CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan ‘Groenblauwe Zone’ – Toelichting aangepast A24.001100

Gemeenteraad 9 juli 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Vaststelling Bestemmingsplan Groenblauwe Zone12.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit betekent dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden slechts wordt verleend indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat, gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden, in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in het nabij gelegen openbaar gebied van Westergouwe. In relatie tot de parkeerbalans en -behoefte moet sprake zijn van acceptabele loopafstanden. Op basis van het Masterplan Westergouwe 2.0 zal de loopafstand van de voorziene parkeergelegenheid in het centrum tot de beoogde horecavoorzieningen in de GroenBlauwe Zone relatief kort zijn. Exacte afstanden worden bepaald in het nader op te stellen inrichtingsplan. De overige functies in de GroenBlauwe Zone, zoals een natuur-educatiecentrum, zijn gelegen op een afstand van circa 300 - 400 m ten opzichte van de parkeergelegenheid. De bezoekers worden gestimuleerd om met de fiets of wandelend richting deze functies te komen waardoor een verdere loopafstand acceptabel wordt geacht.

Afbeelding 4.4: Indicatie parkeergebied Westergouwe voor bezoekers GBZ, grijs met blauw omlijnde cirkel

32

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen. Dit kan onder andere indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Plangebied Het planvoornemen betreft het mogelijk maken van de aanleg van verschillende recreatieve functies, alsmede ondersteunende infrastructuur. Gemotoriseerd vervoer wordt niet mogelijk gemaakt in het plangebied, afgezien van leveringsverkeer en hulpdiensten. Ten aanzien van de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ingevuld, deze is op onderstaande afbeelding te zien. Als uitgangspunt hiervoor is 10 vrachtvervoersbewegingen per dag genomen.

33

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

Afbeelding 4.5: Uitsnede NIBM-tool

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Water

Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Voor de organisatie van het waterbeheer bevat het Waterbesluit de toedeling van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk en regels over het verstrekken van informatie met betrekking tot het waterbeheer. Ook regelt het Waterbesluit procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren en enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's. Vergunningsplichtige handelingen volgen uit de Waterwet en uit de Keur van het Waterschap. Veel handelingen in het watersysteem vallen onder algemene regels en dan is er geen watervergunning nodig.

Een melding is vaak wel noodzakelijk. Het Waterbesluit bevat bepalingen over de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan. Plangebied Ter voorbereiding op de realisatie van Westergouwe, en ook de Groenblauwe Zone is een overzicht gemaakt van alle consequenties voor de waterhuishouding in een addendum behorend bij het masterplan van Westergouwe 2.0 (dit addendum is toegevoegd in Bijlage 4). Hier voorafgaand zijn al verschillende documenten opgesteld met afspraken, dit is de meest recente. Als uitgangspunt voor het plangebied geldt dat er geen afwenteling van de wateropgave (waterberging, kwel, waterkwaliteit en veiligheid) op gebieden elders zal plaatsvinden en het systeemgedrag van het watersysteem niet wijzigt. Dit uitgangspunt is bij de wijzigingen volledig ingevuld en geborgd. Voor het plangebied is tevens een watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat een aantal verschillende aspecten meegenomen moeten worden in de planvorming en waar (wellicht) afstemming voor nodig is met het waterschap. De watertoets is te vinden in Bijlage 5. In dit rapport wordt onder andere advies gegeven over de aanwezigheid van een transportleiding van afvalwater, deze is opgenomen in de verbeelding en bijbehorende regels zijn verwerkt in de regels. Met betrekking tot peilwaterverandering dient een gedegen motivatie aan het hoogheemraadschap worden voorgelegd.

Voor het aanleggen van nieuw water zijn minimale diepten en breedten alsmede advies over de beschoeiingen aan de zijkant van het water meegegeven die bij de planvorming mee worden genomen. De zogeheten kunstwerken die in dit plan mogelijk worden gemaakt, in dit geval bruggen, zijn ook onderhevig aan een aantal eisen over hoogte en breedte. Door het mogelijk maken van nieuwe functies neemt de verharding in het plangebied toe. Voor deze toename heeft het waterschap beleid vastgesteld. In dit beleid gelden de volgende uitgangspunten: Compenserende waterberging wordt in beginsel gerealiseerd door het graven van open water. Compensatie vindt in beginsel plaats binnen de grenzen van het plangebied. Wanneer compensatie in het plangebied niet mogelijk is, dan wordt de compensatie in ieder geval gerealiseerd in hetzelfde peilgebied.

34

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

Wanneer er geen mogelijkheid is om compenserende waterberging te realiseren binnen het plangebied of het peilgebied kan in overleg met het hoogheemraadschap een andere positie worden bepaald. Tevens zijn onder restricties bepaalde vormen van alternatieve waterberging bespreekbaar. Waterberging wordt gerealiseerd vóór uitvoering van het plan. Het aanbrengen van >500 m2 verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. De berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. Daarnaast moet rekening gehouden worden met het onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewater moet bereikbaar zijn voor het onderhoudsmaterieel. Er moet gezorgd worden voor toegankelijke onderhoudsstroken. Tot slot bevat het plan mogelijke ecologische knelpunten, bij de concrete uitwerking dient rekening gehouden te worden met het zo veel mogelijk voorkomen van deze ecologische knelpunten door bijvoorbeeld natuurvriendelijke oevers te creëren. Over de concrete invulling vindt directe afstemming plaats met het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard en bij het aanvragen van de relevante vergunningen. De verdere vereisten zijn opgenomen in de relevante stukken zoals de regels en op de verbeelding. In relatie tot planrealisatie is het volgende van belang.

In het plangebied zijn geen offensieve bluswatervoorziening (brandkranen) voor de brandweer aanwezig. Wel voorziet het plan in veel open water, dat mogelijk als bluswatervoorziening door de brandweer gebruikt kan worden. Open water is geschikt als bluswatervoorziening indien het voldoet aan de onderstaande voorwaarden: de afstand tussen bouwwerk en het open water mag niet meer dan 40 meter bedragen (over de weg gemeten); de totale afstand tussen het water en de opstelplaats bedraagt maximaal 8 meter, waarbij de verticale afstand (zuighoogte) tussen het waterniveau en de opstelplaats maximaal 5 meter bedraagt; opstelplaatsen kunnen alleen via een verharde weg bereikt worden voor een tankautospuit; er dient een onbeperkte hoeveelheid bluswater beschikbaar te zijn. Het open water dient derhalve deel uit te maken van een groter watersysteem, van waaruit water aangevuld wordt bij langdurige wateronttrekking; het water is alleen bruikbaar indien het een diepte heeft van minimaal 1 meter in verband met de benodigde ruimte voor de zuigkorf; het is van belang dat de kwaliteit van het open water zodanig is dat er geen beschadiging aan de bluspomp kan ontstaan. Voorzieningen die hierbij zouden kunnen helpen zijn vuilkerende roosters; het is van belang dat voorzieningen in het open water zijn aangebracht of zijn voorbereid om bij vorst een deel van het open water ijsvrij te kunnen houden.

Te denken valt hierbij aan voorzieningen voor het aanbrengen van ijskappen, beluchters of ijsvrijhouders (bijvoorbeeld emmers). Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1

Archeologie

Toetsingskader Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valletta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden.

35

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. Bij het archeologiebeleid is ook een beleidskaart opgesteld die de zonering van de verschillende archeologische verwachtingswaarden aangeeft. Aan de verschillende verwachtingswaarden zijn voorwaarden gekoppeld wanneer bij bouw- en grondwerkzaamheden archeologisch onderzoek vereist wordt. Plangebied Het initiatief voorziet in mogelijkheid tot de realisatie van nieuwe fiets- en voetpaden, alsmede kleinschalige voorzieningen. In het geldende bestemmingsplan Parapluherziening Archeologie heeft het noordoostelijke deel van het plangebied de waarde 'archeologie - 3'. Verder heeft het plangebied geen archeologische verwachtingswaarde en ook geen onderzoeksverplichting.

Afbeelding 4.6: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart

In het kader van planvorming voor het gebied ten noorden van het plangebied is archeologisch onderzoek uitgevoerd naar mogelijke resten die zich daar bevinden. Bij deze opgravingen zijn resten gevonden van naar schatting 7000 jaar oud. Op advies van de regioarcheoloog wordt de bestaande archeologische dubbelbestemming strenger gemaakt. Dit betekent dat voor alle ontwikkelingen dieper dan 2,00 m onder het maaiveld archeologisch onderzoek vereist is. De beoogde ontwikkelingen van het plan zijn allemaal ondiep, de archeologische resten worden verwacht vanaf 2,00 tot 2,50 m onder het maaiveld verwacht worden. Voor de uitvoering van het planvoornemen heeft dit geen verdere gevolgen. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.9.2

Cultuurhistorie

De regering heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Burgers krijgen hiermee het recht om bij de planning van bouwwerkzaamheden aan te geven of er cultureel erfgoed wordt geraakt. Situatie plangebied In het plangebied bevinden zich geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten. Tevens zijn er geen

36

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

landschappelijke waarden aanwezig welke gewaarborgd dienen te worden. De beoogde voorzieningen ondersteunen de huidige en versterkte beoogde functie van het gebied. 4.9.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor dit initiatief.

4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale afweging te geven. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Een activiteit is m.e.r.-(beoordelings)plichtig indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het Besluit m.e.r. valt woningbouw onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.). Daarin staat dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van en stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen m.e.r.-plichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is geen definitie beschikbaar. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' laat ruimte voor interpretatie en functioneert daardoor als een soort achtervang voor stedelijke ontwikkelingen met mogelijke aanzienlijke milieugevolgen.

Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is onder meer afhankelijk van de volgende factoren, zo blijkt uit de jurisprudentie ((bron: https://blogomgevingsrecht.nl/jurisprudentie/stedelijk-ontwikkelingsproject-in-de-praktijk/): Aard, omvang en schaalgrootte van de ontwikkeling; hoe groter, hoe eerder sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject. Is er sprake van functiewijziging of behoud van bestaande functie(s). Is er sprake van uitbreiding van een bestaand bouwwerk of een nieuw bouwwerk. Ligging; in stedelijk gebied of niet. Vormgeving en opzet; ingepast in het bestaande gebied of niet. Het planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van verschillende nieuwe functies in het plangebied. Het totale oppervlak van de beoogde ontwikkelingen heeft een maximum, zo is vastgelegd in de regels, waardoor het verhard oppervlak in het gebied niet noemenswaardig toeneemt. Hiermee blijft voorliggend initiatief onder de drempelwaarden en is een vormvrije m.e.r.-beoordeling daarmee niet nodig. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. Conclusie De beoogde ontwikkeling bestaat uit het juridisch-planologisch mogelijk maken van verschillende nieuwe functies in het plangebied. Het totale maximale oppervlak van deze heeft een maximum, zo is vastgelegd in de regels, waardoor het verhard oppervlak in het gebied niet noemenswaardig toeneemt en buiten de

37

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

definitief van een stedelijk ontwikkelingstraject valt. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarmee niet nodig. Gelet op de aard van het project en de plaats van het project is geoordeeld dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor dit planvoornemen is dan ook geen m.e.r.-procedure noodzakelijk op grond van het Besluit m.e.r.

38

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische plantoelichting

Opzet bestemmingsplan

Het bestemmingsplan bestaat uit de regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen over de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels doordat het de bestemmingen visualiseert. Op de elektronische verbeelding en de analoge weergave hiervan worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij harde randvoorwaarden. De elektronische verbeelding vormt samen met de regels het voor burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft de toelichting een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2

Bestemming

Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Natuur - 1 Natuur - 2 Water Waarde - Archeologie 1 Leiding - Brandstof Leiding - Ruwwater Natuur - 1 Onder 'Natuur-1' wordt begrepen: het behoud, het beheer, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke en de landschappelijke waarden; infrastructurele voorzieningen en leidingen; wandel-, ruiter- en/of fietspaden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'pad'; groenvoorzieningen en water. Natuur - 2 Onder 'Natuur-2' wordt begrepen: het behoud, het beheer, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke en de landschappelijke waarden; recreatief en/of educatief medegebruik; kleinschalige horeca; infrastructurele voorzieningen en leidingen; wandel-, ruiter- en/of fietspaden; groenvoorzieningen en water. Water Onder 'Water' wordt begrepen: water; recreatief medegebruik; groenvoorzieningen; kaden en oevers; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - brug of tunnel': verkeersvoorzieningen ten behoeve van langzaam verkeer;

39

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

met de daarbij behorende: voorzieningen en bouwwerken ten dienste van de waterhuishouding; voorzieningen voor verblijf, zoals vlonders, steigers en gelijksoortige voorzieningen. Waarde - Archeologie 1 De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden Leiding - Brandstof Onder 'Leiding - Brandstof wordt begrepen: een brandstofleiding met de daarbij behorende beschermingszone, naast de andere daar voorkomende bestemming(en). Leiding - Ruwwater Onder 'Leiding - Ruwwater wordt begrepen: een watertransportleiding met de daarbij behorende bouwwerken en andere werken. naast de andere voorkomende bestemming(en).

40

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van Provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegden Gedurende deze periode was het voor eenieder mogelijk om mondelijk of schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. In deze periode zijn twee zienswijzen ontvangen, van de Veiligheidsregio en van drinkwaterbedrijf Oasen. Deze zienswijzen zijn bijgevoegd in Bijlage 6 en Bijlage 7. De Veiligheidsregio heeft opmerkingen gemaakt met de voorgeschreven voorwaarden waaraan voldaan moet worden met betrekking tot de bereikbaarheid van het plan voor hulpdiensten en de aanwezigheid van bluswatervoorziening. De voorwaarden zijn ter kennisgeving genomen en zijn verwerkt in paragraaf 4.3 en paragraaf 4.8. Drinkwaterbedrijf Oasen is verantwoordelijk voor onder andere de drinkwaterinfrastructuur.

Zij heeft opgemerkt dat het plan in de buurt ligt van (belangrijke) drinkwatertransportleidingen. Gezien de locatie vraagt zij dit belang op te nemen in het plan en op de verbeelding. Naast de waterleiding dient een zone aangegeven te worden van 5 meter rondom de leiding voor de bereikbaarheid en het onderhoud van de leiding. De desbetreffende leiding ligt nabij het plangebied, met op het dichtstbijzijnde punt een afstand van circa 13,5 meter tot aan het plangebied. Daarmee is het opnemen van een zone voor het behoud en de bescherming van de leiding niet doelmatig.

41

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

Afbeelding 6.1: Waterleiding in blauw, afstand tot rand van het oppervlaktewater/plangrens aangegeven

Ambtshalve wijzigingen Vanwege een actualisatie van het rekenprogramma Aerius is de stikstofberekening opnieuw uitgevoerd. De resultaten van deze nieuwe berekening leiden niet tot een gewijzigde conclusie dan eerder gepresenteerd in de toelichting. Verder is in de bestemming 'Natuur-2' de aanduiding 'pad' verwijderd uit de bestemmingsomschrijving. Deze aanduiding was opgenomen om een indicatie te geven van de beoogde voet- en wandelpaden in het plangebied. Bij verdere uitwerking blijkt dat dit nog niet goed te voorspellen is. Mede om het voorkomen van het aanwijzen van onnodige locaties is deze er nu uitgehaald. Tevens is de horeca-categorie teruggebracht van 3 naar 2 en is het bebouwingsoppervlak voor horeca verder uitgesplitst tot in totaal 750 m² voor de primaire horecafunctie en 250 m² voor de secundaire horeca. Ook de bouwregels zijn aangescherpt: een primaire horecavoorziening heeft een maximale goothoogte van 5 m en een maximale bouwhoogte van 11 m. Overige bouwwerken hebben een maximale goothoogte van 4 m en een maximale bouwhoogte van 9 m. De minimale onderlinge afstand tussen primaire bebouwing en een secundaire horecavoorziening is bepaald op 100 meter.

Vaststelling Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt vervolgens met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

42

bestemmingsplan Groenblauwe Zone

Handhaving Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke aanlegvergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een ontheffing. Handhaving wordt onderscheiden in preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen. Voorts bestaat preventieve handhaving uit het opstellen van duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels en uit communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang.

Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijke actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte et cetera kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het plan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het wijzigingsplan voorziet in de ontwikkeling van meerdere recreatieve bestemmingen. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

De gemeente heeft met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14307278/1