CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Economische Visie Zuidplas ontwikkelgemeente in de Randstad A21.000169

Gemeenteraad 20 april 2021, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Economische Visie gemeente Zuidplas15.006 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

21

Midden-Holland is bij uitstek het praktijkcentrum. De bouw van een compleet ‘vijfde dorp’ in Zuidplas, vlakbij het diepste punt van Nederland, staat daar symbool voor. Al die praktijkmogelijkheden moeten in beeld komen bij architecten, planners, aannemers, toeleveranciers en studenten uit de regio. De Regiodeal Bodemdaling is een belangrijke stimulans voor een steeds actueler wordend thema, dat landelijke en internationale betekenis gaat krijgen. “ Bij dit aspect komt eigenlijk alles samen als het gaat om de koppeling van het ruimtelijke thema bodemdaling met kennisontwikkeling en economie. Het vijfde dorp kan een icoon worden. Het is een unieke kans om in bijzondere omstandigheden ook iets bijzonders neer te zetten. Niet alleen als het gaat om woon-werklandschap, functiemenging, ondernemersklimaat voor zzp-ers, tijdelijkheid en experimenteerruimte, maar ook door pionier te zijn in watermanagement en circulair bouwen, met lichte en duurzame materialen, als icoon van de De Watertuin van de Zuidelijke Randstad. Ingrediënten die bij dit aspect horen: 

 

3.3

Lokale en regionale bedrijven in techniek en bouw de kans geven aan te sluiten op deze bijzondere ontwikkeling en hen kennis over circulair bouwen en bouwen in moeilijke bodemomstandigheden op laten bouwen die later ook exporteerbaar is. Lokale en regionale bedrijven faciliteren in de aanbestedingen (voor zover aanbestedingsregels dat toelaten) en het stimuleren van partnerschappen van grote en kleinere bedrijven. Actief werken aan kennisdelen, innovaties en expertiseontwikkeling, door een proeftuin te worden binnen de Regiodeal Bodemdaling en zo expertise te binden en lokaal ‘uit te venten’.

Economisch profiel en de plek van Zuidplas in de regio: de watertuin van de Randstad Vorig jaar lanceerde Zuidplas haar nieuwe marketingprofiel: De Watertuin van de Zuidelijke Randstad (zie beleefzuidplas.nl). Het is een krachtig beeld, dat Zuidplas duidelijk positioneert ten opzichte van de omringen ring van steden. Niet als een soort ‘contramal’, zoals nog vaak gebeurt: de dynamiek aan de steden, de rust en het groen aan de dorpen. Maar hoe belangrijk rust en groen ook zijn, voor de vitaliteit en economie van niet-stedelijke gemeenten bieden ze te weinig (in hoofdstuk 3 kwam al naar voren dat toerisme een kleine economische sector is in Zuidplas). Niet-stedelijke gemeenten moeten hun eigen positie bepalen. De marketingvisie van de Watertuin zoekt in eerste instantie economische aanknopingspunten bij horeca en toerisme. Zoals gezegd biedt Watertuin verder duidelijk aanknopingspunten voor ‘iconisering’ van het vijfde dorp: circulair bouwen, duurzaamheid, watermanagement, bijzondere materialen. De vraag is wat het verder kan betekenen voor de economische agenda. Goed gebruikt, kan een marketingprofiel een stevig sturingsinstrument zijn, waarmee een gemeente ook echt sterker staat in het maken van keuzes en het aantrekkelijk zijn voor bewoners en bedrijven. Een duidelijk profiel geeft richting en identiteit.

Maar dan moet het ook wel gedragen worden als richtinggevend, anders wordt het niet meer dan een reclameslogan. Om dat profiel verder te duiden maken we een zijstapje naar de methodiek van de typologie. Onlangs heeft Blaauwberg op die manier voor de Provincie Zuid-Holland een analyse gemaakt van niet-stedelijk Zuid-Holland. Wat zijn de ontwikkelperspectieven en -opgaven van niet-stedelijk Zuid-Holland in deze tijd van florerende grote steden? We verkenden die vraag aan de hand van een typologie van de 52 gemeenten in Zuid-Holland.

22

Een ‘type’ is geen objectieve beschrijving. Het is een rubricering op basis van sociaalgeografische en sociaal-culturele kenmerken, om onderling gesprek en vergelijking te vergemakkelijken. Met de daling van het aantal gemeenten wordt een typologie lastiger: tal van samengestelde gemeenten herbergen meer dan éen ́ type gemeenschap. Maar aan de meeste gemeenten in Zuid-Holland valt nog steeds een dragende identiteit toe te kennen. We onderscheiden twaalf typen: 1. 2. 3. 4.

Agrarisch gebied Groen dorpencluster Frozen town Voorstad

5. 6. 7. 8.

Verlengde suburbanisering Industrial estate Economische satellieten Gesloten subcultuur

9. 10 11. 12.

New towns Landstad Nieuwe hanzestad Grote stad

De twaalf typen zijn opgebouwd aan de hand van een aantal paramaters: de verhuismobiliteit, de omvang van de lokale economie, het aantal hoogopgeleiden, het aandeel van de industrie in de lokale economie en de bouwperiode van het grootste deel van de woningvoorraad. Daarnaast zit er natuurlijk veel ‘geschiedenis’ in de typologie. Zo doet de woonstijl van de babyboomers - new towns, groeikernen, suburbanisatie - zich luid en duidelijk in de typologie gelden. Er zijn (tenminste) drie fenomenen die de twaalf typen en hun onderlinge verhoudingen bepalen: 

De verstedelijking. De steden maken een bloeitijd mee. Nog niet eens zozeer in termen van bevolkingsgroei, maar vooral in termen van aantrekken van kennis, ondernemend talent en kapitaal. Voor niet-stedelijk Zuid-Holland roept dat de vraag op: wat gaan we doen? Het op z’n beloop laten? Of de contramal worden van de stad en je toeleggen op rust en ruimte? Of een eigen en nieuwe vitaliteit ontwikkelen? De vergrijzing. De babyboom leverde de grootste geboortegolf uit de demografische geschiedenis op. Die generatie is nu aan het vergrijzen. De grijze druk is ongelijk verdeeld. Sommige gebieden blijven groeien, andere moeten zich mogelijk zelfs op krimp gaan voorbereiden. En nieuwe generaties zijn veel kleiner en veel gedifferentieerder. Jongeren zijn schaars, er wordt op ze gejaagd en in die jacht zijn de steden ver in het voordeel.

23

De typologie-kaart van Zuid-Holland (met totaal aantal inwoners per type)

De mobiliteit. Er zijn bijna geen ‘complete’ steden meer, steden waar wonen, leren, werken, cultuur en recreatie onderling gemengd en op wandelafstand voorkomen. Om een ‘compleet’ even te leiden, moeten inwoners van Zuid-Holland dagelijks tussen twee of meer typen heen en weer reizen. De (auto)-mobiliteit heeft het uit elkaar trekken van functies eerst mogelijk gemaakt en vervolgens ook weer versneld. De types zijn onderling afhankelijk geworden. Willen we dat zou houden? We rekenen Zuidplas tot de “Verlengde Suburbanisering”, samen met Maassluis, Ridderkerk, Albrandswaard, Waddinxveen, Pijnacker-Nootdorp, Lansingerland, Hendrik Ido Ambacht en de Hoeksche waard. Deze gemeenten delen een aantal kenmerken en opgaven.

Inhoudelijke kenmerken. Echt Randstedelijk type. Geen voorstad als onderdeel van een agglomeratie, maar ook geen ‘new town’ met eigen geplande voorzieningen. Voortgekomen uit sinds de jaren zestig verrommeld platteland met oude dorpskernen, in de vinex-tijd aangevuld. Van oudsher de nodige gemengde bedrijvigheid – vaak van agrarische of klein-industriële origine. Weinig interne samenhang en steeds weer discussie over ‘waar we bij horen’. Maar door de tragere bouw- en bewoningsgeschiedenis (meer naar leeftijd en cultuur gemengde bevolking) en de meegegroeide economische functies beter gepositioneerd dan de monofunctionele ‘one generation’ ‘new towns’. Statistische kenmerken. Overgrote deel van bouwmassa van na 1960, oplopend van 80% (Ridderkerk) tot 92% (Lansingerland). Weinig banen, van 88,6 banen per 100 leden van de beroepsbevolking (Ridderkerk) tot 46,5 banen (Maassluis). Opgaven. Ruimtelijke samenhang (structuurplanning), sociale samenhang (samenlevingsbouw), complete ‘stad’ worden zonder functies van centrale stad te gaan verdubbelen. De Watertuin van de Randstad kan helpen om meer samenhang in het profiel van Zuidplas te brengen. Ingrediënten daarvoor vanuit deze economische agenda:

24

  

  

3.4

Al genoemd is de goede biotoop die Zuidplas is voor zzp’ers, die in een volle Randstad zoeken naar ruimte om te ondernemen en wonen. Ook al genoemd: het thema van de bodemdaling en de slappe bodem, in relatie tot het vijfde dorp. En tevens al genoemd: de groene (en blauwe) ruimte als kwaliteitskenmerk en als vestigingsvoorwaarde en nieuwe vormen van lokale duurzame landbouw als (deels economische) verbinder tussen wonen en groen (voedselbos, pluktuin, landwinkel). Verder inzetten op water als verbindend element in horeca en toerisme én als kwaliteitskenmerk in het vestigingsklimaat, ook voor andere bedrijven. Wellicht is er een koppeling mogelijk met opleidingen van de roc’s (mboRijnland, Zadkine en Albeda), met name in de hoek van de techniek en bouw, en met het initiatief voor de Campus Gouda. Zuidplas heeft geen maritieme sector, maar wel bedrijven die passen in het profiel van een actief ‘tussengebied’ in de Randstad, met het internationale netwerk dat daarbij hoort. Wereldspelers en vaak familiebedrijven. Dat is niet direct een economisch speerpunt, maar laat wel zien dat het in Zuidplas goed ondernemen is. Een duurzame tuinbouw, aansluitend op het ecologische aspect van de Watertuin (watergebruik, recycling, warmte).

Organiserend vermogen en onderwijs-arbeidsmarkt In een vitale en robuuste lokale economie is samenwerken en organiserend vermogen een belangrijk element. Natuurlijk moeten de fysieke voorwaarden (werklocaties, bereikbaarheid) en de menselijke kant (kennis, arbeidsmarkt) goed op orde zijn, maar in gemeenten en regio’s waar ondernemers, overheid en onderwijs elkaar goed weten te vinden, is het ondernemersklimaat beter. In Zuidplas spelen daarbij drie actuele thema’s:

a. b. c.

3.4a

lokaal inkoopbeleid vormgeven onderwijs-arbeidsmarkt actief blijven aanpakken ondernemersvertegenwoordiging en organisatiegraad van ondernemers: mogelijkheden voor een Ondernemersfonds. Lokaal inkoopbeleid De afgelopen jaren is lokaal inkoopbeleid op de agenda gekomen in Zuidplas, als een variant op de ‘buy local’ beweging. Dat krijgt nu vorm en is daarmee ook een lakmoesproef voor de verhouding en samenwerking gemeente-ondernemers. Het lokaal inkoopbeleid krijgt dus al vorm, maar de opvolging (transparantie, laten zien wat de resultaten zijn en dat het werkt) en uitdieping is wel een punt voor deze economische agenda. Want met lokaal inkoopbeleid krijgt de gemeente ook de kans om innovaties te stimuleren in bijvoorbeeld circulariteit of duurzaamheid en daar het lokale bedrijfsleven op uit te dagen. Op die manier is lokaal inkoopbeleid niet alleen gericht op de lokale markt, maar kan het ook een instrument worden om het lokale bedrijfsleven sterker te laten staan in de markt buiten de eigen gemeente. Dat vergt twee aanvullende voorwaarden:

De gemeente moet uiteraard duidelijk zijn over wat bijvoorbeeld duurzaam of circulair inkopen inhoudt en welke ambities ze daarin heeft.

25

Het is zaak om dat gepaard te laten gaan met kennisontwikkeling en kennisdeling en ook daar lokale bedrijven bij te betrekken. Dat kan Zuidplas waarschijnlijk niet alleen, maar er liggen mogelijkheden om aan te haken bij initiatieven in de omgeving, zoals in Rotterdam.

3.4b Onderwijs-arbeidsmarkt De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is een belangrijk onderwerp in elke economische agenda en een kwestie van ‘going concern’. In tijden van hoogconjunctuur is het zaak om tekort aan arbeidskrachten tegen te gaan (bijvoorbeeld in de techniek), door als bedrijfsleven en onderwijspartijen te zorgen voor goede stagemogelijkheden en onderwijs in de praktijk (met opdrachten, praktijkplaatsen, bbl-plekken et cetera). En tijdens laagconjunctuur is hetzelfde instrumentarium van belang, maar dan gericht op het versterken van de loopbaankansen van jongeren en het tegengaan van (langdurige) werkloosheid onder diegenen die zwakker staan op de arbeidsmarkt en afhankelijk zijn van laaggeschoold werk, vaak met flex- of tijdelijke contracten. De overheid heeft daarin een actieve rol, vroeger in de arbeidsbureaus en centra voor werk en inkomen. Die zijn er niet meer, maar met het Werkgeversservicepunt (WSP) en de in tijden van laagconjunctuur ad hoc opkomende mobiliteitscentra hebben gemeenten nog steeds de infrastructuur om actief arbeidsmarktbeleid te voeren. De rol van de overheid is daarbij vooral die van dynamiek scheppen en informatie verschaffen: 

  

actieve bemiddeling en scholing van werkzoekenden mogelijk maken (van speeddates en bedrijvendagen tot scholing en begeleiding), mogelijk ook wanneer er (nog) geen sprake is van een uitkeringssituatie faciliteren en verbinden van initiatieven als Sterk Techniekonderwijs meer contacten tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven stimuleren organiseren van innovatieve leeropdrachten bij bedrijven en overheid (bijvoorbeeld via de Campus Gouda) Dat gebeurt door sociale diensten en UWV uiteraard nu ook, maar het is sinds de afschaffing van Arbeidsvoorziening wel op een laag pitje komen te staan (met uitzondering van de rol van de sociale diensten als het gaat om de bijstand). Het gaat er vooral om dat onderwijs-arbeidsmarkt een intensief onderdeel is van het gesprek tussen ondernemers en overheid. Daaruit ontstaan de acties die het beste passen.

3.4c. Ondernemersvertegenwoordiging en organisatiegraad van ondernemers Zuidplas loopt niet voorop als het gaat om de organisatiegraad van ondernemers. De organisatiegraad onder ondernemers is relatief laag en tot op heden ontbreekt het aan een ondernemersvertegenwoordiging op gemeentelijk niveau, ondanks een poging om na de vorming van Zuidplas te komen tot een koepel van de ondernemersverenigingen. Dat is een (potentieel) probleem, omdat een sterke organisatiegraad zorgt voor een goed organiserend vermogen en daarmee voor meer activiteiten (park- en winkelstraatmanagement, keurmerk veilig ondernemen), betere planvorming met de gemeente, meer lokale betrokkenheid van bedrijven en daarmee een beter ondernemersklimaat. Het is nu - al bij al en natuurlijk met uitzonderingen, zoals de mooie jaarprogrammering van de VION wat mager. Onder meer door lage contributies hebben ondernemersverenigingen vaak geen eigenstandige positie en agenda. Activiteiten blijven daardoor beperkt.

26

Na de vorming van de gemeente Zuidplas hebben de ondernemersverenigingen een koepel gevormd, maar dat is nooit goed van de grond gekomen. Dat is wel een gemis. Omdat veel vraagstukken vragen om een sterke ondernemersvereniging, die samen met de gemeente kan optrekken voor een sterk ondernemersklimaat. Die nieuwe thema’s kan agenderen: energietransitie, onderwijs-arbeidsmarkt, online presentie van winkelgebieden, parkmanagent 2.0, belangenbehartiging, collectief inkopen, participatie in ambities en ontwikkeling vijfde dorp.

Naar een ondernemersfonds in Zuidplas? Er gaan wel geluiden op om dat te veranderen. De grotere ondernemersverenigingen zijn met de gemeente in gesprek over gezamenlijke ambities en hoe tot een effectieve overlegstructuur te komen. Er is al een BIZ actief. De vraag is of dat op termijn voldoende is. In veel andere gemeenten zijn goede ervaringen opgedaan met een ‘next step’ in ondernemersorganisatie: het Ondernemersfonds. Daarvan zijn er nu zo’n zestig in het land actief. De methodiek bestaat erin dat - op verzoek van de georganiseerde ondernemers en met steun van andere ondernemers en de politiek - de ozb op niet-woningen met een paar procent wordt verhoogd, meestal in de orde grootte van € 50 per € 100.000 woz-waarde. Die jaarlijkse meeropbrengst wordt door de gemeente geïnd met de ozb-aanslag en direct en zonder voorwaarden afgestort in een door ondernemers(verengingen) bestuurd fonds. Omdat iedereen naar draagkracht (waarde en eigendom van vastgoed) meebetaalt, is de last per ondernemer te overzien en zijn collectieve activiteiten niet meer afhankelijk van contributie en incidentele inkomsten. Dat vergt uiteraard een goede verdeelsystematiek van budgetten (meestal is dat een mix van geografische afbakeningen - wat een gebied via ozb inbrengt krijgt het ook ter beschikking als budget en een centraal budget) en actieve verenigingen, maar verder zijn er geen regels.

Dat maakt de positie van ondernemers sterk: ze kunnen zelf een agenda voeren en hebben een financiële positie. Voor de gemeente is het voordeel dat er een sterke en berekenbare samenwerkingspartner is. Een Ondernemersfonds is uiteraard niet zaligmakend. En het begint bij de lokale ambitie van ondernemers en ondernemersverenigingen om een next step te zetten. De drie grote ondernemersverenigingen in Zuidplas zijn die ambitie inmiddels gezamenlijk aan het onderzoeken.

27

4.

Opmaat naar agenda voor uitvoering

Hoofdstuk 3 bracht de opgaven van Zuidplas in beeld: één van de gemeenten met de grootste ontwikkelopgaven van het land. Een ontwikkelopgave waarbij:     

de ontwikkeling van economie en samenleving samen moet opgaan met veel aandacht voor ondernemerschap en pionierschap: een aantrekkelijke gemeente voor zzp’ers, ruimte voor tijdelijkheid en functiemenging duurzaamheid en waterbeheer belangrijke opgaven zijn: bodemdaling en druk op de ruimte dwingen duurzaamheid en kwaliteit in de ruimtelijke plannen af Zuidplas niet alleen een landelijk gebied tussen grote steden is, maar ook een eigenstandig karakter heeft en een eigenstandige bijdrage levert aan de (economische) dynamiek in de regio Zuidplas nadrukkelijk aansluiting moet vinden bij (en een rol moet pakken in) de regionale economische visie die in Midden-Holland is opgesteld (bodemdaling, techniek). Tegelijk is er ook vanuit de bestaande situatie (maar niet los van de ontwikkelopgave) nog veel werk te doen in het lokale ondernemersklimaat:

   

vitaal houden van bedrijventerreinen, glastuinbouwgebieden en winkelgebieden lokaal inkoopbeleid een goede aansluiting van onderwijs en arbeidsmarkt organiserend vermogen van ondernemers. Dit slothoofdstuk geeft puntsgewijs een beleidsagenda voor de komende jaren. Het is een groslijst, waarbij prioritering (en ook het uiteindelijke succes) afhangt van samenwerking met ondernemers in Zuidplas, samenwerking in de regio en de mogelijkheden voor inzet vanuit de gemeente (budget en capaciteit). We komen tot veertien actiepunten.

1.

Maak werk van winkelstraatmanagement, samenhangend voor heel Zuidplas, gericht op promotie, samenhangende activiteiten, leegstandbestrijding, kwaliteit van de openbare ruimte et cetera. Kijk met name in Zevenhuizen naar de verhouding tussen beschikbare ruimte voor winkels en de groei van het aantal inwoners (een nieuwe detailhandelsvisie is overigens in de maak).

2.

Zet samen met ondernemers op de bedrijventerreinen in op parkmanagement, gericht op onder meer schoon, heel veilig, duurzaam, energietransitie en onderlinge versterking door samenwerking.

3.

Maak aan de hand van Werkboek Oostland scherpe keuzes in glastuinbouw, met als doel een vitale, innovatie- en kennisgedreven sector. Onder meer door te centreren (in Moerkapelle-Zevenhuizen) en verspreid liggend glas te transformeren.

4.

Zoek naar mogelijkheden voor nieuwe vormen van lokale duurzame landbouw, die een belangrijke landschappelijke schakel kunnen vormen tussen wonen, werken, recreatie en natuur. En die aansluiten bij de opkomst van lokale voedselproductie en -consumptie en de circulaire economie. In economisch opzicht is daarbij zowel de productie als de kennisopbouw interessant. Leg de koppeling naar het groene onderwijs.

28

5.

Als een nieuw bedrijventerrein aan de orde is, geef dat dan een kleur en een identiteit. Duurzaamheid (CO2-neutraal, gasloos, klimaatadaptatie, duurzame energie-opwekking, energiebesparing, circulaire economie) is vanzelfsprekend, maar zet daarnaast in op bedrijven die een toegevoegde waarde hebben: werkgelegenheid in hoge dichtheid, multifunctioneel ruimtegebruik, kennis, hoge toegevoegde waarde. Dat geldt zeker voor nieuwe logistieke vestigingen.

6.

Geef met name in het Restveengebied, maar ook in het Middengebied invulling aan het regionale speerpunt ‘kenniscentrum in bodemdaling en bouwen in moeilijke bodemomstandigheden’. Leg de koppeling naar onderwijs (bijvoorbeeld via de Campus Gouda).

7.

Zorg in het vijfde dorp voor een goede functiemenging van wonen en werken, niet alleen door werken aan huis mogelijk te maken, maar ook door te zorgen voor flexibel, circulair te bouwen en met ruimte voor experimenten. Het gaat niet om grootschalige kantoorcomplexen, maar juist om flexibiliteit en meervoudig gebruik, gericht op zzp-ers en start-ups.

8.

Onderzoek bovendien de kansen voor een starterscentrum in de techniek, gekoppeld aan de roc’s die in de gemeente actief zijn en de Campus Gouda.

9.

Betrek lokaal en regionaal bedrijfsleven bij ontwikkeling van het vijfde dorp.

10. Omarm Watertuin van de Randstad ook als leidraad voor economisch beleid en maak het vijfde dorp een icoon van dat profiel. Daarbij gaat het er niet om toerisme tot nieuw economisch speerpunt te maken, maar om groen, waterbeheer en recreatiemogelijkheden als vestigingsfactor voor wonen en werken. 11. Geef lokaal inkoopbeleid verder vorm, laat zien tot welke resultaten dit leidt en gebruik dat ook om met ondernemers kennis en expertise op te bouwen op het gebied van circulariteit en duurzaamheid 12. Zet met Midden-Holland en/ of Rijnmond een verdere stappen in actief arbeidsmarktbeleid: een actief netwerk met onderwijs en bedrijven, voorlichting als het gaat om ‘tekortsectoren’ (zorg, techniek), voldoende en goede stageplaatsen, praktijkopdrachten op het gebied van kennis en innovatie, scholingsmogelijkheden (ook voor arbeidsmigranten), voorlichting, actieve bemiddeling van vraag en aanbod. 13. Maak van het aandeel van Zuidplas in de Campus Gouda een speerpunt, vooral gekoppeld aan de al genoemde thema’s bodemdaling en techniek. Zet met hogescholen, universiteiten en roc’s onderzoeksprogramma’s met studenten op (stages, opdrachten, scripties), zodat je in een aantal jaren tijd in totaal wellicht een paar honderd studenten in Zuidplas een gezicht geeft (en andersom bij hen Zuidplas op de kaart zet). 14. Onderzoek en ondersteun de mogelijkheden voor een Ondernemersfonds.

29

Bijlage 1: werkwijze

Deze economische agenda is tot stand gekomen aan de hand van: 

consultatie van de ondernemersverenigingen in Zuidplas (VION, OKZM, OVM, VVE Gouwepark, Winkeliersvereniging Reigershof, Winkeliersvereniging Oude Dorp, Winkeliersvereniging Moerkapelle) en een aantal individuele bedrijven (Voorbrood, Douple Purpose, Van Hessen) en een online werkconferentie met ondernemers diverse gesprekken binnen de gemeente Zuidplas en twee interne conferenties, met circa twintig deelnemers vanuit andere beleidsterreinen (sociale zaken, duurzaamheid, ruimtelijke ordening, woningbouw, gebiedsmarketing, et cetera). Interviews

         

Joris Welner, Winkeliersvereniging Moerkapelle Mirjam Schoemaker, BIZ en Winkeliersvereniging Oude Dorp Robin Dijkgraaf, Vion Martin Gibbon, OKZM Robbert van der Eijk, VVE Gouwepark Rob Schurink en Aad Stuivenberg, Winkeliersvereniging Reigerhof Rob Reijm, Miranda van Nieuwkoop, Jacqueline Vink, OVM Dennis Voorbrood, Middenstands Vereniging Zevenhuizen Carolien Gadella, Double Purpose Rob Schouten en Louis Jansens, Van Hessen.

30

Bijlage 2: de economie van Zuidplas in cijfers en trends

B2.1 Werkgelegenheid en sectoren Zuidplas is een bedrijvige gemeente, maar geen centrumgemeente voor werkgelegenheid. Maar de werkgelegenheid ontwikkelt zich wel goed en iets beter dan de landelijke trend (figuur 2.1 en tabel 2.2). De dichtstbijzijnde grotere gemeenten (Rotterdam, Gouda, Capelle aan den IJssel) zijn uiteraard de belangrijkste pendelgemeenten voor Zuidplas (tabel 2.3). Zuidplas heeft relatief veel industrie (figuur 2.2). Bij industrie gaat het vaak om kennisintensieve bedrijvigheid met een hoge toegevoegde waarde. In Zuidplas ligt zowel het aantal bedrijven (17%) als het aantal banen (25,6%) veel hoger dan landelijk. De voedingsmiddelenindustrie is de grootste tak, met zo’n 800 banen (tabel 2.4). Dat is ongeveer een vijfde van alle industriebanen in Zuidplas. Daarna volgen de metaalindustrie en de meubelindustrie. Dat beeld wijkt overigens niet af van het regionale beeld van Midden-Holland. Ook de landbouw (in dit geval vooral glastuinbouw) is in Zuidplas relatief veel groter dan landelijk (9,1% van de werkgelegenheid, figuur 2.2). Het aantal banen in het toerisme is laag en ligt ongeveer op de helft van het landelijk gemiddelde. Landelijk is de werkgelegenheid in de toeristische sector omstreeks vijf procent en in Zuidplas is dat ongeveer de helft.

Natuurlijk belangrijk voor de verzorgingsstructuur van je gemeente (en in die zin randvoorwaardelijk belangrijk voor een bloeiende economie), maar geen sector met een stevige economische trekkracht. Figuur 2.1 Aantal banen Zuidplas

Bron: waarstaatjegemeente.nl

31

Tabel 2.2 Werkgelegenheid Zuidplas en Midden-Holland Aantal banen (2018)

Aantal banen per 100 leden beroepsbevolking (2018) Zuidplas 15.300 64 Nederland Midden-Holland, waarvan … 94.500 77 Gouda 37.100 99 Krimpenerwaard 16.300 58 Bodengraven-Reeuwijk 14.200 77 Waddinxveen 11.600 84 Bron: CBS StatLine, waarstaatjegemeente.nl (banen per 1.000 inwoners) Tabel 2.3 Top 5 woon-werkgemeente (2018) Woont in Zuidplas en werkt in: Zuidplas 1. Rotterdam 2. Gouda 3. Capelle aan den IJssel 4. Den Haag 5. Waddinxveen Bron: CBS StatLine (aantallen afgerond)

4.800 3.700 1.600 1.500 1.200 800

Aantal banen per 1.000 inwoners 15-74 jaar (2019) 577 677 655 503 646 637

Werkt in Zuidplas en woont in: Zuidplas 1. Rotterdam 2. Gouda 3. Capelle aan den IJssel 4. Waddinxveen 5. Krimpenerwaard

4.800 2.000 1.000 800 800 500

Figuur 2.2 Aantal banen naar bedrijfstake in Zuidplas

Bron: waarstaatjegemeente.nl Tabel 2.4 Top 5 werkgelegenheid industrietakken in Zuidplas Aantal banen Vervaardiging van …

2010

2014

2019

1. Voedingsmiddelen

527

525

892

2. Meubels

321

309

372

3. Producten van metaal (geen machines en apparaten)

241

248

356

4. Overige machines en apparaten *

112

141

184

5. Computer, elektroniche en optische machines 35 43 109 * motoren, turbines, pompen, compressoren, appendages en drijfwerkelementen; machines en werktuigen voor de land- en bosbouw; gereedschapswerktuigen; overige machines, apparaten en werktuigen voor specifieke doeleinden (toeleveranciers voor specialistische industrie); Bron: LISA

32

B2.2 Opleidingsniveau, arbeidsparticipatie, bevolking De bevolking van Zuidplas staat er aan de vooravond van de Corona-recessie sociaal-economisch goed voor: de werkloosheid is nog laag, de arbeidsparticipatie hoog en het opleidingsniveau zit op het landelijk gemiddelde (tabel 2.5). Dat is voor Randstedelijke begrippen overigens wel wat aan de lage kant en daarmee een aandachtspunt. Zoals het stimuleren van onderwijs altijd een belangrijk aandachtspunt is in de economie. Overigens is de werkloosheid onder lager opgeleiden ongeveer drie keer zo hoog als onder hoogopgeleiden. Tabel 2.5 Opleidingsniveau en arbeidsparticipatie in Zuidplas en de gemeenten van Midden-Holland (2019) Hoogopgeleiden Arbeidsparticipatie Werkloosheid Zuidplas 38% 73% 2,7% Nederland 38% 69% 3,4% Gouda 36% 69% 3,7% Waddinxveen 33% 71% 2,7% Bodengraven-Reeuwijk 37% 71% 2,6% Krimpenerwaard 30% 70% 2,6% Bron: CBS StatLine

B2.3 Zzp’ers Zuidplas telt veel zzp’ers (tabel 2.6). Zelfstandigheid wordt een steeds belangrijker onderdeel van de economie. De term zzp’er is wat aan slijtage onderhevig, we spreken liever van micro-ondernemingen. Daar zit een grote verscheidenheid: van ‘gedwongen’ zzp’ers in de bouw en thuiszorg, tot aan creatievelingen, financiële dienstverleners en agrariërs. Blijkbaar is Zuidplas een goede zzp-biotoop. Dat goede van die biotoop zit niet alleen in de sectoren zorg, bouw of landbouw. Het aantal zzp’ers ligt in die sectoren zelfs lager dan landelijk (afgezet tegen het totaal aantal zzp-ers, tabel 2.6). En het gemiddeld jaarinkomen van zzp’ers in Zuidplas lag in 2017 (helaas hebben we geen meer recente cijfers voorhanden) met € 39.500 een stuk hoger dan landelijk (zie overzichtstabel hoofdstuk 2). Bovendien telde Zuidplas met 5,5% relatief weinig zzp’ers met een laag inkomen (zie overzichtstabel hoofdstuk 2). Tabel 3.6 Aantal zzp-ers en verdeling naar sector (2017) Zuidplas 2.400 4,2% 4,2% 12,5% 8,3% 4,2% 4,2% 8,3% 20,9% 4,2% 8,3% 4,2% 8,3%

Aantal zzp-ers Landbouw Industrie Bouw Handel Transport ICT Financiële diensten Zakelijke diensten (kennisintensief) Onderwijs Zorg Cultuur, sport en recreatie Overige diensten (oa schoonmaak) Bron: CBS StatLine

Zuid-Holland 180.600 4,3% 2,8% 15,6% 9,0% 3,2% 4,2% 5,4% 21,6% 4,4% 9,9% 4,6% 6,0%

Nederland 905.600 6,7% 3,0% 13,2% 9,5% 2,7% 4,1% 5,3% 20,8% 4,2% 10,9% 5,0% 6,1%

Tabel 2.7 laat de mediaan zien van het inkomen van zelfstandigen: het inkomen waar de grootste groep zelfstandigen (dus in dit geval ook die met personeel) op zit (op die manier filter je de eventuele

33

extremen eruit, die bij het gemiddelde wel meetellen en die in een relatief kleine groep als in Zuidplas dan relatief veel invloed op het gemiddelde kunnen hebben). De zelfstandigen in Zuidplas zitten bijna overal boven het landelijk gemiddelde. Reden zal de grote druk op arbeid in de Randstad zijn, waardoor de tarieven meer dan elders in het land zijn gestegen. Tabel 2.7 Mediaan inkomen als zelfstandige, 2017 Zuidplas € 32.400 € 31.200 nb 40.900 23.600 41.000 nb 62.800 46.400 nb 17.500 nb 11.700

Totaal Landbouw Industrie Bouw Handel Transport ICT Financiële diensten Zakelijke diensten (kennisintensief) Onderwijs Zorg Cultuur, sport en recreatie Overige diensten (oa schoonmaak) Bron: CBS StatLine

Zuid-Holland € 28.200 € 32.400

Nederland € 27.100 € 32.200

36.100 17.700 30.300

36.700 18.600 27.100

61.600 41.200

60.000 39.500

22.700

20.800

10.600

10.900

B2.4 Winkelaanbod en koopkrachtbinding Zuidplas kent een relatief klein winkelbestand met een lagere lokale koopkrachtbinding dan vergelijkbare gemeenten in de Randstad. Maar dat kan wel eens een blessing in disguise zijn: een wat kleiner, maar wellicht ook robuuster winkelbestand. Gezien de hoge waarderingscijfers uit het Koopstromenonderzoek zou dat inderdaad het geval kunnen zijn. In figuur 2.3 en 2.4 zijn enkele kerngegevens uit het Koopstromenonderzoek 2018 opgenomen. Op ‘dagelijkse goederen’ is de koopkrachtbinding en -toevloeiiing met 76% en 8% beperkt, in vergelijking met andere, vergelijkbare gemeenten in de Randstad (de benchmark). Met andere woorden: relatief veel inwoners van Zuidplas doen boodschappen in een andere gemeente en daar komen relatief weinig kopers uit andere gemeenten voor terug Figuur 2.3 Koopkrachtbinding dagelijkse goederen voor Zuidplas gemeente 2018

gemeente 2016

benchmark 2018

Koopkrachtbinding

76%

78%

86%

Afvloeiing offline

22%

21%

11%

Afvloeiing online

2%

1%

3%

Aandeel toevloeiing in totale bestedingen gemeente

8%

7%

14%

Vergelijking

Bron: Randstad Koopstromenonderzoek 2018 (I&O Research)

Bij de niet-dagelijkse goederen is dat anders: ook daar ‘lekt’ met een koopkrachtbinding va 23% vrij veel weg, maar er komt ook veel terug: 58% van de omzet wordt van buiten de gemeente gehaald.

34

Figuur 2.4 Koopkrachtbinding niet-dagelijkse goederen voor Zuidplas gemeente 2018

gemeente 2016

benchmark 2018

Koopkrachtbinding

23%

25%

38%

Afvloeiing offline

46%

54%

37%

Afvloeiing online

31%

21%

25%

Aandeel toevloeiing in totale bestedingen gemeente

58%

50%

42%

Vergelijking

Bron: Randstad Koopstromenonderzoek 2018 (I&O Research)

B2.5 Bedrijventerreinen De regionale bedrijventerreinenstrategie voor Midden-Holland (Stec Groep) geeft een overzicht van de stand van zaken, een analyse van de (toekomstige) ruimtevraag, de uitbereidingsmogelijkheden en levensvatbaarheid van de bedrijventerreinen in Midden-Holland. Voor Zuidplas komt daar het volgende overzicht uit (figuur 2.5, 2.6 en 2.7). Figuur 2.5 Strategische opgaven voor de bedrijventerreinen in Zuidplas

35

Figuur 2.6 Concrete plannen voor nieuw bedrijventerrein (regionaal akkoord)

Figuur 2.7 ‘Zachte’ toekomstige plannen (oranje) of eventuele toekomstige ruimte (rood, niet voor 2030 in beeld) voor nieuw bedrijventerrein

36

Bijlage 3: (economische) beschouwing over de ontwikkeling van het middengebied

Zuidplas gaat een ‘vijfde dorp’ bouwen. Tijdens de werkzaamheden aan de voorliggende economische visie is de vraag gerezen hoe vanuit deze visie naar de plannen voor het dorp gekeken moet worden. In dit tekstblik betsteden we aandacht aan die vraag. Natuurlijk met de kanttekening dat econome en stedenbouw twee verschillende disciplines zijn. We maken daar bij gebruik van het handelingskader van de Omgevingswet. Bijna alle gemeenten bereiden zich voor op de wet door het opstellen van omgevingsvisies. Die visies zijn een eerste ‘try-out’, met name als het gaat om de paradigmaverandering die de wet nastreeft: de gebruiker van de ruimte was in de ruimtelijke planning in hoge mate een object van overheidsbeleid. Hij kon op dat beleid invloed uitoefenen door inspraak, beroep en bezwaar, maar de ‘lead’ in de plannen lag steeds bij de overheid. In het nieuwe paradigma bestaat de mogelijkheid dat de gebruiker tot een co-regie komt met de overheid. Inspraak wordt participatie. Een omgevingsvisie is bij het volledig ontplooien van het paradigma vooral een propositie: ‘zo kijken wij naar het gebied, wie wil met ons meedenken en die propositie verder uitwerken’. De ontwikkeling van een compleet nieuw dorp is een bijzondere gelegenheid om het nieuwe paradigma in praktijk te brengen. We noemen vier opletpunten.

Appelleer op bewoners, ondernemers en andere gebruikers die zich aangesproken voelen door de bijzondere fysische en hydrografische omstandigheden. Het vijfde dorp wordt gebouwd op (vrijwel) het laagste punt van Nederland. De omstandigheden zijn er naar: water, slappe bodem en nog meer water. Alleen daarom al gaat het dorp een civieltechnisch hoogstandje worden. Maar het zou ook betekenis moeten hebben voor de identiteit. Drijvende woningen, drijvende infrastructuur, houtbouw, tijdelijke architectuur, zelfbouw... De optie is er om het dorp tot en showcase te maken voor bouwen op slappe grond, een opgave waar miljoenen deltabewoners over de hele wereld voor staan. Je zou kunnen gaan zoeken naar mensen die het interessant vinden om met deze omstandigheid te pionieren. Niet de klassieke woningverbeteraar uit de stad die op zoek is naar een groter huis in een rustige omgeving, maar een ondernemende klasse die de eigen omgeving mede wil inrichten. Een voorbeeld is Oosterwold in Almere, een van de meest vergaande zelfbouwinitiatieven in Nederland. In termen van ‘branding’, identiteitsvorming, binding van talent, kennis en pionierschap betekent de wijk nu al veel voor Almere. Almere appelleert met Oosterwold op creatieve en goed georganiseerde initiatieven voor polderpioniers. Zuidplas hoeft geen Oosterwold te kopiëren, maar zou goed kunnen nadenken over een eigen variant.

Denk niet vanuit een stedenbouwkundig eindbeeld, maar probeer een dynamiek van zelfschepping op gang te krijgen. We hebben generaties van woonconsumenten gehad die accepteerden wat ze kregen. Dat is aan het veranderen. Er komen generaties aan van consumenten die zelf hun omgeving willen inrichten, het ‘handmade urbanism’. Dat gaat verder dan een verbouwing of een keuzemenu bij de aanschaf van een keuken. Het gaat ook over de gemeenschappelijke ruimtes, de openbare ruimtes, de voorzieningen. Natuurlijk zal dat niet voor iedereen gelden. De consument die een comfortabele modernistische woning willen in een herkenbare omgeving, verdwijnt niet. Maar de vraag is of je die voorkeur het uitgangspunt wil laten zien van de planning. Er zijn talloze voorbeelden van interessante ‘placemaking’ door particulieren, zowel in de steden als op het platteland. Ga uit van functiemenging. Het scheiden van wonen en werken was gedurende een groot deel van de 20ste eeuw noodzakelijk. De economie was te vervuilend om zich goed te verdragen met wonen en recreëren. Maar die tijd is voorbij, althans voor dat grote del van de economie wat te maken heeft met diensten en kennis. De ‘creatieve economie’ – die volgens sommige tellingen meer banen telt dan alle

37

werkgelegenheid op afzonderlijke bedrijventerreinen bij elkaar – is juist gebaat bij een vestigingsmilieu dat interactie uitlokt: wonen, studeren, werken en recreëren door elkaar. bij de werkzaamheden aan de economische visie viel enkele keren de naam Jane Jacobs. Zij was in 1961 de auteur van het boek ‘Death and Life of Great American Cities’. Zij keerde zich tegen de modernistische functiescheiding in de stedenbouw: de functiescheiding zou de alledaagse interactie uit de stad weghalen en uiteindelijk tot sociale segregatie leiden. Het is bijzonder om te zien hoe in tal van steden Jane Jacobs weer uit de kast gehaald wordt en functiemenging weer opduikt in de omgevingsvisies. Er is geen reden om op voorhand al te besluiten dat pleidooi maar tot de steden te beperken. Ook buiten de steden mag het bruisen. Daar hoort nog wel een complicerende factor bij. In elke nieuwbouwwijk wordt in eerste instantie goed gekeken naar voorzieningen: wijkgebouw, bibliotheek, zorgpost. En dan natuurlijk commerciële voorzieningen. Het probleem is dat voorzieningen die blijvend subsidie nodig hebben, hun rol als pijler van de wijk niet goed kunnen waarmaken. Gemeenten bezuinigen, bedenken zich, willen iets anders. Her alternatief voor dit soort voorzieningen wordt wel gezocht in nieuwe ‘commons’.

Dat zijn gebouwen en terreinen die ergens tussen publiek en privaat in liggen, door veel mensen gebruikt kunnen worden voor een gerichte activiteit maar ook weer aangepast kunnen worden andere eisen. De ‘common’ is verwant met het begrip ‘civic economy’: activiteiten van bewoners die weldegelijk economisch van aard zijn, maar niet beogen om een inkomen te genereren. Voorbeelden: energiecoöperaties, kringloopwinkels, ‘urban farming’, ‘stadsdaken’ voor slecht-weer-activiteiten, open lucht theaters, verzamelgebouwen voor zelfstandigen of kleine bedrijven, tijdelijke expositieruimtes. Al deze activiteiten kunnen een wijk een enorme levendigheid en samenhang bezorgen. Maar ze kunnen geen marktconforme huur opbrengen. Om ze blijvend financieel laagdrempelig aan te bieden, is bij de stichting geld nodig voor de ‘onrendabele top’. Het ligt voor de hand om dat geld te zoeken in de gebiedsexploitatie. Maar daar gaat de onrendabele top voor nieuwe ‘commons’ op de stapel komen met andere eisen die de exploitatie belasten: duurzaamheid, sociale woningbouw, ontsluiting, energieneutraliteit. Dat gaat een puzzel worden. Functiemenging is belangrijker dan ‘woonmenging’. In de Nederlandse politiek is veel steun voor het mengen van ‘vrije sector’ en ‘sociale woningbouw’. Het idee is dat het mengen van deze categorieën zorgt voor interactie en voor bevordering van de opwaartse sociale mobiliteit.

In een aantal steden is de menging een actuele vraag. De steden hebben afspraken met het rijk over woningbouw, de zogenaamde verstedelijkingsopgave. Dat gebeurt op dure, binnenstedelijke grond. De aanzegging om uit de projectexploitatie ook sociale woningbouw te financieren, maakt die exploitatie problematisch. Zonder menging, zou er ruimte komen voor andere dingen. In dat geval zou de sociale woningbouw op een andere, minder dure plek plaats kunnen vinden. De nadruk op menging van de woonfunctie is onderdeel van de Nederlandse volkshuisvestelijke traditie. Uit het buitenland komen indicaties dat het ook anders kan. Twee daarvan: 

Je moet niet zorgen voor mengen van sociaal en vrije sector, maar voor variatie binnen het sociale contingent. Flats, grondgebonden, appartementen, alles door elkaar. De consument moet een woon carrière kunnen maken en positieverbetering kunnen nastreven binnen de sociale sector. Zo kan hij zich voorbereiden op de sprong naar de vrije sector.

‘Gemengd wonen’ lokt nauwelijks interactie uit. Er zijn voorbeelden van naast elkaar wonen, maar dat is het ook: naast elkaar, niet met elkaar. Het op gang brengen van interactie en prikkels tot

38

mobiliteit gaat niet via de woonfunctie, maar via de werkfunctie. Je moet laagdrempelige werkplekken scheppen in koopkrachtrijke gebieden. Bij het vijfde dorp zou dit debat overwogen moeten worden. Pas op met de ‘framing’ van het vijfde dorp als ‘dorps’. Zoals gezegd is het opstellen van omgevingsvisies ‘order of the day’ in gemeentelijk Nederland. Raadpleging van en aantal van die concepten leidt tot een iets onthutsend beeld. In de steden gaat het om functiemenging, creativiteit, bruis en innovatie. Daar buiten om rust, groen en dorpsheid. Dat roept vragen op, zoals: 

Worden rust, ruimte en dorpsheid gehanteerd als landelijke contramal voor stedelijkheid? Maar waarom wordt het niet-stedelijk gebied dan geïnterpreteerd vanuit de stedelijke mal? Kan het zijn dat elk niet-stedelijk gebied een eigenstandige interpretatie verdient?

Waarom vallen rust en groen samen met dorpsheid? Dorpsheid kan toch ook gedefinieerd worden als brandpunt van sociale interactie, nabijheid van functies?

Het is ook zaak de schaal in de gaten te houden. In de concept-ontwikkelvisie voor de ontwikkeling van het middengebied wordt gesproken over een startomvang van 4000 woningen tot 2030. We zouden het potentieel van zo’n grote gemeenschap willen beschrijven in termen van veerkracht, gelaagdheid en veelzijdigheid. Natuurlijk horen daar groen, water en diversiteit bij. Maar daar begint het pas mee.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9940001/1