Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing A23.001393
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Nieuwbouw vrijloopstal
Opdrachtgever:
P.A. Kool Middelweg 19 2841 LA Moordrecht
Opdrachtnemer:
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V. Nieuwe Rijksweg 68C 4128 BN Lexmond T 0183 - 351 000 E info@hansrietveldagrarischadvies.nl
Planstatus:
Conceptversie 23-06-2023
NL.IMRO.---------------------------------ON01 2
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
Inhoud
1. Inleiding .................................................................................................................................................. 4 1.1.
Aanleiding ................................................................................................................................... 4
1.2.
Doel ............................................................................................................................................ 4
1.3.
Begrenzing plangebied ............................................................................................................... 5
1.4.
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................ 5
1.5.
Leeswijzer ................................................................................................................................... 6
2. Beschrijving van het project ................................................................................................................... 7 3. Beleidskaders.......................................................................................................................................... 8 3.1.
Rijksbeleid................................................................................................................................... 8
3.2.
Provinciaal beleid ....................................................................................................................... 8
3.3.
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................... 9
3.4.
Conclusie .................................................................................................................................. 10
4. Planopzet: Sectorale aspecten ............................................................................................................. 11 4.1.
Algemeen.................................................................................................................................. 11
4.2 Archeologie. .................................................................................................................................... 11 4.3 Bodem............................................................................................................................................. 11 4.3 luchtkwaliteit .................................................................................................................................. 12 4.4 Natuur ............................................................................................................................................. 14 4.5 Geur ................................................................................................................................................ 17 5. Uitvoerbaarheid en conclusie............................................................................................................... 19 5.1.
Economische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 19
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .......................................................................................... 19
NL.IMRO.---------------------------------ON01 3
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
1. Inleiding 1.1.
Aanleiding
Aan de locatie Middelweg 19 is het agrarisch bedrijf gelegen van de heer Kool. De heer Kool exploiteert een agrarisch bedrijf i.c.m. een auto garage op boerderij Hoeve Werkendam. Deze boerderij dateert van 1880. De heer Kool wil vanwege de verouderde gebouwen een diervriendelijke stal voor rundvee bouwen. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt deel uit van de procedure voor het planologisch mogelijk maken van de bouw van een stal.
Figuur 1 locatie en omgeving
1.2.
Doel
Doel van deze ruimtelijke onderbouwing is het planologisch mogelijk maken van de bouw van een stal voor rundvee.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 4
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
1.3.
Begrenzing plangebied
Het plangebied betreft het perceel Middelweg 19, kadastraal bekend gemeente Moordrecht, sectie D, nummers 1942, 1943, 647 en 650 gedeeltelijk en volgt binnen dit perceel het bouwvlak uit het bestemmingsplan Restveen en Groene Waterparel.
Figuur 2 Begrenzing plangebied, uitsnede bestemmingsplan Restveen en Groene Waterparel
1.4.
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen het bereik van de volgende bestemmingsplannen; -
Voorbereidingsbesluit middengebied 2023 (2022) Voorbereidingsbesluit middengebied (2022) Parapluherziening parkeren en archeologie (2018) Restveen en Groene Waterparel (2008)
In het bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de bestemming Agrarisch en aanduiding gb zijnde een garagebedrijf. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf zijnde een veehouderij en paardenfokkerij en een garagebedrijf met een maximum oppervlakte van 80 m².Tevens is de waarde archeologie welke ter bescherming dient voor de mogelijk voorkomende archeologische waarden. Vanuit het paraplu bestemmingsplan archeologie is tevens waarde 3 van toepassing.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 5
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
1.5.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt inzicht gegeven in relevant beleid van Rijk, provincie en gemeente, een en ander in relatie tot het voorliggende plan. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens een beschrijving gegeven van het project ten aanzien van het huidige en beoogde toekomstige gebruik. Toetsing aan sectorale aspecten vindt plaats in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt, de relatie van dit plan binnen het vigerende bestemmingsplan ‘buitengebied’ vermeld. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Tevens wordt in dit hoofdstuk een afweging gemaakt en een conclusie getrokken.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 6
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
2. Beschrijving van het project In de huidige situatie bestaat het bedrijf van de heer Kool uit een agrarische bedrijfslocatie met de nodige -daarbij behorende- bebouwing, opslagvoorzieningen en een auto garage. Van oorsprong betreft het een melkveebedrijf wat mede vanwege de leeftijd van de vader van de heer Kool is gewijzigd in het houden van rundvee. De heer Kool heeft als nevenactiviteit een auto garagebedrijf op de locatie gevestigd. Er is circa 27 ha grasland in gebruik welke grotendeels aansluitend aan het erf is gelegen. Vanwege de huidige verouderde opstallen wil de heer Kool een nieuwe stal bouwen voor runderen een z.g.n. vrijloopstal op stro. De stal heeft een beoogde omvang van 1.000 m² en bestaat uit een ruimte voor het houden van rundvee en overdekte opslag van vaste mest en hooi/stro.
De beoogde locatie is gelegen binnen het bestaande bouwvlak.
Figuur 3 impressie stal
NL.IMRO.---------------------------------ON01 7
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
3. Beleidskaders In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het voor onderhavig plan relevant Rijk-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Beleidsonderdelen die niet van toepassing zijn op onderhavig plan worden buiten beschouwing gelaten.
3.1.
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) Relevant beleidsdocument op Rijksniveau is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Hierin staat dat het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar en veilig leefklimaat. Een zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij in toenemende mate nadruk komt op het stimuleren van groei en beweging. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. In de structuurvisie legt het kabinet verantwoordelijkheden en bevoegdheden uitdrukkelijk neer bij lagere overheden. Hiermee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast worden (boven) lokale afstemmingen en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale regimes. Wanneer kenmerkende gebiedskwaliteiten binnen het gebied behouden en/ of versterkt dienen te worden, dan laat het Rijk de uitwerking hiervan over aan de provincie en gemeente. Onder verwijzing naar de hierna opgenomen paragrafen met provinciaal en gemeentelijk beleid, kan het Rijksbeleid hierdoor verder buiten beschouwing worden gelaten. Als structuurvisie is het document zelfbindend voor het Rijk. Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Ook met betrekking tot het Barro kan geconcludeerd worden dat Rijksbelangen waar nodig doorvertaald zijn naar provinciaal en/of gemeentelijk beleid.
3.2.
Provinciaal beleid
Omgevingsverordening Zuid Holland Het plangebied is conform de provinciale ruimte verordening gelegen binnen de aanduidingen; -
Ontgrondingen Ruimtelijke kwaliteit en bescherming categorieën o Beschermingscategorie 2 > groene buffer
NL.IMRO.---------------------------------ON01 8
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
-
Gebieden met verplichte peilbesluiten
Tevens is het plangebied omgeven door het natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanduiding ‘ontgrondingen’ is in de omgevingsverordening nader beschreven. Hieruit blijken geen beperkingen voor onderhavig plan. Het plangebied is voorzien van de aanduiding ‘groene buffers’. Deze aanduiding houdt in dat plangebied is aangewezen als z.g.n. buffer als tegenhanger van stedelijke verdichting en ontwikkeling. Het plan voorziet in de bouw van een rundveestal waarmee de agrarische activiteiten en behoud van het landschap voortgang kunnen vinden. Er is dus geen sprake van een stedelijke verdichting en ontwikkeling. Het plangebied is omgeven door de aanduiding NNN. Deze aanduiding is middels artikel 6.9e bepaald dat een plan binnen deze aanduiding niet de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant mag beperken, of tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden mag leiden. Aangezien er geen sprake is van een ontwikkeling binnen het NNN gebied en er geen sprake is van een ontwikkeling die instandhouding en ontwikkeling van het NNN gebied beperkt is geen nadere toetsing noodzakelijk. Het plan heeft geen impact op het peilbesluit van het waterschap. 3.3.
Gemeentelijk beleid
Bestemmingsplan “Restveen en Groene Waterparel” d.d. 16-12-2008 In dit bestemmingsplan is de projectlocatie voorzien van de bestemming ‘Agrarisch’. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals een veehouderij en paardenfokkerij nader gedefinieerd als: veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond; paardenfokkerij: het fokken, trainen en verzorgen van paarden; Tevens zijn de volgende dubbelbestemmingen aanwezig; -
Archeologische waarden bestemd voor beschermen van archeologische waarden. Cultuurhistorische bebouwing behoud en bescherming van cultuurhistorische bebouwing
Tevens is de aanduiding Gb zijnde garagebedrijf opgenomen. Hiermee is een garagebedrijf toegestaan met een maximum oppervlakte van 80 m² als nevenactiviteit. In de bouwvoorschriften is het volgende opgenomen; - bestaande bebouwing op bouwvlakken gelegen in het op de van deze voorschriften deel uitmakende themakaart 1 als "Groene Waterparel" aangeduide gebied, mag niet worden uitgebreid; de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mogen ten hoogste respectievelijk 6 m en 10 m bedragen. NL.IMRO.---------------------------------ON01 9
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
Het plangebied is gelegen binnen de Groene Waterparel waarmee uitbreiding van bebouwing niet mogelijk is. Aangezien de nieuwbouw noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf en het beheer van de omliggende percelen is afwijking van het bestemmingsplan een noodzakelijke en aanvaardbare ontwikkeling. De aanvraag voorziet in een uitbreiding met 1.000 m² aan bebouwing. Het bouwplan voldoet aan de goot- en bouwhoogte zoals hierboven vermeldt. Paraplu bestemmingsplan “Parkeren” d.d. 24-04-2018 Het initiatief heeft geen betrekking op parkeren Paraplu bestemmingsplan “Archeologie” d.d. 06-03-2018 In dit bestemmingsplan is de projectlocatie voorzien van de aanduiding waarde 3 waarbij geldt dat ingrepen dieper dan 3 meter onder het maaiveld of met een totale oppervlakte groter dan 1.000 m² vergunning plichtig zijn. Er is sprake van maximaal 1.000 m² waarmee geen vergunning plicht geldt. Voorbereidingsbesluit Middengebied 2023 d.d. 20-12-2022 Het voorbereidingsbesluit bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning werk of werkzaamheden uit te voeren en het gebruik van gronden/bouwwerken te wijzigen in omvang en gebruik. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken mits het plan niet strijdig is met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het gebied.
Het plangebied is gelegen binnen de Groene Waterparel waar geen woningbouw voorzien is waarmee afwijking van het voorbereidingsbesluit door het bevoegd gezag mogelijk is.
3.4.
Conclusie
Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat ten aanzien van het ruimtelijk beleid van het Rijk, provincie en gemeente de beoogde ontwikkeling “met gebruikmaking van een uitgebreide omgevingsvergunning” mogelijk is.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 10
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
4. Planopzet: Sectorale aspecten 4.1.
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt de beoogde nieuwbouw van een rundvee stal in het plangebied afgezet tegen relevante sectorale aspecten en daarbij behorende wetgeving en beleidsdocumenten.
4.2 Archeologie. Zoals vermeldt onder 3.3 is ter plaatse van het plangebied de archeologische waarde 3 van toepassing. Hierbij is onderstaande opgenomen waarbij geldt dat als aan één of meer van onderstaande voorwaarden wordt voldaan het bouwplan mogelijk is; -
-
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van niet meer dan 1.000 m2; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 3 meter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
Er is sprake van een bouwwerk met een maximum oppervlakte van 1.000 m² waarmee het bouwplan voldoet aan één van de voorwaarden en daarmee mogelijk is.
4.3 Bodem Bij het ruimtelijk planproces gaat het om de vraag of het huidige of toekomstige gebruik van de bodem afgestemd kan worden op de aanwezige bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde functie. Het bodemsaneringsbeleid is verder uitgewerkt in de Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit Uniforme Saneringen (BUS), de Circulaire Bodemsanering en het Besluit bodemkwaliteit. Voor het bouwen wordt grond verplaatst. De grond die wordt uitgegraven, wordt na de bouw verwerkt op het erf t.b.v. erfverharding. Voor tijdelijke uitname van grond stelt het Besluit bodemkwaliteit in artikel 36, derde lid, dat wanneer grond niet wordt bewerkt en op dezelfde plaats onder dezelfde condities opnieuw en in dezelfde toepassing wordt teruggebracht, dit toegestaan is zonder kwaliteitsbepaling (artikel 38 en 40), toetsing aan de functie (onder andere artikel 59) en melding (artikel 42). Overige bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit, en andere wetgeving zoals de Wbb, Arbo-regelgeving, Wet ruimtelijke ordening en Waterwet blijven bij tijdelijke uitname onverminderd van kracht. Denk hierbij aan: -
functionaliteit (artikel 5 Bbk):dat wil zeggen dat sprake moet zijn van een nuttige toepassing, geen grotere hoeveelheid wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing en dat de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt;
NL.IMRO.---------------------------------ON01 11
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
-
zorgplicht bodem (artikel 13 Wbb) en zorgplicht oppervlaktewater (artikel 7 Bbk). Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om asbesthoudende grond terug te plaatsen indien bij ontgraving asbest is geconstateerd.
Bij tijdelijke uitname kan grond of baggerspecie worden getransporteerd. Als dit binnen de grenzen van een werk gebeurt (geen transport over de openbare weg) is het niet nodig dat hierbij schriftelijke bescheiden aanwezig zijn. Als het transport naar een tijdelijke opslag buiten de grenzen van het werk plaatsvindt, is de aanwezigheid van schriftelijke bescheiden wel noodzakelijk. Een oorspronkelijk toegepaste bouwstof, ontgraven grond of baggerspecie wordt veelal als een afvalstof gezien. In dat geval moet het transport zijn vergezeld van een begeleidingsbrief.
Figuur 4 Kaart bodemloket
Uit raadpleging van het bodemloket blijkt de beoogde locatie (deels) aangemerkt als onderzoek uitvoeren. Aangezien zowel het beoogde gebruik als het bestaande gebruik een agrarische functie betreft achten wij een nader onderzoek niet noodzakelijk.
4.3 luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit in het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 12
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
Daarnaast voorziet de Wet luchtkwaliteit in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2023) ter plaatse gelegen tussen de 6 en 8 μg/m3. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse 14-16 μg/m3. De concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse gelegen tussen de 15 en 20 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende.
In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarde voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Wel is een vuistregel opgesteld voor veehouderijen in de “Handreiking fijn stof en veehouderijen” van mei 2010, waarmee een uitbreiding of oprichting NIBM is. De vuistregel gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor fijnstof. Onderstaande tabel geeft aan bij welke afstand tot de stallen de uitstoot van fijnstof zeker NIBM is. Daarbij geldt: hoe groter de afstand, hoe groter de kans dat de activiteit NIBM is. Het is dan niet meer nodig om aan de omgevingswaarde voor PM10 te toetsen.
Diercategorie
RAV code Aantal dieren Fijnstof in gr/dier/jr Fijnstof in gr/dier/jr
Melk en kalfkoeien
A 1.100
57
148
8.436,00
Vrouwelijk jongvee A 3.100
38
38
n.v.t.
Kippen
6
84
504,00
E 2.100
TOTAAL
8.940
NL.IMRO.---------------------------------ON01 13
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
Op basis van de vergunning wet milieubeheer van 2004 is de fijnstof emissie 8.940 gram. De melding van 2022; Conform de melding activiteitenbesluit van 2022 is de fijstof emissie 14.337 gram waarmee de toename 5.397 gram is. Gezien dat woningen van derden op meer dan 70 meter zijn gelegen is de situatie als NIBM te beschouwen.
Diercategorie
RAV code Aantal dieren Fijnstof in gr/dier/jr Fijnstof in gr/dier/jr
Melk en kalfkoeien
A 1.100
42
148
6.216,00
Weide- en zoogkoeien
A 2.100
52
86
4.472,00
Vrouwelijk jongvee
A 3.100
38
38
1.444,00
Vleeskalveren
A 4.100
5
33
165,00
Vleesstieren
A 6.100
6
170
1.020,00
Fokstieren en overig rundvee
A 7.100
6
170
1.020,00
TOTAAL
14.337
Nader onderzoek naar luchtkwaliteit wordt niet noodzakelijk geacht.
4.4 Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. De bescherming van natuur is geregeld via gebiedsbescherming en soortenbescherming. De Wnb vormt het geldend wettelijk kader. Toetsing aan de Wnb Het beschermen, ontwikkelen en beheren van natuurgebieden is niet altijd genoeg om de verscheidenheid aan planten- en diersoorten in stand te houden. Bovendien komen veel soorten ook buiten natuurgebieden voor. De Wnb vervangt sinds 1 januari 2017 3 wetten: - de Natuurbeschermingswet 1998; - de Boswet; - de Flora- en Faunawet. Het doel van de Wnb is drieledig: 1 bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2 decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3 vereenvoudiging van regels. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 14
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
Soortenbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wnb regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in 5 categorieën met soorten: 1 vogels met jaarrond beschermde nesten; 2 overige vogels; 3 soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); 4 overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; 5 overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt. Van belang is om na te gaan in hoeverre sprake is, of kan zijn, van 1 of meerdere van de bovengenoemde ‘verboden activiteiten’. De bouwlocatie is reeds bestaand erf en wordt benut voor de opslag van diverse materialen. Daarmee is er sprake van diverse activiteiten waarmee het voorkomen van beschermde soorten niet aannemelijk is.
Figuur 5 locatie
De voorgenomen ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de bepalingen ten aanzien van soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 15
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Het NNN, voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. NNN-gebieden komen in de omgeving van het projectgebied weer. De NNN-gebieden zijn aangegeven met een groene arcering en de voorgenomen ontwikkellocatie met een roze locatiemarkering. Op figuur 6 is te zien dat de planlocatie buiten NNN-gebied valt. Van een aantasting van het NNN is daarmee geen sprake.
Figuur 6 NNN gebied
Figuur 7 toont de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. De projectlocatie is weergegeven onder 1. Op meer dan 7,4 km afstand van het projectgebied ligt het Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein. Het dichtstbijzijnde stikstof gevoelige habitat ligt op ruim 14,5 km in Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Voor stikstof geldt zowel voor de aanlegfase als gebruikersfase een toetsingsplicht. Vanwege de afstand van meer dan 14,5 km tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat is een stikstofdepositie in de bouwfase uitgesloten. Voor de gebruikersfase is er enkel sprake van een wijziging in dieraantallen. Aangezien er geen sprake is van een toename van ammoniakemissie is een toename van stikstof depositie vanwege de afstand van meer dan 14,5 km uitgesloten.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 16
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
Figuur 7 Natura 2000 gebieden
4.5 Geur Wet geurhinder en veehouderij In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving. Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 17
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Er zijn binnen 50 meter van de inrichting geen woningen van derden gelegen. Uit de V-stacks berekening blijkt een maximale geurbelasting van 0,2 odeur waarbij 8 odeur het wettelijk maximum is.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 18
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.
5. Uitvoerbaarheid en conclusie 5.1.
Economische uitvoerbaarheid
Het initiatief wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het project zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure van een omgevingsvergunning zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Hiermee zijn de kosten voor de gemeente afgedekt.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Ontwerpfase Op een uitgebreide Wabo-procedure is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit en de ontwerpomgevingsvergunning moet in de Staatscourant worden geplaatst en moet ook via elektronische weg worden gepubliceerd. Het ontwerpbesluit en de ontwerpvergunning worden gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid een zienswijze in te dienen. Vaststellingsfase Na de termijn van terinzagelegging dient het college van burgemeester en wethouders te besluiten omtrent het definitieve besluit om af te wijken van het bestemmingsplan en om de omgevingsvergunning te verlenen. Hierna staat voor belanghebbenden de mogelijkheid open tot het instellen van beroep.
NL.IMRO.---------------------------------ON01 19
Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.