Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 A25.002849
Tekst van het document
Pagina 55 van 103
kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in lid 2, sub d zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is. Een voorbeeld ter illustratie: een cliënt heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken. Door een uitspraak van rechtbank Den Haag (25-4-2022 ECLI:NL:RBDHA:2022:2572) zijn drempelhulpen hierbij uitgezonderd, daar deze als gevolg van de uitspraak als algemeen gebruikelijk bestempeld zijn. Uiteraard wordt er bij het onderzoek wel gekeken of de benodigde soort en hoogte drempelhulp ook daadwerkelijk te dragen zijn met een inkomen op minimumniveau . Lid 2, sub e en f geven aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als de cliënt verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een – gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning.
Is de verhuizing geen gevolg van de beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd. Lid 2, sub g, geeft aan dat de aanvraag voor toegankelijk maken van de buitenruimte geweigerd kan worden in het geval de buitenruimte al toegankelijk is voor aanvrager via een andere weg. Lid 3 bepaalt dat de maatwerkvoorzieningen beschermd- en beschut wonen niet geschikt zijn voor personen die uitsluitend (feitelijk) dak- of thuisloos zijn. De persoon in kwestie dient zich in deze gevallen te melden bij de maatschappelijke opvang in de centrumgemeente Gouda.
Lid 4 geeft aan dat de toegang tot maatschappelijke opvang geweigerd kan worden als de cliënt zich niet aan de (huis)regels houdt, onveiligheid of overlast veroorzaakt, niet bereid is om mee te werken aan het een passend ondersteuningstraject, er sprake is van een contra-indicatie waardoor een opvangtraject ongeschikt is, ernstig misdraagt jegens andere, de eigen bijdrage niet betaalt, of wanneer er in het geval van de vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. In lid 5 is bepaald dat het college kan beoordelen of een cliënt die pgb wenst voldoet aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 37 t/m 42 van deze verordening. Het college heeft daartoe informatie van de cliënt nodig. Het door de cliënt ingediende budgetplan dient als basis voor de beoordeling. Zonder een volledig budgetplan kan het college niet beoordelen of de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is. Lid 6 en 7 geven weer waarvoor het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) niet is bedoeld. Artikel 10. Aanvraag van een maatwerkvoorziening In de Wmo (artikel 2.3.2, lid 9) is bepaald dat een aanvraag kan worden gedaan nadat er onderzoek is ingesteld naar de melding. Dit geldt alleen wanneer het onderzoek binnen de termijn van zes weken is uitgevoerd of tenzij er sprake is van spoedeisende gevallen.
In lid 1 is geregeld dat de aanvraag van een voorziening altijd schriftelijk moet worden gedaan. Het doen van een schriftelijke aanvraag is een
Pagina 56 van 103
verplichting op grond van artikel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat, tenzij een wettelijk voorschrift anders bepaalt, een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden ingediend. De aanvraag mag, naast de cliënt, ook worden ingediend door een gemachtigd persoon of vertegenwoordiger. In de Awb is de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In lid 2 is geregeld, dat een aanvraag kan worden ingediend door het opsturen van een ondertekend ondersteuningsplan. Voorwaarde hierbij is wel dat het aanmerken van het ondertekende ondersteuningsplan als aanvraag door de cliënt in het betreffende ondersteuningsplan aangegeven moet zijn. In de Jeugdwet wordt er niet gesproken van een melding en wordt enige vorm van melding direct aangeschreven als een aanvraag en in dusdanige behandeld. Dit houdt in dat een melding binnen 8 weken moet worden afgehandeld. In lid 3 wordt er uitwerking gegeven over het door de gemeente aangeboden aanvraagformulier. Een cliënt kan ook een aanvraag indienen via een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
Een dergelijk formulier kan bijvoorbeeld door de cliënt benut worden om voor hem een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking te genereren in de situatie dat hij geen ondersteuningsverslag ter ondertekening krijgt aangeboden omdat in de gespreksfase geen noodzaak tot of recht op een maatwerkvoorziening of individuele voorziening is gebleken. In het vierde lid is opgenomen dat een maatwerkvoorziening in bijzondere gevallen ook ambtshalve kan worden verstrekt in het dringende belang van de cliënt. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn bij cliënten met psychiatrische of psychosociale (multi)problematiek, waarbij door middel van zogenaamde bemoeizorg stap voor stap naar een reguliere ondersteuningssituatie toe wordt gewerkt. Artikel 11. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp In lid 1 wordt er gesproken over de directe verwijzing van jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts. In artikel 2.3, lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of (pleeg)ouders die jeugdhulp vragen. In lid 1 wordt directe verwijzer naar jeugdhulp beschreven.
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de (maatwerkvoorzieningen) jeugdhulp blijft bestaan. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Het tweede lid gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd is door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregelen, als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen volgens artikel 3.5 van de Jeugdwet in het kader van de maatregel besluiten tot inzet van jeugdhulp. In het artikel wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of andere instantie) uitgevoerd kan worden. Artikel 12. Beschikking maatwerkvoorziening Artikel 12 geeft de bepalingen weer betreffende de beschikking die de cliënt ontvangt bij een maatwerkvoorziening. Lid 1 stelt daarbij dat het college haar besluit altijd kenbaar maakt aan de cliënt door middel van een beschikking. Het besluit is een toekenning of afwijzing van de aanvraag. Ook een gedeeltelijke toekenning is hierbij mogelijk.
Dit is bepaald in artikel 1.3 van de Awb, dat stelt dat een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan (in dit geval het college) is, waarbij een beschikking een besluit van niet algemene strekking is, ongeacht of dit een afwijzing of een
Pagina 57 van 103
toekenning is. Met ‘van niet algemene strekking’ wordt bedoeld dat het een besluit betreft dat toegespitst is op de cliënt en de aanvraag. Lid 2 en 3 geven aan welke aspecten in ieder geval in een beschikking moeten worden opgenomen wanneer een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een maatwerkvoorziening in natura en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget. Kern van lid 2 en 3 is dat de cliënt die de beschikking ontvangt, helder heeft wat er precies is toegekend en welke rechten en plichten daarbij horen. Wat er precies moet worden opgenomen in een beschikking als deze een afwijzing van de aanvraag bevat, is niet opgenomen in de verordening. Dit, omdat dit geregeld is artikel 3.46 en 3.47 van de Awb, waarin gesteld wordt dat een besluit moet berusten op deugdelijke motivering en dat deze motivering vermeld moet worden bij de bekendmaking van het besluit, in dit geval de beschikking. Lid 4 sluit aan bij lid 2 en 3 met de bepaling dat het ook in de beschikking moet worden vermeld als een cliënt een eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 moet betalen. De Jeugdwet kent geen eigen bijdrage.
Hoofdstuk 3: Voorzieningen Paragraaf 3.1 Jeugd De in deze paragraaf genoemde artikelen vallen onder de jeugdwet, gericht op hulpverlening voor jeugdigen tot 18 jaar, met uitzonderingen zoals beschreven in artikel 21 van deze verordening. Artikel 13. Algemene voorzieningen Jeugd Artikel 13 en 14 zijn een nadere uitwerking van artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet, waarin bepaald is dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de inwoner recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders. Artikel 13 regelt de algemene voorzieningen jeugd. Deze zijn vrij toegankelijk. Dit betekent dat een jeugdige en/of de ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een beschikking van de gemeente of verwijzing van een (jeugd)arts of specialist (verwijzer) noodzakelijk is. Lid 4 geeft aan dat het college nadere regels kan vaststellen over welke aanvullende algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen Jeugd De maatwerkvoorzieningen jeugd zijn de voorzieningen die onder de specialistische hulp vallen en die alleen beschikbaar zijn als de algemene voorzieningen geen oplossing bieden.
Dit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan maatwerkvoorzieningen dat het college als zorg in natura ter beschikking stelt. Deze voorzieningen zijn regionaal ingekocht, maar worden lokaal ingezet. Hierbij schaart het college de voorzieningen in de vorm van ‘specialistische tweedelijns jeugdhulp’. Met de aanbieders van deze ‘zorg in natura’ heeft het college regionaal contracten afgesloten om de cliënten de mogelijkheid te bieden om hun recht op toegekende jeugdhulp te verzilveren. Bij het aanbieden van JeugdzorgPlus is een voorafgaande machtiging gesloten jeugdzorg van de kinderrechter vereist. Artikel 15 t/m artikel 18 spreken voor zich en behoeven geen extra uitleg in de toelichting. Artikel 19. Vervoer bij jeugdhulp Wanneer een jeugdige een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp kan vervoer naar de jeugdhulplocatie worden toegekend als er voldaan wordt aan de criteria zoals deze gesteld zijn in artikel 19. Deze vervoersvoorziening moet noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak
Pagina 58 van 103
of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige (en niet van ouders). Tevens dient de combinatie van afstand en frequentie dusdanig groot te zijn dat het de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Dit gaat verder dan bijvoorbeeld alleen de zorg voor andere kinderen of werk van ouders. Om dat te kunnen bepalen is er in het vierde lid van dit artikel een berekeningsformule vastgelegd. De aanvraag voor het vervoer hoeft niet perse tegelijk met de aanvraag voor de jeugdhulp zelf gedaan te worden (tweede lid), maar kan niet met terugwerkende kracht toegekend worden (derde lid). Het vijfde lid beschrijft de verschillende vormen van de maatwerkvoorziening vervoer bij jeugdhulp. Hierbij is aangegeven dat een combinatie tussen de verschillende vormen mogelijk is, mits daar een goede onderbouwing voor wordt gegeven. Het zesde lid geeft de volgorde aan waarin de verschillende vormen toegekend kunnen worden. De volgende optie is pas aan de orde als vastgesteld is dat de voorgaande optie niet mogelijk is. Deze volgorde is bepaald op basis van de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van zowel de jeugdige als de ouders. Het zevende lid geeft aan dat, wanneer er een vervoersvoorziening toegekend wordt voor het openbaar vervoer, het voor het openbaar vervoer geldende tarief wordt verstrekt.
Tevens heeft het zevende lid aan dat, wanneer een vervoersvoorziening toegekend wordt in de vorm van een kilometervergoeding, de kilometervergoeding € 0,23 bedraagt en dat de kilometervergoeding bij de auto slechts wordt verstrekt voor de kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is. Artikel 20. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf/logeren Kortdurend verblijf wordt ingezet ten behoeve van verzorgenden of mantelzorgers die permanente zorg leveren aan de jeugdige. Ontlasting van pleegouders door het inzetten van kortdurend verblijf wordt ingezet door de pleegzorgaanbieder en is dan ook een uitzondering op artikel 20. Artikel 21. Zestienjarige en voortzetting jeugdhulp na achttien jaar Het is van belang dat een jeugdige die ondersteuning ontvangt die hij nodig heeft, maar ook dat er continuïteit is in de ondersteuning vanaf het moment dat de jeugdige 18 jaar wordt. Enerzijds wordt daarom met de jeugdige, waarvan verwacht wordt dat hij ook na zijn 18e jaar nog ondersteuning nodig zal hebben, gewerkt aan de voorbereiding op het moment dat hij 18 jaar (en dus meerderjarig wordt) en hij daarna in het kader van de Wmo 2015 die vervolgondersteuning ontvangt die hij nog nodig heeft. De melding voor Wmo hulpverlening zal tijdig voor de leeftijdswisseling door de jeugdige zelf moeten worden ingediend.
Eventuele voortzetting van specifieke vormen van jeugdhulp, waarin niet voorzien kan worden in het kader van de Wmo 2015, vindt in principe plaats tot uiterlijk het 23e levensjaar. Paragraaf 3.2 Wmo Artikel 22. Algemene voorzieningen Wmo Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De voorzieningen zijn vrij toegankelijk en kunnen daarom beschikkingsvrij worden aangeboden. Artikel 23. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo De ondersteuning in de vorm van zorg, hulpmiddelen of aanpassingen kunnen gericht zijn op één of meer van de in het eerste lid genoemde diensten. Binnen deze diensten zijn meerdere niveaus van ondersteuning mogelijk, afhankelijk van de aard en de ernst van de ondersteuningsbehoefte. In het onderzoek wordt bepaald op welk gebied en in welke vorm er ondersteuning noodzakelijk is. Artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015, bepaalt dat de raad bij verordening regelt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een
Pagina 59 van 103
maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In het vijfde lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in het artikel 1.2.1 van de Wmo 2015. In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: • beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; • problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en • een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen. Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p.148) is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator).
Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou gaan wonen.” De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende ondersteuning of een verwijzing naar een algemene voorziening. De wet schrijft voor dat de ondersteuning een passende bijdrage moet leveren aan de belemmeringen van de cliënt. Met andere woorden: de (maatwerk)voorziening moet een zo goed mogelijke bijdrage leveren aan de oplossing van de belemmeringen van de cliënt in zijn zelfredzaamheid en participatie. Wanneer het college daarbij de mogelijkheid heeft te kiezen uit meerdere oplossingen, kiest het college voor de meest voordelige oplossing.
Zie ook de toelichting bij artikel 32, ten aanzien van de keuze tussen de aanpassing van een woning of verhuizen. Maatwerkvoorzieningen, anders dan voor dienstverlening, kunnen in natura of in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Indien de maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt deze door het college ingekocht en aan de cliënt geleverd. Een maatwerkvoorziening in natura kan in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, sluit de cliënt daarvoor een bruikleenovereenkomst af. In lid 7 zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening die het college kan hanteren bij het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening. De criteria zijn echter niet voor alle situaties en voor alle maatwerkvoorzieningen relevant. De Wmo 2015 betekent maatwerk, zodat ook bij de toepassing van de criteria die in dit lid worden genoemd, maatwerk wordt toegepast. De cliënt is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie.
Dat betekent dat een cliënt binnen zijn vermogen (tijdig) die maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij zo lang mogelijk zelfredzaam is en kan participeren en geen beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning.
Pagina 60 van 103
Sub a Algemeen gebruikelijke voorzieningen en maatregelen kunnen niet worden verstrekt via een maatwerkvoorziening. Algemeen gebruikelijke kosten zijn bijvoorbeeld een maaltijdservice of een boodschappendienst. Maar ook voorzieningen die in de reguliere handel of bij een thuiszorgwinkel verkrijgbaar zijn of geleend kunnen worden. Of deze kosten algemeen gebruikelijk zijn, wordt beoordeeld in relatie tot de situatie en persoon van de cliënt. Zo is een fiets met trapondersteuning voor een jong kind niet algemeen gebruikelijk. Zie voor een uitgebreidere uitwerking van het begrip algemeen gebruik in de toelichting van artikel 8 van deze verordening. Sub b Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor hemzelf of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht of rijbewijs heeft niet in aanmerking kunnen komen voor een aangepaste auto of een snelle scootmobiel. Sub c Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en die voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet in aanmerking voor een nieuwe maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. Sub d Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is.
Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat dit niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is. Sub e De maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is gericht op het bereiken van resultaten: versterking of behoud van zelfredzaamheid en participatie staan daarbij centraal. Ook overige voorzieningen, zoals hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen, zijn vaak hierop gericht. De inzet van maatwerkvoorzieningen maakt onderdeel uit van een ondersteuningsplan, waar behalve de maatwerkvoorziening ook inzet van de cliënt wordt verwacht, gebruik van algemene voorzieningen of deelname aan bepaalde activiteiten. Als een cliënt weigert om aan het onderzoek en de opstelling van een dergelijk ondersteuningsplan mee te werken die het college noodzakelijk vindt voor het bereiken van de resultaatgebieden, of niet meewerkt aan de uitvoering daarvan, kan dit tot gevolg hebben dat ook de maatwerkvoorziening wordt geweigerd.
Sub f Als de noodzaak tot het vervangen van een verleende voorziening aan de cliënt te verwijten is, bijvoorbeeld omdat de voorziening niet op de juiste manier is onderhouden, cliënt roekeloos met de voorziening is omgesprongen of de cliënt zijn eerder verstrekte pgb niet op de juiste wijze heeft besteed, kan dit aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren. Maar ook als de cliënt bijvoorbeeld zonder goede redenen verhuist van een voor hem geschikte woning naar een woning die niet is aangepast aan zijn beperkingen, kan dit reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren. Artikel 24. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Binnen de dienst hulp bij het huishouden kunnen er meerdere resultaten worden gerekend. In de meeste gevallen zal het gaan om het schoon en leefbaar houden van de woning. Maar het kan ook de andere resultaten betreffen die in dit artikel worden genoemd, als geen andere oplossingen beschikbaar en/of geschikt zijn. De zwaarte en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. Schoon en leefbaar huis
Pagina 61 van 103
Dit betekent dat de woning opgeruimd en functioneel moet zijn, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Daarnaast moet de woning schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Zo moet de cliënt gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, slaapvertrek, keuken, douche/toilet en gang. Om dit te realiseren is het bijvoorbeeld noodzakelijk dat de vertrekken gedweild of gestofzuigd worden, de keuken schoongemaakt is en het bed verschoond wordt. Het verzorgen van de buitenruimte, zoals de tuin of het zemen van de ramen aan de buitenzijde, behoort niet tot de reikwijdte van deze dienst. Hoe vaak het een en ander moet worden schoongemaakt, is afhankelijk van de aard en het gebruik van de ruimte. Ook kunnen er individuele omstandigheden zijn waardoor het schoonmaken vaker moet gebeuren. Bijvoorbeeld de allergieën die een cliënt heeft waardoor een hoger niveau van hygiëne nodig is. Beschikken over schone en draagbare kleding Een cliënt moet kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dat wil zeggen dat kleding en beddengoed gewassen en gedroogd wordt en bovenkleding waar nodig ook gestreken. Ook zal de kleding weer opgevouwen en opgeborgen moeten worden in de kast. Het kan zo zijn dat de cliënt wel in staat is om de was in de wasmachine te doen, maar niet om de was op te hangen of te strijken.
In dat geval hoeft niet voor alle onderdelen (volledige) ondersteuning geboden te worden. Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden Het gaat er binnen dit resultaat om dat de cliënt kan beschikken over de noodzakelijke boodschappen voor levensonderhoud. Ook het verzorgen van de maaltijden valt hieronder. Als een cliënt geacht wordt om gebruik te maken van een voorliggende voorziening, zoals een boodschappendienst dan is een indicatie voor dit doel niet aan de orde. In sommige gevallen dient de cliënt echter ondersteund te worden bij de boodschappen, bijvoorbeeld doordat de huishoudelijke hulp de boodschappen doet en deze opbergt. Het verzorgen van maaltijden kan bestaan uit het verzorgen van een warme maaltijd, het opwarmen van een maaltijd, het verzorgen van een broodmaaltijd. Soms kan volstaan worden met het bestellen van warme maaltijden bij een maaltijdservice, of het deelnemen aan “open tafels” in de wijk. In andere gevallen zal de huishoudelijke hulp zelf een maaltijd moeten bereiden. Zowel in de wijze waarop, als de frequentie waarmee voorzien wordt in de warme maaltijd zijn diverse varianten mogelijk, afhankelijk van de situatie van de cliënt.
Het voeren van regie over het doen van het huishouden Het voeren van regie betreft het organiseren van het huishouden met als doel dat de cliënt weer in staat is het huishouden zelf te regisseren en (zoveel mogelijk) zelf uit te voeren. Deze voorziening kan alleen toegekend worden aan leerbare cliënten. Wanneer een cliënt de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren, dan kan ook hiervoor ondersteuning worden geboden. Dit geldt ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet zelf kan uitvoeren. Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Individuele begeleiding wordt toegekend opdat de cliënt zo lang als mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Dit is de achterliggende doelstelling als aan de cliënt de maatwerkvoorziening wordt toegekend. De begrenzing van deze Wmo-doelstelling wordt gevormd door artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo 2015: als de cliënt is aangewezen op de Wet langdurige zorg, dan wordt vanuit die wet zorg ontvangen. Die zorg kan ook worden geboden in de thuissituatie of in een instelling voor zorg met verblijf. Het college beoordeeld in welke mate de cliënt zelfredzaam is en of, en zo ja welke ondersteuning en in welke intensiteit het nodig is om de cliënt op een zo volwaardige manier te laten meedoen in de maatschappij.
Uiteraard gaan hierbij de algemene voorzieningen voor op de maatwerkvoorzieningen. Bij de individuele begeleiding gelden de volgende kernbegrippen:
Pagina 62 van 103
a. b. c.
De ondersteuning is erop gericht dat cliënt door stimulans en/of toezicht in staat is om het (sociale) leven zelfstandig vorm te geven. De ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen en het zelfstandig nemen van besluiten. De ondersteuning kan zich ook richten op het (tijdelijk) overnemen van taken tot en met het aanleren ervan.
Artikel 26. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding Dagbesteding is onder meer gericht op één of meer van de volgende resultaten: a. sociale activiteiten buitenshuis met als doel duurzaam sociaal contact en ontmoeting; b. structuur en veiligheid; c. ontlasten mantelzorger; d. het aanbieden van routine en structuur voor de dag; e. voorkomen van verwaarlozing/opname. Met als achterliggend doel om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De omvang en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. Artikel 27. Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding Naast de vertrekking van de maatwerkvoorziening dagbesteding is het mogelijk om een maatwerkvoorziening vervoer naar de dagbesteding te indiceren, indien een cliënt gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. Uitgangspunt is dat de dagbesteding/dagbehandeling in de nabijheid van de woonomgeving is. De intensiteit van het vervoer is afhankelijk van de mate van het gebruik van de dagbesteding (aantal dagdelen). Artikel 28.
Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Als bij de mantelzorger van de cliënt de balans tussen draagkracht en draaglast is verstoord of verstoord dreigt te raken, dan is er reden om voor cliënt logeeropvang of logeerverblijf buiten de thuissituatie mogelijk te maken. Dit kan plaatsvinden in een instelling. Artikel 29. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang Beschermd wonen: woonvorm waarbij de cliënt permanent toezicht nodig heeft. De doelgroep is kwetsbaar met risico op verwaarlozing en overlast en kan een gevaar vormen voor zichzelf en voor anderen. Doel van deze manier van wonen is de doorstroom naar (beschut) zelfstandig wonen. Alle kosten worden vergoed en via het CAK wordt een eigen bijdrage berekend. Maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor mensen die dak- of thuisloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Hieronder vallen crisisopvang (alleenstaande volwassenen), herstart (alleenstaande volwassenen), herstart gezinnen, crisisopvang jongeren en reguliere opvang jongeren. Artikel 30. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschut wonen Beschut wonen is een geclusterde woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar en indien nodig op afroep langs komt.
De doelgroep kan (nog) niet zelfstandig wonen, maar wel zelf aangeven wanneer hulp nodig is en deze hulpvraag uitstellen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg én om instroom te voorkomen. Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. Dit betekent dat de
Pagina 63 van 103
inwoner in principe zelf zijn huur betaalt en zelf een huurcontract heeft met de verhuurder of de zorgorganisatie. Artikel 31. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening rolstoel Een rolstoel voorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning. De rolstoelvoorziening is onder andere gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. het kunnen bereiken van winkels; b. het kunnen onderhouden van sociale contacten; c. het deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening, binnen de leefomgeving van de cliënt; d. de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning; e. overige noodzakelijke verplaatsingen in kader van het leven van alledag. Artikel 32. Aanvullende criteria voor maatwerk woonvoorzieningen Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van een woonvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een woningaanpassing of een traplift. Daarnaast kan een maatwerkvoorziening worden toegekend zodat de cliënt zich in en om de woning kan verplaatsen. Voordat het college het verhuisprimaat toepast, wordt een belangenafweging gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning.
Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen en wordt er in ieder geval gekeken naar: de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen; de beschikbaarheid van een woningen binnen een medisch aanvaardbaar termijn; sociale omstandigheden; gezinssituatie; afstemmingen met andere voorzieningen; werksituatie; verandering in woonlasten; is cliënt huurder of eigenaar van de woning; wooncomfort; de wil van cliënt om te verhuizen; Het primaat van verhuizen is van kracht als de totale kosten voor het aanpassen van de woning hoger zijn dan de kosten voor een verhuizing (verhuizen is dan de goedkoopst adequate oplossing voor de hulpvraag), tenzij er voldoende argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten. De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan over het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding in plaats van het aanpassen van de woning, waarbij er in de belangenafweging is geconstateerd dat verhuizen goedkoper en – eveneens – adequaat is: ECLI:NL:CRVB:2018:2602. Dit laat onverlet dat steeds de vraag moet worden beantwoord of met de toepassing van het primaat verhuizen in een concreet geval een passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015 wordt geleverd.
Ook heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan over het inadequaat verhuizen, waarmee cliënt voor hem geen passende oplossing heeft gevonden voor het in de verlaten woning ondervonden woonprobleem. Hierdoor heeft cliënt geen recht op een financiële tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing en herinrichting: ECLI:NL:CRVB:2018:702. De Raad onderstreept dat hij die woning niet overeenkomstig haar essentiële elementaire woonfuncties (niet in staat om de slaapkamer en natte cel te bereiken) kan bewonen. Dit betekent dat de woning, gezien de beperkingen, ongeschikt is.
Pagina 64 van 103
Het te bereiken resultaat van de toe te kennen maatwerkvoorziening bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Het gaat daarbij om het kunnen gebruiken en bereiken van de elementaire woonruimten voor de dagelijkse levensverrichtingen (het normale gebruik van de woning). Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Onder omstandigheden van het individuele geval kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (toe- en doorgang). Artikel 33. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving gericht op zelfredzaamheid en participatie. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld sociale contacten te onderhouden. De verplaatsingen kunnen betrekking hebben op de korte, de middellange en/of op de langere afstanden binnen de leefomgeving van de cliënt. Wanneer een cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en deze cliënt een CVV pas aanvraagt, dan hoeft er geen onderzoek volgens artikel 6 van deze verordening plaats te vinden.
Alleen al op basis van de leeftijd komt de cliënt dan in aanmerking voor de CVV pas. Artikel 34. Aanvullende criteria voor maatwerk sportvoorzieningen Deze voorziening ziet op het kunnen uitoefenen van een sport en kan naast een andere vervoersvoorziening verstrekt worden. Een sportvoorziening is noodzakelijk als de cliënt door sportbeoefening beter in staat is te participeren. Ook kan sportbeoefening bijdragen aan de zelfredzaamheid: het draagt bij aan de verbetering van de conditie en vertrouwen in zichzelf en kan eraan bijdragen dat de cliënt zijn eigen mogelijkheden en vaardigheden (her)ontdekt. Daarnaast moet er sprake zijn van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking. Bijvoorbeeld doordat hij een speciale sportvoorzieningen nodig heeft. Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend. Voor topsport of sport op hoog niveau geldt dat hiervoor sprake is van voorliggende mogelijkheden voor een sportvoorziening op basis van sponsoring en mogelijkheden via diverse fondsen. Artikel 35. Afschrijvingsperioden Artikel 35 legt vast hoelang de gemeente Zuidplas het gebruik van een voorziening gebruikelijk acht. Artikel 36.
Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Het college verstrekt een tegemoetkoming voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, en een sportrolstoel op basis van dit artikel. Het betreft hier expliciete aantoonbare meerkosten. Daarnaast blijft uiteraard van belang dat bij de beoordeling vooraf wordt bekeken in hoeverre men in staat is zelf het een en ander te regelen of dat het in de betreffende situatie meer voor de hand ligt om een maatwerkvoorziening te verstrekken. De extra kosten voor het toppakket collectieve ziektekostenverzekering zijn komen te vervallen omdat er geen onderscheid meer gemaakt wordt in de diverse pakketten van de collectieve ziektekostenverzekering. Meer informatie over de collectieve ziektekostenverzekering is te vinden op de website van VGZ: https://www.vgz.nl/ijsselgemeenten. Artikel 37. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Artikel 37 regelt de (hoogte) van de bijdrage in de kosten voor Wmo-maatwerkvoorzieningen, het zogenaamde abonnementstarief. Lid 4 maakt het mogelijk om de eigen bijdrage op nul euro vast te stellen als een cliënt onvoldoende betaalcapaciteit heeft én voldoet aan één van de onderstaande voorwaarden:
Pagina 65 van 103
-
-
-
-
De cliënt zit in de eerste twaalf maanden na een scheiding: een scheiding heeft grote impact emotioneel en financieel. Men blijft met minder inkomsten en even grote (soms grotere) uitgaven achter. Bij een scheiding kan de eigen bijdrage op nul gezet worden tot maximaal 12 maanden na de scheiding. De cliënt zit in de eerste twaalf maanden na het verlies van betaald werk: het verlies van betaald werk zorgt voor een grote terugval in inkomsten (30%), dit heeft gevolgen voor de betaalcapaciteit. Bij het verliezen van betaalde arbeid kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 12 maanden. De cliënt heeft een budgetmaatje: indien een cliënt een budgetmaatje heeft spelen er over het algemeen financiële problemen en is hij/zij bezig zijn financiële situatie te verbeteren (en dus ook zijn/haar betalingscapaciteit te vergroten). Deze situatie geeft aanleiding om tijdelijk de eigen bijdrage op nul te zetten. Bij het gebruikmaken van een budgetmaatje wordt de eigen bijdrage voor 6 maanden op nul gezet. De cliënt zit in de schuldsanering via de GR IJsselgemeenten: indien een cliënt in een schuldsaneringstraject zit is de betaalcapaciteit zeer beperkt. Door middel van dit traject is cliënt bezig om de situatie op te lossen. Dit geeft aanleiding om de eigen bijdrage op nul te zetten. Bij een schuldsaneringstraject wordt de eigen bijdrage tot einde traject op nul gezet.
(Dit vraagt afstemming met de GR IJsselgemeenten om de correcte termijn door te geven aan CAK)
De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening Wmo wordt door het CAK vastgesteld en geïnd. De cliënt betaalt nooit meer aan eigen bijdrage Wmo dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening. De reizigersbijdrage van collectief vraagafhankelijk vervoer is afhankelijk van het aantal zones dat wordt gereisd en wordt voldaan aan de vervoerder. Artikel 38. Blijk van waardering voor mantelzorgers Dit artikel is een uitwerking van de verplichting in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 om in de verordening te bepalen op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers. In dit artikel is de manier waarop mantelzorgers in aanmerking kunnen komen voor deze waardering geregeld. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen via een melding bij het college in aanmerking komen voor de jaarlijkse blijk van waardering (eerste lid). Het tweede lid bepaalt waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat, namelijk: een jaarlijkse activiteit en praktische ondersteuning. De uitvoering van artikel 38 wordt gedaan door het Mantelzorgsteunpunt.
Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 39. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb Lid 1 geeft aan dat de gemeente Zuidplas een pgb verstrekt op basis van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Lid 2, in de Wmo 2015 en in de Jeugdwet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit artikel wordt geregeld op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven. Wanneer cliënt naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening, en hij vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, zijn er aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een pgb-budgetplan, waarmee de cliënt zijn aanvraag voor een pgb moet indienen. In het tweede lid wordt bepaald wat er in het pgb-budgetplan dient te zijn opgenomen.
Pagina 66 van 103
Uit de motivering in het pgb-budgetplan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe en waarom men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. In lid 3 wordt gesproken van professionele ondersteuning (instellingen en zzp’er). Een zzp’er is een zelfstandige zonder personeel, die niet in loondienst is van een professionele organisatie. Hieronder valt alle hulpverlening geboden door personen en bedrijven in het bezit van een KVK met betrekking tot de uitgevoerde ondersteuning. In artikel 39 van de verordening staan verdere voorwaarden beschreven om als professional te kunnen worden aangemerkt. Daarnaast wordt er gesproken van ondersteuning binnen sociaal netwerk. Onder het sociaal netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, zoals besproken in artikel 40 van de verordening De in het vierde lid van dit artikel bedoelde wettelijke verlenings- en weigeringsgronden staan voor wat betreft de Wmo 2015 in artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid en wat betreft de Jeugdwet in artikel 8.1.1, tweede en vierde lid.
Door de bepaling onder ad d wordt verhinderd dat een cliënt beïnvloed en/of onderdruk wordt gezet door zijn omgeving om de via een pgb verstrekte zorg bij een specifieke zorgaanbieder in te kopen. In lid 5 wordt beschreven dat het college van de cliënt een schriftelijke machtiging en verklaring verlangt. De machtiging houdt in dat cliënt schriftelijk aangeeft wie degene is die hem vertegenwoordigt. De schriftelijke verklaring houdt in dat zowel de cliënt als budgethouder, als diens vertegenwoordiger zich ten opzichte van het college en de cliënt verplichten tot het op juiste en verantwoordelijke wijze beheren van het pgb. De verklaring dient tevens als instrument ter bewustwording van cliënt en vertegenwoordiger van de rechten en plichten die een pgb met zich brengt. In het in lid 6 wordt er een nadere uitleg gegeven over de criteria waarop een budgethouder niet in staat wordt geacht om de aan een pgb verbonden taken uit te voeren en een pgb kan worden geweigerd. In lid 7 wordt er omschreven dat het college van de budgethouder verlangt dat in de tussen evaluatie in wordt gegaan op de tot dan toe behaalde resultaten en de aan het pgb verbonden voorwaarden. Lid 8 gaat in op de besteding van het pgb in het buitenland. (Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven.
Het college toetst of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen doelen, alsmede of de kwaliteit is gewaarborgd. Hierbij zal de geleverde zorg moeten voldoen aan de randvoorwaarden van de Wmo en de Jeugdwet. In lid 9 wordt er ingegaan op de weigeringsgronden van een pgb. Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4 of ambtshalve maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 10 vijfde lid, is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning op basis van een vraagverhelderingsonderzoek. In zo’n geval is de ondersteuning voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb. Onder b: Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die hem helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald.
Pagina 67 van 103
Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is cliënt hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hij ook zelf de keuze maakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan. Artikel 40. Regels voor pgb vertegenwoordiging Als een cliënt niet zelf tot het beheer van zijn pgb in staat is of nog niet de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, waardoor een situatie van (wettelijke) vertegenwoordiging aan de orde is, moet worden gewaarborgd dat de vertegenwoordiger die de cliënt ondersteunt hiertoe daadwerkelijk in staat is en dit vanuit zuiver hulp gedreven motieven doet. Hierbij gelden in ieder geval dezelfde contra-indicaties als voor de budgethouder zelf. De mogelijkheid dat er een ongewenste belangenverstrengeling tussen vertegenwoordiger en pgb-hulpverlener(s), danwel een ongewenste (financiële) afhankelijkheidsrelatie ontstaat, dient te worden vermeden. Om die reden is een aantal aanvullende voorwaarden c.q. weigeringsgronden aan de vertegenwoordiging opgenomen. In principe mag de uitvoerder van de ondersteuning niet degene zijn die vertegenwoordiger is, aangezien de objectiviteit van de te beoordelen kwaliteit van de ondersteuning dan niet aanwezig is of andere, niet hulpgedreven overwegingen een doorslaggevende rol kunnen gaan spelen.
Dit betekent onder andere dat bij minderjarigheid van de cliënt, vanwege de automatische vereniging van rollen van inkoper en uitvoerder van een (informeel) persoonsgebonden budget, een dergelijk pgb aan een ouder in beginsel niet mogelijk is. Slechts bij hoge uitzondering kan hier door het college van worden afgeweken. Artikel 41. Regels voor pgb professional Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de pgb constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een pgb wordt ingeschakeld. De eis in het tweede lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één gezin, één plan, één regisseur” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake. Artikel 42. Regels voor pgb sociaal netwerk Dit artikel ziet specifiek op de situatie dat hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk.
Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de
Pagina 68 van 103
bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb. In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Het blijft altijd om maatwerk gaan. Artikel 43. Hoogte van een pgb In artikel 43 is bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld. Uitgangspunt is dat met een pgb een maatwerkvoorziening wordt ingekocht. Welke maatwerkvoorziening noodzakelijk is, wordt vastgesteld aan de hand van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening en het opgestelde ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening. Vervolgens wordt de kostprijs van de maatwerkvoorziening bepaald.
Wanneer meerdere maatwerkvoorzieningen mogelijk zijn, wordt de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening gehanteerd als bedoeld in artikel 8 lid 3 van deze verordening. Onder lid 3 is bepaald, dat het pgb toereikend moet zijn om aan de wettelijke kwaliteitseisen te kunnen voldoen. Wanneer sprake is van onderhoud en verzekeringen wordt hiervoor eveneens een pgb vastgesteld. Lid 6 tot en met 13 bepalen op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Voor de berekening van een pgb wordt onderscheid gemaakt tussen een beroepskracht (formele hulp) die voor een zorgorganisatie werkt (lid 8) of een beroepskracht die als zzp’er werkt (lid 10). Uitgangspunt is, dat een zzp’er minder of geen overheadkosten heeft. Dit komt tot uiting in de berekeningswijze van respectievelijk 100% voor hulpverlener instelling en 75% voor zzp’er. Wanneer het college heeft bepaald dat een pgb mag worden aangewend voor het inkopen van begeleiding bij een persoon uit het sociale netwerk (informele hulp) van de cliënt, dan wordt het uurtarief gebaseerd op de Wet Langdurige Zorg inclusief de kosten voor een VOG. Artikel 44. Besteding en verantwoording De besteding van het pgb dient te geschieden binnen de afspraken die daarvoor met de cliënt zijn gemaakt. Deze afspraken kunnen voortvloeien uit het goedgekeurde pgb-budgetplan en hiernaar zal worden verwezen in de beschikking.
Hierbij kunnen ook verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de besteding, de termijn waarbinnen een pgb moet zijn besteed, het nakomen van verplichtingen in relatie tot het trekkingsrecht en verantwoording van het pgb. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit op basis van te overleggen documenten, zoals een factuur of overeenkomst met de zorgleverancier.
Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen bekostiging leerlingenvervoer Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer. Wettelijke plicht De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In
Pagina 69 van 103
artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2. De Integrale Verordening Sociaal Domein (hoofdstuk specifieke bepalingen bekostiging leerlingenvervoer) geeft uitvoering aan de taakstelling van de gemeente. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen, bevat dit hoofdstuk criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft. Het hoofdstuk Specifieke bepalingen bekostiging leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke vergoeding wordt verstrekt. Vervoersvoorziening In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd.
Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college van burgemeester en wethouders (hierna het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer. Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren, dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten. Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer.
In de verordening is deze grens vastgesteld op zes kilometer (zie artikel 52). De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Wanneer er twee of meer kinderen uit één gezin tegelijk per eigen auto vervoerd worden en er om die reden éénmaal kilometervergoeding wordt uitbetaald, wordt het drempelbedrag per auto in rekening gebracht. Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan 20 kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht en wordt per gezin geheven (zie verder de artikelen 66 en 67). Zelfstandigheid en zelfredzaamheid De verordening gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren wordt de aanvraag met ouders besproken en wordt vanaf een bepaalde leeftijd in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld (zie artikel 48). Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen
Pagina 70 van 103
Artikel 45. Begripsomschrijving - afstand De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. Dit is de ANWB routeplanner, gemeten langs de kortste route per fiets. Hierbij is het niet relevant of de betreffende leerling daadwerkelijk kan fietsen of gebruik zal gaan maken van de fiets. Wanneer de gemeten afstand dicht rond de kilometergrens ligt (te weten vanaf 5,8 tot en met 6,0 kilometer) dan wordt de afstand gecheckt bij andere routeplanners, waarbij exact dezelfde route wordt gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: ABRvS) 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg, volgens een uitspraak van de ABRvS (27 december 1989, nr. R03.88.7309). - begeleider Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat de ouders niet van deze verantwoordelijkheid.
Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds zal overnemen. -begeleiding Een leerling kan begeleiding tijdens het vervoer nodig hebben van een ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden. Onder deze begeleiding wordt de fysieke begeleiding van de leerling verstaan, met andere woorden het meereizen. Onder begeleiding wordt niet verstaan bijvoorbeeld assistentie van de leerling door middel van app op telefonisch contact. -gehandicapte leerling Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Integrale Verordening Sociaal Domein. Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Integrale Verordening Sociaal Domein géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening.
Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. - inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waar de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Bij het opvragen van de Inkomensverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. - leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten
Pagina 71 van 103
hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Integrale Verordening Sociaal Domein. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. -ontwikkelingsperspectief Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen, zijn de scholen verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen.