CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Regels Verordening fysieke leefomgeving A21.000236

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Vaststellen verordening fysieke leefomgeving23.541 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

35

Artikel 3.81 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan voor het afwijken van het verbod een omgevingsvergunning verlenen. 3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. § 3.3.3. Overige milieubelaste activiteiten Artikel 3.82 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het verbod geldt niet voorzover het betreft: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3.

Het college kan voor het afwijken van dit verbod een omgevingsvergunning verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 6.8 kan de omgevingsvergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening ZuidHolland. 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel 3.83 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen op stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voertuigen of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d.

mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel 3.84 Vervoer van gevaarlijke stoffen 1. Het is verboden met transporteenheden ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden als bedoeld in artikel 1 van bijlage 2, Hoofdstuk 2 van het Reglement vervoer over land van gevaarlijke stoffen alsmede gevaarlijke stoffen als bedoeld in dat artikel te vervoeren over andere wegen of weggedeelten dan die, welke voor dat transport door het college is aangewezen en als zodanig zijn aangeduid met borden overeenkomstig model K 14 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

36

2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod omgevingsvergunning verlenen. Het verleent deze omgevingsvergunning slechts op een schriftelijke aanvraag, waarbij ten minste is vermeld ten behoeve van wie en naar welk adres het vervoer dient te geschieden. Afdeling 3.4 Bouwactiviteiten § 3.4.1. Algemene bepalingen Artikel 3.85 Status Het bepaalde in Afdeling 3.4 wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. § 3.4.3. Bodemverontreiniging Artikel 3.86 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de resultaten van een recent en standaard vooronderzoek verricht volgens de vigerende NEN 5725; b. indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat er een bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens ingediend de resultaten van een recent milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek verricht volgens de vigerende NEN 5740; c. indien op basis van het milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek, verricht volgens de vigerende NTA 5755 d.

indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in de vigerende NEN 5707. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. 3. Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.

Het college kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. 5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. 6. Bodemonderzoeken dienen geheel overeenkomstig vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig hoofdstuk 2 uit het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid onderzoeken van voor 1 juli 2007. De rapportage moet als volgt worden ingediend: a. een papieren rapportage b. een digitaal exemplaar in pdf-bestand c. een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand.

37

Artikel 3.87 Verbod op bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke omgevingsvergunning niet is vereist, en 1. dat de grond raakt, of 2. ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

Artikel 3.88 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.80 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het college voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval hij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. § 3.4.4. Actualisering van NEN- en andere normen. Artikel 3.89 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NENnormen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in afdeling 3.4 wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

38

Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud Afdeling 4.1 Instandhouding § 4.1.1 Instandhouding van waardevolle houtopstanden Artikel 4.1 Instandhoudingsplicht waardevolle houtopstanden Wordt een waardevolle houtopstand zoals opgenomen op de Monumentale- en waardevolle bomen Zuidplas lijst in het voortbestaan ernstig bedreigd door menselijk handelen, dan kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt, danwel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van maatregelen bevoegd is, de last opleggen om: a. een advies op te laten stellen door een boomtechnisch deskundige, waarin de gevolgen van het menselijk handelen voor de houtopstand en mogelijke maatregelen worden weergegeven; b. overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Afdeling 4.2 Gedoogplichten Artikel 4.2 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 4.3 Gedoogplicht naamborden 1. Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met straatnamen en verwijsborden aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. De rechthebbende dient er zorg voor te dragen dat de in het eerste lid genoemde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven.

39

Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen Artikel 5.1 Tegemoetkoming erfgoed Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: a. de weigering van het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, 3.6, 3.7 of 3.11 te verlenen; b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, 3.6 of 3.11; c. de door het bevoegd gezag nader te stellen regels als bedoeld in artikel 3.4 vierde lid, 3.7 vijfde lid of 3.11 derde lid; d. een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid onder a; Artikel 5.2 Voorziening Groen 1. Het college voorziet in de Voorziening Groen. 2. De aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van het in de gemeente aanwezige openbare groen, waaronder houtopstanden.

40

Hoofdstuk 6 Procesregels Afdeling 6.1 Algemene procesregels Artikel 6.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1. Wanneer volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet het college maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘het college’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’. 2. Artikel 6.3 tot en met artikel 6.8 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 6.2 Persoonlijk karakter van omgevingsvergunning of ontheffing De omgevingsvergunning is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 6.3 Indienen aanvraag, melding of verzoek om omgevingsvergunning 1. Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de omgevingsvergunning nodig heeft, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2. Het eerste lid geldt niet voor zover in deze verordening andere indieningstermijnen zijn bepaald. 3. Voor bepaalde, door het college aan te wijzen, omgevingsvergunningen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste dertien weken. Artikel 6.4 Beslistermijn 1.

Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard. 2. Het college kan de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn. 3. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking deelt het college het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgegeven van de aanvraag. Artikel 6.5 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de omgevingsvergunning is vereist. 2. Een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Artikel 6.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden 1. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a. de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b.

veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; c. de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; d. de voor de houder van de omgevingsvergunning geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; e. van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; f. aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of

41

g. de vergunninghouder dit verzoekt. 2. Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel 6.7 Omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze verordening geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de omgevingsvergunning anders is bepaald of de aard van de omgevingsvergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de omgevingsvergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal omgevingsvergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare omgevingsvergunningen overtreft. Artikel 6.8 Algemene weigeringsgronden 1. Het college weigert een omgevingsvergunning in ieder geval: a. Indien de te vergunnen activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; b. In het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2. Het college kan een omgevingsvergunning in ieder geval weigeren indien: a. dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; b.

dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de omgevingsvergunning in aanmerking te komen; d. de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is; e. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; f. het belang van de voorkoming of beperking van overlast of gevaar voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak zich hier tegen verzet.

Artikel 6.9 Inwerkingtreding omgevingsvergunning 1. Een omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop: a. het besluit is bekendgemaakt, of b. als het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht: het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van die wet ter inzage is gelegd. 2. In afwijking van het eerste lid bepaalt het college in de omgevingsvergunning dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel: a. het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en b. de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen van activiteiten worden aangewezen, waarin het college in ieder geval toepassing geeft aan het tweede lid. 4. Als binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de omgevingsvergunning niet in werking voordat op het verzoek is beslist. Belanghebbenden die door de opschorting rechtstreeks in hun belang

42

worden getroffen, kunnen de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen. 5. Als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het college vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, kan het in afwijking van het tweede lid bepalen dat het besluit eerder in werking treedt en het vierde lid niet van toepassing is. 6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of tot intrekking van een omgevingsvergunning.

Afdeling 6.2 Voorbereiding van besluiten Artikel 6.10 Voorbescherming 1. De artikelen 3.3, 3.4, 3.5 en 3.10 tot en met 3.12 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2.1 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Afdeling 6.3 Adviescommissie § 6.3.1 Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Zuidplas Artikel 6.11 Advisering Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Zuidplas 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft als taak de raad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. 2. De advisering over het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit is opgedragen aan de Stichting Dorp, Stad en Land, Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit (hierna te noemen Dorp, Stad & Land), die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna te noemen: Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 3.

De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 4. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria. 5. Ter uitvoering van haar taak: a. adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor: 1. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; 2. een activiteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument; 3. een activiteit in geval de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als adviseur is aangewezen; 4. een activiteit die betrekking heeft op een beschermd dorpsgezicht; 5. een andere activiteit in geval het college een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit; b. adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet of over het aan een locatie geven van de functie-aanduiding gemeentelijk monument op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet; c.

adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. d. de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria. e. adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college of uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit;

43

f.

adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college in een geval waarin het college een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving; g. informeert en begeleidt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces; h. voert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning; i. adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over: 1. het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen; j. adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over het geven van beschikkingen op grond van regels in deze verordening en regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten. § 6.3.2 Aanwijzing van besluiten waarover verplicht advies moet worden gevraagd Artikel 6.12 Verplichte advisering Het college wint advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in omtrent een te nemen beslissing als bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, onder a, onderdelen 1 ̊tot en met 3 ,̊ en onder b.

§ 6.3.3 Samenstelling en inrichting Artikel 6.13 Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris. 2. De leden en de plaatsvervangers worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. 3. Indien een lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit verhinderd is, draagt Dorp, Stad & Land zorg voor een plaatsvervanger met vergelijkbare deskundigheid op het gebied van stedenbouw, architectuur, Landschap met historische kennis, restauratiearchitectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. Indien een lid benoemd is dat niet verbonden is aan Dorp, Stad & Land, draagt het college zelf zorg voor plaatsvervanging. 4. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit telt enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg; 5. De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn: a. Stedenbouw; b. Architectuur; c. Landschap met kennis van de historie; d. Restauratiearchitectuur; e. Cultuurhistorie. Artikel 6.14 Benoeming 1. De leden en de plaatsvervangers kunnen voor een termijn van ten hoogste 3 jaar worden benoemd. 2. Herbenoeming van leden kan eenmaal voor ten hoogste 3 jaar plaatsvinden.

Dit is niet van toepassing op de plaatsvervangers. 3. Afgetreden leden zijn 10 jaar na hun aftreden weer benoembaar. 4. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door het college wordt geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 6.15 Ondersteuning van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft een ambtelijk secretaris. 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitsluitend verantwoording schuldig aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

44

3. De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers of medewerkers van de Omgevingsdienst Midden-Holland, die voor hun werkzaamheden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris. 4. De secretaris noch de medewerkers zijn lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Artikel 6.16 Termijn van advisering 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze omgevingsvergunning betrekking heeft op een deel van een project of wanneer het een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen twee weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 3. Het college kan in hun verzoek om advies de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het advies. Een langere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 6.17 Beraadslaging en standpuntbepaling 1. De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden vastgesteld zijn openbaar. De agenda voor de vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt tijdig op een geschikte wijze bekendgemaakt.

Indien het college – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2. De aanvrager van de omgevingsvergunning of zijn gemachtigde heeft de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. 3. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen. 4. Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden. Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg. 5.

Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig. 6. De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de daarvoor werkzame personen. Artikel 6.18 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan onverminderd het bepaalde in artikel 6.11, derde lid, de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden. 2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 6.19 Adviseurs 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door het college aangewezen ambtenaren.

45

2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Artikel 6.20 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel 6.21 Verwerking van het advies In geval het college een beschikking geeft in afwijking van het door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitgebrachte advies verzenden zij een afschrift van die beschikking aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. § 6.3.4 Werkwijze Artikel 6.22 Reglement van orde 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt haar werkwijze binnen de kaders van deze verordening nader vast in een reglement van orde. 2. In het reglement van orde komt ten minste aan de orde: a. de werkwijze bij de advisering zoals genoemd in artikel 6.11, vijfde lid, onder b, respectievelijk onder c; b. de inrichting van het vooroverleg zoals genoemd in artikel 6.11, vijfde lid, onder f; c. de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd; d.

het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase waarin het spreekrecht wordt uitgeoefend en de beraadslagingen; e. de notulering en dossiervorming; f. de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt; g. de instelling van subcommissies; h. de werkwijze bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als bedoeld in artikel 6.18; i. de selectie en voordracht van kandidaat-leden. 3. Het college draagt zorg voor bekendmaking van het door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vastgestelde reglement van orde in het gemeenteblad. Artikel 6.23 Relatie met andere adviseurs Bij het aanstellen van een supervisor, een kwaliteitsteam of een andere adviseur op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid of een adviseur van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit draagt het college zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van deze adviseur en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. § 6.3.5 Jaarverslag Artikel 6.24 Jaarlijkse verantwoording 1. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde komt: a. op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; b.

op welke wijze toepassing is gegeven de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de Omgevingswet; c. de werkwijze van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit; d. op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; e. de aard van de beoordeelde plannen; f. de bijzondere projecten. 2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.

46

Afdeling 6.4 Overige procesregels § 6.4.1 Beschermd rijksmonument Artikel 6.25 Vergunning voor beschermd rijksmonument 1. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift. § 6.4.2 Gemeentelijk erfgoed Artikel 6.26 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en kadastergegevens ter identificatie van aangewezen gemeentelijk monumenten, archeologische monumenten, beeldbepalend erfgoeden beschermde dorpsgezichten. b. gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. § 6.4.3 Bomen en houtopstanden Artikel 6.27 Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst 1. Het college stelt de aanwijsregels voor waardevolle bomen vast. 2. De in lid 1 benoemde aanwijsregels worden gebruikt om de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst op te stellen.

Het college stelt elke negen jaar de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst vast. Voor de op de lijst opgenomen houtopstanden worden ten minste een omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelnummer, de zakelijk gerechtigden en de reden voor plaatsing op de lijst vermeld. Afdeling 6.5 Planschade § 6.5.1. Aanvraag om tegemoetkoming in planschade Artikel 6.28 Indiening van de aanvraag en de mededeling van ontvangst 1. Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt bij het college ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier. 2. Het college tekent de datum van ontvangst onverwijld aan op het formulier en zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld. § 6.5.2. Adviescommissie Planschade Artikel 6.29 Opdrachtverstrekking Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6.30 Adviseur of adviescommissie 1.

Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade. 2. Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering. 3. Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege

47

waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering. 4. Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van toepassing is, worden zowel de in het tweede als het derde lid bedoelde adviseurs aangewezen. 5. Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is. 6. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan. Artikel 6.31 Deskundigheid en onafhankelijkheid 1. Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 6.30, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen. 2. Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad of het college. Evenmin mag een adviseur betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 6.32 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie 1.

Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 6.29 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van: a. een adviseur als bedoeld in artikel 6.30, eerste lid, of b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 6.30, vijfde lid. 2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen. 3. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs. Artikel 6.33 Werkwijze adviseur of adviescommissie 1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking. 2.

Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat. 3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 4. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit. 5. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. 6.

Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies.

48

7. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan het college, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen. 8. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 9. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 10. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college. § 6.5.3. Beschikking advies planschade Artikel 6.34 Beschikking van het college 1.

Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op het verzoek en maakt dit besluit binnen deze termijn bekend aan de aanvrager. 2. Het college kan de in het eerste lid bedoelde beslissing, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

49

Hoofdstuk 7 Handhaving Afdeling 7.1 Strafbepalingen Artikel 7.1 Strafbepaling Overtreding van de in deze verordening opgenomen artikelen en de op grond van artikel 1:9 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Afdeling 7.2 Aanwijzing toezichthouders Artikel 7.2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: a. de buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering, die in dienst en/of werkzaam zijn in opdracht van de gemeente Zuidplas b. de buitengewone opsporingsambtenaren van Staatsbosbeheer die werkzaam zijn binnen een territoriaal onderdeel dat (een deel van) de gemeente Zuidplas omvat c. de politieambtenaren van de politie, voor zover zij werkzaam zijn binnen een territoriaal onderdeel dat (een deel van) de gemeente Zuidplas omvat; d. de door het college aangewezen personen. Artikel 7.3 Binnentreden van woningen 1. Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven regels zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning, woonwagen, woonschip of bedrijfsvaartuig zonder toestemming van de bewoner, voor zover hen deze bevoegdheid in het besluit tot aanwijzing is toegekend. 2.

De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt in een besluit tot aanwijzing alleen toegekend voor zover het toezicht op de naleving van een bij of krachtens deze verordening gesteld voorschrift dit vereist, gelet op de door dat voorschrift beschermde belangen.

50

Hoofdstuk 8 Overgangsrecht Artikel 8.1 Overgangsbepalingen 1. Besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 9.1 genoemde verordeningen worden aangemerkt als omgevingsvergunningen krachtens deze verordening. 2. Aanvragen voor omgevingsvergunningen en ontheffingen op het gebied van de fysieke leefomgeving waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist worden afgehandeld krachtens deze verordening. Aanwijsbesluiten genomen op basis van de Erfgoedverordening worden eveneens aangemerkt als aanwijsbesluiten krachtens deze verordening. 3. Handhavings- en gedoogbesluiten bij of krachtens de in artikel 9.1 genoemde verordeningen worden aangemerkt als handhavings- en gedoogbesluiten genomen krachtens deze verordeningen. 4. Aanwijzingsbesluiten van toezichthouders bij of krachtens de in artikel 9.1 genoemde verordeningen worden aangemerkt als aanwijsbesluiten van toezichthouders genomen krachtens deze verordening. 5. Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 9.1 genoemde verordeningen wordt beslist met inachtneming van deze verordening. 6.

Indien het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming dan wel reeds verleende omgevingsvergunning als bedoeld in het vierde lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan zij de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het college nadere informatie over de leiding dient te verschaffen of een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet indienen, bij gebreke waarvan de schriftelijke toestemming bij een door het college te bepalen tijdstip komt te vervallen.

51

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Intrekking verordeningen en vervallen bepalingen 1. De volgende verordeningen worden ingetrokken: a. Erfgoedverordening Zuidplas 2010; b. Bouwverordening gemeente Zuidplas 2018; c. Verordening naamgeving en nummering gemeente Zuidplas; d. Parkeerverordening Zuidplas; e. Verordening bodemenergiesystemen Zuidplas; f. Marktverordening gemeente Zuidplas; g. Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Zuidplas. 2. De volgende artikelen vervallen: a. de artikelen 2:10, 2:10a, 2:11, 2:12, 2:21, 2:22, 2:60, 2:64, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6, 4:7, 4:9, 4:13, 4:15, 4:18, 4:20, 5:18, 5:18a, 5:19, 5:20, 5:20a, 5:24, 5:25, 5:26, 5:28, 5:32, 5:33, 5:34, 5:35, 5:36 en 5:37 van de Algemene plaatselijke verordening Zuidplas. Artikel 9.2 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 23 maart 2021. Artikel 9.3 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Zuidplas.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 maart 2021. de plv. griffier,

de voorzitter,

J.J.A. van Houwelingen

J.F. Weber

52

Bijlagen bij het omgevingsplan

53

Bijlage 1 Bebouwde kom

54

Bijlage 2 Interferentiegebieden bodemenergiesystemen

55

Bijlage 3 Technische uitvoeringsaspecten Technische uitvoeringsvoorschriften voor de nummering Artikel 1 Wijze van toekenning van nummers 1. De wijze van toekenning van de nummers gebeurt overeenkomstig systeem A uit de Nederlandse norm NEN 1773, uitgave 1983. 2. De voor de onderscheiden wijken en buurten geldende systemen zijn aangegeven op de bij deze technische uitvoeringsvoorschriften behorende kaart (facultatief). Artikel 2 Plaatsing van de nummerdragers Nummerdragers worden aangebracht overeenkomstig het gestelde in de Nederlandse norm NEN 1773, uitgave 1983. Artikel 3 Afmetingen en vormgeving nummerdragers 1. Nummerdragers moeten voldoen aan het gestelde inzake afmetingen en vormgeving in de Nederlandse norm NEN 1774, uitgave 1959. 2. Indien niet kan worden voldaan aan het voorschrift van het eerste lid, hebben de nummerdragers een mate van leesbaarheid die ten minste gelijkwaardig is aan wat wordt beoogd met het eerste lid. Artikel 4 Materiaalkeuze voor de nummerdragers Het materiaal dat wordt toegepast voor de vervaardiging van al dan niet te verlichten nummerdragers, is in overeenstemming met het over de uitvoering van de dragers gestelde in de Nederlandse norm NEN 1774, uitgave 1959.

Artikel 5 Voeren oude en nieuwe nummers Bij het gedurende een jaar naast elkaar gebruiken van de oude naam of het oude nummer naast de nieuwe naam of het nieuwe nummer wordt de oude naam met een streep en het oude nummer met een kruis doorgehaald (facultatief). Artikel 6 Naamdragers De naamdragers moeten voldoen aan de gestelde functionele eisen ten aanzien van de afmetingen, de uitvoering, de constructie, de kleursoorten en de lichttechnische eigenschappen van de toegepaste materialen en de plaatsing van naamborden en naamverwijsborden, zoals vervat in de Nederlandse norm NEN 1772, uitgave 1992.

56

Toelichting bijlage A: technische uitvoeringsvoorschriften Artikel 1 Lid 1. Ook voor nieuwe wijken of buurten verdient het aanbeveling om een systeem van nummering te kiezen dat zo veel mogelijk aansluit bij het systeem dat van oudsher in de gemeente gangbaar is. In de Nederlandse norm 1773 (uitgave: Nederlands Normalisatie-instituut, Delft, herziene uitgave, 1983), hoofdstuk 3, zijn de in gemeente gangbare systemen van nummering nader gedefinieerd:  Systeem A: de hoofdregel van dit systeem houdt in dat de nummers oplopen, gerekend vanuit het centrum van de gemeente (of vanaf het (oude) gemeentehuis),  Systeem B: de hoofdregel van dit systeem houdt in dat de nummers oplopen, gerekend van noord naar zuid en van west naar oost,  Systeem C: de nummering vindt in dit systeem plaats gerekend vanaf hoofdwegen naar het einde van (doodlopende) zijwegen of woonerven. Voor elk systeem bevat de norm detailregels voor situaties waarin de hoofdregels niet onverkort toepasbaar zijn, alsmede nadere regels over etagewoningen en dergelijke. Tevens zijn toelichtende tekeningen opgenomen. Lid 2. De in het onderhavige lid bedoelde plattegrond van de gemeente is slechts vereist indien in de gemeente meer dan één nummersysteem gangbaar is. In dat geval moet immers de aanwijzing van een van de omschreven systemen ten behoeve van een bepaalde wijk of buurt plaatsvinden.

Tevens moeten dan de grenzen tussen die wijken of buurten worden gedefinieerd. Artikel 2 Met het oog op de zichtbaarheid vanaf de openbare weg bevat de Nederlandse norm NEN 1773, hoofdstuk 4, maatvoorschriften voor de plaats van de nummerdragers, gerekend vanaf het maaiveld en de bijbehorende voordeur. Tevens worden regels gegeven voor de verzamel- en verwijsbordjes die nodig zijn bij de ligging van meer dan één woning (of bedrijf) in hetzelfde gebouw, respectievelijk bij de ligging binnen een complex of op grote afstand van de weg. Lid 1. In de Nederlandse norm NEN 1774 zijn tekeningen voor nummerdragers opgenomen met volledige maatvoering. Uitgegaan is van een hoogte van de cijfers van 88 millimeter. De breedte van de nummerdragers varieert, afhankelijk van het aantal cijfers waaruit een bepaald nummer bestaat. Het opgenomen cijferontwerp is van een schreefloos, op grote afstand leesbaar type. Lid 2. Bij de beoordeling van een gelijkwaardige leesbaarheid verdient het in elk geval aanbeveling om geen cijfers van een geringere hoogte dan circa 9 cm te accepteren. Artikel 3 De overigens globaal omschreven uitvoeringseisen in de Nederlandse norm NEN 1774, uitgave 1959, zijn gericht op de keuze van materialen die duurzaam bestand zijn tegen weersinvloeden. Te verlichten nummerdragers bestaan in de regel uit zogenaamde transparanten, waarachter bij duisternis een lampje brandt.

(De bovenstaande tekst is een beschrijving gebaseerd op de in gemeente van oudsher gehanteerde werkwijze die later in NEN-normen zijn neergelegd. Gemeenten worden aangeraden uit te gaan van de genoemde NEN-normen, waarin de voornoemde werkwijze is gecodificeerd. De NEN-bladen zijn verkrijgbaar bij het NEN, Vlinderweg 6, postbus 5059, 2600 GB Delft, telefoon (015) 269 03 90) Artikel 4 Dit artikel regelt de afmeting en vorm van nummerdragers. De inhoud van dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5 Met het met een streep doorhalen van de oude naam en met een kruis doorhalen van het oude nummer wordt voor eenieder die zoekt op de oude naam of het oude nummer duidelijk dat er een wijziging in de naam of nummer is opgetreden (facultatief). Artikel 6 Dit artikel regelt de functionele eisen voor naamborden en naam verwijsborden.

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9832422/1