Bijlage 1 Wijzigingsverordening A21.000294
Tekst van het document
Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening Deze verordening treedt met ingang van de dag na de dag van bekendmaking in werking. Op hetzelfde tijdstip vervallen de volgende verordeningen: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zuidpias, vastgesteld op 4 januari 2010; Wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening, vastgesteld op 30 juni 2010; Wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening, vastgesteld op 26 oktober 2010; Algemene Plaatselijke Verordening Zuidpias 2010, vastgesteld op 28 juni 2011; Wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening 2013, vastgesteld op 16 april 2013; Wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening 2013b,vastgesteld op 11 maart 2014. Artikel 6:5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 maart 2021. de plv. griffier,
de voorzitter,
J.J.A. van Houwelingen
J.F. Weber
Artikel II De toelichting bij de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zuidplas wordt als volgt gewijzigd: Toelichting Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gemeente Zuidplas
De volgende definities worden toegevoegd aan de toelichting van artikel 1:1: “K. Parkeren: De definitie van ‘parkeren’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door de modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; ook in dit geval is er geen sprake van parkeren. L. Voertuig: De definitie van ‘voertuig’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. ‘Voertuigen’ in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.
Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.” De volgende alinea uit toelichting van artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd: Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. In dat geval kan de beslistermijn op grond van artikel 1:2, tweede lid met ten hoogste acht weken worden verlengd. Op grond van artikel 4:14 Awb wordt de aanvrager van dit verlengingsbesluit in kennis gesteld. De volgende alinea wordt toegevoegd aan de toelichting van artikel 1:2: De kapvergunning (artikel 4:11) valt onder artikel 2.2, eerste lid, onder respectievelijk d en g, van de Wabo. De beslistermijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning is dezelfde als in het eerste lid is opgenomen: acht weken (artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo). Artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. Daarom is voor de genoemde ontheffing of vergunning een afwijking van het tweede lid opgenomen onder verwijzing naar artikel 3.9 van de Wabo. Vanwege het vervallen van artikel 1:3 vervalt de toelichting op dit artikel.
De titel van de toelichting op artikel 1:7 wordt gewijzigd van “Vergunning voor onbepaalde tijd” naar “Termijnen” De volgende alinea wordt toegevoegd aan de toelichting van artikel 1:7: Tweede lid Uit ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, blijkt dat schaarse vergunningen zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd. De volgende alinea wordt toegevoegd aan de toelichting van artikel 1:8: Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd.
In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
De titel van de toelichting op artikel 2:1 wordt gewijzigd van “Samenscholing en ongeregeldheden” naar “Samenscholing en ongeregeldheden”. De titel van de toelichting op artikel 2:1 wordt gewijzigd van “Beperkingen aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen” naar “Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen”. De titel van de toelichting op artikel 2:9 wordt gewijzigd van “Straatartiest” naar “Vertoningen op openbare plaats”. Vanwege het vervallen van artikel 2:10 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 2:10a vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 2:11 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 2:12 vervalt de toelichting op dit artikel. De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: AFDELING 2.6 VEILIGHEID OP DE WEG Artikel 2:13 (vervallen) Vanwege het vervallen van artikel 2:18 vervalt de toelichting op dit artikel. Artikel 2:19 (vervallen) Artikel 2:20 (vervallen) Vanwege het vervallen van artikel 2:22 vervalt de toelichting op dit artikel. De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: Afdeling 3 Evenementen Artikel 2:24 Definities De tweede alinea uit toelichting van artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: a. In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoop- en theatervoorstellingen.
Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.
b. Daarnaast gelden de bepalingen niet voor warenmarkten. Indien het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h g van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening. Uitgebreide informatie over markten is te vinden in de Marktverordening gemeente Zuidplas. Het volgende wordt aan de tweede alinea van artikel 2:24 toegevoegd: g. Sportwedstrijden worden niet als een evenement aangemerkt, tenzij het gaat om free fight, vale tudo, cage fight, kickboksen, MMA en al hun vergelijkbare varianten. De titel van Toelichting artikel 2:25a Klein evenement wordt als volt gewijzigd: Toelichting Klein evenement De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen De volgende alinea uit toelichting van artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: Als het bestemmingsplan vestiging van een openbare inrichting ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.
Weliswaar brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake. Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de DHW jo. artikel 3, van de Wet Bibob. De DHW geldt, zoals hierboven vermeld, niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. De volgende alinea uit toelichting van artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: Tweede en derde lid Op grond van het tweede lid is de burgemeester bevoegd een besluit te nemen over het gebruik van de openbare weg als terras. Hiermee wordt voorkomen dat een exploitant, naast de exploitatievergunning, ook een vergunning als bedoeld in artikel 3.14 Verordening Fysieke Leefomgeving moet aanvragen. De gronden (derde lid) waarop de burgemeester het gebruik van de openbare weg als terras kan weigeren zijn gelijk aan de gronden van 3.14 Verordening Fysieke Leefomgeving.
De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: Afdeling 7a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat De volgende toelichting wordt aan artikel 2:40a toegevoegd: Bedrijfsmatige activiteiten kunnen gebruikt worden als een dekmantel voor malafide activiteiten of gebruikt worden om ondermijnende activiteiten te ontplooien. Zij bedreigen niet alleen de lokale, regionale of landelijke markt, maar zorgen voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat. Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. Werd voorheen criminaliteit vooral repressief binnen het strafrecht aangepakt, inmiddels is gebleken dat een integrale aanpak tussen verschillende partners vaak meer oplevert. Bestuurlijke instrumenten als een vergunningplicht kunnen worden gebruikt om malafide ondernemers te weren.
Door de burgemeester de bevoegdheid te geven om gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aan een vergunningplicht te onderwerpen kan een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat worden tegengegaan. De gemeenteraad is op grond van zijn autonome verordenende bevoegdheid bevoegd om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van de economische ordening, maar primair het belang van openbare orde en veiligheid. Het tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat maakt hier onderdeel van uit. De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor het tegengaan van malafide ondernemers. Door het invoeren van een vergunningplicht kan de gemeente het ondernemerschap reguleren, controleren en handhaven. Bovendien gaat er een preventieve werking vanuit. Malafide ondernemers worden door de vergunningplicht geweerd. Pandeigenaren worden bovendien gestimuleerd om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen. Het instrument van een vergunningplicht is niet ongebruikelijk binnen de gemeente. Binnen de APV bestaat er al een vergunningplicht voor onder andere de horeca en seksinrichtingen.
Een nieuwe vergunningplicht kan leiden tot een toename van administratieve lasten. Bedrijven die voorheen geen vergunning nodig hadden, moeten nu wel een vergunning aanvragen. Hiervoor moeten gegevens worden aangeleverd en leges worden betaald. De toename van de administratieve lasten is te rechtvaardigen, omdat de vergunningplicht slechts wordt ingezet als de burgemeester een daartoe goed gemotiveerd aanwijzingsbesluit neemt. Bovendien hebben bonafide ondernemers er baat bij dat malafide ondernemers geweerd worden. Deze laatste groep zorgt voor oneerlijke concurrentie en een slecht imago voor de branche. De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade De volgende toelichting wordt aan artikel 2:43 toegevoegd: Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel 2:42 opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te bekrassen, te plakken of te kladden of op andere verboden wijze aan te brengen of doen aanbrengen.
Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, van het EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken. Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het WvSv en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht. De opsporingsambtenaar en het OM hebben de mogelijkheid om aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid. De volgende toelichting wordt aan artikel 2:44 toegevoegd: Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. De titel van artikel 2:48 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:48 Verboden drank- en drugsgebruik De volgende toelichting wordt aan artikel 2:48a toegevoegd: Niet alleen overmatig drankgebruik, ook oneigenlijk gebruik van lachgas (als roesmiddel) leidt vaak tot overlastsituaties. In de ledenbrief lachgas van 14 mei 2020 (Lbr.
20/015) zijn wij ingegaan op de gevaren van oneigenlijk gebruik van lachgas en hebben wij gewezen op het kabinetsvoornemen om dit oneigenlijk gebruik tegen te gaan door lachgas te plaatsen op lijst II van het Opiumbesluit. Ook hebben wij aangegeven welke bestaande model-APV-bepalingen (in totaal 11) gemeenten kunnen gebruiken om overlast door lachgas aan te pakken.
Deze bepalingen zijn goed bruikbaar om hinder en overlast door lachgas tegen te gaan. Een specifieke bepaling over lachgas brengt met zich dat moet worden aangetoond dat de hinder of overlast inderdaad is veroorzaakt door het gebruik van lachgas. In de praktijk kan het lastig zijn om dit concreet aan te tonen. Er zijn gemeenten met een of meer specifieke lachgasverboden in de APV. Bij het opstellen van het voorbeeldartikel hebben die tot leidraad gediend. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke.
Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). De volgende toelichting wordt aan artikel 2:50a toegevoegd: Op grond van dit artikel geldt een verbod om op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Te denken valt hierbij aan zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG).
Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (tweede lid). Voor evenementen – die niet altijd hoeven plaats te vinden op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven – is In artikel 2:26 eenzelfde verbod opgenomen. Het volgende wordt in de toelichting van artikel 2:58 gewijzigd: Vierde tot en met zesde lid Vanwege het vervallen van artikel 2:64 vervalt de toelichting op dit artikel. De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: Afdeling 9 Bestrijding van heling van goederen De titel van artikel 2:66 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:66 Definitie De titel van de volgende afdeling wordt als volgt gewijzigd: Afdeling 10 Consumentenvuurwerk De titel van artikel 2:71 Begripsbepaling wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:71 Definitie De titel van artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling wordt als volgt gewijzigd: Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Het volgende wordt in de toelichting van artikel 2:73a gewijzigd: Carbidschieten is niet zonder risico. Regelmatig vinden er tijdens het carbidschieten ongelukken plaats waarbij de carbidschieter en de omstanders ernstig gewond raken. Met name als het carbidschieten gebeurt door ondeskundige gebruikers. Het is gewenst om carbidschieten te reguleren. Vandaar dat in dit artikel een vergunningplicht is opgenomen. Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Daarbij kan worden gedacht aan de tijden waarbinnen carbid geschoten mag worden en aan het aantal (melk)bussen dat mag worden gebruikt. De titel van het volgende hoofdstuk wordt als volgt gewijzigd: Hoofdstuk 3 REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN Vanwege het vervallen van artikel 4:1 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:2 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:3 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:5 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:6 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:6 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:6 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:12 vervalt de toelichting op dit artikel.
Vanwege het vervallen van artikel 4:13 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:15 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:17 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:18 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 4:20 vervalt de toelichting op dit artikel. De titel van het volgende hoofdstuk wordt als volgt gewijzigd: Hoofdstuk 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE Vanwege het vervallen van artikel 5:1 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:17 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:18 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:18a vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:19 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:20 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:20a vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:24 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:25 vervalt de toelichting op dit artikel.
Vanwege het vervallen van artikel 5:26 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:28 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:32 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:33 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:34 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:35 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:36 vervalt de toelichting op dit artikel. Vanwege het vervallen van artikel 5:37 vervalt de toelichting op dit artikel. De titel en toelichting van artikel 6:3 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 6: Binnentreden woningen Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend voor alle plaatsen, met uitzondering van het binnen treden van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde ‘huisrecht’ regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed.
Op het betreden van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel de, zij het wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi. De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie elementen: 1. de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn verleend; 2. de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet te worden aangewezen, en 3. er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen. De titel en toelichting van artikel 6:4 wordt als volgt gewijzigd: Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening In artikel 6:4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt. De volgende toelichting wordt aan artikel 6:5 toegevoegd: Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening. Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Awb beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc).
Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius). Artikel III Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking.