Bijlage 1.11 TNO Verkenning houtbouw gemeente Zuidplas Z20.001805
Tekst van het document
Notitie (verkenning)
Aan:
Gemeente Zuidplas t.a.v. R. (Ruud) Keesmaat
Leeghwaterstraat 44 2628 CA Delft Postbus 6012 2600 JA Delft www.tno.nl T +31 88 866 22 00 F +31 88 866 06 30
Van:
P. (Peter) Kuindersma Kopie aan
Datum 13 maart 2020
S. (Sterre) Casier F. (Fabienne) Bosschieter C. (Carlijn) Stoof
Onze referentie 060.44246 E-mail peter.kuindersma@tno.nl
Onderwerp
“Verkenning Houtbouw Gemeente Zuidplas” De Gemeente Zuidplas is voornemens om beleid te ontwikkelen ten behoeve van het stimuleren van meer ‘houtbouw’ in de Gemeente. Het gaat hier om substantieel meer toepassingen in hout en daarmee ook een groter volume dan dat momenteel in hout wordt gebouwd. Het idee is dat onderzocht gaat worden of er enkele duizenden woningen (circa 400 woningen/jaar) in de Gemeente Zuidplas de komende 20 jaar in hout kunnen worden uitgevoerd. De Gemeente Zuidplas heeft diverse vragen over ‘opschaling van houtbouw’ in Nederland. Onderzoek TNO (intern; lopend) TNO is momenteel bezig met onderzoek naar houtbouw in Nederland (en Europa), rondom een aantal thema’s: • Beschikbaarheid van hout en de productiecapaciteit. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om hout her te gebruiken. • Milieu-impact van bouwen in hout ten opzichte van andere bouwmethoden. Hierbij bekijken we verschillende toepassingen van hout in gebouwen. Een onderdeel binnen het TNO-project waarop nader wordt ingezoomd is de wijze waarop nu de milieu-impact wordt berekend (op basis van LCA1 en via MPG2) en hoe deze methodiek wellicht in de toekomst, bij toenemende vraag naar biobased bouwmaterialen en grondstoffen, zou moeten worden aangepast. Er is op dit moment veel aandacht voor houtbouw en vele initiatieven en concrete projecten komen in het nieuws.
Voordat wordt ingegaan op de beantwoording van de vragen is het goed om enkele begrippen nader toe te lichten. Immers door introductie van de term ‘houtbouw’ lijkt het alsof dit slechts één bouwsysteem (één categorie hout) betreft. Dat is niet het geval, zie hiervoor de toelichting in bijlage 1.
1
LCA: Life cycle analysis (LevensCyclus Analyse). MPG: MilieuPrestatie Gebouwen. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwe kantoorgebouwen (groter dan 100 m²) en om nieuwbouwwoningen. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0 (Bron: https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-enregels/nieuwbouw/milieuprestatie-gebouwen). 2
Vraagstelling U heeft TNO gevraagd om antwoord te geven op een zestal vragen over houtbouw in Nederland. In deze ‘verkennende’ notitie zijn, voor zover mogelijk, antwoorden gegeven op die vragen. Een uitgebreide beantwoording en volledig onderbouwde beschouwing is vooralsnog niet mogelijk omdat het TNO-onderzoek nog niet is afgerond. Aandachtspunten bij de beantwoording van de vragen: •
•
•
Het is lastig om de vragen van de Gemeente Zuidplas heel precies te beantwoorden omdat het gebruik van hout nooit op zichzelf staat. Het type vraagstuk omvat verschillende componenten en leent zich helaas niet voor een kort antwoord (ja of nee), maar is er meer nuance nodig. Het doel van deze notitie is om de Gemeente Zuidplas te voorzien van meer achtergrond rondom houtbouw ten behoeve van beleidsvorming. Hiervoor zullen we één en ander in perspectief plaatsen, gevoeligheden zullen worden aangeven en waar mogelijk worden voorwaarden benoemd. De verschillende onderwerpen worden kort en bondig besproken (zonder nu een literatuurstudie en volledige onderbouwing te doen). Wij gaan ervanuit dat met de beantwoording van uw vragen voldoende inzicht wordt verkregen over de (on)mogelijkheden en consequenties van houtbouw op grote(re) schaal, en vertrouwen voor u om voortgang in de gemeente op dit dossier te bewerkstelligen.
---------
Vraag en antwoord VRAAG 1: Hoe vermarktbaar zijn woningen in houtmassiefbouw / houtskeletbouw? (welke beelden bestaan er bij potentiele kopers over houtmassiefbouw, in hoeverre willen mensen houten huis kopen, in hoeverre zijn houten huizen waardevast?) Antwoord: Zoals in de email van 3 maart 2020 is aangegeven kunnen we deze vraag niet (concreet) behandelen. Binnen het lopende (interne) TNO-project wordt naar de vermarktbaarheid van houtskeletbouw/houtmassief bouw geen onderzoek gedaan. We hebben hier dus geen cijfers of onderbouwing van. De waarde van een woning is van vele factoren afhankelijk en niet ‘alleen’ de bouwwijze en/of materiaalkeuze. De vermarktbaarheid hangt ook erg af van het ‘kopers- en investeerders perspectief’, bijvoorbeeld vanuit het perspectief woningbouwcorporaties (die veelal woningen leveren voor de lagere inkomensgroepen), particulier eigenaren (vrije sector), projectontwikkelaars of ontwikkelende aannemers, vanuit het perspectief van investeerders of bijvoorbeeld makelaars. •
Het is verstandig om voor de beantwoording van deze vraag onderscheid te gaan maken in de verschillende bouwsystemen zoals HSB en CLT (zie ook Bijlage 1). Tevens is het relevant om te kijken naar de toepassing; gaat het bijvoorbeeld om grondgebonden laagbouw, hoogbouw (appartementen) of gaat het om een kantoorgebouw of andere utilitaire functies.
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 2/11
•
•
Vermarktbaarheid is waarschijnlijk ook erg afhankelijk van waar het gebouw staat (locatie) en hoe het eruit ziet. Bij HSB-woningen wordt vaak gekozen voor een gemetseld buitenspouwblad waardoor niet meer ‘zichtbaar’ is dat het om houtbouw gaat. Bij de verkoop van woningen wordt lang niet altijd vermeld dat het om een HSBwoning gaat. Dit zou kunnen betekenen dat de waarde van dergelijke woningen niet verschilt ten opzichte van meer traditionele bouw.
Overigens zien we in de praktijk weldegelijk dat er meer vraag naar houtbouw ontstaat. Diverse woningbouwcorporaties hebben al aangegeven dat ze al in hout bouwen en meer in hout zouden willen gaan bouwen; enkele voorbeelden3: • Fien Wonen | Hardinxveld-Giessendam & Vijfheerenlanden; • Ons Doel | Leiden; • Wonen Limburg | Limburg.
VRAAG 2: Hoe duurzaam is houtmassiefbouw/houtskeletbouw? (hoe duurzaam (milieubelasting) is houtmassiefbouw/houtskeletbouw, hoe duurzaam zijn de verschillende delen van de productieketen, wat betekent een houten huis voor de energielasten, welke voorwaarden zijn van belang voor houtmassiefbouw om deze duurzaam te laten zijn?) Antwoord: In basis kunnen we zeggen dat ‘bouwen in hout’ duurzaam is (dus goed voor het milieu), mits juist ontworpen, gebouwd en onderhouden en het hout uit Europa komt. Echter hier is wel de vraag wat verstaan wordt onder ‘duurzaam’: • Staat duurzaam gelijk aan een lage CO2 last? (duurzaam als ‘sustainable’) • Een lage MKI (milieu-kosten-indicator)4? • Veel CO2-opslag? • Duurzaam in z’n toepassing? • En duurzaam als ‘durable’ dus lange levensduur? Het komt er in het algemeen op neer dat je hout (maar dat geldt ook voor andere materialen) moet toepassen waar het nut heeft en waar je optimaal gebruik kunt maken van de eigenschappen van hout. Het gaat dus met name om de (rand)voorwaarden waaronder je hout toepast en de doelen die je ermee wilt halen. Het is dus belangrijk de verschillende concepten (beton, HSB, kalkzandsteen, CLT, etc.) in een bepaalde toepassing met elkaar te vergelijken en dus niet zondermeer van houtbouw uit te gaan. Voorbeeld: Hout is gevoelig voor vocht (krimp-/zwel en kruip11).
In het ontwerp en in de uitvoering moet hiermee rekening worden gehouden, zodat het duurzaam toegepast kan worden. Hout zal dus vrijwel altijd tegen vocht beschermd moeten worden. De keuze voor hout in een buitensituatie leidt tot extra risico’s welke kunnen leiden tot meer onderhoud en een kortere levensduur. Om de milieu impact van houtbouw te bepalen worden LCA’s gemaakt. Uit LCA-’s1 blijkt dat houttoepassingen over het algemeen goed scoren, echter dit is weer afhankelijk van de
3 Bron: https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/lees/artikelen/deze-woningcorporaties-gaan-voor-
hout.html. 4 https://ecochain.com/nl/knowledge-nl/milieukosten-indicator-mki/.
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 3/11
wijze waarop je aan ‘milieu’ rekent en welke (standaard) bepalingsmethode wordt toegepast: • Indien CO2-opslag wordt meegerekend, dan kom je op positievere getallen uit, • het meenemen van landgebruik leidt tot minder positieve getallen. • Daarnaast speelt de winning van grondstoffen ook een rol. Het mooie van hout is dat het vaak na een eerste toepassing goed aanpasbaar is en in een tweede toepassing kan worden gebruikt. Hergebruikt hout kan dan dus “gratis” worden ingezet. Op dit onderdeel zijn de standaarden ook in ontwikkeling. Hierover hebben we al een en ander toegelicht in het overleg op 27 februari 2020. In de officiële rekenmethoden, zoals MKI4, worden zowel CO2-opslag als landgebruik nu (nog) niet meegenomen. Met betrekking tot de vraag hoe het zit met de energielasten van dergelijke woningen - daar wordt momenteel door TNO specifiek voor houtbouw geen onderzoek naar gedaan. En ook hiervoor geldt dat andere voorwaarden van invloed zijn, denk bijvoorbeeld aan: • mate van isolatie; • keuze van installaties voor ventilatie, verwarming en energieopslag en -opwekking; • de wijze waarop ‘warmte/energie’ in de wijk wordt aangeboden; • etc.
VRAAG 3: In hoeverre is houtmassiefbouw/houtskeletbouw financierbaar? (willen investeerders en ontwikkelaars investeren in houtmassiefbouw, is voor een houten huis een hypotheek te krijgen, kan een consument een houten huis betaalbaar verzekeren?) Antwoord: Hoe het zit met de ‘bereidheid van investeren’ weten we niet – daar is door ons nog geen onderzoek naar gedaan. Voor houten huizen is zeker een hypotheek te krijgen. Dat gebeurt namelijk al. Ook verzekering is geen probleem, alhoewel waarschijnlijk de premie iets hoger zal zijn. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor woningen met een rieten dak. Nader onderzoek naar de financierbaarheid van houten gebouwen is gewenst (zie ook het antwoord op vraag 1 over de ‘vermarktbaarheid’). Uit enkele recent uitgevoerd interviews (bij een woningcorporatie en enkele HSB-bouwers) blijkt dat de initiële kosten voor HSB/ CLT over het algemeen hoger zijn (tot circa 10%). Ook hier geldt echter dat het maar de vraag is welke concepten op welke manier met elkaar worden vergeleken en in welke schaalgrootte wordt geproduceerd. Tevens gaat het hier (helaas) vaak alleen om de initiële kosten en niet de over de Total Costs of Ownership (TCO5) waarbij ook naar onderhoud en levensduur wordt gekeken.
5 Total Cost of Ownership (TCO): de totale (begrote) kosten tijdens de gehele levensduur van een
bouwwerk. Hierbij wordt niet alleen rekening gehouden met de initiële kosten tijdens het bouwproces, maar ook met de kosten die tijdens het gebruik van het gebouw worden gemaakt. Op dit gebied valt bijvoorbeeld te denken aan onderhoudskosten, kosten voor vervanging van onderdelen en kosten voor het herbestemmen van gebouwen. (https://www.bouwkennisblog.nl/total-cost-ownership-enfunctioneel-specificeren/)
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 4/11
VRAAG 4: In hoeverre is een dorp van houten (houtmassief- en houtskeletbouw) woning uitvoerbaar? (kan de industrie de productie van circa 400 houten woningen per jaar aan gedurende 20 jaar, is de techniek geschikt voor grondgebonden woningen, is er voldoende hout (nabij) beschikbaar?) Antwoord: De productie van 400 houten huizen per jaar (gedurende 20 jaar) is realistisch en met huidige productiecapaciteit haalbaar. Ook is er hiervoor voldoende hout beschikbaar (bijvoorbeeld productiebossen Scandinavië, Duitsland, Oostenrijk). Echter ook hier geldt dat opschaling van hout door heel Nederland (meer provincies /gemeenten zullen wellicht houtbouw gaan stimuleren) zal leiden tot een behoorlijke vraag en daarmee een te beperkte productiecapaciteit. Dit geldt zeker voor CLT, want deze producenten zitten (nog) niet in Nederland15. Uit de markt horen we nu al dat levertijden voor CLT oplopen (en wellicht ook prijzen stijgen) door een ‘mismatch’ tussen vraag-aanbod. Dit heeft overigens niet alleen te maken met de vraag naar hout in Nederland, maar ook in andere delen van Europa. Indien de vraag naar HSB en/of CLT blijft stijgen dan zal de productiecapaciteit ook ‘vanzelf’ toenemen, is de verwachting. Of er specifiek in Nederland voldoende hout is voor circa 400 woningen/jaar is moeilijk te beantwoorden.
Ook hiervoor geldt dat de toepassing uiteindelijk het bouwsysteem, en daarmee ook de hoeveelheid hout die nodig is, bepaalt. Hout uit Nederlandse bossen is van andere soorten dan waar normaliter CLT van wordt gemaakt (met name Vuren). De in Nederland voorkomende houtsoorten Lariks en Douglas zouden in de toekomst in CLT kunnen worden gebruikt. Wellicht zijn andere soorten zoals Populier ook toepasbaar in de kern (midden-lamel) van CLT. Ook zou ‘afval’hout (uit sloopprojecten geoogst hout) zich kunnen lenen voor een toepassing in de kern van CLT. Hier moet nog meer onderzoek naar gedaan worden. Voor nu is de vraag of er voldoende inlands hout beschikbaar is, niet zo relevant omdat er voldoende hout binnen Europa wordt geoogst (en ook beschikbaar is) en zeer efficiënt kan worden omgezet in CLT of in houten stijlen/regels voor HSB. Nederland kent wel HSB productiebedrijven maar op dit moment is er nog geen CLT-productie bedrijf, waardoor het niet logisch is om inlands hout tot CLT te verwerken. Hoeveel hout er, ten behoeve van de timmerindustrie, de komende jaren uit de Nederlandse bossen kan worden geoogst, is nog niet exact bekend – hier wordt nog nader onderzoek naar gedaan. De vraag over uitvoerbaarheid en opschaling hangt ook af van op welke wijze de houten woningen worden gemaakt.
Is dit volledig HSB of is dit in CLT of wordt er gekozen voor een hybride systeem (combinatie van beide bouwsystemen)? De vraag is welk systeem in welke situatie het meest efficiënt kan worden toegepast: • Daar waar grondgebonden laagbouw zich wellicht eerder leent voor HSB zal CLT voor hoogbouw (vanaf circa 4 bouwlagen) een logische keuze zijn. • Ook de seriematigheid speelt hierbij een rol. Vrijwel ‘standaard’ rijtjeswoningen zullen eerder in HSB worden uitgevoerd terwijl bijzondere ‘one of a kind’ gebouwen, bijvoorbeeld hotel Jakarta in Amsterdam6, De Kamers te Amersfoort7 of HAUT in Amsterdam8 in CLT kunnen worden gemaakt. Immers door het CNCproces17 in de CLT -fabriek zijn afwijkende vormen efficiënter te produceren. • Hybride systemen, bijvoorbeeld een combinatie van HSB en CLT (zie ook Bijlage 1), zouden wellicht in de toekomst ook interessant kunnen zijn.
6 https://architectenweb.nl/projecten/project.aspx?ID=36773. 7 http://www.kortekniestuhlmacher.nl/projecten/de-kamers.
8
https://www.dearchitect.nl/architectuur/nieuws/2018/12/houthoogbouw-haut-van-start-101204382.
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 5/11
VRAAG 5: In hoeverre is houtmassiefbouw/houtskeletbouw volhoudbaar? (staat een houtmassieve huis er over 100 jaar nog, hoeveel beheer en onderhoud is er nodig in vergelijking met betonbouw, met welke risico’s moeten we rekening houden?) Antwoord: Hier zijn nog geen specifieke getallen van bekend. Echter houten schuren en kerken van meer dan 100 jaar oud staan er nu ook nog. Ook de eerste HSB woningen9 en ook eerste CLT gebouwen staan er nog steeds. Daar tegenover staat ook dat betonnen flats uit de jaren 60 nu al worden gesloopt. Technische levensduur speelt hier maar beperkt een rol. Vaak zijn het ruimtelijke en/of sociale aspecten waardoor gebouwen niet meer voldoen en tot sloop wordt overgegaan. We zien hier vooralsnog geen probleem/belemmering, echter ook hier geldt: “Hoe pas je het hout toe?”. • Als we het hebben over houtbouwsystemen zoals HSB en CLT (dus draagconstructie van hout), dan zitten de houten constructiedelen binnenin het gebouw, beschermd tegen weer en wind. Onderhoud en beheer is dan relatief beperkt. • Echter als we het hebben over gelamineerde spantconstructies die (deels) buiten staan, in weer en wind, dan is zeker aandacht voor onderhoud nodig. Dergelijke constructies zullen over het algemeen dan ook minder lang meegaan.
• Bij houten gevelbekleding, mits het juiste hout is toegepast, goed is gedetailleerd en op een juiste manier wordt onderhouden, kan de levensduur variëren van bijvoorbeeld 10-60 jaar. • Ook voor houten kozijnen is het van belang welk hout wordt gekozen, hoe het ontwerp is gedetailleerd en op welke wijze kozijnen in de gevel zijn opgenomen (beschermd / onbeschermd tegen weer en wind, door bijvoorbeeld een overstek). In de jaren ’90 werd voor houten kozijnen onder andere Hemlock en Vuren, zonder aanvullende maatregelen toegepast. Gevolg was veel houtrot, schades en hoge onderhoudskosten. Nu worden dergelijke kozijnen anders toegepast en gedetailleerd en kunnen ze vaak meer dan 50 jaar mee. Wat wel een aandachtspunt is, is het krimp- en zwelgedrag van hout (als gevolg van vocht). Oftewel ‘hout werkt’. Maar ook hier weer afhankelijk van de toepassing en of constructies al dan niet worden afgewerkt.
9 Nederland kreeg na de watersnoodramp via het Nederlandse Rode Kruis meer dan 900 bouwpakketten
voor (prefab-) huizen uit het buitenland. Noorwegen schonk er 326 (https://nl.wikipedia.org/wiki/Watersnoodwoning).
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 6/11
VRAAG 6: In hoeverre is houtmassiefbouw / houtskeletbouw veilig? (hoe is de brandveiligheid van houtmassiefbouw, in hoeverre is houtmassiefbouw brandvertragend uit te voeren?) Antwoord: Zowel CLT als HSB (zie ook Bijlage 1) kunnen binnen huidige regelgeving (Bouwbesluit 2012) worden toegepast. Zowel constructief veilig en betrouwbaar als brandveilig. Ook in het buitenland is al vele jaren ervaring met houtbouw (zowel laag- als hoogbouw). Uiteraard zijn er diverse aandachtspunten te benoemen: • Windbelasting: Door het lage gewicht is HSB/CLT wat gevoeliger voor de zuigende werking van wind. Dat is dan ook de reden dat bij hoogbouw vaak gekozen wordt voor een betonnen stabiliteitskern10. • Krimp-/zwel-gedrag en kruip11: Hout is een natuurlijk product en zal bij droge omstandigheden vocht afstaan (krimp) en bij natte omstandigheden vocht opslaan (zwel). Krimp van hout in combinatie met kruip (= blijvende vervorming door belasting11) zorgen er met name bij hoogbouw voor dat krachten op verbindingen en verbindingsmiddelen ontstaan. Tijdens het ontwerp dient hiermee rekening te worden gehouden. Bij laagbouw (3-laags) is dit geen issue. Belangrijk is wel dat zowel bij HSB als bij CLT de elementen tijdens de bouwfase voldoende worden beschermd tegen vocht (regenwater). • Brandveiligheid: Bouwen in hout (zowel HSB als CLT) kan in basis brandveilig en binnen de huidige regelgeving.
Het is echter wel van belang (net als bij andere bouwmaterialen en bouwsystemen) om goed te kijken naar ontwerp, detaillering (onder andere aansluitingen) en afwerking. Uiteraard is het van belang te kijken naar de toepassing, bijvoorbeeld of er ook sprake is van woningscheidende wanden of vloeren. Enkele aandachtspunten (niet uitputtend): o HSB-wanden worden vaak afgewerkt met brandwerende bekleding, en vloeren (woningscheidend) worden vaak voorzien van een brandwerend gipsplafond. o Voor CLT geldt in principe dat, indien er sprake is van hout als zichtwerk, de constructies moeten worden overgedimensioneerd om te kunnen voldoen aan de brandwerendheid-eisen. Alternatief is hier ook een brandwerende afwerking die ook nodig is als er sprake is van hoge eisen voor brandvoortplanting. o CLT vormt bij brand van nature een koollaag. Deze koollaag werkt brandvertragend. Alhoewel aangetoond kan worden dat CLT voldoet aan de regelgeving is er voor CLT nog wel wat discussie over het ‘functioneren onder brandcondities’. Doordat het hout gelamineerd is, is de kans aanwezig dat bij brand (warmte) de onderste lamellen (van vloeren) loskomen en zorgen voor extra brandstof. Dit is dan ook de reden dat bijvoorbeeld een brandwerend gipsplafond wordt aangebracht12. o In sommige gevallen zal er de noodzaak zijn om aanvullend een sprinklerinstallatie in het gebouw aan te brengen.
• Geluidsisolatie: Ook geluid is voor HSB en CLT een aandachtspunt, zeker bij woning scheidende wanden en vloeren (appartementen). Extra maatregelen zoals verend opgelegde dekvloeren, plafonds en dubbele wanden zijn vaak nodig. Ook is er extra aandacht nodig voor flanking (flankerende geluidsoverdracht). 10 Voorbeeld van een betonnen kern gecombineerd met hout:
https://www.volkskrant.nl/wetenschap/de-boom-als-basis-voor-alles-hoe-hout-het-materiaal-van-detoekomst-kan-worden~b96560e0/. 11 Kruip is de blijvende vervorming van een materiaal dat gedurende langere tijd belast is met bijvoorbeeld trek- of drukkracht, of met een moment belast is. Kruip is doorgaans een ongewenst verschijnsel, en kan een beperkende factor zijn voor de levensduur van een object (https://nl.wikipedia.org/wiki/Kruip). 12 De opmerking ten aanzien van de brandveiligheid van woningscheidende CLT vloeren, kan vooralsnog niet nader worden bevestigd. Dit is één van de kennisvragen die nog nader moet worden onderzocht.
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 7/11
Nawoord We realiseren ons dat diverse antwoorden op de door jullie gestelde vragen weer nieuwe vragen oproepen. Als TNO doen wij ons best om deze kennisvragen (kennishiaten), samen met andere kennisinstellingen, overheden en marktpartijen, op te pakken, te onderzoeken en te beantwoorden. Hier werken we al enige jaren aan, samen met de houtindustrie. Wat dit onderwerp betreft komt de Gemeente Zuidplas vroeg en zijn jullie qua ambitie echte koplopers op dit gebied. Er zijn helaas nog geen concrete bestaande onderzoeksprogramma’s voor houtbouw in Nederland, maar we verkennen nu de mogelijkheden met marktpartijen, overheden en andere kennisinstellingen. Jullie initiatief staat niet op zichzelf, maar we krijgen vele gelijksoortige vragen. Wat dat betreft is de tijd rijp om hier een sector breed programma voor op te zetten, omdat er nog veel kennisvragen zijn. Wellicht zijn er mogelijkheden om het initiatief rondom houtbouw in de Zuidplaspolder als landelijk innovatieproject o.i.d. te kenmerken, om zo de (nieuwe) kennisvragen te kunnen gaan beantwoorden. Hiertoe zien wij mogelijkheden en daar gaan we ons zeker voor inzetten. Aangezien pas over een aantal jaar de eerste paal de grond in gaat, hebben we nog tijd om dit op te zetten, mits de markt en overheden hier ook in willen investeren.
TNO S.L. (Sanne) van Leeuwen, Msc, specialist circulariteit in de bouw ir. R.E. (Rens) Nijman, junior scientist innovator J.D. (Jan) de Jong, specialist hout in de bouw ing. P. (Peter) Kuindersma, specialist circulariteit in de bouw / innovator
Bijlage 1: Terminologie houtbouw Nederland
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 8/11
BIJLAGE 1: Terminologie houtbouw Nederland Voordat wordt ingegaan op de beantwoording van de vragen is het goed om enkele begrippen nader toe te lichten. Immers door introductie van de term ‘houtbouw’ lijkt het alsof dit slechts één bouwsysteem (één categorie hout) betreft, dat is niet het geval. Hout in de bouw kan bijvoorbeeld in de volgende categorieën worden onderverdeeld (niet limitatief)): •
Houtskeletbouw (HSB): Onder houtskeletbouw (een echt bouwsysteem) wordt in het algemeen verstaan: het samenstellen van woningen of andere bouwwerken uit pasklare, schijfvormige, geprefabriceerde houten elementen. Deze zijn verdiepingshoog, vaak ook woningbreed en licht van gewicht. De schijfvormige elementen bergen alle functies in zich: constructie, warmte-isolatie, vocht- en luchtdichting, geluidsisolatie en brandwerendheid. Vooral qua warmte-isolatie is er een belangrijk verschil met steenachtige constructies. Bij deze laatste wordt de isolatie als extra laag toegevoegd aan het binnenspouwblad. Bij houtskeletbouw zit de isolatie in de constructie, wat een kleinere totale dikte van de buitenwand betekent13. Houtskeletbouw is in Nederland ontstaan in gebieden met minder draagkrachtige grond, bijvoorbeeld de Zaanstreek. Sinds eind jaren ’70 / begin ’80 ontwikkelde de Houtskeletbouw zich echt in Nederland.
•
CLT constructief (massief) hout: CLT staat voor Cross Laminated Timber ofwel kruislaags – gelamineerd hout. Kruislaaghout bestaat uit minimaal drie kruislings ten opzichte van elkaar gelijmde lamellen, samengesteld uit Vurenhout (Picea abies) uit bijvoorbeeld Oostenrijk14 of Duitsland15. CLT bestaat sinds eind jaren ’60. Dit ‘product’ is net als HSB een bouwsysteem. Grootste verschil is echter dat het bij CLT gaat om ‘massief hout’ en bij Houtskeletbouw niet. Voordelen van CLT zijn bijvoorbeeld dat je hoger kan bouwen (meerlaagse HSB is praktisch gebonden aan een maximum van vijf à zes lagen16) en dat alle bewerkingen in de fabriek met CNC17 worden uitgevoerd. CLT vervangt in de praktijk vaak beton of het HSBsysteem. Eén van de nadelen van CLT is dat nog in het werk (op de bouwplaats) moet worden geïsoleerd – daar waar bij HSB isolatie in de fabriek al in het element wordt opgenomen.
•
Massief houtbouw / logbouw (of houtstapenlbouw): Alhoewel de term ‘massief houtbouw’ in de praktijk vaak betrekking heeft CLT, is deze term meer geschikt voor het bouwsysteem waarbij een wand opgebouwd wordt uit logs. Voorbeelden hiervan zijn: Finnlogs18 of ScanaBouw19.
•
Hybride systemen (HSB/CLT/beton): Combinaties van HSB- / CLT-elementen en betonnen bouwsystemen zijn ook mogelijk. Bij deze hybride systemen worden eigenschappen/prestaties van de elementen optimaal benut. Enkele voorbeelden:
13 Handboek Houtskeletbouw, ISSO. 14 CLT is in Oostenrijk ontstaan vanuit de gedachte dat meer hout uit een boom kon worden geoogst. De
kern van CLT is voorzien van een hout met wat mindere kwaliteit ten opzichte van de buitenste lamellen. 15 Europa kent een groot aantal producenten van kruislaaghout, te weten: StoraEnso, Derix, Korlam, Binderholz, KLH Massivholz, Martinsons, Meyer-Meinhof, Moelven, Hasslacher, Merk-Timber en Lignotrend. 16 Handboek Houtskeletbouw, ISSO. 17 CNC betekent Computer Numerical Control. Dit betreft de computergestuurde regeling van werktuigmachines, meestal in de verspaningstechniek, die snel en nauwkeurig stukken moeten maken in metaal, kunststof of hout (https://nl.wikipedia.org/wiki/Computer_numerical_control). 18 http://www.finnlogs.nl/logbouw/. 19 https://scanabouw.nl/page/wandopbouw-houtstapelbouw/.
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 9/11
o
o o o
HSB-systeem met CLT verdiepingsvloeren (voordeel is dat verdiepingsvloeren ‘zwaarder’ zijn waardoor geluidhinder minder vaak voorkomt); HSB-systeem met CLT stabilisatiewanden; Hoogbouw: Betonnen kern (bijv. liftschacht en trappenhuis) gecombineerd met CLT-wanden en vloeren; Maar ook een combinatie met elementen van Laminated Veneer Lumber (LVL)20 zijn mogelijk. Bijvoorbeeld als vloerelementen bij grote overspanningen.
•
Houten binnenspouwbladen (hbs): Dit zijn prefab (onder geconditioneerde omstandigheden) geproduceerde niet dragende gevelvullende elementen (van bouwmuur tot bouwmuur en van vloer tot vloer, vaak al voorzien van kozijnen, ramen, deuren en beglazing. Voordeel (net als bij houtskeletbouw) is dat deze elementen al zijn geïsoleerd in de fabriek, alleen de gevelafwerking (bijvoorbeeld metselwerk of houten gevelbekleding) wordt vaak in het werk (op de bouwplaats) aangebracht. Houten binnenspouwbladen worden vaak in een betonnen casco als gevelvullend element aangebracht.
•
Houten dakdooselementen: Net als bij houten binnenspouwbladen worden veel schuine pannen daken in Nederland als prefab dakdoos uitgevoerd. Een dakdoos bestaat uit sporen/gordingen (= balkhout) waartussen is geïsoleerd (vaak een zachte isolatie zoals minerale wol). Aan de binnenzijde is de dakdoos afgewerkt met een plaatmateriaal (vaak spaanplaat). De buitenzijde is vaak voorzien van een waterwerende folie (deze houdt de regen tijdelijk tegen) met tengels (verticaal) en panlatten (horizontaal). De dakpannen worden in het werk aangebracht.
•
Sandwichdaken: Sandwichdaken zijn opgebouwd uit een harde isolatie (EPS, PUR, PIR) met zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde een plaatmateriaal (spaanplaat bijvoorbeeld). Dus als een ‘sandwich opgebouwd’. Ten opzichte van de houten dakelementen (voorgaande categorie) bevatten deze sandwichdaken relatief weinig hout. Dat is dan ook de reden dat deze categorie vaak niet als ‘houtbouw’ wordt gezien.
•
Houten gevelbekleding: Dit is de houten afwerking (vaak esthetisch en regenkering) van de gevel. Vaak uitgevoerd als potdeksel of in rabatdelen. Houten gevelbekleding wordt vrijwel altijd aangebracht op een geventileerde (of beluchte) spouw. Daarom worden achter deze gevelafwerking ook latten (verticaal of horizontaal) toegepast21. In de jaren 90 werden veel gevels van woningen (ook van HSB-woningen) van hout uitgevoerd – de woningen kregen hierdoor een zogenaamde ‘houtlook’. Bekendste alternatief voor een gevelafwerking is een gemetselde buitenspouwblad
•
Kozijnen, ramen en deuren: Kozijnen, ramen en deuren worden ook vaak van hout gemaakt. Over het algemeen wordt nog steeds veel gebruik gemaakt van de meer bekende hardhout soorten zoals Meranti (deuren en kozijnen/ramen) en Merbau (deuren). Maar ook zachthout soorten als Vuren (Picea Abies), Oregon Pine, Accoya en hardhoutsoorten zoals Sapupira en Mahoni, komen steeds vaker voor.
•
Overige houttoepassingen: o trappen en trapleuningen, o betimmeringen, o vloeren en vloerafwerkingen, o plafonds,
20 Zie bijvoorbeeld: https://www.metsawood.com/nl/producten/Kerto/Pages/Kerto.aspx of
https://gelijmde-houtconstructies.nl/gelijmde-houtconstructies/producten/lvl-ribben-elementen/. 21 Zie ook ‘Gevelbekleding van massief hout (https://www.houtdatabase.nl/infobladen/houtwijzer_gevelbekleding-massief-hout_jan2018.pdf).
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 10/11
o o o
binnendeuren en kozijnen, kasten, etc.
Indien we dus spreken over ‘houtbouw’ in Nederland is het maar de vraag welke variant(en) we exact bedoelen. Ook vragen ten aanzien van opschaling behoeve daarom vaak meer toelichting om concreter antwoord te kunnen geven. ----
Datum 13 maart 2020 Onze referentie 060.44246 Blad 11/11