheid liggen geen milieubelastende bestemmingen. Direct ten noorden van de school is een klein stuk terrein gedefinieerd als bedrijfsbestemming. Hier is een elektriciteitskast aanwezig, maar die wordt niet als relevant beschouwd. De maatschappelijke bestemming ten oosten van het plangebied ligt op voldoende afstand. Geurhinder De geplande ontwikkeling ligt niet in de nabijheid van een agrarisch bedrijf of andere bron van geurhinder.
Een onderzoek naar geurhinder is niet noodzakelijk. Luchtkwaliteit Het toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is alleen nodig als een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging (niet in betekenende mate: NIBM), of buiten de aandachtsgebieden valt. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Uitgezonderd gemeente Zuidplas vallen alle gemeenten uit de regio van Omgevingsdienst Midden-Holland buiten de aandachtgebieden. Uit de monitoringtool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de wettelijke omgevingswaarden van 40 μg/m3 voor stikstofdioxide en fijnstof PM10, en 25 μg/m3 voor fijnstof PM2,5. De gemeente is aangesloten bij het Schone Luchtakkoord, met als doel het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit in Nederland. Hiervoor gelden bovenwettelijke doelen. Voor de ontwikkeling wordt aanbevolen om te toetsen aan deze doelwaarden (WHO-advieswaarden). Lichthinder De geplande ontwikkeling betreft een gevoelige bestemming voor lichthinder. De ontwikkeling ligt niet in de buurt van een bron van lichthinder.
Klimaatadaptatie Risico's door klimaatverandering Conform de Omgevingsverordening art 7.41 “Risico's van klimaatverandering” van Provincie ZuidHolland moeten in elk omgevingsplan de volgende aspecten in beschouwing worden genomen: • Wateroverlast door overvloedige neerslag; • Overstroming; • Hitte; • Droogte; • Bodemdaling.
3
Voor dit plan zullen de risico’s door de initiatiefnemer nader moeten worden beoordeeld. ODMH voorziet voor deze ontwikkeling de volgende mogelijke aandachtspunten: hitte, droogte en bodemdaling. Indien blijkt dat er risico's voor (een van) bovengenoemde aspecten aanwezig is/zijn dan dienen maatregelen of voorzieningen te worden genomen en geborgd in het omgevingsplan. Klimaatadaptatie Herontwikkeling is een natuurlijk moment om ook klimaatadaptieve maatregelen te nemen. De gemeente het 'Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland' omarmd. Voor richtlijnen wordt verwezen naar de Leidraad klimaatadaptief bouwen. Dit heeft een overlap met natuurinclusief bouwen. De provinciale verordening vereist dat klimaatadaptatie wordt meegenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ecologie Gebiedsbescherming: Als een ontwikkeling in of in de buurt van een beschermd gebied plaatsvindt, kunnen mogelijk negatieve effecten ontstaan. Gezien de vermoedelijke omvang van de ontwikkeling en de afstand tot Natura2000-gebied (ca. 13 km afstand tot de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck) adviseren wij om een AERIUS berekening te laten doen. Dit zijn twee berekeningen, een voor de bouwfase en een voor het gebruik van de nieuwe situatie. We adviseren ook om een rekenpunt op te nemen voor (deel)gebied Polder Stein.
Dit natuurgebied is nog niet opgenomen als stikstofgevoelig gebied, maar zal op termijn wel die status toegewezen krijgen. De ontwikkeling ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt niet in een zone met aanduiding als belangrijk weidevogelgebied (Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland). Het plangebied ligt niet in de strategische reservering natuur. Soortenbescherming: Op het terrein van de Rehobothschool is in 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd (door Nest Natuurinclusief B.V., d.d. 17 maart 2023). In de quickscan flora en fauna wordt terecht geconcludeerd dat er nader onderzoek naar huismus en vleermuizen nodig is. Deze is nog niet uitgevoerd. Overige beschermde soorten worden terecht uitgesloten. GZP: Inmiddels is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Op locatie zijn kraamverblijven aangetroffen van vleermuizen, een ontheffing is nodig. Natuur-inclusief bouwen Bij de realisatie van het initiatief kan aandacht worden gegeven aan de toegankelijkheid van de woningen voor beschermde soorten zoals vleermuizen, de gierzwaluw of de huismus. Denk aan vogel- of vleermuiskasten. Meer informatie staat op de websites van bijvoorbeeld de vogelbescherming of de zoogdiervereniging. M.e.r. Het initiatief betreft een ontwikkeling die valt onder “Projecten” uit kolom 1 (namelijk: J11) van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een m.e.r.
beoordeling is in dat geval op basis van de Omgevingswet verplicht. De initiatiefnemer moet een aanmeldnotitie maken. In deze notitie moet worden aangetoond dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden, rekening houdend met de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Op basis van de motivatie in het plan of de aanmeldnotitie en eventuele adviezen moet B&W een besluit nemen of een milieueffectrapport al dan niet opgesteld moet worden. Als een milieueffectrapportage moet worden opgesteld dan zal de vaststelling van het plan hierop moeten wachten. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit moet, bij voorkeur, genomen worden voor de vaststelling van het (voor)ontwerp van het plan/omgevingsvergunning.
4