CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 A25.002849

Gemeenteraad 9 december 2025, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Aanpassing Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 202451.689 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

De wet kent in artikel 4 van de WEC en artikel 4 van de WVO niet de mogelijkheid om het zelfstandig reizen van leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs te vergoeden. De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Tweede lid Het tweede lid van artikel 60 bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen. Derde lid De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige afstand. De Reisregeling Binnenland is op 1 januari 2020 beëindigd. De laatst genoemde vergoeding voor de fiets bedroeg daarin € 0,09 per kilometer. Artikel 61.

Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Eerste en tweede lid

Pagina 89 van 103

In artikel 61 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerskosten van de leerling en een begeleider, als de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer is en: Als ouders van een leerling, die jonger is dan 12 jaar en naar een basisschool, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs gaat, voldoende aantonen dat de leerling niet zelfstandig met de fiets of het openbaar vervoer naar school kan reizen zoals gesteld in artikel 57, of Als daarbij de leerling jonger is dan 12 jaar èn een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, komen de ouders in aanmerking voor de bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider. Tevens is bepaald dat ouders van leerlingen van het regulier voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs cluster 4 in aanmerking komen voor de bekostiging van de vervoerskosten van de leerling en een begeleider als de leerling door een structurele handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties: − de leerling moet een of meerdere malen overstappen; − de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten; − het is voor de leerling door zijn handicap niet veilig om alleen naar school te fietsen. In dit verband is artikel 54 van belang.

Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling in de loop van het schooljaar negen jaar. De grens van negen jaar is gebaseerd op onderzoek (2001). Over het algemeen, zo bleek, kan een kind van negen jaar zonder begeleiding alleen met de fiets over straat. Structurele handicap Ouders, van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school. De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zo zijn er situaties denkbaar waarbij een leerling met een bepaalde structurele handicap wel degelijk zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Een gewenningsperiode zal dan meestal noodzakelijk zijn, waarbij de leerling de gelegenheid krijgt de weg te leren kennen, om leert gaan met de OV-chipkaart en dergelijke. Bij de aanvraag dienen ouders verklaringen van deskundigen te overleggen. Het college kan ook advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen. Zie de toelichting op artikel 49.

Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld - herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Als criterium wordt een termijn van langer dan drie maanden aangehouden. Begeleiding Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Zo kan ook een familielid, een kennis, een

Pagina 90 van 103

oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een klassenassistent de leerling begeleiden. Met de begeleiding van een jongere leerling door een oudere leerling moet uiteraard heel omzichtig worden omgegaan. Een en ander hangt af van factoren als leeftijd, verkeerssituaties en dergelijke. Het gaat hierbij om fysieke begeleiding van de leerling tijdens het vervoer; niet om bijvoorbeeld telefonische ondersteuning door ouders aan de leerling tijdens het reizen. Slechts voor de reiskosten van de begeleider kan bekostiging worden toegekend. Derde lid Het derde lid van artikel 61 bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen. Vierde lid Voor de toelichting over de fietskilometervergoeding zie artikel 60, derde lid. Vijfde lid Wie de leerling ook begeleidt, de bekostiging vindt plaats aan de ouders van de leerling voor het deel van reis, dat de leerling begeleid wordt. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, wordt de begeleider slechts éénmaal bekostigd.

Dit sluit aan bij de systematiek, dat in het aangepast vervoer ook alleen het deel van de reis betaald wordt, dat de leerling meereist. Artikel 62. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Eerste lid Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in bepaalde gevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 62 vastgelegd. Eerste lid, onderdelen a en b: Alle leerlingen die met inachtneming van het afstandscriterium van 6 kilometer in aanmerking komen voor een bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer krijgen aangepast vervoer als zij: Jonger zijn dan 9 jaar Tussen de 9 en 12 jaar oud zijn én naar het speciaal onderwijs (clusteronderwijs) gaan. Eerste lid, onderdeel c: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur (basisschool) en Eerste lid, onderdeel d: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan een uur (speciale school voor basisonderwijs) Eerste lid, onderdeel f: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan drie kwartier (voortgezet speciaal onderwijs cluster 4) Van belang is hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie ook de toelichting op artikel 45. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd.

De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit (zie ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Wanneer de reistijd voor een leerling die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt meer bedraagt dan anderhalf uur komt deze leerling in aanmerking voor aangepast vervoer.

Pagina 91 van 103

Wanneer de reistijd voor een leerling die een speciale school voor basisonderwijs bezoekt meer bedraagt dan een uur komt deze leerling in aanmerking voor aangepast vervoer. Ouders van leerlingen op het regulier voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs cluster 4, die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor aangepast vervoer, wanneer de leerling meer dan drie kwartier onderweg is met gebruikmaking van het openbaar vervoer naar school of terug. Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van (bijvoorbeeld) een uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt ervoor zowel de heenreis als de terugreis aangepast vervoer toegekend. Eerste lid, onderdeel e: gehandicapte leerling van voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 en 3 Ouders van leerlingen op het voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3, die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor aangepast vervoer, ongeacht de afstand van de woning naar de school.

Eerste lid, onderdeel g: Openbaar vervoer ontbreekt In een aantal gemeenten ontbreekt openbaar vervoer geheel of rijdt zo weinig frequent dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of terug. Overigens biedt artikel 60, het tweede lid, aanhef en lid 2, het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan; zie ook de toelichting op artikel 60. Eerste lid, onderdeel h: Begeleiding van de leerling in het openbaar vervoer is niet mogelijk De ouders dienen op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is (zie artikel 45, begrip begeleider). In de toelichting op het amendement van de Kamerleden Dijkgraaf en Ferrier van 5 maart 2012, dat tot een wetswijziging heeft geleid, staat een en ander als volgt omschreven: “De inzet die van ouders wordt gevraagd moet redelijk zijn.

Van ouders mag uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van leerlingenvervoer illusoir wordt.” Met de term ‘leerlingenvervoer’ zal overigens ‘aangepast vervoer’ bedoeld zijn. Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is. Eerste lid, onderdeel i: Leerling kan door zijn handicap niet van het openbaar vervoer gebruik maken Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 61, onder het kopje ‘Structurele handicap’. In het tweede lid is geregeld dat er een aanvraag gedaan kan worden voor één ander opvangadres naast het woonadres waar de leerling structureel verblijft, omdat beide ouders werken.

Dit kan alleen onder bepaalde voorwaarden door het college worden toegekend, namelijk wanneer het tweede adres binnen een straal van 500 meter van de school van de leerling ligt of in de dorpskern waar de leerling woont, ligt en er moet sprake zijn van kinderopvang op vaste dag(en) per week. Tevens kan deze opvanglocatie geen locatie voor hulpverlening in het kader van de jeugdwet zijn; hiervoor is geen toekenning voor leerlingenvervoer mogelijk.

Pagina 92 van 103

Artikel 63. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Artikel 63 geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.) of wanneer een leerling gebruikmaakt van de fiets. Eerste lid Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje dat toch al rijdt. Het college kan ouders ook vragen of zij bereid zijn de leerlingen naar school te vervoeren. Verplichten is echter niet toegestaan. Tweede lid De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in de Verordening bekostiging leerlingenvervoer voor in aanmerking komen: Onderdeel a Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van de fiets en zij de leerling, met toestemming van of op verzoek van het college, zelf vervoeren, dan keert het college bekostiging uit op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

Ingeval zij in aanmerking zouden komen voor een vergoeding van het fietsvervoer met begeleiding, wordt slechts de vergoeding voor alleen de leerling verstrekt. Het verstrekken van een vergoeding voor een begeleider heeft slechts zin als er daadwerkelijk meegereisd wordt. Dat kan er immers toe leiden, dat de leerling van de begeleider leert en na enige tijd zelfstandig kan reizen. Het uitbetalen van de fietsvergoeding voor een begeleider, indien met het eigen vervoer wordt gereisd, draagt niet bij aan het mogelijke resultaat, dat de leerling op termijn eventueel zelfstandig naar school kan fietsen. Voor de toelichting op de fietskilometervergoeding zie artikel 60, derde lid. Onderdeel b Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer en zij de leerling, met toestemming van op of verzoek van het college, zelf vervoeren, dan keert het college bekostiging uit op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Het college gaat na wat voor de te overbruggen afstand betaald zou moeten worden, wanneer de leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Hierbij wordt het meest goedkope tarief als uitgangspunt genomen. Ingeval ouders kiezen voor het eigen vervoer, terwijl ze in principe in aanmerking zouden komen voor een vergoeding van het openbaar vervoer met begeleiding, wordt slechts de vergoeding voor alleen de leerling verstrekt.

Het verstrekken van een vergoeding voor een begeleider in het openbaar vervoer heeft slechts zin als er daadwerkelijk meegereisd wordt in het openbaar vervoer. Dat kan er immers toe leiden, dat de leerling van de begeleider leert en na enige tijd zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Het uitbetalen van de openbaar vervoer kosten voor een begeleider, indien met het eigen vervoer wordt gereisd, draagt niet bij aan het mogelijke resultaat, dat de leerling op termijn eventueel zelfstandig met het openbaar vervoer zal reizen. Onderdeel c en derde lid Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer en zij met toestemming van op of verzoek van het college de leerling zelf vervoeren, wordt een vergoeding per kilometer verstrekt. De hoogte van deze kilometervergoeding was voorheen afgeleid van de Reisregeling binnenland. Deze regeling is op 1 januari 2020 beëindigd. De laatstgenoemde

Pagina 93 van 103

kilometervergoeding in de Reisregeling Binnenland bedroeg € 0,37. Dit werd verstrekt over de kilometers, die de leerling reist (’s morgens enkele reis en ’s middags enkele reis). Met het verdwijnen van de Reisregeling Binnenland is het reëel om voor de kilometervergoeding aan te sluiten bij de algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding (peil 01-01-2024: € 0,23) gerekend over de kortste afstand tussen de woning en de school. Omdat dit vrijwel gelijk is aan de helft van de voormalige vergoeding dient ’s morgens ook de retourreis en ’s middags ook de heenreis van de chauffeur vergoed te worden. Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd. Onderdeel d Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer of in de vorm van aangepast vervoer en zij de leerling, met toestemming van het college, zelf laten vervoeren door een schoolbus (van school of een oudervereniging), dan keert het college bekostiging uit op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Hiertoe dient de aanvrager een factuur bij de gemeente in te dienen. Vierde lid Artikel 63, vierde lid, bepaalt dat ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk vervoeren.

Dit geldt ook wanneer ouders in principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt. Vierde lid Het derde lid bepaalt dat ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders in principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt. Artikel 64. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te reizen, dan de reeds beschreven vervoerswijzen, als hij daarvoor een geschikt vervoermiddel heeft. Artikel 64 maakt het mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten aansluiten bij de vermogens van de leerling en/of de ouder. Het kan er tevens toe bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een handbike, elektrische fiets, bakfiets. Het college kan besluiten ouders hierin tegemoet te komen, mits de kosten van dit vervoermiddel niet uitstijgen boven de kosten van het openbaar vervoer naar de school. Artikel 65.

Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie Eerste tot en met derde lid Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening bepalingen op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In artikel 66 wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 65 bevat twee belangrijke componenten: 1- Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC. Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend

Pagina 94 van 103

onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst. Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie. 2- Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de WEC. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening. Vierde lid Het vierde lid geeft aan dat artikel 62, eerste lid, aanhef en onder f, niet van toepassing is. Verder geldt het volgende: −

Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken. − Voor de toekenning is bekostiging van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. − Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken (zie artikel 61). − Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als: a. openbaar vervoer ontbreekt; b. begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is; c. de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van het openbaar vervoer gebruik te maken (zie artikel 62). Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt in dit geval niet verstrekt als de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer meer dan anderhalf uur onderweg is. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken (zie artikel 63). Artikel 66.

Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag Eerste en tweede lid Artikel 4, zevende lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. In de verordening is gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een drempelbedrag geheven (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959). Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week.

Pagina 95 van 103

Het drempelbedrag wordt verrekend met de bekostiging (die op declaratiebasis wordt uitbetaald) dan wel in rekening gebracht bij aanvrager in het geval van aangepast vervoer. Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. Deze afstand wordt in deze verordening aangehouden. Doelgroep Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt. Een wettelijk bepaalde uitzondering geldt voor leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden. Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening.

Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de WEC deze mogelijkheid niet biedt. Inkomen Onder inkomen moet worden verstaan: het inkomensgegeven, zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar. De inkomensgrens voor het drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in artikel 4, zevende lid, van de WPO. Als peiljaar moet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar begint waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd. Als grenswaarde wordt in de wet een gezamenlijk inkomen genoemd van € 17.700,- voor het school jaar 1998-1999; dit bedrag moet per 1 januari 1999 jaarlijks worden geïndexeerd op een voorgeschreven wijze. In de verordening is de grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor het heffen van een drempelbedrag voor het schooljaar 2023-2024 (dus voor het peiljaar 2011) vastgesteld op € 28.800,-. Derde lid Als een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag. Het gaat om de kosten van het openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen.

De kosten van het openbaar vervoer worden berekend, die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied. Wanneer aan meerdere kinderen van een gezin een vervoersvoorziening is toegekend, en daarbij het inkomen van de ouders relatief laag is, kan het drempelbedrag een grote financiële belasting betekenen. De gemeente kan bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer per gezin

Pagina 96 van 103

geheven wordt. Aantonen van het inkomen Als de gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst; in dat geval moet er van beide ouders een inkomensverklaring worden aangeleverd, ook wanneer de ouders gescheiden zijn. Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten het drempelbedrag toch op te leggen bij gebrek aan bewijsvoering dan wel de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld (zie artikel 47). Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.

Structurele daling van inkomen Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 88. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering betreffende terugval inkomen als richtsnoer dienen. Pleegouders en instellingen Pleegouders worden als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt (zie de toelichting op artikel 45). Zij kunnen dus, als zij voldoen aan de voorwaarden, in aanmerking komen voor een vervoervoorziening. Volgens een uitspraak van de ABRvS (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773) is het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het drempelbedrag in rekening gebracht kan worden. Echter, het college heeft eerder besloten dat pleegouders geen drempelbedrag hoeven te betalen. In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend. Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder’ worden aangemerkt. Zij kunnen tevens een aanvraag indienen.

Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden vastgesteld, omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. (Deze wet ziet op natuurlijke personen.) Artikel 66 geeft de regels voor de invordering van het drempelbedrag. Wanneer het college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Wanneer de ouders in gebreke blijven vervalt de aanspraak en wordt het vervoer stopgezet. Wanneer het college een bekostiging voor de vervoersvoorziening verstrekt, wordt hierop het drempelbedrag in mindering gebracht. Zelfstandig reizen Wanneer een leerling de overstap maakt van aangepast vervoer naar zelfstandig reizen met het openbaar vervoer of de fiets, kan de vergoeding hiervan wegvallen tegen het te betalen

Pagina 97 van 103

drempelbedrag. Vijfde lid De ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, zijn vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage. Artikel 67. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan twintig kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders. Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht. In artikel 67 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO.

Voor het aantonen van het inkomen, hoe om te gaan met een structurele daling van het inkomen, een aanvraag door pleegouders en de invordering (zie artikel 66). De ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, zijn vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage.

Hoofstuk 6. Wijzigingen kwaliteit, medezeggenschap en klachten Artikel 68. Kwaliteitseisen Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de Memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Op dit moment heeft Zuidplas kwaliteitseisen opgenomen in de regionale overeenkomsten voor de ZiN.

Ook voor het monitoren van deze kwaliteit zijn afspraken gemaakt met de zorgaanbieders in de vorm van klanttevredenheidonderzoek. Daarnaast wordt ook jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek voor zowel Jeugd en Wmo afgenomen dat inzicht geeft in de kwaliteit van de zorg. Artikel 69. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder Per 1 juni 2017 is aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 artikel 5.4 toegevoegd. Dit artikel heeft tot doel dat de gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo dienst. Artikel 67 uit de integrale

Pagina 98 van 103

verordening stelt vast aan welke eisen deze reële prijs moet voldoen. De hierin benoemde kostprijselementen komen overeen met de elementen uit artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden. In het eerste lid wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.1, van de Jeugdwet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als een ondergrens voor de vaste prijs.

In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. In het tweede lid wordt vastgesteld dat het college bij het vaststellen van de prijs rekening dient te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst en de continuïteit van de dienstverlening. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering wordt in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Hierbij is de gedachte dat een reële prijs bedraagt aan de continuïteit van de dienstverlening.

Het derde lid van artikel 69 legt in de verordening vast dat het college de vaste of reële prijs minimaal moet baseren op de in dit lid genoemde kostprijselementen. Lid 4 biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen, maar die bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad Artikel 70. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering In de verordening moeten in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een voorziening of een bekostiging, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet (verordeningsplicht artikel 2.1.3 van de Wmo, de Jeugdwet en het Leerlingenvervoer sluit hierbij aan). Dat wordt onder meer gedaan in artikel 70. Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen voorzieningen en bekostiging gaat een poging dit vooraf te ‘voorkomen’. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol, de plicht hiertoe van het college wordt vastgesteld in het eerste lid.

Lid 1 geeft aan dat het college de verplichting op zich neemt om de cliënt, hun vertegenwoordiger of ouders van een leerling uit te leggen wat de rechten en plichten zijn die horen bij de maatwerkvoorziening of bekostiging, de informatieplicht. Hierbij komt ook aan de orde dat de

Pagina 99 van 103

cliënt/vertegenwoordiger/ouder nieuwe feiten en omstandigheden, dus wijzigingen ten opzichte van de situatie ten tijde van de aanvraag, die van invloed zijn op de voorziening of bekostiging, direct moet melden aan het college. Dit wordt verwacht van de cliënt/ouder, omdat deze een reden (kunnen) zijn om het besluit te heroverwegen. Dit is geregeld in lid 2. Het eerste, tweede en vijfde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet maatschappelijke ondersteuning is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 Wmo). Het college kan, zonder dat cliënt of aanvrager iets heeft doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de voorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte een voorziening dan wel bekostiging is ontvangen. Lid 3 geeft aan dat het college de keuze heeft de voorziening of bekostiging te herzien of in te trekken. Dit kan verschillende redenen hebben die het college moet vaststellen: Bij de aanvraag zijn onjuiste en/of onvolledige gegevens verstrekt door de aanvrager. In het geval de gegevens wel juist en volledig zouden zijn geweest, zou dit geleid hebben tot een ander besluit dan dat nu is genomen. De situatie van de cliënt/leerling is dusdanig veranderd dat er men niet langer de voorziening of bekostiging nodig heeft. De situatie kan ook zo veranderd zijn, dat de toekenning niet meer voldoende is.

De cliënt voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden die horen bij de toekenning van een voorziening of een bekostiging. De cliënt heeft een toekenning voor een voorziening, maar gebruikt deze niet of voor een ander doel dan waarvoor de cliënt deze toegekend heeft gekregen. In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ Het vierde lid geeft aan dat de verantwoordelijkheid voor het gedrag van een kind in het aangepast vervoer bij ouders rust.

Hierin kan onderscheid gemaakt worden tussen gedrag dat samenhangt en/of voorkomt uit de beperking van het kind en ‘gewoon’ gedrag van een kind, zonder dat hier een beperking de oorzaak van is. Dit onderscheid kan bepalend zijn voor de maatregelen die genomen kunnen en moeten worden wanneer een kind onacceptabel gedrag vertoont in het aangepast vervoer bv in het kader van de veiligheid van het kind, de andere leerlingen en de chauffeur. Het vijfde lid betreft dan ook een beschrijving van het recht van het college om tot (gedeeltelijke) terugvordering over te gaan wanneer lid drie onder a van toepassing is, dat wil zeggen als het college heeft vastgesteld dat er sprake is van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens bij de aanvraag. In geval van een maatwerkvoorziening in natura dan wel een toekenning aangepast vervoer van het leerlingenvervoer gaat het om terugvorderen van de geldswaarde daarvan. Bij een pgb dan wel een bekostiging leerlingenvervoer gaat het om terugvorderen van het pgb dan wel de aan aanvrager uitbetaalde bekostiging. In het zesde lid is bepaald, dat het college de bevoegdheid heeft om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken indien binnen 3 maanden na de beslissing tot het verstrekken van een pgb nog geen voorziening is getroffen. Een pgb wordt immers verstrekt met de bedoeling dat men

Pagina 100 van 103

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16253608/1