Bijlage 11 Bijlage 7 MER Deelrapport Natuur A24.001859
Tekst van het document
Effectanalyse Vogels Uit onderstaande luchtfoto blijkt dat de gekozen zoekgebieden (weergegeven als rode cirkels) in de huidige situatie open gebieden zijn. Op dit moment is het risico op slachtoffers onder trekvogels daardoor gering . Trekvogels volgen vaak vaste vliegroutes (vlieg-/trekbanen of ‘flyways’) en deze liggen voornamelijk langs de kust en grote rivieren. Door SOVON15 is in 2009 een onderzoek uitgevoerd waarbij een windmolenrisicokaart van Nederland is uitgebracht. In deze risicoanalyse, voor trekvogels, heeft West Nederland de classificatie ‘laag risico’ gekregen, Oost Nederland de classificatie ‘gemiddeld risico’ en duidelijke trekbanen de classificatie ‘hoog risico’ en bekende stuwplekken de classificatie ‘hoogste risico’. De hele kuststrook – de duinen en directe omgeving – is eveneens in de hoogste categorie geplaatst omdat de ervaring leert dat onder bepaalde weersomstandigheden de trek hier sterk gestuwd wordt op lage hoogten.
15 Aarts, B. en L. Bruinzeel (2009). De nationale windmolenrisicokaart voor vogels. Visie
Vogelbescherming Nederland. SOVON Nederland. Nijmegen
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
85/93
Op dit moment is het gebied al slechts zeer beperkt geschikt voor weidevogels. In het plangebied wordt de locatie tussen de bedrijventerreinen ingericht als (recreatie)bos, waardoor het gebied ongeschikt raakt voor weidevogels. Het risico op slachtoffers onder weidevogels is dan ook gering. Wel zal het bos in de toekomst steeds geschikter raken voor broedvogels, wat mogelijk tot een toename aan slachtoffers zal leiden. De verwachting is dat het aantal slachtoffers gering zal zijn, aangezien de meeste zangvogels op lage hoogten vliegen (tot circa 150 meter). Vanuit het NIEWHOL betekent dit dat in principe het standstill principe voor zowel lokale broedvogels als trekvogels niet hoeft te worden toegepast. Vleermuizen Sommige vleermuissoorten zijn migrerende soorten, net als vogels. Ook deze soorten volgen bepaalde trekbanen en net als vogels volgen ze hierbij de grote rivieren of kustgebied. Het risico op slachtoffers onder trekkende vleermuizen is in beide zoekgebieden dan ook gering. In de huidige situatie zijn beide zoekgebieden te kwalificeren als laag-risico gebied in verband met de afwezigheid van bos of grote wateren op minder dan 150 m.
Gezien het voornemen om het gebied tussen de twee bedrijventerreinen te ontwikkelen tot bos, zal het risico op slachtoffers aanzienlijk toenemen en wordt het daar geprojecteerde zoekgebied na ontwikkeling van het bos gezien als een hoog-risico. Vanuit het NIEWHOL betekent dit dat in principe het standstill principe zou moeten worden toegepast. Conclusie Op basis van de effectanalyse wordt geconcludeerd dat de windturbines langs de spoorweg Gouda – Den Haag, aan de noordzijde van het energielandschap, geprojecteerd staan in laag-risico gebied. Er worden daarom weinig negatieve effecten verwacht en er lijken op voorhand geen maatregelen nodig om de windturbines daar te realiseren. Het zoekgebied tussen de bedrijventerreinen heeft na realisatie van het (recreatie)bos een hoog-risico. Dat betekent dat er een grotere kans is op slachtoffers onder vleermuizen. Als gevolg daarvan zijn maatregelen nodig in de vorm van een stilstandvoorziening om op die locatie windturbines te mogen bouwen. Een andere mogelijkheid is dat bij het inrichten van het zoekgebied
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
86/93
rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de windturbines. Door rondom de windturbines een afstand van 150 meter aan te houden waarin geen bos wordt gerealiseerd, zou de beperking van de stilstandvoorziening kunnen vervallen.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
87/93
Bijlage 6 Relatie ecologische kwaliteit en peilfluctuatie Inleiding Voor het Milieueffectrapport (MER) Middengebied Zuidplaspolder is een advies gegeven over de manier waarop in het voorkeursalternatief (VKA) omgegaan kan worden met het grondwaterpeil. Op basis daarvan is tevens advies gegeven over de natuurtypen die daarbij passen en die bij de inrichting van de natuurzones in het plan aangehouden kunnen worden. In het eerste advies is uitgegaan van een grondwaterpeil van -5,80 m NAP, met een fluctuatie van 0,3 m (0,15 m naar boven en 0,15 m beneden). Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) heeft daarop aangegeven dat het vanuit een Goed Ecologisch Potentieel (GEP) wellicht te overwegen is om uit te gaan van een fluctuatie van 0,5 m. In deze notitie wordt beschreven wat dit zou betekenen voor de natuurtypen die dan ontwikkeld kunnen worden en wat uiteindelijk het advies van Sweco is voor de keuze van het VKA. Ecologisch potentieel in het plangebied Het plangebied ligt in een laagveen- en zeekleilandschap.
In dit type landschap kunnen de volgende natuurtypen voorkomen: • N01.03 rivier- en moeraslandschap • N04.01 kranswierwater • N04.02 zoete plas • N04.03 brak water • N04.04 afgesloten zeearm • N05.01 moeras • N05.02 gemaaid rietland • N06.01 veenmosrietland en moerasheide • N06.02 trilveen • N10.01 nat schraalland • N10.02 vochtig hooiland • N12.02 kruiden- en faunarijk grasland • N12.04 zilt- en overstromingsgrasland • N12.06 Ruigtevelden • N14.02 hoog- en laagveenbos Aanvullend hierop kan, gezien het agrarisch gebruik, ook het natuurtype N17.05 Vochtig en hellinghakhout (“boerengeriefhoutbosjes”) nog worden toegevoegd. Natuurdoeltypen Ecologische verbindingszones In het plangebied ligt een Ecologische verbindingszone (EVZ) van de provincie Zuid-Holland. Deze EVZ moet de Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebieden Krimpenerwaard en Bentwoud met elkaar verbinden. Voor deze EVZ heeft de provincie bepaald wat het gewenste natuurtypen is om een haalbaar en functionele EVZ te ontwikkelen. De natuurtypen die in de EVZ moeten komen zijn: • N04.02 Zoete Plas • N05.01 Moeras
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
88/93
• • •
N12.06 Ruigteveld N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig hooiland
Omdat uit de studie is gebleken dat de haalbaarheid van het natuurtype N10.01 Nat schraalland niet realistisch is geacht, is deze op verzoek van de provincie Zuid-Holland vervangen door een natuurtype waarvan het halen wel realistisch wordt geacht, namelijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Vanuit ecologisch oogpunt zijn de vochtige schraalgraslandtypes binnen het plangebied het meest gewenst; deze natuurtypen zijn schaars, hebben soorten die zeldzamer zijn of onder meer druk staan. Eerste advies: -5,30 m NAP met fluctuatie van 30 cm Voor het plangebied (Vijfde Dorp e.o) is in het eerste advies voor het VKA uitgegaan van een peilfluctuatie van 30 cm. Voor het eerste advies richting het voorkeursalternatief (VKA) is in beginsel aansluiting gezocht bij de natuurtypen die ook voor de EVZ worden gekozen. Daarbij is vooral gekeken naar de natuurtypen kruiden- en faunarijke graslanden (op de drogere delen) en vochtige hooilanden (op de nattere delen). De gekozen peilfluctuatie maakt het watersysteem robuuster voor deze natuurtypen. Het systeem wordt robuuster omdat met een peilfluctuatie van 30 cm de kans op (langdurige) periodes van droogte geringer is dan met een grotere peilfluctuatie. Door (langdurige) periodes van droogte ontstaat een ander habitat en ontstaat er ruimte voor verruiging door bijv. opslag van wilgen.
In het voorstel voor het VKA was uitgegaan van het zoveel mogelijk realiseren van natuurvriendelijke oevers. Daarbij was een talud van in het algemeen 1:3 (soms onder de waterlijn 1:2) voorgesteld. Voorstel HHSK: 50 cm fluctuatie en flauwere taluds Door HSK is een opmerking geplaatst in het kader van Goed Ecologisch Potentieel (GEP) om naar een peilfluctuatie van 50 cm te kijken en naar een (veel) flauwer oevertalud van 1:5 en 1:7. HHSK onderbouwt dit voorstel in een e-mail (d.d. 25 oktober 2022). Aangegeven wordt dat vanuit waterkwaliteit in de door HHSK geformuleerde voorwaarden voor de wijk staat dat alle passende verbetermaatregelen moeten worden genomen die nodig zijn voor een GEP. Het GEP voor deze wijk zal later in het proces nog gedefinieerd worden voor dit nieuwe gebied. Bepalend is het ambitie niveau voor het watersysteem dat uitgewerkt wordt in het stedenbouwkundigplan te samen met het waterhuishoudingsplan. HHSK geeft aan dat het doel van een grotere peilfluctuatie een zo veerkrachtig en robuust en gezond mogelijk watersysteem is, dat bestand is tegen klimaatverandering. Het watersysteem en beheer moeten daarvoor volgens HHSK ruimte geven aan natuurlijke processen zoals droogval en inundatie.
Deze natuurlijke processen dragen daarmee bij aan een zo goed mogelijke waterkwaliteit doordat enerzijds zoveel mogelijk regenwater wordt vastgehouden (minder of geen water van buiten het plangebied) en er tevens voldoende ruimte is voor een zo groot mogelijk begroeibaar oeverareaal. Een zo groot mogelijk begroeid oeverareaal geeft niet alleen ruimte aan oever en
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
89/93
waterplanten, maar draagt ook bij aan geschikt habitat voor macrofauna en limnofiele soorten16. Verder geeft HHSK aan dat een grotere peilfluctuatie geschikter is om meer regenwater vast te houden (minder afhankelijk van buitenwater) en tegelijk ruime oeverzones oplevert, geschikt voor water en oeverplanten. Het begroeibaar oeverareaal (dus de lengtefractie en breedte van de kruidlaag) wordt volgens HHSK met 50 cm peilfluctuatie 67% meer dan bij een flexibel peil van 30 cm. Zie ook onderstaand tabel. Taludhoek
Oeverbreedte (m)
1:3
flexibel peil (m) 0.3
0.95
100%
1:3
0.5
1.58
167%
1:5
0.3
1.53
100%
1:5
0.5
2.55
167%
1:7
0.3
2.12
100%
1:7
0.5
3.54
167%
Ecologische kenmerken natuurtypen VKA Binnen het plangebied wordt – in aansluiting op de natuurtypen in de EVZ – voorgesteld om in te zetten op drie natuurtypen Hieronder worden de kenmerken van deze natuurtypen kort beschreven. N05.04 Dynamisch moeras • Het beheertype Dynamisch Moeras omvat verlandingsvegetaties zoals riet- en biezenvegetaties, natte ruigte en grote zeggenvegetaties. • Moeras kan tot 20% uit open water bestaan en tot 10% uit struweel. De zomersituatie geldt hier als referentiepunt. • De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden. • Gebieden waar de waterstanddynamiek beperkt is (minder dan 20 cm verschil tussen zomer en winter) en/of waar niet regelmatig (minimaal 1 keer per jaar) overstroming met oppervlaktewater plaatsvindt, vallen onder het type N05.03 Veenmoeras. • In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en -20 cm ten opzichte van maaiveld. Moerasvegetaties zijn onderdeel van de natuurlijke verlanding van open water naar land. De samenstelling van deze vegetaties wordt vooral bepaald door hoe ver die verlanding gevorderd is. Maar ook de invloed van waterstanden (de frequentie en duur van overstromingen) en de kwaliteit van het water, zijn erg belangrijk voor de samenstelling van de moerasvegetatie.
Voor het beheer is moeras onderverdeeld in de verschillende successiestadia in de verlanding vanuit open water:
16 Limnofiele soorten zijn plantenminnende vissoorten die een voorkeur hebben voor stilstaand of
langzaam stromend water, zoals de bittervoorn (Rhodeus amarus) en de rietvoorn (Scardinius erythrophthalmus). Tenminste één van de levensstadia van limnofiele soorten is gebonden aan waterplanten.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
90/93
1. Drijftillen: vormen een vroeg stadium in de verlanding in rustig water. Onbegaanbare vegetaties op drijvende matten van wortels en wortelstokken. Bij verdere successie ontstaan rietlanden of grote zeggenvegetaties; 2. Waterriet en biezen: door hoge moerasplanten als riet, lisdoddes en biezen gedomineerde vegetaties. Ze staan permanent in het water of vallen in de zomer korte tijd droog; 3. Grote zeggenmoeras: door grote zeggensoorten of galigaan gedomineerde vegetaties. Ontstaan o.a. uit rietvegetaties, als het maaiveld geleidelijk hoger wordt door slib of strooisel. Het kunnen ook beginstadia in de verlanding zijn, op plaatsen die tot ver in het groeiseizoen onder water staan; 4. Natte ruigten: vegetaties van hoog opgaande, vaak opvallend bloeiende kruiden, veelal in combinatie met riet rietgras, grote zeggen of grote lisdodde. Ontstaan o.a. op aanspoelselgordels en slootbagger en in voedselrijke rietlanden die niet (meer) worden gemaaid. De bodem is nat tot vochtig en doorgaans rijk aan bladstrooisel; plaatselijk kan verspreide opslag aanwezig zijn van wilg, vlier, els, berk of braam. Het beheer is afhankelijk van het successiestadium waarin de moerasvegetatie verkeert of van de uitgangssituatie (verlanding in open water of moerasvorming op vochtige bodems zoals voormalig grasland). Beginstadia van de verlanding in open water vragen doorgaans geen actief beheer.
Is de verlanding verder gevorderd, dan kan – afhankelijk van de standplaats – periodiek (niet elk jaar) en doorgaans gefaseerd (niet alles in 1x) worden gemaaid. Indien het beheer niet juist wordt uitgevoerd treedt verlanding en verruiging op. Het gebied zal gemonitord moeten worden zodat tijdig kan worden bijgestuurd om het gewenste natuurtype te halen. N10.02 Vochtig hooiland • Vochtig hooiland omvat hooilanden (zie eerste alinea), al dan niet met nabeweiding. • Vochtig hooiland omvat dotterbloem-, kievitsbloem- of pimpernelhooilanden, weidekervelgraslanden, veldrusschraallanden of de wat schralere bovenveengraslanden. • Vochtig hooiland wordt ofwel vrijwel jaarlijks overstroomd door oppervlaktewater (o.a. langs de rivieren), staat onder invloed van uitredend kwelwater (beekdalen) of is gelegen op een veenbodem met een gemiddeld waterpeil van 20-30 cm onder maaiveld, waarbij het peil in de zomer alleen gedurende korte tijd dieper kan wegzakken. • Het beheertype wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Dit natuurtype verlangd een voedselarme bodem. Om de gewenste voedselarmheid te bereiken dient een nader te bepalen dikte van het maaiveld te worden verwijderd. Tot welke diepte afgegraven dient te worden, moet met een chemisch onderzoek, naar de aanwezigheid van fosfaat, te worden bepaald.
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
91/93
Ook is het mogelijk om doormiddel van maaien en afvoeren het gewenste natuurtype te bereiken, dit vergt echter een zeer langdurig maaibeleid van maaien en afvoeren (ongeveer 1x per jaar). Ook zal het gebied moeten worden gemonitord zodat tijdig kan worden bijgestuurd om het gewenste natuurtype te halen. N12.02 Kruiden- en faunarijke graslanden • Het betreft grasland, de grasachtigen (monocotylen) zijn dominant, maar kruiden (dicotylen) en mossen hebben een oppervlakteaandeel van tenminste 20% • De graslanden zijn niet tot andere beheertypen te rekenen Dit natuurtype verlangt een matig voedselrijke tot voedselarme bodem. Omdat dit natuurtype zich ook ontwikkeld op een matig voedselrijke bodem is het niet noodzakelijk om de voedselrijke bodem te verwijderen, maar dit kan wel wenselijk zijn omdat het natuurtype zich dan sneller ontwikkeld. Voor dit natuurtype is het goed mogelijk om doormiddel van maaien en afvoeren het gewenste natuurtype te bereiken, dit vergt echter nog steeds een langdurig maaibeleid van maaien en afvoeren (1 (a 2)x per jaar). Ook zal het gebied moeten worden gemonitord zodat tijdig kan worden bijgestuurd om het gewenste natuurtype te halen. Beschouwing 50 cm versus 30 cm fluctuatie en oevertalud In deze analyse moet onderscheid gemaakt worden tussen het verschil in peilfluctuatie (30 of 50 cm) en het toepassen van flauwere taluds bij de watergangen.
Wanneer wordt gekeken naar de peilfluctuatie, dan past een fluctuatie van maximaal 30 cm beter bij de onder het vorige kopje beschreven natuurtypen. De natuurtypen die in dit type landschap van nature voorkomen gedijen namelijk beter bij zo nat mogelijke omstandigheden. Een fluctuatie van 50 cm zorgt voor een groter kans op drogere omstandigheden, wat de goede ontwikkeling van deze natuurtypen zal bemoeilijken. Bij de keuze voor de hellingshoek van het oevertalud speelt naast peilfluctuatie andere factoren een rol. Met een flauwer oevertalud wordt een groter areaal aan biotoop voor natte en vochtige natuur in het plangebied toegevoegd, wat potentieel meer variatie aan natuur in het plangebied kan opleveren. Natuur die hierdoor wordt toegevoegd zal voornamelijk riet en/of ruigte zijn. Om verruiging te voorkomen is (intensief) beheer van opschot van bomen en struiken nodig. Ook is het noodzakelijk dat het riet op een dusdanige manier wordt beheerd, dat dichtgroeien van watergangen wordt voorkomen. Het kan echter ook een keuze zijn om dit op sommige plekken juist te verwelkomen, waardoor er een grotere diversiteit aan natuurtypen ontstaat. Maar er vanuit gaande dat en te grote mate van verruiging niet gewenst is in het natuurbeeld, betekent een grotere hellingshoek in het algemeen een grotere arbeidsinspanning in het beheer en onderhoud.
Bij de keuze van de hellingshoek van het oevertalud speelt ook de variatie in peil een rol. Bij een peilfluctuatie van 50 cm zal een deel van het oevertalud ecologisch instabiel zijn, wat een verruiging van het drogere deel van het oevertalud met wilgen e.d. zal geven. De op dit moment gekozen natuurtypen vergen bij een peilfluctuatie van 30 cm een minder intensief onderhoud
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
92/93
(bestaan uit het jaarlijks een keer maaien en afvoeren van het maaisel). Ook is het mogelijk om de drogere delen van het gebied te beweiden door vee. Conclusie Door het voorgenomen plan voor het Middengebied van de Zuidplaspolder ontstaan er natuurontwikkelingsmogelijkheden binnen het plangebied. Welke natuurtypen ontwikkeld kunnen worden is afhankelijk van een pallet aan factoren. Hierbij valt te denken aan: grondwaterstand, voedselrijkdom, bodemsoort, beheer, oevertalud, etc. Vanuit de GEP gedachte zijn er verschillende varianten denkbaar, zoals ook is weergegeven in de tabel van HHSK. Zo kan gekozen worden voor een peilfluctuatie van 30 cm of 50 cm en/of minder flauwe oevertaluds, met. Ook kan gekozen worden om in de stedelijke omgeving wat steilere taluds dan in de buitenruimte, of in de stedelijke omgeving als daar ruimte voor is, flauwe taluds te kiezen. Voor elke peilfluctuatie is iets voor of tegen te zeggen. Beiden hebben hun voordelen (stabiel systeem, grotere kans op halen natuurtypen, minder onderhoudm grotere biodiversiteit) en nadelen (instabiel systeem, onderhoudsintensiever, minder biodiversiteit). Daarbij maken we onderscheid tussen natuurtypen die in het gebied worden gerealiseerd en natuurtypen op de oevers. In het gebied gedijen de gekozen natuurtypen het beste bij een beperkte fluctuatie van 30 cm.
In de oevers valt vanuit biodiversiteit winst te behalen door te kiezen voor een flauwer talud. Daar staat dan wel tegenover dat het meer arbeid zal kosten om deze oevers te beheren. Onderstaande tabel geeft voor de oevers aan hoe de keuzes die je hierin kunt maken van invloed zijn op de stabiliteit van het systeem (voldoende nat om de te realiseren natuurtypen te behalen), de mate van arbeid voor het beheer/onderhoud (waarbij uitgangspunt is dat je verruiging wilt voorkomen) en de biodiversiteit. Talud 1:3
Talud 1:5
Talud 1:7
Stabiliteit: Beheer/onderhoud: Biodiversiteit: Stabiliteit: Beheer/onderhoud: Biodiversiteit: Stabiliteit: Beheer/onderhoud: Biodiversiteit:
Peilfluctuatie 30 cm Goede stabiliteit Weinig arbeid Redelijk groot Goede stabiliteit Redelijk veel arbeid Groot Goede stabiliteit Veel arbeid Zeer groot
Peilfluctuatie 50 cm Redelijke stabiliteit Redelijk weinig arbeid Groot Matige stabiliteit Veel arbeid Groter Slechte stabiliteit Zeer veel arbeid Grootst
Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023
Versie: D0.0
93/93