CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2024 A23.001653

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 202450.412 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald. 10. Ingeval een besluit tot verlening van een bekostiging leerlingenvervoer is ingetrokken, kan een reeds uitbetaalde bekostiging worden teruggevorderd. 11. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (waaronder pgb’s) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

37

Artikel 70. Klachtenregeling 1. Het college handelt klachten af overeenkomstig de in de gemeente geldende klachtenregeling. 2. Het college neemt in de contracten met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt 3. In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 71. Medezeggenschap bij aanbieders 1. De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet. 3. De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de cliënten van zijn organisatie. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een cliëntenraad moet voldoen. Artikel 72. Incidenten, calamiteiten en geweld 1.

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthouder aan als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo. 2. Aanbieders melden calamiteiten en geweld dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthouder. 3. De toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 73. Doel- en rechtmatigheid 1. Het college wijst een toezichthouder rechtmatigheid aan belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015. 2. Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties 3. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.

38

Hoofdstuk 7: Participatie in het Sociaal Domein Artikel 74. Begripsbepalingen participatie sociaal domein In deze verordening wordt verstaan onder: a. adviesraad: het door het college ingestelde orgaan dat het college adviseert over beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein van de gemeente Zuidplas; b. representatieve organisatie: organisatie die de belangen van een of meerdere specifieke cliёntgroepen/doelgroepen behartigt zoals deze omschreven worden binnen de Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet; c. belanghebbenden: inwoners die aanspraak kunnen maken op ondersteuning door de gemeente binnen het sociaal domein en hun mantelzorgers of vertegenwoordigers; d. lid: een lid van de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas; e. achterban: het bestuur en/of de leden van de representatieve organisaties en inwoners van de gemeente Zuidplas; f. cliёntparticipatie: de wijze waarop cliënten van zorg- en ondersteuningsvoorzieningen en hun mantelzorgers en/of vertegenwoordigers op het terrein van de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet geraadpleegd worden over de uitvoering van het (gemeentelijk) beleid en over de ervaren kwaliteit van zorg en ondersteuning op deze terreinen; g.

beleidsparticipatie: de gestructureerde wijze waarop de gemeente belanghebbende inwoners van de gemeente Zuidplas betrekt bij de voorbereiding, ontwikkeling en evaluatie van het gemeentelijk beleid op het sociaal domein; h. sociaal domein: het integrale gemeentelijke beleid voortvloeiend uit Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet; i. vergadering: een vergadering van de leden van de adviesraad; j. ambtelijk vertegenwoordiger: ambtenaar die namens de gemeente als contactpersoon optreedt naar de adviesraad; k. voorzitter: de voorzitter van de adviesraad; l. secretaris: de secretaris van de adviesraad; m. penningmeester: de penningmeester van de adviesraad. Artikel 75. Doelstelling Met het hoofdstuk Participatie Sociaal Domein Zuidplas geeft de gemeente Zuidplas invulling aan de wettelijke verplichtingen op grond van: A

De Wmo, Participatiewet en Jeugdwet waarbij het college inwoners dient te betrekken bij het opstellen van beleid voordat zij dat beleid ter besluitvorming voorlegt aan de gemeenteraad;

B

De Wmo, Jeugdwet en Participatiewet waarbij cliënten of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van het gemeentelijk beleid Sociaal Domein, op basis van de genoemde wetgeving.

A. Beleidsparticipatie Via beleidsparticipatie betrekt de gemeente inwoners bij het opstellen en evalueren van beleid. De gemeente Zuidplas geeft invulling aan de beleidsparticipatie door: 1. Het betrekken van inwoners en belanghebbenden (cliënten, hun mantelzorgers of andere vertegenwoordigers, Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas, zorgaanbieders en andere partijen) bij de start van nieuw op te stellen beleid of projecten. 2. Het laten adviseren over beleidsvoorstellen en de evaluatie van beleid binnen het sociaal domein via de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Wmo, Participatiewet en Jeugdwet indien het deze drie wetten uit het sociaal domein wel raakt.

39

B. Cliëntenparticipatie De gemeente geeft invulling aan cliёntparticipatie en biedt daarmee cliënten (degenen die zorg- en ondersteuning ontvangen) en hun vertegenwoordigers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de uitvoering van het beleid op de volgende manieren: 1. Via de medezeggenschap bij zorgaanbieders van Wmo en Jeugdwet: a. de gemeente legt via de inkoop van zorgvoorzieningen van de Wmo en de Jeugdwet vast dat de zorgaanbieders een regeling voor medezeggenschap hanteren; b. de gemeente monitort de uitvoering van deze medezeggenschap binnen zorgaanbieders via de accountgesprekken en de jaarlijkse verantwoording van zorgaanbieders; c. Zorgvoorzieningen Wmo 2015 die een regeling voor medezeggenschap dienen te hanteren zijn: i. Voorzieningen voor Dagbesteding ii. Voorzieningen voor Begeleiding iii. Voorzieningen Beschermd wonen iv. Voorzieningen Respijtzorg en Kort verblijf v. Voorzieningen Maatschappelijke opvang en vrouwenopvang 2. Via het raadplegen van cliënten bij het monitoren van beleid via in te richten cliёntenpanels 3. Via jaarlijks uit te voeren cliёnttevredenheidsonderzoek onder cliënten en hun mantelzorgers/ vertegenwoordigers van de Wmo en Jeugdwet. De gemeente kan dit onderzoek zelf uitvoeren en/of zorgaanbieders en/of een derde partij opdragen deze onderzoeken uit te voeren. Artikel 76. Taken van de adviesraad 1.

De adviesraad adviseert het college gevraagd of ongevraagd over: a. de voorbereiding, ontwikkeling, en evaluatie van beleid binnen het sociaal domein, bestaande uit de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015 indien het deze drie wetten uit het sociaal domein wel raakt; b. beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein die door de gemeente in regionaal verband ontwikkeld zijn. Daartoe onderhoudt de adviesraad contacten met de adviesraden uit de regio om de advisering hierover af te stemmen. 2. De adviesraad is een van de partijen die door de gemeente betrokken worden bij het opstellen van nieuw beleid binnen het sociaal domein. 3. De adviesraad signaleert relevante trends en ontwikkelingen en/of knelpunten op het gebied van het beleid binnen het sociaal domein. 4. De adviesraad houdt zich niet bezig met en is niet bevoegd om te adviseren of te handelen naar aanleiding van individuele klachten of problemen tenzij er duidelijke gevolgen zijn voor het algemeen beleid. Artikel 77. Werkwijze van de adviesraad 1. De adviesraad ontvangt de adviesvraag van de gemeente en heeft dan zes weken de tijd om een advies te geven aan het college. 2.

De adviesraad adviseert schriftelijk en gemotiveerd aan het college en de adviezen zijn ondertekend door de voorzitter en/of secretaris van de adviesraad. 3. De adviestermijn kan bij uitzondering in overleg worden aangepast wanneer het college of de adviesraad dit noodzakelijk acht. 4. Ongevraagde adviezen worden ook aan het college gericht. 5. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ter informatie aan het college wordt voorgelegd. In het huishoudelijk reglement wordt in ieder geval opgenomen: a. een regeling voor aan- en aftreden van leden; er wordt een rooster van aftreden opgesteld waarbij de continuïteit van kennis en ervaring zoveel mogelijk wordt gewaarborgd; b. wanneer een lid door de adviesraad geschorst kan worden;

40

6.

c. de werkwijze van de adviesraad; d. regels voor declaratie van onkosten door leden; e. de afvaardiging naar het ambtelijk en het bestuurlijke overleg met de gemeente Zuidplas. Leden van de adviesraad zijn verplicht tot geheimhouding van alle informatie die zij in de hoedanigheid van lid van de adviesraad vernemen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs kunnen vermoeden. De geheimhoudingplicht blijft bestaan na het einde van het lidmaatschap van de adviesraad.

Artikel 78. Werkwijze van het college 1. Het college vraagt tijdig advies aan de adviesraad bij beleidsvoorstellen betrekking hebbend op het sociaal domein. 2. Dit geldt zowel voor voorstellen die lokaal zijn opgesteld als bij regionaal voorbereide voorstellen waar lokale besluitvorming voor nodig is. 3. Het college stuurt met de adviesvraag de noodzakelijke stukken mee. 4. Het college reageert schriftelijk en gemotiveerd naar de adviesraad op het advies van de adviesraad. 5. Het advies van de adviesraad en de reactie van het college op het advies worden met het raadsvoorstel waarop het advies betrekking heeft meegezonden naar de raadscommissie en de gemeenteraad. 6. Het derde en vierde lid gelden voor gevraagd en ongevraagd advies. Artikel 79. Overlegstructuur van de adviesraad 1. De adviesraad neemt in haar huishoudelijk reglement haar wijze van vergaderen op. 2. De adviesraad draagt zorg voor verslaglegging van haar vergaderingen en doet jaarlijks verslag naar inwoners van haar werkzaamheden en uitgebrachte adviezen. 3. De vergaderingen zijn openbaar tenzij door het college is verzocht om een onderwerp vertrouwelijk te behandelen of wanneer dit door een meerderheid van de adviesraad wenselijk wordt geacht. 4. Ten aanzien van de besluitvorming in de adviesraad geldt het volgende: a. alle aanwezige leden van de adviesraad hebben stemrecht tijdens de vergadering; b.

indien de besluitvorming niet unaniem is, wordt hiervan melding gemaakt in de advisering aan het college; c. besluitvorming vindt plaats op basis van meerderheid van stemmen van de op de vergadering aanwezige leden; d. wanneer er bij stemming evenveel voor- als tegenstanders zijn, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Artikel 80. Overleg met de gemeente 1. Er is een periodiek bestuurlijk overleg met de wethouders van Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet met een afvaardiging van de adviesraad. Dit overleg vindt driemaal per jaar plaats of zoveel vaker als nodig is. a. dit overleg heeft als doel om elkaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en om van gedachten te wisselen over de hoofdlijnen van beleid. In de vergadering vindt derhalve geen besluitvorming plaats; b. wanneer een onderwerp andere portefeuilles raakt dan kan de betreffende wethouder uitgenodigd worden om aan te sluiten; c. de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging. 2. Er is periodiek ambtelijk overleg met een afvaardiging van de adviesraad. a. een afvaardiging van de adviesraad overlegt zesmaal per jaar/ eenmaal in de zes weken met een ambtelijke vertegenwoordiging van de gemeente; b. in de vergadering worden relevante ontwikkelingen besproken op het gebied van het sociaal domein;

41

c. d.

in het overleg wordt afstemming gezocht op inhoud en procedure over de onderwerpen die voor advisering zullen worden aangeboden aan de adviesraad; de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging.

Artikel 81. Faciliteren en verantwoording 1. Voor de activiteiten van de adviesraad wordt een budget beschikbaar gesteld. 2. De regels voor de besteding van dit budget worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de adviesraad. 3. In het huishoudelijk reglement wordt ook het declaratiebesluit voor de leden opgenomen. 4. Voor kosten of verplichtingen die de adviesraad wil aangaan die buiten dit budget vallen is vooraf instemming van de gemeente nodig. 5. De adviesraad stelt jaarlijks, uiterlijk 3 maanden voor de aanvang van het boekjaar, een begroting vast die wordt ingediend bij het college. 6. Het college stelt het budget vast voor zover dat binnen het door de raad beschikbaar gesteld budget valt. 7. De adviesraad stelt jaarlijks binnen drie maanden na afloop van het boekjaar een financieel en inhoudelijk jaarverslag op. 8. Het financieel en inhoudelijk jaarverslag wordt aan het college gezonden voor de verantwoording van de werkzaamheden en afrekening van het boekjaar. 9. Het college stuurt het financieel en inhoudelijk jaarverslag aan de gemeenteraad ter informatie. Artikel 82. Samenstelling van de adviesraad 1. De adviesraad bestaat uit minimaal 7 en maximaal 15 leden inclusief de voorzitter. 2. De leden worden geworven op basis van een profiel via een door de adviesraad in te stellen selectiecommissie.

Daarbij wordt ernaar gestreefd dat de leden afkomstig zijn uit de combinatie van leden van representatieve organisaties, leden met een specifieke kennis of ervaring en leden vanuit doelgroepen dan wel ervaringsdeskundigen. 3. De leden worden benoemd door het college op grond van een ambtelijk advies. Het ambtelijk advies wordt opgesteld op basis van de voordracht van de selectiecommissie van de adviesraad. 4. De leden worden door het college geïnstalleerd waarbij de eed of belofte wordt afgelegd. 5. Leden hebben aantoonbaar een binding met de gemeente Zuidplas. 6. De leden benoemen uit de eigen geleding een dagelijks bestuur dat in ieder geval bestaat uit de voorzitter, een secretaris en penningmeester. 7. De leden van de adviesraad zijn geen wethouder of gemeenteraadslid en bekleden geen functie die onverenigbaar is, vergelijkbaar met de onverenigbaarheid met het wethouderschap als genoemd in artikel 36 b van de Gemeentewet, noch bekleden zij een functie waarbij zij vanuit die functie een direct belang hebben bij de advisering van de adviesraad. 8. De adviesraad is geen politiek orgaan noch een orgaan om zakelijke belangen te behartigen. Artikel 83. Voorzitter 1. Het college benoemt de voorzitter die door een selectiecommissie van de adviesraad wordt geworven op basis van een profiel. 2. De voorzitter representeert de adviesraad en onderhoudt de algemene externe contacten. 3.

De voorzitter draagt zorg voor de naleving van deze verordening, het huishoudelijk reglement en ziet erop toe dat de adviesraad en de individuele leden hun taken naar behoren uitoefenen. 4. De voorzitter heeft stemrecht. Artikel 84. Secretaris/ Penningmeester In het huishoudelijk reglement van de adviesraad worden de functies en taken van een secretaris en een penningmeester geregeld.

42

Artikel 85. Beëindiging lidmaatschap 1. Het lidmaatschap van de adviesraad eindigt: a. indien de representatieve organisatie schriftelijk aan het college aangeeft niet langer vertegenwoordigd te willen zijn in de adviesraad; b. op verzoek van het lid; c. bij overlijden van het lid. 2. De zittingsduur van een lid bedraagt vier jaar met de mogelijkheid om het lidmaatschap met nog één zittingsduur van vier jaar te verlengen. 3. Het college kan een lid ontslaan wanneer: a. een lid onzorgvuldig omgaat met de vertrouwelijke gegevens of anderszins niet-integer handelt, niet naar behoren de adviestaken vervult of anderszins een goede werkwijze van de adviesraad belemmert; b. een lid door de adviesraad is geschorst. 4. Voordat het college een lid ontslaat op grond van het derde lid wordt het lid gehoord door een vertegenwoordiger van het college en de voorzitter van de adviesraad. Van het horen wordt een verslag gemaakt dat met een advies aan het college wordt voorgelegd. 5. Het college informeert het lid en de voorzitter van de adviesraad schriftelijk over het genomen besluit. Artikel 86. Evaluatie 1. Deze verordening en het functioneren van de adviesraad worden eenmaal in de twee jaar door de adviesraad en de gemeente gezamenlijk geëvalueerd. 2. Bij de evaluatie wordt in ieder geval gelet op de wijze waarop de adviesraad haar taken invult. 3.

Indien op basis van de in het eerste lid genoemde evaluatie blijkt dat aanpassing van deze verordening noodzakelijk is, dan zal het college hiervoor in overleg met de adviesraad een voorstel doen aan de gemeenteraad.

43

Hoofdstuk 8: Slotbepalingen Artikel 87. Hardheidsclausule en gevallen waarin de verordening niet voorziet 1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 2. Het college kan in aanvulling op lid 1 in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager van het leerlingenvervoer afwijken van het afstandscriterium, wanneer schoolverzuim dreigt. De hieruit volgende toekenning kan slechts op tijdelijke basis worden verstrekt. 3. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 88. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. Op de dag van inwerkingtreding van deze verordening wordt de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2023 ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in lid 1 genoemde verordening totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de onder lid 1 genoemde verordening maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening. 4.

In het kader van het leerlingenvervoer is deze verordening voor het eerst van toepassing op nieuwe aanvragen voor schooljaar 2024-2025. Artikel 89. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als “Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2024”.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 12 december 2023. De griffier,

De voorzitter,

M.L. Engelsman

J.F. Weber

44

Toelichting op de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2024 Sinds 2015 is er veel veranderd in het sociaal domein. Taken die voorheen door het rijk en door provincies uitgevoerd werden, worden nu door de gemeenten uitgevoerd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdhulp, de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), het leerlingenvervoer en de Participatiewet. Deze verantwoordelijkheid biedt kansen voor de gemeente en voor onze inwoners:  Kansen om verbindingen te leggen tussen de verschillende terreinen in het sociaal domein, een integrale benadering staat centraal;  Kansen om maatwerk te bieden bij het zoeken naar oplossingen. Hierbij gaan we uit van de inwoner of het gezin en betrekken we deze in de oplossingen;  Kansen voor: korte lijnen, kleinschalige dienstverlening, dichtbij de inwoners, duurzame oplossingen, snellere signalering en tijdig ingrijpen bij knelpunten of problemen;  Kansen voor vergroting van kwaliteit- en doelmatigheid In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. Leeswijzer De Integrale Verordening Sociaal Domein 2023 bestaat uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4: Hoofdstuk 5: Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8.

Algemene bepalingen Integrale benadering Voorzieningen Persoonsgebonden budget Leerlingenvervoer Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten Participatie in het Sociaal Domein Slotbepalingen

45

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen en afkortingen In dit hoofdstuk zijn de begrippen die verdere toelichting behoeven opgenomen. a. algemeen gebruikelijke voorziening Een algemeen gebruikelijk voorziening voldoet aan de volgende criteria: de voorziening is normaal in de handel te krijgen, en; de voorziening is niet speciaal voor mensen met een beperking ontworpen, en; de voorziening is niet aanzienlijk duurder dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel, en; de voorziening is daadwerkelijk beschikbaar, en; de voorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en; de voorziening kan financieel worden gedragen door mensen met een inkomen op minimumniveau; (ECLI:NL:CRVB:2018:2182 en ECLI:NL:RBDHA:2022:5272). b. algemene voorziening Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of opvang. Een algemene voorziening is in beginsel voor iedereen toegankelijk. Om gebruik te maken van een algemene voorziening is geen besluit of indicatie nodig.

Essentieel bij een algemene voorziening is dat een zorgaanbieder zich jegens het college verbindt om een algemene voorziening te leveren (ECLI:NL:CRVB:2016:1404, r.o. 4.5.7). Dit is ook het grote verschil met een algemeen gebruikelijke voorziening, bijvoorbeeld de boodschappendienst van een supermarkt, die geheel een aangelegenheid van de markt is en niet door het college wordt ingekocht. De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wmo 2015. In de Jeugdwet wordt van ‘overige voorziening’ gesproken, maar hiermee wordt hetzelfde bedoeld. In deze verordening zal daarom worden gesproken over algemene voorziening. In de regelgeving omtrent leerlingenvervoer komt een dergelijk begrip niet voor. c. beperking In artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat de maatschappelijke ondersteuning zich onder andere richt op de ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen. Aangezien het begrip “beperking” noch in de Wmo 2015 noch in de Jeugdwet verder is gedefinieerd of toegelicht, is hiervan een eigen definitie geformuleerd, om aan te geven dat het hier gaat om een objectief vastgestelde lichamelijke, zintuigelijke, psychische of verstandelijke stoornis of conditie. g.

gebruikelijke hulp Volgens de regering is het in onze samenleving normaal dat partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het bieden van de normale, dagelijkse zorg en/of opvoeding, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Het gaat om hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. i. inwoner In eerste instantie is een inwoner iemand die woont in de gemeente Zuidplas. Of een inwoner zijn of haar ondersteuningsvraag aan de gemeente Zuidplas of aan een andere gemeente moet stellen, verschilt per wettelijk kader.

46

Binnen de Wmo gaat het om de plaats waar het feitelijke hoofdverblijf is. In de regel betekent dit dat een inwoner ook daadwerkelijk ingeschreven staat in de Basisregistratie personen (Brp). In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel van toepassing. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is het begrip woonplaats gedefinieerd. Voor leerlingenvervoer is van belang waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. l. maatwerkvoorziening In de Jeugdwet is de mogelijkheid opgenomen om een individuele voorziening aan te vragen, in de Wmo wordt gesproken over een maatwerkvoorziening. In deze verordening is qua begrip aansluiting gezocht bij de Wmo, omdat het begrip maatwerkvoorziening aangeeft dat het gaat om een oplossing die recht doet aan de ondersteuningsvraag en geen standaardoplossing is. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak en indien een cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; algemene voorzieningen en/of voorliggende voorzieningen. Voorafgaand aan de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening.

De voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar en beroep open. Het besluit op de aanvraag van deze voorziening is afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie. o. melding De melding is noch in de Wmo 2015, noch in de Jeugdwet gedefinieerd. Voor de Jeugdwet bestaat een melding in dusdanige niet, enige vorm van melding wordt gezien als aanvraag. Terwijl het in de Wmo 2015 een belangrijk moment markeert in de toegang. Met de melding maakt een persoon of zijn vertegenwoordiger de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar. Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is naar zijn aard geen melding. De melding markeert het begin van een onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. De Jeugdwet kent een dergelijke in de wet opgenomen onderzoeksfase niet, maar de melding en het onderzoek zijn wel in deze verordening opgenomen. q. ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Het plan geeft een compleet beeld van de ondersteuningsvraag en de oplossingsrichtingen.

Het doel van het opstellen van een ondersteuningsplan is, samen met de inwoner, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Het ondersteuningsplan bestaat uit modules, die, afhankelijk van de situatie van de cliënt, wel of niet worden ingevuld. u. vertegenwoordiger (gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger): In de Wmo 2015 is in artikel 1.1.1 de vertegenwoordiger gedefinieerd als een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden. Er zijn diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, bewindvoerder, mentor, ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen.

47

Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de hulp/zorgverlening.

Hoofdstuk 2, integrale benadering Artikel 2. Toegang tot ondersteuning De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is het college hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake. Inwoners kunnen op een laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aankloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte. In lid 2 staat omschreven dat het in deze fase (nog) niet noodzakelijk is om persoonsgegevens te registeren. Dat wordt pas nodig als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein een oplossing gevonden kan worden. Het verzamelen van informatie en persoonsgegevens zal dan gebeuren in het kader van het onderzoek of ten behoeve van de beoordeling van een melding, zoals bedoeld in artikel 3.

Omdat het als onnodig belastend kan worden gezien om betrokkene te verplichten meermaals hetzelfde verhaal te vertellen in de verschillende fases aan verschillende vertegenwoordigers van de gemeente, kunnen de relevante bevindingen van de integrale intake op verzoek van de betrokkene ter beschikking worden gesteld. Artikel 3. Melding hulpvraag In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan melden bij de gemeente. De melding is een verzoek van een cliënt of diens vertegenwoordiger om hulp of toekenning van een voorziening in het kader van de Wmo en het leerlingenvervoer. De melding kan niet worden gezien als een aanvraag voor een voorziening. De melding kan wel resulteren in een aanvraag voor een voorziening. Voor de Jeugdwet geld dat een melding gelijk staat aan een aanvraag. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan. In artikel 2.15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. In lid 1 staat dat de melding ‘door of namens een inwoner’ kan worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan met toestemming van de inwoner bijvoorbeeld diens ouders/verzorgers, vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, of andere betrokkene de melding doen.

In lid 2 is opgenomen dat het college met de inwoner een afspraak maakt voor een gesprek en dat deze afspraak schriftelijk bevestigd wordt. Dit kan een ander persoon zijn dan de melder. Bij de schriftelijke bevestiging worden in ieder de volgende bijlagen gevoegd: De mogelijkheden van gratis cliëntondersteuning; Informatie over privacy (conform de AVG); De gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure; De mogelijkheid voor een inwoner om een eigen plan op te stellen; infographic over het proces en de besluitvorming van de hulpvraag; In lid 3 is een specifieke bepaling opgenomen als de hulpvraag een minderjarige betreft. In dat geval informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun

48

rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. Lid 4 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4, lid 1) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet. In lid 5 is de mogelijkheid opgenomen voor de cliënt om een eigen plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Deze verplichting is in de Wmo 2015 en Jeugdwet opgenomen. Het eigen plan is vormvrij. In lid 6 staat omschreven dat de aanvraagprocedure voor het leerlingenvervoer niet gelijk is aan de Jeugdwet en de Wmo 2015. Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen. De Jeugdwet noemt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8. Dit is bijvoorbeeld het geval als er een spoedmachtiging door de rechter (of andere instantie) is afgegeven, omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet afgewacht kan worden.

De Wmo 2015 noemt de inzet van maatschappelijke ondersteuning in spoedeisende gevallen in artikel 2.3.3. In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en de aanvraag van de cliënt. Als er sprake is van een tijdelijke maatregel, wordt tegelijkertijd met de inzet van deze maatregel het gesprek gevoerd om te werken aan een duurzame oplossing van de hulpvraag. Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Het bieden van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning aan inwoners met een hulpvraag is een wettelijke verplichting van het college. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen.

De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering, alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het sociaal netwerk.

49

Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van de melding In lid 1 wordt aangegeven dat, in het kader van zorgvuldig onderzoek, het onderzoek start met een gesprek. Dit staat ook zo expliciet benoemd in de Wmo 2015, maar is ook mogelijk voor Jeugd. Daar waar cliënt of diens vertegenwoordiger zich tot het college wendt met een melding, kan in eerste instantie een gesprek gevoerd worden met een consulent of een medewerker van Stichting Zo!. Samen met cliënt (eventueel met aanwezige mantelzorger(s)) wordt geïnventariseerd waar cliënt en zijn mantelzorger(s) beperkingen ondervinden in de zelfredzaamheid en/of participatie. Ook wordt onderzocht welke oplossingen de effecten van de beperkingen weg kunnen nemen en in hoeverre cliënt zelf of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien. Lid 2 gaat in op de identificatieplicht. In het kader van rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. In lid 3 wordt weergegeven welke aspecten het college, daar waar noodzakelijk, onderzoekt.

De Centrale Raad van Beroep heeft twee duidelijke uitspraken gedaan, waarin vermeld staat hoe het college onderzoek moet doen: ECLI:NL:CRVB:2018:819 (Jeugdwet, r.o. 4.4.2) en ECLI:NL:CRVB:2017:1477 (Wmo). De essentie van het onderzoek is te achterhalen: - Wat de vraag/behoefte van de cliënt is en hoe de vraag/behoefte ontstaan is. - In hoeverre de cliënt zelf, of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien. Hierbij wordt de draagkracht en steunbehoefte van de eventuele mantelzorger, meegenomen. - Welke oplossingen passend zijn, hoe deze oplossingen afgestemd kunnen worden op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, en/of werk en inkomen, en wie de oplossingen inzet. De onderdelen die in lid 3 staan genoemd zijn niet uitputtend. Daar waar het college van mening is dat er aanvullende aspecten van belang zijn voor het onderzoek, worden aanvullende onderdelen in het onderzoek meegenomen. Welke aspecten onderwerp van onderzoek zijn of in het onderzoek worden uitgediept, hangt af van de vraag van cliënt en zijn/haar persoonlijke situatie. Het betreft altijd maatwerk. Indien de cliënt al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal onderdelen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn.

Komt de cliënt voor het eerst bij de gemeente, dan zal het onderzoek dienen om een totaalbeeld van de cliënt en zijn situatie te krijgen. Lid 4 gaat in op de onderzoeksmethoden van het college om de in het vorige lid van dit artikel genoemde aspecten te onderzoeken. De onderzoeksmethodieken worden in samenspraak met cliënt gehanteerd. De onderzoeksmethoden kunnen in combinatie met elkaar worden ingezet. Daarnaast kunnen er andere wettelijk toegestane onderzoeksmethodieken worden gebruikt. Hierbij geldt dat de grenzen van de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) in acht worden genomen. Voor de volledigheid een schematische weergave van de wettelijke doorlooptijden.

50

Het vijfde lid bepaalt dat het college met een door de cliënt overhandigd persoonlijk plan rekening moet houden. Jeugdige cliënten hebben dit reeds met ouders, bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, in de zin van artikel 1.1 van de Jeugdwet opgesteld, een zogenoemd ‘familiegroepsplan’. Artikel 7. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden worden de uitkomsten vastgelegd in een ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan is geen vaste invuloefening waarbij elk onderdeel ingevuld moet worden, dit is maatwerk en afhankelijk van de ondersteuningsvraag. Zo bevat het ondersteuningsplan niet altijd een volledig afgeronde diagnose. Het stellen van de diagnose kan onderdeel uitmaken van de totale behandeling/ondersteuningsvraag. Het eerste lid geeft aan dat de gemeente Zuidplas zoveel als mogelijk werkt vanuit de gedachte één gezin, één plan, één regisseur. Het ondersteuningsplan is opgebouwd aan de hand van het de door de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:819) vastgestelde stappenplan. Daar waar cliënt het ondersteuningsplan ontvangt en feitelijke onjuistheden ontdekt, dan kan cliënt of diens vertegenwoordiger deze onjuistheden corrigeren (lid 3). De correcties worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd, zie ook de mogelijkheid die lid 4 biedt.

Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de inhoud van het ondersteuningsplan, wordt de cliënt gevraagd om dit document te tekenen voor: akkoord zoals voorgesteld en aanvragen, akkoord maar anders dan voorgesteld aanvragen, geen aanvraag en aan het college te verstrekken. Het vijfde lid regelt dit.

51

Artikel 8. Verstrekken van een maatwerkvoorziening In lid 1 is bepaald, dat het college een maatwerkvoorziening toekent wanneer er sprake is van een compensatienoodzaak. Op basis van onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van cliënt, moet worden vastgesteld of er sprake is van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, die door middel van maatwerkvoorzieningen gecompenseerd moeten worden. Maatwerkvoorzieningen worden ingezet wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; b. algemene voorzieningen; c. zelfredzaamheid en participatie d. algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen. Eigen kracht Lid 1 onder a bepaalt dat het college alleen maatwerkvoorzieningen treft wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is om, eventueel samen met het sociale netwerk, in eigen oplossingen te voorzien. Hieronder wordt ook de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen verstaan. De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan ECLI:NL:CRVB:2019:772 over de eigen kracht van een cliënt.

In deze uitspraak wordt verwezen naar de memorie van toelichting waarin wordt vermeld dat onder eigen kracht wordt verstaan dat de betrokkene zich in hoge mate moet inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Verder heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de nota naar aanleiding van het verslag in reactie op de vraag of de financiële kracht onderdeel is van de eigen kracht meegedeeld dat de regering van mening is dat maatschappelijke ondersteuning voor eenieder toegankelijk moet zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Het is van belang dat ook financieel daadkrachtige cliënten een beroep op maatschappelijke ondersteuning kunnen doen, bijvoorbeeld als zij niet in staat zijn maatschappelijke ondersteuning te (doen) organiseren, maar deze wel kunnen betalen. De financiële mogelijkheden van een cliënt kunnen op grond van dit wetsvoorstel wel worden betrokken door een eigen bijdrage te vragen binnen de grenzen die door de regering worden bepaald in een algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 24).

Ten slotte volgt uit de memorie van toelichting dat een aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de eigen bijdrage, niet op die grond mag afwijzen. Gebruikelijke hulp In de Wmo 2015 is bepaald dat de aanwezigheid van gebruikelijke hulp een reden is om geen maatwerkvoorziening te verstrekken (artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015). Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, zo is bepaald in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorziening treft wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is het geval als er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook inwonende ouders zijn. Of iemand inwonend is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld.

Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, met een eigen huisnummer, eigen nutsvoorzieningen, een eigen voordeur e.d. Alle huisgenoten die ouder zijn dan 18 jaar worden geacht om huishoudelijke hulp te bieden. Vanaf 18 jaar wordt verondersteld dat men een eenpersoonshuishouden moet kunnen voeren. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van

52

(kleine) boodschappen of het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om taken die kunnen worden uitgesteld. Voor die situaties kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de gemeente compenserende maatregelen treft om het resultaat te bereiken. Onder gebruikelijke hulp bij begeleiding wordt enige ondersteuning door partner, ouders, inwonende kinderen vanaf 18 jaar of andere huisgenoten in het sociale verkeer verstaan. Gebruikelijke ondersteuning door partner kan verschillen van gebruikelijke ondersteuning door inwonende kinderen of van andere huisgenoten. Uitgangspunt is, dat partners samen activiteiten ondernemen zoals: - samen naar een verjaardag gaan; - familie bezoeken; - samen koken; - samen eten; - afspraken maken; - het voeren van een administratie; - het regelen van de bankzaken; - het onderhouden van contacten met en het bezoeken van instanties; - het verschijnen op afspraken; - het openen van post; - wandelingetje maken; Deze lijst is niet limitatief.

Hulp van andere personen uit het sociale netwerk Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als belanghebbende met hulp van mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk zelf in eigen oplossingen kan voorzien. Algemene, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen Lid 1 onder b en c bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als algemene-, algemeen gebruikelijke- en/of voorliggende voorzieningen voldoende ondersteuning bieden en leiden tot het te bereiken resultaat. De aanspraak op maatwerkvoorzieningen vervalt bij de aanwezigheid van passende algemene-, algemeen gebruikelijke- of voorliggende voorzieningen. Algemene voorzieningen Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of opvang. Een algemene voorziening is in beginsel voor iedereen toegankelijk. Om gebruik te maken van een algemene voorziening is geen besluit of indicatie nodig. Voorbeelden kunnen zijn: - Dagrecreatie; - Boodschappenbus, de vrijwillige boodschappenhulp; - Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de buurtconciërge, klussendienst, 55+ service, etc.; - Een glazenwasser.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening (als bedoeld in artikel 1 van deze verordening) is in principe voor iedereen beschikbaar, daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen mensen die wel of geen

53

beperking hebben. Om deze reden wordt een algemeen gebruikelijke voorziening niet vanuit de Wmo 2015 verstrekt. Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn: - tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem); - fiets met lage instap, ligfiets; - spartamet/tandemmet; - rollator - elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder; - bakfiets, fietskar, aanhangfiets; - personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; - autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak; - eenhendel mengkranen; - thermostatische kranen; - keramische- of inductiekookplaat; - verhoogd toilet of toiletverhoger; - tweede toilet of sanibroyeur; - renovatie van badkamer of keuken; - antislipvloer/coating; - wandbeugels; - zonwering (inclusief elektrische bediening); - ophogen tuin/bestrating bij verzakking. Tijdens het keukentafelgesprek, het onderzoek en de beoordeling van de aanvraag zal het begrip algemeen gebruikelijk worden meegenomen. Er moet in individuele situaties beoordeeld worden of een voorziening, die op zichzelf als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, ook voor de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Dat hoeft namelijk niet het geval te zijn. Bijvoorbeeld: - Bij een plotselinge noodzaak om de voorziening aan te schaffen.

- Als door de ziekte of het gebrek plotseling vervanging nodig is van zaken die normaal gesproken (nog) niet aan vervanging toe zouden zijn. - Als gelijktijdig meerdere algemeen gebruikelijke zaken moeten worden aangeschaft. - Als door de beperking een duurdere voorziening dan gebruikelijk moet worden gekocht die te belastend is voor het budget van de aanvrager. - Als door de beperking zoveel (aantoonbare) meerkosten ontstaan, dat iemands besteedbaar inkomen onder de voor hem geldende bijstandsnorm ligt. Voorliggende voorzieningen Onder voorliggende voorzieningen kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gebruik maken van mogelijkheden van behandeling/therapie (Zorgverzekeringswet). Wanneer door behandeling resultaten ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie behaald kunnen en daarmee hulpmiddelen, aanpassingen of inzet van professionele zorg niet nodig zijn, dan wordt de cliënt geacht zich te laten behandelen. Zich laten opereren wordt niet als voorliggend op maatwerkvoorzieningen beschouwd. Tijdens de behandeling c.q. revalidatie-periode kan, in overleg met de behandelaar, zo nodig tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekt worden. Zelfredzaamheid en participatie Daarnaast moet de maatwerkvoorziening er volgens het college voor zorgen dat de cliënt zelfredzaam wordt of kan participeren.

Ook dit zal moeten worden vastgesteld op basis van het onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van de cliënt. Lid 2 bepaalt dat het college bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening moet houden met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van de inwoner. Dit is tenslotte de kern van het verstrekken van een

54

maatwerkvoorziening. Het college gebruikt voor deze bepaling het onderzoek dat is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt en dit zal worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. Lid 3 bepaalt dat wanneer meerdere oplossingen voldoende compensatie bieden voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, die voorziening wordt ingezet die als goedkoopst adequaat aan te merken is. Voorzieningen, die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat, als de meest goedkope voorziening te zijn. Eigenschappen, die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Lid 4 bevat een verwijzing naar andere hoofdstukken van deze verordening. In de hoofdstukken 3 staan aanvullende criteria van de Jeugdwet en van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Lid 5 bepaalt, dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als een voorziening in natura of als een persoonsgebonden budget. Artikel 9. Weigeringsgronden In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben.

Bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Lid 1, sub a en b betreffen de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat (artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 en artikel 6 en 7 van deze verordening). Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Met lid 1, sub c wordt bepaald dat het niet de bedoeling is dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad.

Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:  is de voorziening gewoon te koop?  is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?  is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?  Is de voorziening financieel haalbaar voor mensen met een inkomen op minimaniveau? (ECLI:NL:CRVB:2019:3535). Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3 jaar (de bijstandsnorm die voor een inwoner geldt, is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie). Daarbij wordt de indexering meegenomen. Wanneer de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk. Lid 1, sub d geeft aan dat alvorens de noodzakelijkheid van een maatwerkvoorziening vast te kunnen stellen er zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden. Wanneer de cliënt niet meewerkt en daardoor

55

de noodzakelijkheid van een passende maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld, dat wordt de gevraagde voorziening afgewezen. Lid 1, sub e betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 2.3.5, zesde lid en artikel 2.3.6, vijfde lid van de Wmo 2015. Het betreft hier de weigeringsgronden met betrekking tot een Wlz indicatie en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura. Lid 1, sub f betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid en artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet. Het betreft hier de weigeringsgronden met betrekking tot een Wlz indicatie, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura. Lid 1, sub g geeft aan dat alleen voorzieningen worden toegekend die een passende bijdrage leveren aan een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Wanneer uit onderzoek is gebleken, dat de cliënt een voorziening wenst die hieraan niet voldoet, dat wordt deze niet verstrekt.

Bijvoorbeeld: Een cliënt heeft een vervoersprobleem en wenst alleen in aanmerking te komen voor een scootmobiel. Wanneer uit onderzoek blijkt, dat het rijden op een scootmobiel niet veilig is, dan wordt geconcludeerd dat een scootmobiel voor deze cliënt niet passend is. Een scootmobiel kan dan om deze reden afgewezen worden. Met lid 1, sub h wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een melding doet, maar de voorziening zelf al realiseert of heeft aangekocht. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening, waar vroegtijdig mee is begonnen, uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. In de situatie waarin een cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan, dient de noodzakelijkheid achteraf vastgesteld kunnen worden. Is dit niet het geval, dan wordt de gevraagde voorziening afgewezen.

Lid 1, sub i geeft aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment een aanvraag voor een vervangende maatwerkvoorziening worden geweigerd. Door lid 2 zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in lid 2, sub d zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is.

Een voorbeeld ter illustratie: een cliënt heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken.

56

Door een uitspraak van rechtbank Den Haag (25-4-2022 ECLI:NL:RBDHA:2022:2572) zijn drempelhulpen hierbij uitgezonderd, daar deze als gevolg van de uitspraak als algemeen gebruikelijk bestempeld zijn. Uiteraard wordt er bij het onderzoek wel gekeken of de benodigde soort en hoogte drempelhulp ook daadwerkelijk te dragen zijn met een inkomen op minimumniveau. Lid 2, sub e en f geven aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als de cliënt verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een – gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van de beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd.

Lid 2, sub g, geeft aan dat de aanvraag voor toegankelijk maken van de buitenruimte geweigerd kan worden in het geval de buitenruimte al toegankelijk is voor aanvrager via een andere weg. Lid 3 bepaalt dat de maatwerkvoorzieningen beschermd- en beschut wonen niet geschikt zijn voor personen die uitsluitend (feitelijk) dak- of thuisloos zijn. De persoon in kwestie dient zich in deze gevallen te melden bij de maatschappelijke opvang in de centrumgemeente Gouda. Lid 4 geeft aan dat de toegang tot maatschappelijke opvang geweigerd kan worden als de cliënt zich niet aan de (huis)regels houdt, onveiligheid of overlast veroorzaakt, niet bereid is om mee te werken aan het een passend ondersteuningstraject, er sprake is van een contra-indicatie waardoor een opvangtraject ongeschikt is, ernstig misdraagt jegens andere, de eigen bijdrage niet betaalt, of wanneer er in het geval van de vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. In lid 5 is bepaald dat het college kan beoordelen of een cliënt die pgb wenst voldoet aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 38 t/m 43 van deze verordening. Het college heeft daartoe informatie van de cliënt nodig. Het door de cliënt ingediende budgetplan dient als basis voor de beoordeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13504053/1