Bijlage 15 - Quickscan Wnb Steenbakkerij revisie 26-05-2023_A26.002830
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Steenbakkerij ong. te Nieuwerkerk a/d IJssel Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0314
Datum:
31 maart 2023 [Revisie 26-5-2023]
Samensteller: Collegiale toets: Opdrachtgever:
Buro SRO B.V.
Contactpersoon:
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
16
3.3
Houtopstanden
18
4 Samenvatting
19
4.1
Soortenbescherming
19
4.2
Gebiedsbescherming
19
4.3
Houtopstanden
19
5 Conclusie
20
5.1
Conclusie
20
5.2
Uitvoerbaarheid
20
5.3
Vervolgstappen
20
5.4
Te treffen maatregelen
20
1 Inleiding Aan de Steenbakkerij ong. is een braakliggend terrein (voormalig parkeerterrein) gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie tijdelijke huisvesting voor 132 mensen te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet in de beoogde ruimtelijke ingreep echter wordt de functie van het perceel aangepast van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Is de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar in het kader van Wnb? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Steenbakkerij ong.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Steenbakkerij ong. te Nieuwerkerk a/d IJssel (figuur 1.2). De planlocatie betreft een braakliggend terrein welke voornamelijk bestaat uit zand, gras en kruidachtige planten. Ook is er een transformatorhuisje aanwezig, welke is opgebouwd uit grindbeton blijft behouden in de beoogde situatie. Aan de westkant van de planlocatie bevindt zich een watergang welke behouden blijft in de beoogde situatie. Tevens bevindt er op het terrein afvalmateriaal van het uitbaggeren van de naast gelegen sloot. In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Steenbakkerij ong. te Nieuwerkerk a/d IJssel. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door bedrijventerreinen en watergangen/wateroppervlakten. Daarnaast ligt de A20 op ongeveer 200 meter ten noordwesten van de planlocatie. Het Bückeburgpark bevindt zich op circa 400 meter ten zuidoosten van de planlocatie. Op een afstand van ongeveer 4 km ligt de rivier de Hollandsche IJssel.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om op het terrein tijdelijke huisvesting te creëren.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het creëren van tijdelijke huisvesting voor maximaal 132 personen. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 14 maart 2023 en is uitgevoerd . De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 3/8 bewolkt, 7 Celsius en windkracht 3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
8
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.
9
Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Vos
Bunzing
Huisspitsmuis
Wezel
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Woelrat
Dwergspitsmuis
Konijn
Egel
Meerkikker
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.
Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.
10
Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van wilde ridderspoor (NDFF 2013-2023). Wilde ridderspoor groeit op vochtige, matige voedselrijke, kalkrijke, omgewerkte zandige klei. Bekende plaatsen zijn ook wel graanakkers, bij graansilo’s of graanoverslagbedrijven. De soort is waargenomen op ongeveer 1 km van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie zijn zowel groot hoefblad als brandnetel waargenomen. Beide zijn soorten van zeer voedselrijke bodems. Daarnaast is het de grond op het terrein niet omgewerkt. Bovendien was het terrein tot tenminste 2021 een parkeerterrein. Hierdoor is het aannemelijk dat de grond dicht gedrukt is en daardoor ongeschikt. Het voorkomen van wilde ridderspoor op de planlocatie wordt derhalve uitgesloten.
De planlocatie is een braakliggend terrein met grotendeels zand, deels gras en een aantal kruidachtige planten. Dit betreffen slechts inheemse planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: brandnetel, groot hoefblad, hondsdraf, klein hoefblad, klein kruiskruid, (reukloze) kamille, ridderzuring en smalle weegbree. Op de muren van het transformatorhuisje is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, boommarter, bunzing, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, steenmarter, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. In 2016 is op circa 600 meter van de planlocatie, naast de A20 is een waarneming gedaan van een steenof boommarter. Dit betrof een dood individu (NDFF 2013-2023). Boommarters komt voor in bossen en (stads)parken. In de kraamperiode wordt een boomholte gebruikt voor de jongen. Als rustplaats worden over het algemeen nesten van roofvogels of eekhoorns gebruikt. Ook worden holen van konijnen en dassen gebruikt. De steenmarter komt voor in kleinschalig parklandschap. In het bijzonder steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroen, rotsige hellingen en gebouwen. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en bermen zijn van belang als foerageergebied. De planlocatie betreft een braakliggend terrein zonder bomen of enige vorm van schuilplek en slechts beperkt als foerageermogelijkheid. Daarnaast bevindt het zich te midden van een industrieterrein en is er een hoge mate aan verstoring. Het voorkomen van de boommarter en/of steenmarter op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten.
12
De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, bruine rat, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.
Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig en het aanwezige transformatorhuisje heeft geen openingen. De aanwezigheid van een verblijfplaats voor vleermuizen op de planlocatie is derhalve uitgesloten. Door het ontbreken van bomen of dergelijke structuren is er op de planlocatie ook geen sprake van een (essentiële) vliegroute. Mogelijk wordt het gebied gebruikt om te foerageren. Het betreft echter geen essentieel gebied door de ligging en de aanbod die het terrein biedt. Tevens zijn er in de omgeving voldoende alternatieven zoals watergangen en groenstroken. Negatieve effecten ten aanzien van foerageergebied en vliegroute zijn er derhalve niet. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2013-2023). Voor de Alpenwatersalamander geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op een afstand van circa 3 km zijn waarnemingen gedaan van de rugstreeppad.
Vanwege de dispersierange van de soort wordt deze derhalve meegenomen in de beoordeling. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De Alpenwatersalamander komt voor in heidegebieden, bossen, agrarisch gebied maar ook in steden en dorpen. De soort is niet kieskeurig wat betreft voortplantingsbiotoop en komt voor in allerlei soorten water mits dit niet de snel stroomt of rijk is aan vis. Overwintering wordt voornamelijk gedaan op het land onder stronken, houtstapels en kleine holen. De Alpenwatersalamander is waargenomen op circa 2 km ten zuiden van de planlocatie aan de rand van Het Schollebos (NDFF 2013-2023). Grotendeels bestaat de planlocatie uit zand, gras en kruiden. Het perceel biedt zeer weinig schuilgelegenheid. Tevens is het aannemelijk dat er in de watergang vis aanwezig is. De planlocatie is gelegen in een industrieterrein waardoor er een hoge mate verstoring is. Daarnaast zijn tussen de planlocatie en de waarneming meerdere barrières aanwezig zoals het treinspoor en diverse intensief bereden wegen. Het voorkomen van de Alpenwatersalamander op de planlocatie is derhalve uit te sluiten.
De rugstreeppad komt voor op terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. De soort kan afstanden tot 5 km afleggen echter vormen wegen en brede watergangen een barrière voor de soort (Kennisdocument Rugstreeppad BIJ12, 2017). De aangrenzende watergang naast de planlocatie is ongeschikt voor de rugstreeppad vanwege de diepte en doordat deze in verbinding staat met grotere wateren waardoor er geen sprake is van visvrij water. 13
Ten noorden van de planlocatie is de A20 gesitueerd en ten westen van de planlocatie bevindt zich een intensief bereden weg. Ten noorden, oosten en zuiden van de planlocatie bevindt zich industriegebied. Ten westen bevindt zich een sportveld. Hierdoor ontbreekt geschikt leefgebied in de directe omgeving. Tevens is er een hoge mate van verstoring door de ligging in het industriegebied. Waarnemingen van de rugstreeppad zijn gedaan in het dorp Lageweg aan de oostoever van de Hollandsche IJssel op een afstand van circa 3 km (NDFF 2013-2023). Tussen de planlocatie en de plaats van waarnemen vormt de Hollandsche IJssel een barrière voor de soort. Eveneens de N219 is een barrière voor de soort. Ten noordwesten is op 3 km ook een waarneming bekend van de soort (NDFF 2013-2023). Echter is hierbij de A20 een grote barrière voor de soort. Door voorgenoemde is het uitgesloten dat de rugstreeppad voorkomt op de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Tevens worden er geen werkzaamheden verricht aan de watergang. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de groene glazenmaker (NDFF 2013-2023).
De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De groene glazenmaker komt voor in stilstaande wateren met dichte krabbescheervelden. Dit kunnen plassen, sloten, petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden zijn. De groene glazenmaker is vrijwel uitsluitend te vinden in verlandingszone van vegetaties met een dominantie van krabbenscheer. De krabbenscheer is van belang voor de larve van de soort. De groene glazenmaker is waargenomen op circa 1,7 km van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De planlocatie bevindt zich te midden van een industrieterrein. De groene glazenmaker is afhankelijk van krabbescheer. Krabbescheer groeit in ondiepe delen van waterlichamen. Daarnaast is het van belang dat er voldoende licht inval is. De aangrenzende watergang is relatief smal en het ontbreekt aan verlandingszone. Het voorkomen van krabbenscheer is dan ook niet aannemelijk. Tevens worden er geen werkzaamheden verricht aan de watergang.
Gezien de ligging, omgeving en staat van het perceel wordt het voorkomen van de groene glazenmaker op de planlocatie uitgesloten. De teunisbloempijlstaart komt voor in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Als waardplant gebruikt de soort wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. De planlocatie is gelegen in een bedrijventerrein en bevindt zich niet in een bos, bosrand of open plek.
14
Er zijn geen waardplanten van de soort waargenomen. Soorten als wilgenroosje, bastaardwederik en teunisbloem zijn algemeen voorkomende soorten. In de nabije omgeving zijn voldoende uitwijkmogelijkheden voor de soort. Tevens is de planlocatie klein en afgelegen van verbindingszones. Sprake van essentieel leefgebied is er zodoende niet. Mogelijk passeert de soort de locatie. Negatieve effecten ten aanzien van de teunisbloempijlstaart zijn echter uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen, voor zover deze plantensoorten gedurende de winterperiode zichtbaar zijn. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek is de meerkoet waargenomen. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied.
Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Uitgezonderd het transformatorhuisje (welke geen geschikte openingen heeft) is op de planlocatie geen bebouwing aanwezig. Daarnaast zijn er ook geen struiken of bomen aanwezig. Derhalve is het voorkomen van nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen uitgesloten. Het zeer beperkte groen op planlocatie is niet van toegevoegde waarde voor huismussen en gierzwaluwen. Door het ontbreken van bomen op de planlocatie wordt de aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil uitgesloten. Ook zijn er geen nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. Gezien de grootte en de ligging van de planlocatie op een bedrijventerrein betreft het plangebied geen essentieel foerageergebied. Tevens zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden in de vorm van groenstroken in de omgeving. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod voor algemene soorten.
Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. De planlocatie is een relatief klein gebied, gelegen op een intensief gebruikte locatie. Daarnaast zijn er weinig schuilstructuren en is het makkelijk bereikbaar voor predatoren. Derhalve wordt het voorkomen van grondbroedende soorten uitgesloten. De werkzaamheden kunnen zodoende indien gewenst worden opgestart binnen het broedseizoen
15
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 10 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 10 km tot het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van tijdelijke huisvesting. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Op circa 10 km van de planlocatie bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Dit gebied is echter niet stikstof gevoelig.
Dit geldt tevens voor het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ en het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ Zodoende wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van negatieve gevolgen ten aanzien van het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’, ‘Donkse Laagten’ en ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ welke zich bevindt op een afstand van circa 18 km van het plangebied. Gezien er sprake is van een grote afstand (18 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUSCalculator kan derhalve achterwege blijven.
16
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 2 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 2 km ligt Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 400 m ligt de Groene buffer (figuur 3.3). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron:. ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2 km tot Belangrijk weidevogelgebied (bron:. ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).
17
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 m tot de Groene buffer (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).
3.3 Houtopstanden In beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
18
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Beschermd grassland in de bollenstreek Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer
10 km 2 km 27 km 2 km 400 m
Geen Geen Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden In beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
19
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Steenbakkerij ong. is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
20
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.dinoloket.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
21
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Steenbakkerij en bestaat uit een braakliggend terrein. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft bouwen van een tijdelijke huisvesting voor maximaal 132 personen.
Figuur 2
Het perceel bestaat voornamelijk uit zand, gras en kruidachtige planten.
22
Figuur 3
Op de planlocatie is een transformatorhuisje gesitueerd.
Figuur 4
De watergang wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling.
23
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 24