Bijlage 1 Definitief concept subsidieverordening en toelichting Recreatieschap Rottemeren 2025 A25.002613
Tekst van het document
Subsidieverordening recreatieschap Rottemeren De raad van de gemeente XXX; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum]; gelet op artikel 4:23, van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 46a van de Wet gemeenschappelijke regelingen, artikel 2, derde lid, onderdeel g, en artikel 4, eerste en derde lid, van de van de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023, gelet op het besluit van het Algemeen Bestuur van het recreatieschap Rottemeren van 7 juli 2025; overwegende, dat het wenselijk is een subsidieverordening vast te stellen ten behoeve van het verlenen van subsidies voor activiteiten in het werkingsgebied van het recreatieschap Rottemeren en deze subsidieverordening gelijkluidend ter vaststelling voorgelegd zal worden aan de gemeenteraden van de twee andere deelnemende gemeenten, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023; besluit: Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: − algemeen bestuur: algemeen bestuur van het recreatieschap Rottemeren; − dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het recreatieschap Rottemeren; − eenmalige subsidie: subsidie die wordt verstrekt voor één of meer activiteiten die in beginsel van bepaalde duur zijn; − Europees steunkader: mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit
of verordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld; − jaarlijkse subsidie: subsidie die wordt verstrekt per kalenderjaar dan wel boekjaar. Artikel 2 Reikwijdte 1. Deze verordening is van toepassing op het verstrekken van subsidies door het dagelijks bestuur ten behoeve van activiteiten in het gebied, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023. 2. De subsidiabele activiteiten dragen bij aan de belangen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023.
Artikel 3 Onderlinge verhouding subsidieverordeningen deelnemende gemeenten Voor zover een subsidieverordening van een deelnemende gemeente als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2024 voorziet in hetzelfde onderwerp als onderhavige verordening geldt dat bij subsidies die zijn aangevraagd bij het recreatieschap onderhavige verordening voorgaat. Artikel 4 Bevoegdheid dagelijks bestuur 1. Het dagelijks bestuur besluit over het verstrekken van subsidies.
2. Het dagelijks bestuur kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de beschikking tot subsidieverlening. 3. Het dagelijks bestuur kan ter invulling of uitvoering van deze verordening nadere regels en beleidsregels stellen. 4. Het dagelijks bestuur kan een subsidie-controleprotocol vaststellen. Artikel 5 Europese regelgeving 1. Voor zover dat noodzakelijk is, ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader, kan het dagelijks bestuur bij nadere regels of besluit afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2. Bij nadere regels, waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader wordt verwezen naar het betreffende steunkader. 3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het betreffende steunkader. Artikel 6 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks bij de begrotingsbehandeling een subsidieplafond vast. 2. Het dagelijks bestuur kan binnen de kaders van de begroting deelplafonds vaststellen. 3. Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Artikel 7 Bij de aanvraag in te dienen gegevens 1.
Een aanvraag om subsidie wordt ingediend bij het dagelijks bestuur middels een door of namens het dagelijks bestuur vastgesteld aanvraagformulier. De aanvrager verstrekt in ieder geval de gegevens die in het aanvraagformulier worden gevraagd. 2. Het dagelijks bestuur is bevoegd ook andere dan de in het aanvraagformulier genoemde gegevens op te vragen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk zijn. Artikel 8 Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag om een eenmalige subsidie wordt gedaan uiterlijk twaalf weken voor het tijdstip waarop een aanvang met de activiteiten wordt gemaakt. 2. Een aanvraag om een jaarlijkse subsidie wordt gedaan op uiterlijk 1 juni in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. 3. Het dagelijks bestuur kan bij nadere regels en in afwijking van het eerste en tweede lid een ander tijdstip van en andere termijnen voor het indienen van de aanvraag stellen voor daarbij aan te wijzen subsidies. Artikel 9 Beslistermijn subsidieverlening 1. Het algemeen bestuur beslist op een volledige en juiste aanvraag binnen acht weken, welke termijn met ten hoogste twaalf weken kan worden verlengd. 2.
In gevallen waarin de aanvraag betrekking heeft op het kalenderjaar volgend op dat waarin de aanvraag is ingediend vangt de in het eerste lid genoemde termijn aan op de dag na die waarop de gemeentebegroting is vastgesteld. 3. Het dagelijks bestuur kan bij nadere regels andere termijnen stellen voor daarbij aan te wijzen subsidies.
Artikel 10 Weigeringsgronden Het dagelijks bestuur kan een aanvraag voor subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel: a. voor de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd geen of onvoldoende gelden op de begroting zijn gereserveerd; b. de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de activiteit te realiseren; c. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de te verlenen subsidie niet of in onvoldoende mate zal worden besteed aan het doel van de subsidie; d. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteit van de aanvrager niet of niet in overwegende bijdraagt aan de belangen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023; e. de aanvrager een zodanige werkwijze toepast of over een zodanige organisatorische en administratieve opzet of over zodanig gekwalificeerde medewerkers beschikt, dat redelijkerwijs mag worden verwacht dat de activiteit niet bijdraagt aan de belangen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023; f.
gegronde reden bestaat om aan te nemen, dat de aanvrager niet de capaciteiten heeft om de activiteit naar behoren uit te voeren of de rechtsvorm van de organisatie niet geschikt is om de activiteit te verwezenlijken waarvoor subsidie is aangevraagd; g. de aanvrager doelen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; h. de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; i. subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; j. in de bij de van toepassing zijnde nadere regels bepaalde gevallen. Artikel 11 Verlening subsidie In het besluit tot subsidieverlening geeft het dagelijks bestuur vooraf in ieder geval de subsidiabele activiteit aan en voor zover van toepassing wordt hierbij tevens de wijze van bevoorschotting, tussentijdse rapportage(s), verantwoording, controle en vaststelling en de overige voorwaarden en verplichtingen aangegeven. Artikel 12 Betaling en bevoorschotting Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, worden in het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald. Het voorschot bedraagt niet meer dan 80% van het totale subsidiebedrag. Artikel 13 Verplichtingen van de subsidieontvanger 1.
De subsidieontvanger verschaft alle informatie en verleent alle medewerking aan onderzoeken die door of namens het dagelijks bestuur worden uitgevoerd. De subsidieontvanger overlegt daarbij onverwijld de gevraagde bewijsstukken. 2. Een subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan het dagelijks bestuur, zodra aannemelijk is dat de activiteit waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel zal worden gerealiseerd of dat niet of niet geheel voldaan zal worden aan de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde voorwaarden of verplichtingen. 3. De subsidieontvanger informeert het dagelijks bestuur zo spoedig mogelijk schriftelijk over: a. besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteit waarvoor subsidie is verleend, dan wel ontbinding van de rechtspersoon; b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;
c. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon; d. (voorgenomen) handelingen als bedoeld in artikel 4:71 van de Algemene wet Bestuursrecht, voor zover artikel 4:58 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Artikel 14 Bijzondere verplichtingen subsidieontvanger 1. Bij nadere regels of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 2. Bij nadere regels kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. 3. Bij nadere regels of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger verplichtingen worden opgelegd in het kader van social return. In de nadere regels of verleningsbeschikking licht het dagelijks bestuur toe dat de verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop de middelen of waarmee de gesubsidieerde activiteiten worden verricht. 4.
Bij nadere regels of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger verplichtingen worden opgelegd in het kader van de fysieke, sociale en informatietoegankelijkheid. Artikel 15 Verantwoording en vaststelling subsidies tot € 25.000 1. Subsidies tot € 25.000 kunnen door het dagelijks bestuur: a. direct bij subsidieverlening worden vastgesteld; of b. vastgesteld worden nadat de aanvraag tot vaststelling is ingediend. 2. Bij een vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, verplicht het dagelijks bestuur de aanvrager om op de door zijn aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteit is verricht en dat is voldaan aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen of voorwaarden. 3. Een aanvraag tot vaststelling wordt ingediend bij het dagelijks bestuur: a. bij een eenmalige subsidie, uiterlijk twaalf weken na het verricht zijn van de activiteit; b. bij een jaarlijkse subsidie, vóór 1 april in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk twaalf weken na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend. 4. Het dagelijks bestuur kan, in afwijking van het derde lid, bij nadere regels of bij verleningsbeschikking een ander tijdstip van en andere termijnen voor het indienen van de aanvraag voor vaststelling stellen voor daarbij aan te wijzensubsidies. Artikel 16 Verantwoording en controle subsidies vanaf € 25.000 1.
Bij subsidies vanaf € 25.000, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het dagelijks bestuur: a. bij een eenmalige subsidie, uiterlijk twaalf weken na het verricht zijn van de activiteit; b. bij een jaarlijkse subsidie, vóór 1 april in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk twaalf weken na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend. 2. Het dagelijks bestuur kan, in afwijking van de onderdelen a en b, bij nadere regels of bij verleningsbeschikking een ander tijdstip van en andere termijnen voor het
3.
4. 5.
6.
indienen van de aanvraag voor vaststelling stellen voor daarbij aan te wijzen subsidies. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend met behulp van een door of namens het dagelijks bestuur vastgesteld aanvraagformulier en bevat: a. een inhoudelijke subsidieverantwoording waarin de werkelijke realisatie van de subsidiabele activiteiten in overeenstemming met deze verordening en de verleningsbeschikking wordt afgezet tegenover de bij de subsidieverlening genoemde activiteiten. Afwijkingen van meer dan 10% worden hierin naar aard, omvang en beïnvloedbaarheid toegelicht; b. een financiële subsidieverantwoording waarin de werkelijke kosten van de subsidiabele activiteit over het gesubsidieerde tijdvak in overeenstemming met deze verordening en de verleningsbeschikking worden afgezet tegenover de bij de subsidieverlening vastgestelde financiële begroting. Afwijkingen van meer dan 10% per begrotingsonderdeel worden hierin toegelicht. Tenzij anders is overeengekomen bevat de financiële subsidieverantwoording geen verrekenbare of compensabele btw als subsidielast. Het dagelijks bestuur kan vooraf bij de verlening bepalen dat ook andere dan de in het tweede lid, onderdelen a en b, bedoelde gegevens en bescheiden die voor de subsidievaststelling van belang zijn, aanvullend worden overgelegd.
Indien daartoe besloten wordt, dienen deze verenigbaar te zijn met de in het tweede lid, onderdelen a en b, gevraagde verantwoordingen of opgaven. Indien de verleende subsidie minder bedraagt dan € 50.000 bepaalt het dagelijks bestuur in de verleningsbeschikking de vervangende controlemethodiek.
Artikel 17 Vaststelling subsidies 1. Het dagelijks bestuur stelt binnen acht weken na ontvangst van een volledige en juiste aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. 2. Het dagelijks bestuur kan deze termijn voor ten hoogste twaalf weken verlengen. 3. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, genoemd in artikel 15 en 16 is ontvangen, gaat het dagelijks bestuur zes weken na een eenmalig rappel over tot ambtshalve vaststelling. 4. Het dagelijks bestuur kan bij nadere regels andere termijnen stellen voor daarbij aan te wijzen subsidies. Artikel 18 Verrekening Subsidies die op grond van deze verordening zijn verleend of vastgesteld, kunnen worden verrekend met: a. op grond van deze verordening verleende of vastgestelde subsidies, die worden teruggevorderd; b. vorderingen op de subsidieontvanger in geval van diens faillissement, surseance van betaling of bij toepassing van de schuldsanering natuurlijke personen, onverminderd de artikelen 53, 234, 235 en 307 van de Faillissementswet. Artikel 19 Intrekking en overgangsrecht De subsidieverordening Rottemeren 2023 wordt ingetrokken met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies verstrekt op grond van die verordening en op volledige aanvragen om subsidie die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze subsidieverordening.
Artikel 20 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
Artikel 21 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Subsidieverordening recreatieschap Rottemeren.
Ondertekening
Toelichting Algemeen Het recreatieschap Rottemeren heeft de wens activiteiten die bijdragen aan een grotere maatschappelijke impact van het gebied te ondersteunen met subsidie. Hiervoor heeft zij in 2023 een subsidieverordening opgesteld om de juridisch borging van de verschillende subsidies te verbeteren. Deze subsidieverordening bleek niet te voldoen aan een aantal eisen vanuit het recreatieschap en de deelnemende gemeenten. En bovendien wilde het recreatieschap een wijziging doorvoeren van de te subsidiëren activiteiten. Na evaluatie is vanwege de omvang van de gewenste en juridisch noodzakelijke wijzigingen, ervoor gekozen om een nieuwe subsidieverordening vast te stellen. Daarnaast is ervoor gekozen om een subsidieregeling vast te laten stellen door het dagelijks bestuur. Uitgangspunt van deze nieuwe verordening is fungeren als langdurige algemene subsidieverordening en waar nodig subsidieregelingen te maken om te specificeren welke activiteiten het recreatieschap wenst te stimuleren met subsidie.
In deze subsidieverordening is de reikwijdte van de verordening aangepast naar het werkingsgebied van het recreatieschap in plaats van het Landschapspark de Rotte, aangezien het recreatieschap alleen bevoegdheid heeft over haar eigen gebied zoals geregeld in artikel 1, onderdeel e en de bijlage behorende bij de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023. Daarnaast is ervoor gekozen om een aantal activiteiten niet meer te subsidiëren en is bepaald dat activiteiten voortaan moeten bijdragen aan de belangen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren 2023. Het betreft de belangen van openluchtrecreatie en natuurbescherming en het bewaren en bevorderen van het natuur en landschapsschoon. Door de koppeling van activiteiten aan de genoemde belangen wordt geborgd dat subsidiering plaatsvindt in lijn met de bedoeling van de gemeenschappelijke regeling. Artikelsgewijze toelichting Artikel 2 Reikwijdte verordening In dit artikel wordt aangegeven dat de subsidieverstrekking door het dagelijks bestuur wordt beperkt tot de subsidiëring van in het werkingsgebied van het recreatieschap plaatsvindende activiteiten. De verordening levert geen inhoudelijke criteria voor verlening of vaststelling.
De grondslag voor subsidiering bij wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een door het dagelijks bestuur vastgestelde subsidieregeling. De grondslag en beoordeling voor de verlening van incidentele subsidies of begrotingssubsidies kunnen beleidsnotities of programma’s op de begroting zijn. Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid om in situaties als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de Subsidieverordening Recreatieschap Rottemeren geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren. Artikel 3 Onderlinge verhouding subsidieverordeningen deelnemende gemeenten Gelet op artikel 30, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is dit artikel opgenomen. Dit artikel brengt tot uitdrukking dat deze verordening voorgaat op het moment dat een subsidieverordening van een deelnemende gemeente voorziet in hetzelfde onderwerp. Artikel 4 Bevoegdheid dagelijks bestuur
In dit artikel staan de bevoegdheden van het dagelijks bestuur opgesomd. Deze bevoegdheden bestonden ook onder de vorige subsidieverordening, maar zijn in deze verordening in één artikel overzichtelijk weergegeven. Met ‘besluit over het verstrekken’ zoals genoemd in het eerste lid wordt bedoeld de bevoegdheid te besluiten over het gehele subsidieproces, dus ook het bevoorschotten, lager vaststellen, terugvorderen en dergelijke. In het tweede lid is de bevoegdheid van het dagelijks bestuur geregeld om voorwaarden en verplichtingen aan de subsidie te verbinden. In het derde lid is ,middels delegatie van wetgevende bevoegdheid, bepaald dat het dagelijks bestuur nadere regels kan stellen met betrekking tot de subsidieverstrekkingDeze nadere regels bevatten algemeen verbindende voorschriften en zijn een daad van wetgeving. Dit houdt in dat deze nadere regels moeten worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 6 van de Bekendmakingswet. Ook kan het dagelijks bestuur beleidsregels vaststellen. Beleidsregels zijn in tegenstelling tot de nadere regels geen algemeen verbindende voorschriften en kunnen slechts betrekking hebben op de vaststelling van feiten, afweging van belangen of uitleg van wettelijke voorschriften (artikel 4:81 e.v. Awb).
Met het vierde lid krijgt het dagelijks bestuur de opdracht om een subsidiecontroleprotocol vast te stellen. Artikel 5 Europese regelgeving Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de subsidieverordening, of dat subsidiebeschikkingen worden aangevuld. Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader. Artikel 6 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud Ingevolge het eerste lid stelt het algemeen bestuur een subsidieplafond vast. Een subsidieplafond heeft als doel om voor een bepaald programma (beleidsterrein) van de programmabegroting een maximum aan subsidiebudget vast te stellen. Verder is in het tweede lid bepaald dat het dagelijks bestuur deelplafonds kan vaststellen. Als de begroting nog niet is vastgesteld en er formeel dus nog geen financiële ruimte is, wordt een subsidie slechts verleend onder de voorwaarde dat daarvoor geld beschikbaar zal worden gesteld. Het betreft hier het zogenoemde begrotingsvoorbehoud (lid 3).
Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Algemene wet bestuursrecht, dat het subsidieplafond, eventuele deelplafonds en de wijze van verdeling van de beschikbare middelen voorafgaand aan de subsidiering bekend worden gemaakt. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is en hoe dit geld wordt verdeeld. De wijze van verdeling wordt opgenomen in de nadere regels. Artikel 7 Bij de aanvraag in te dienen gegevens Ingevolge artikel 4:29 van de Algemene wet bestuursrecht begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht. Het dagelijks bestuur bepaalt welke gegevens de aanvrager moet aanleveren en neemt daarbij de proportionaliteit in acht. Er is voor gekozen
om in dit artikel geen opsomming te geven van de in te dienen gegevens, maar te verwijzen naar het door of namens het dagelijks bestuur vastgestelde subsidieaanvraagformulier, wat per subsidie kan verschillen. Hierdoor kan maatwerk worden geleverd, waardoor de aard en hoeveelheid van de gevraagde gegevens in redelijke verhouding kan staan tot de omvang van de gevraagde subsidie. Artikel 10 Weigeringsgronden De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht worden hier met nadere, op de praktijk toegesneden gronden aangevuld. Zo bieden de onderdelen e en f de mogelijkheid om een subsidie te weigeren indien er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de werkwijze of capaciteiten van de aanvrager. In deze verordening is er voor gekozen om niet de eis te stellen dat subsidies uitsluitend aan rechtspersonen worden verleend. Het kan echter het geval zijn dat door het ontbreken van rechtspersoonlijkheid of vanwege de rechtsvorm van de organisatie een doeltreffende verwezenlijking van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd in het gevaar komt. Te denken valt aan het aanvragen van grote subsidiebedragen door particulieren. Voorkomen moet worden dat overheidsgeld gaat naar subsidieontvangers die niet integer zijn.
Daarom wordt in onderdeel g geregeld dat een subsidieontvanger geen activiteiten mag ontplooien of doelen mag nastreven die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde. Onder het ontplooien van activiteiten wordt tevens verstaan het nalaten van bepaalde gedragingen waardoor strijdigheid met de wet, het algemeen belang of de openbare orde ontstaat. Onderdeel j geeft ten slotte het dagelijks bestuur de bevoegdheid in een subsidieregeling andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. Artikel 11 Verlening subsidie Ingevolge artikel 8 geeft het dagelijks bestuur in de subsidieverleningsbeschikking vooraf de geldende voorwaarden en verplichtingen aan ten aanzien van de in dit artikel genoemde minimale aspecten. Hiermee wordt bereikt dat voor degene, aan wie de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en verplichtingen moet worden voldaan. Artikel 12 Betaling en bevoorschotting Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verleend volgens het in de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven op het moment van de verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor bevoorschotting in te dienen.
Dit leidt tot administratieve lastenbesparingen bij zowel de subsidieontvanger als het algemeen bestuur. Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren activiteit is ervoor gekozen om de termijnen, waarop de (automatische) bevoorschotting plaats vindt, niet in deze verordening te noemen. Het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden in verleningsbeschikking vermeld. De enige beperking is dat de bevoorschotting maximaal 80% bedraagt. De subsidieontvanger is volgens artikel 13 verplicht te melden, indien er omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende en achteraf vast te stellen subsidiebedrag. Indien nodig kan de subsidieverstrekker vervolgens door een wijziging van de verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten
aanpassen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten) uitgekeerd aan de subsidieontvanger. Artikel 13 Verplichtingen van de subsidieontvanger Dit artikel heeft betrekking op verplichtingen die de subsidieontvanger moet naleven als er een verleningsbeschikking is. De vraag naar nadere informatie en onderzoek kan geen betrekking hebben op een aanvraag voor verlening, want dat recht om informatie op te vragen vloeit impliciet voort uit het kunnen beoordelen van een aanvraag aan de hand van de voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen. Die voorwaarden zijn geregeld in de subsidieregeling. In beginsel worden informatieverplichtingen opgenomen in de verleningsbeschikking, ook bij directe vaststelling. Alleen wanneer sprake is van een situatie bedoeld in artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht, kan buiten de verplichtingen in de verleningsbeschikking aanvullende informatie opgevraagd worden of medewerking aan onderzoeken worden verlangd. Het eerste lid bevat de verplichting voor de subsidieaanvrager om mee te werken aan een onderzoek ten aanzien van de gesubsidieerde activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan een steekproefsgewijze controle wanneer er sprake is van directe vaststelling van een subsidie. De subsidieontvanger overlegt daarbij onverwijld de gevraagde bewijsstukken.
In het tweede lid is een meldingsplicht opgenomen. Deze meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen. Zo is de subsidieontvanger verplicht gedurende de looptijd van de subsidie te melden bij het dagelijks bestuur als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig of niet geheel zal worden verricht of niet, niet tijdig of niet geheel volgens alle daaraan verbonden voorwaarden of verplichtingen zal worden verricht. De meldingsplicht biedt mogelijkheden voor nadere afspraken over het aanpassen van de voorwaarden of verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Als deze meldingsverplichting niet wordt nageleefd, dan kan de subsidie (onder meer) om die reden lager worden vastgesteld (zie ook artikel 4:46, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht). Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, een reden zijn om met toepassing van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht de subsidievaststelling in te trekken, omdat de ontvanger wist of behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was.
Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het gehele subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige subsidieverordening. Het derde lid regelt dat de subsidieontvanger het dagelijks bestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte brengt van de (voorgenomen) rechtshandelingen die van invloed kunnen zijn op de aanwending van subsidiegelden. Artikel 14 Bijzondere verplichtingen van de subsidieontvanger Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het dagelijks bestuur om aan de subsidieverlening bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Algemene wet bestuursrecht (zie artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht). Het creëren van deze mogelijkheid wordt onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie). In beginsel dient de verordening hiervoor een
uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking. Het eerste lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren. Het tweede lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde groep mensen te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van deze subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het dagelijks bestuur van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt, moet dat duidelijk gemotiveerd worden.
Het derde en vierde lid maken het mogelijk om aan subsidieontvangers verplichtingen op te leggen in het kader van social return en in het kader van toegankelijkheid voor mensen met een beperking. Artikel 15 Verantwoording en vaststelling subsidies tot € 25.000 Het subsidiekader gaat uit van proportionaliteit tussen het subsidiebedrag en de administratieve lasten. Voor subsidiebedragen tot € 25.000, kan het bestuur besluiten de subsidie direct vast te stellen. Dit kan bijvoorbeeld bij kleine bedragen voor activiteiten die elk jaar worden georganiseerd en zeker doorgaan. Hierdoor kunnen de administratieve lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden beperkt. Omdat een aantal categorieën subsidies zich niet leent voor het direct vaststellen is het direct vaststellen niet verplicht gesteld, maar mogelijk gemaakt door middel van een ‘kan-bepaling’. Op deze manier kan het dagelijks bestuur maatwerk leveren. Er geldt voor alle subsidies een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij het mogelijk niet kunnen nakomen van de subsidievoorwaarden/verplichtingen. Ook kan na (directe) vaststelling van een subsidie een risicogeoriënteerde controle achteraf plaatsvinden bij de ontvanger. Een meer risicogeoriënteerde aanpak betekent ook een zekere risicoacceptatie.
Belangrijk hierbij is dat incidenten niet gelijk tot een systeemaanpassing zouden moeten leiden. De verantwoordingsfocus bij subsidies tot € 25.000 ligt op het leveren van de activiteit in plaats van op de kosten hiervan. Hierdoor kan het ook voorkomen, dat de werkelijke kosten uiteindelijk lager zijn dan het verleningsbedrag van de subsidie. Uitgangspunt daarbij is dat bij de verstrekking van subsidies aan bijvoorbeeld bewonersorganisaties, verenigingen of particulieren het algemeen bestuur slechts een beperkt financieel risico loopt. Het subsidiebedrag is vaak niet zo hoog, terwijl de administratieve en bestuurlijke lasten naar verhouding vaak wel hoog zijn. In het geval van directe vaststelling (eerste lid, onderdeel a) worden de bewijsstukken van de activiteit direct met de aanvraag meegestuurd. Ook indien de activiteit nog niet heeft plaatsgevonden, kan onderdeel a worden toegepast. Steekproefsgewijze controle na de vaststelling is mogelijk, maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering. In het geval van verlening, gevolgd door vaststelling (eerste lid, onderdeel b), wordt de verantwoordingswijze in de subsidieverleningsbeschikking vermeld. Dat kan zijn een
volledige (financiële of inhoudelijke) verantwoording van de activiteiten, maar ook maatwerk is mogelijk, waarbij te denken valt aan een foto of krantenartikel van de activiteit, een factuur of een ander bewijsstuk waaruit blijkt dat aan de voorwaarden of verplichtingen is voldaan. De subsidie wordt vervolgens, na ontvangst van een aanvraag tot vaststelling, binnen de daarvoor geldende termijnen vastgesteld. Artikel 17 Vaststelling subsidies In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het dagelijks bestuur na ontvangst van een volledige en juiste aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vaststelt. In het tweede lid is bepaald dat het dagelijks bestuur deze termijn met ten hoogste twaalf weken kan verlengen. Het derde lid bepaalt dat indien de hier bedoelde aanvraag niet voor het in de artikelen 15 en 16 genoemde tijdstip is ontvangen, het dagelijks bestuur de subsidie binnen zes weken na een eenmalig rappel ambtshalve vaststelt. In het vierde lid is bepaald dat het dagelijks bestuur op verzoek van de subsidieontvanger één keer uitstel van aanlevering kan verlenen, waarbij een nieuwe termijn wordt gesteld. Als de aanvraag tot subsidievaststelling niet op de nieuw afgesproken datum is ingediend, volgt een eenmalig rappel.
Als de subsidieontvanger zes weken na het versturen van het rappel geen verantwoording heeft ingediend, gaat het dagelijks bestuur over tot ambtshalve vaststelling. Als daar aanleiding toe is kan het dagelijks bestuur bij nadere regels besluiten af te wijken van de in dit artikel gesteld termijnen (vierde lid).