B 1216 1 - Bijlage 1 Programma Flexibilisering asielketen - opvangplekken Zuid-Holland I20.003745
Tekst van het document
Gedeputeerde Staten Contact
120 003745 / 25/09/2020 Gemeente Zuidplas
f
p™” Holland aan de colleges van Burgemeester en wethouders van de Zuid-Hollandse gemeenten
V J.J A Gijsbers T 070 - 441 74 21 vjja gijsbers@pzh.nl Postadres Provinciehuis Postbus 90602 2509 LP Den Haag T 070-441 66 11 WWW zuid-holland nl Datum
Zie verzenddalum linksonder Ons kenmerk
PZH-2020-750410220 Uw kenmerk Bijlagen
programma flexibilisering van de asielketen
Onderwerp
Programma Flexibilisering van de asielketen; opvangplekken in Zuid-Holland Geacht college, Wij vragen uw aandacht voor de enorme opgave waar wij in de asielketen voor staan: de opvangcapaciteit van het COA bereikt haar grenzen terwijl de vraag naar opvangplekken onverminderd groot blijft. Daarom vragen wij u dringend om bij te dragen aan het verminderen van de druk op de opvangcapaciteit. Dit kunt u doen door: • opvangplekken te realiseren door een opvang in uw gemeente te openen, en/of • vergunninghouders, die aan uw gemeente zijn gekoppeld, sneller te huisvesten, zodat zij niet onnodig opvangcapaciteit bezet houden. Opvangplekken realiseren De provinciale opgave aan opvangplekken Bezoekadres Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag Tram 9 en de buslijnen 90, 385 en 386 stoppen dicht bij het provinciehuis Vanaf station Den Haag CS is het tien minuten lopen De parkeerruimte voor auto's is beperkt.
De Landelijke Regie Tafel (LRT) heeft op 14 mei 2020 de uitvoeringsagenda Flexibilisering van de asielketen en de kwantitatieve opgave per provincie vastgesteld. De uitvoeringsagenda schetst een beeld van de toekomst van het asielsysteem en van de toekomstige opvangvormen: gemeenschappelijke vreemdelingenlocaties, satellietlocaties en regionale opvanglocaties. Voor een korte beschrijving van het toekomstbeeld van het asielsysteem en van de opvangvormen verwijzen wij u naar de bijlage onder aan deze brief. Ook heeft de LRT de kwantitatieve opgave van de benodigde opvang in de vorm van regionale opvanglocaties en satellietlocaties en gemeenschappelijke vreemdelingenlocaties bepaald. Daarmee ligt ook de opgave voor onze provincie vast, namelijk: • 417 opvangplekken te realiseren in 2020; • 1.100 opvangplekken, uiterlijk te realiseren in 2021 als compensatie van de opvangcapaciteit van de locaties die in 2021 gaan sluiten (Rotterdam en Rijswijk); • 2.450 tot 2.700 opvangplekken, te realiseren vóór 2024, in de vorm van een regionale opvanglocaties; en • 1.430 tot 1.500 opvangplekken, te realiseren vóór 2024 in de vorm van gemeenschappelijke vreemdelingenlocaties of satellietlocaties.
P/H ><)>') ’504U);,n)(.k). iS-09-2020
Ons kenmerk PZH-2020-750410220
'’™” Holland
Om in te kunnen spelen op de wisselende behoefte aan opvangcapaciteit gaat de uitvoeringsagenda ervan uit dat ten minste de helft van de opvanglocaties een flexibele opvanglocatie (zie hieronder) is. Met deze flexibele opvanglocaties wordt een bijdrage geleverd aan de urgentie op de woningmarkt, de urgentie op asielopvang en de integratie van de vergunninghouder, waar de gemeenten vanaf medio 2021 medeverantwoordelijk worden (nieuwe wet inburgering van SZW). Hoe deze opgave aan opvangplekken over de provincie wordt verdeeld, dat wil zeggen welk deel van de provinciale behoefte aan opvangcapaciteit iedere Veiligheidsregio voor haar rekening neemt, zal aan de komende de Provinciale Regie Tafel (2 oktober 2020) worden besproken. Uitwerking flexibele opvanglocaties Op flexibele opvanglocaties kunnen naast asielzoekers ook andere urgente woningzoekenden gelijktijdig of volgtijdelijk verblijven. Dit is tijdelijk, op momenten dat COA minder asiel opvangplekken nodig heeft, kunnen de leegstaande plekken worden gebruikt door andere urgente doelgroepen. Zo kan leegstand van de opvang worden beperkt en kan er woonruimte voor een aantal spoedzoekers beschikbaar komen. Een mogelijkheid waar zowel COA als gemeenten baat bij kunnen hebben. Voor gemeenten heeft een flexibele opvanglocatie het voordeel dat er afspraken over het gebruik van het vastgoed voor de langere termijn worden gemaakt.
Het vastgoed blijft, maar het gebruik kan variëren (multifunctioneel gebruik). Partners (gemeente, corporatie, COA) werken samen en maken afspraken over dat gebruik. Zo kan asielopvang sneller worden op- en afgeschaald zonder dat locaties moeten worden geopend of worden gesloten. Dit draagt bij aan bestuurlijke stabiliteit. Flexwonen en flexibele opvanglocaties Met Flexwonen wordt gedoeld op huisvest! ngsoplossingen waarbij men woont op basis van tijdelijke contracten. Flexwonen voorziet in een urgente woningbehoefte. De woningmarkt in Zuid-Holland kent een enorme druk en Flexwonen kan die druk tijdelijk verminderen door het aanbod van tijdelijke woonoplossingen voor spoedzoekers' te vergroten. Door snel extra woonruimte in tijdelijke woningen op (tijdelijke) locaties of in leegstaand vastgoed te realiseren ontstaat een flexibele schil om de bestaande woningvoorraad die kan fungeren als ‘ventiel’ en die de druk op de woningmarkt verlicht.
' Spoedzoekers zijn mensen die met spoed een woonruimte zoeken. Spoedzoekers betreft een brede groep mensen, zoals vergunninghouders, (buitenlandse) studenten, starters op de woningmarkt, gescheiden mensen, mensen die uit hun woning zijn gezet, mensen afkomstig uit een (woonzorg)instelling, arbeidsmigranten en mantelzorgers.
PZH-2020-750410220 dd, 15-09-2020
Ons kenmerk
PZH-2020-750410220
Holland
Gezien het belang dat wij aan Flexwonen hechten, bieden wij extra ruimte in het regionale woningbouwprogramma voor initiatieven met ‘flexwoningen’. Deze extra ruimte in het woningbouwprogramma kan ook ingezet worden voor het realiseren van de combinatie asielopvang met Flexwonen. Bij deze combinatie kan gedacht worden het afzonderen van een deel van een gebouw of een deel van het complex van gebouwen van de opvang voor Flexwonen. Een vleugel of een verdieping van een gebouw of een gebouw op het terrein van de opvang wordt dan gebruikt om spoedzoekers woonruimte te bieden. Bij het volgtijdig aanbieden kan het gebouw of het complex van de opvang worden gebruikt voor Flexwonen in tijden dat het COA minder opvangcapaciteit nodig heeft. Gezien de enorme behoefte aan opvangplekken vragen wij u om samen met uw Veiligheidsregio en uw wonen regio te onderzoeken hoe uw gemeente kan bijdragen aan het realiseren van het aan de komende de Provinciale Regie Tafel (2 oktober 2020) te bepalen regionale deel van de provinciale behoefte aan opvangcapaciteit (al dan niet) in combinatie met Flexwonen. Wij zijn ons bewust van de verschillende verantwoordelijkheden {opvang is veelal een verantwoordelijkheid van de burgemeester terwijl Flexwonen veelal een verantwoordelijkheid van de wethouder wonen is).
Daarom vragen wij u, vanuit uw eigen verantwoordelijkheid en vanuit het besef dat deze maatschappelijk opgave nu om actie vraagt, met alle partijen op een constructieve manier aan het realiseren van deze opgave te werken. Alleen dan komt de benodigde opvangcapaciteit al dan niet in combinatie met Flexwonen van de grond. Desgewenst kunt u hierbij gebruik maken van bestaande kennis als het gaat om het realiseren van opvang al dan niet in combinatie van Flexwonen. Wij verwijzen u naar de interactieve brochure: Flexibele opvang, hoe werkt dat? https://www.coa.nl/sites/default/files/202007/253.073%20Flexibele%200pvanq%20Asielketen opmaak-DEF.pdf Ook kunt u contact op nemen met mevrouw B. Scheper van het COA (telefoonnummer 0610282883, email bioraescheper@coa.nl). De aan de gemeente gekoppelde vergunninghouders sneller te huisvesten Op basis van bestuurlijke afspraken moeten vergunninghouders binnen 10 weken nadat zij aan een gemeente gekoppeld zijn een woning aangeboden krijgen. Daarna zou de vergunninghouder binnen twee weken moeten verhuizen. Wij stellen vast dat veel vergunninghouders veel langer dan die tien weken moeten wachten voordat zij een woning aangeboden krijgen en daarmee langer opvangplekken bezet houden. Dat heeft weer tot gevolg dat er extra opvangcapaciteit nodig is.
Op 14 augustus 2020 waren er 1.251 vergunninghouders aan een Zuid-Hollandse gemeente gekoppeld, 571 (=46%) daarvan wachten te lang op huisvesting. Dat betekent dat voor het aantal vergunninghouders dat in onze provincie te lang op huisvesting wacht alleen al een AZC nodig is. Het langer op huisvesting moeten wachten heeft ook tot gevolg dat de vergunninghouders langer moeten wachten voordat zij kunnen beginnen met integreren in en participeren aan de Nederlandse samenleving. Dat is niet goed voor de vergunninghouder, maar ook niet voor onze samenleving.
PZH ?020 /'.u^UV.’0dd IS 0» ,>ÜJÜ
Ons kenmerk
PZH-2020-750410220
Holland
De druk op de opvangcapaciteit en de maatschappelijke wens om vergunninghouders zo snel mogelijk te laten integreren en participeren maakt dat wij een dringend beroep op u doen om vergunninghouders sneller te huisvesten. Wij adviseren u daarom om korte termijn te bezien of: • het huisvestingsproces van vergunninghouders verbeterd kan worden zowel intern als extern; • een of meer Flexwonen projecten gerealiseerd kunnen worden door transformatie van leegstaand vastgoed of door tijdelijke bouvirwerken, zoals units en/of door doorstroomwoningen te realiseren. Een doorstroomwoning is een woning die kamergewijs en tijdelijk wordt verhuurd aan alleenstaande vergunninghouders die wachten op hun gezinnen. Dit kan een woning van een corporatie zijn, al zijn er ook voorbeelden van gemeenten die zelf een woning hebben aangekocht en die woning als doorstroomwoning in de markt hebben gezet. Relatie huisvesting vergunninghouders en het provinciaal wonen beleid Het huisvesten van vergunninghouders heeft in onze ogen een duidelijke relatie met het wonenbeleid. In zijn algemeenheid geldt dat het huisvesten van alleenstaanden en grote gezinnen een uitdaging is omdat de bestaande woningvoorraad over het algemeen te weinig woonruimten voor alleenstaanden en grote gezinnen heeft. Bij het huisvesten van vergunninghouders zien wij dit ook terug.
Veelal moet de vergunninghouder, die alleenstaand is, die alleenstaand is en gezinshereniging heeft aangevraagd of die een groot gezin heeft langer op huisvesting wachten. Dit maakt dat wij u in het kader van ons wonenbeleid vragen om uw woningbouwprogramma beter op de behoefte aan woonruimten voor alleenstaanden en grote gezinnen aan laten sluiten. Tot slot Bovengenoemde voorstellen kunnen bijdragen aan het realiseren van flexibele opvang en aan het sneller huisvesten van vergunninghouders en daarmee aan het realiseren van de taakstelling van de gemeente. Bijkomend voordeel is dat wij daardoor hopelijk minder gemeenten op de bestuurlijke interventieladder hoeven te plaatsen. Omdat deze maatschappelijke opgave in onze ogen nu opgepakt moet worden doen wij een dringend beroep op u om mee te werken aan het verminderen van de druk op de opvang capaciteit door het realiseren van opvangplekken al dan niet in combinatie met Flexwonen en door gekoppelde vergunninghouders zo snel mogelijk te huisvesten. Deze maatschappelijke opgave zal op diverse manieren worden gemonitord. • De Provinciale Regie Tafel zal monitoren of in hoeverre de provinciale opgave aan opvangplekken wordt gerealiseerd.
• Via de regionale woningbouwprogramma's waarin de Flexwonen projecten opgenomen worden monitoren wij de Flexwonen component van te realiseren opvang en de mate waarin het woningbouwprogramma aan sluit op de behoefte aan woonruimten voor alleenstaanden en grote gezinnen. • Via ons toezicht monitoren wij al dan niet tijdig huisvesten van vergunninghouders.
fVH .^02ü 750410220 dd, 15-00-2020
Ons kenmerk
PZH-2020-750410220
Holland
Met deze brief, die wij in afschrift aan de voorzitters van de 8 Zuid-Hollandse wonen regio’s en van de 4 veiligheidsregio’s sturen, hebben we inzichtelijk gemaakt waarom het realiseren van opvangplekken en/of het sneller huisvesten van vergunninghouders een urgent maatschappelijke opgave is. Wij vertrouwen op uw medewerking om de maatschappelijke opgave tot een goed einde te brengen, Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, secretaris, voorzitter,
Xl drs. H.M.M. Koek
drs. J. Smit
PZH-2020-750410220dd. 15-09-.2020
Ons kenmerk
PZH-2020-750410220
Holland
BIJLAGE: beschrijving van het toekomstbeeld van het asielsysteem en van de opvangvormen In het asielsysteem maken bestuurlijke partners afspraken over voldoende flexibele opvangcapaciteit. Hierdoor kunnen plotselinge veranderingen in de vraag naar opvangplekken beter en voorspelbaar worden opgevangen. Asielzoekers beginnen de asielprocedure op de Gemeenschappelijke Vreemdelingenlocatie (GVL). De procedure start met de aanmeldfase, die ongeveer driedagen duurt. Aan het einde van de aanmeldfase worden drie groepen asielzoekers onderscheiden: • evident kansrijke asielzoekers, • evident kansarme asielzoekers, • een restgroep van asielzoekers. De evident kansrijke asielzoekers worden zo snel mogelijk in de nabijheid van de beoogde gemeente van huisvesting geplaatst. Tijdens het asielproces en het verblijf in de opvang wordt gestart met de integratie. Voor een goede integratie is een doorgaande lijn tussen de integratie in de opvang en de integratie en huisvesting door de gemeente van belang. De evident kansarme asielzoekers starten zo snel mogelijk met de terugkeer. In het toekomstbeeld bestaan drie typen opvangvormen: • Gemeenschappelijke vreemdelingenlocaties (GVL) Op deze locaties beginnen alle asielzoekers de asielprocedure. Hier werken allen asieldiensten samen aan een doelgroepgericht asielproces, dat bepaalt welk vervolgtraject nodig is.
De restgroep en de evident kansarme asielzoekers blijven op de GVL, zolang zij intensief contact hebben met de asieldiensten. • Satellietlocaties De satellietlocaties voorzien in aanvullende capaciteit voor de GVL's. Hier kunnen asielzoekers worden opgevangen die (in een bepaalde fase van het asielproces) minder frequent contact hebben met de asieldiensten. Het gaat hierbij vooral om de restgroep van evident kansarme asielzoekers, want in beginsel vinden op deze satellietlocaties geen proceshandelingen plaatst. • Regionale opvanglocaties (ROL) In de regionale opvanglocaties worden zo snel mogelijk vergunninghouders en evident kansrijke asielzoekers geplaatst. Iedere ROL is verbonden aan meerdere gemeenten in de regio; deze gemeenten huisvesten de vergunninghouders die in de ROL opgevangen zijn. Voor een vergunninghouder krijgt in de ROL de overgang van opvang naar huisvesting vorm, met activiteiten die gericht zijn op (de voorbereiding op) de inburgering, integratie en vestiging in een aan de ROL verbonden gemeente.
PZH-2020-750410220 dd. 15-09-2020
Ons kenmerk
PZH-2020-750410220
Holland
Beschrijving Procescentra waar alle asielzoekers binnenkomen en de asielprocedure
Onivang
Aantal locaties
>1000 opvang plekken
4 In Nederland
300-1200 Opvang plekken
Afhankelijk van Instroom
>300 Opvang plekken
Minimaal 2 per provincie
(m««r nodtg)
doorlopen
Locaties die dienen als ventiel voor GVL's en voor opvang van specifieke groepen
Regionale opvanglocaties
Locaties dichtbij gemeente van huisvesting, met activiteiten gericht op Integratie
(afhankeli)k van taakstc'lling)
Groepen asielzoekers Alle groepen asielzoekers In eerste fase van procedure Asielzoekers die procedure snel kunnen doorlopen en Intensief contact hebben met asieldlensten Asielzoekers met minder Intenstlef contact met asieldlensten (bijv. door verlengde procedure) Asielzoekers die specifiek opvangregime behoeven (bijv. t.a.v zorg) Hoofddoelgroep: vergunning houders en evident kansrijken Sub-doelgroep: overige groepen asielzoekers en andere bevolkingsgroepen
Flexibele opvangvormen Het streven is om naar flexibele opvangvormen te ontwikkelen, waarmee ingespeeld kan worden op fluctuerende behoefte aan opvangplekken. Hiermee wordt voorkomen dat dan weer locaties worden gesloten en dan weer locaties moeten worden geopend. Flexibele opvangvormen zijn vormen waar asielzoekers en vergunninghouders die wachten op huisvesting opgevangen worden en gelijktijdig (bijvoorbeeld in een aparte vleugel) of volgtijdelijk (in een tijd met minder behoefte aan opvang) ook aan andere groepen woningzoekenden (spoedzoekers) huisvesting bieden. Satellietlocaties en regionale opvanglocaties kunnen worden ingericht als flexibele opvangvorm. Flexibele opvangvormen hebben voor het asielsysteem het voordeel dat tegen beperkte kosten flexibele opvangcapaciteit kan worden aangehouden, waardoor het mogelijk is om de opvangcapaciteit sneller op- of af te schalen zonder dat er locaties geopend of gesloten moeten worden. Gemeenten met flexibele opvangvormen kunnen spoedzoekers in deze flexibele opvangvorm tijdelijke woonruimte bieden. Het mengen van asielzoekers, vergunninghouders en andere bewoners heeft een positief effect op de inburgering en kan bijdragen aan het lokaal draagvlak voor flexibele opvang. Het is de bedoeling dat de toekomstige uitbreidingen van de opvangcapaciteit voor ten minste de helft uit flexibele opvangvormen bestaat.
P7H
n O-' 'O.M
Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen
vastgesteld Landelijke Regietafel 14 mei 2020
Somenwerken aan flexibele opvang en begeleiding naar integratie of terugkeer
Preambule Het doel van deze Uitvoeringsagenda is de samenwerking tussen gezamenlijke overheden (rijk, provincie, gemeente) te versterken om i) de opvangcapaciteit van asielzoekers flexibeler mee te bewegen met veran deringen in de instroom en 2) de overgang van asielopvang naar huisvesting en integratie te verbeteren. Hiermee zetten bestuurlijke partners zich (vanuit de eigen verantwoordelijkheid) in voor een asielsysteem dat effectief bijdraagt aan integratie en terugkeer.
nhoudsopgave 1. Inleiding 1.1 Context
3 3
1.2 Ambitie
3
1.3 Uitgangspunten
4
2. Toekomstbeeld van het asielsysteem 3. Gezamenlijke flexibele opvangstrategie 3.1 Ontwikkelen van flexibele opvangvormen 3.2 Gezamenlijke strategie bij op- en afschalen
4. De regionale opvanglocaties 4.1 Functies en doelgroepen
6 6
7 7
4.2 Diensten en activiteiten
8
4.3 Beheer en organisatie
8
5. Regionale indeling en bestuurlijke samenwerking 5.1 Regionale samenwerkingsverbanden 5.2 Provinciale regietafels
6. Verantwoordelijkheden en financiën 7. Implementatie Uitvoeringsagenda
21
6
9 9 9
1. Inleiding 1.1
Context
• De bestuurlijke partners constateren dat het huidige asielsysteem beter moet kunnen inspelen op veranderingen in de asielinstroom. Daarnaast kan de overgang van opvang naar huisvesting en integratie verbeteren. • Een beter werkend asielsysteem draagt bij aan draagvlak in de samenleving voor opvang van asielzoekers en integratie van vergunning houders. De huidige krapte op de woningmarkt en de aansluiting van nieuwkomers op de arbeidsmarkt vormen een uitdagende context, waarin knelpunten moeten worden opgelost. • De verantwoordelijkheden van de overheden met betrekking tot asiel zijn nauw met elkaar verbonden. Het op- en afschalen van opvangcapaciteit vereist dat het COA en gemeenten hiervoor geschikte locaties aanwijzen en ontwikkelen. Gezamenlijke afspraken over een meer flexibele asielopvang kunnen leiden tot minder bestuurlijke en maatschappelijke onrust. • In het Interbestuurlijk Programma (IBP) hebben de gezamenlijke overheden afgesproken grote maatschappelijke vraagstukken aan te pakken, waaronder het komen tot een flexibeler en effectiever asielsysteem. De Uitvoeringsagenda geeft invulling aan deze afspraak uit het IBP. Ook het Regeerakkoord benadrukt het belang van bestuurlijke samenwerking bij deze opgave.
Dit mede in navolging van de constructieve samenwerking tussen de bestuurlijke partners rond het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom uit 2015 en het Uitwerkingsakkoord Verhoogde Asielinstroom uit 2016. • De Landelijke Regietafel van i juli 2019 heeft de vertrekpunten en uitwerkingsagenda voor bestuurlijke samenwerking vastgelegd. Deze Uitvoeringsagenda vormt een nadere uitwerking van deze vertrekpunten en uitwerkingsagenda.
1.2 Ambitie • De bestuurlijke partners hebben de volgende gezamenlijke ambitie’; We streven naar een flexibel en effectief asielsysteem, dat menswaardig is voor de asielzoeker, dat kan rekenen op draagvlak in onze wijken, dorpen en steden, waaraan elke bestuurslaag zijn bijdrage levert en waarbij tegelijker tijd de spankracht van lokale gemeenschappen en besturen wordt gerespecteerd. Dit flexibele en effectieve systeem kan reageren op schommelingen in de omvang en samenstelling van de instroom, door de aanpasbaarheid van processen en schaalbaarheid van resources. Dit systeem draagt bij aan terugkeer van afgewezen osielzoekers, en aan tijdige en effectieve integratie van vergunninghouders door een goede aansluiting op huisvesting, werk en integratie.
Geaccordeerd door de Landelijke Regietafel d.d. i juli 2019
I 3
1.3 Uitgangspunten • Om deze ambitie te verwezenlijken, gelden de volgende uitgangspunten die voortvloeien uit het Regeerakkoord: -
Asielopvang in Nederland is te allen tijde menswaardig. De opvangcapaciteit is voldoende flexibel om, binnen aanvaardbare bandbreedtes, snel te kunnen meebewegen met de
-
behoefte. De inzet van noodopvang en crisisnoodopvang wordt zoveel mogelijk voorkomen. Op een beperkt aantal plaatsen in het land gaan asieldiensten onder één dak werken in middelgrote proceslocaties
-
(Gemeenschappelijke Vreemdelingen Locaties). In het asielproces moet zo snel mogelijk duidelijk worden of een asielzoeker recht heeft op een verblijfsvergunning of een grote
-
kans op vergunningverlening. Vergunninghouders en asielzoekers met een grote kans op een vergunning (hierna: evident kansrijke asielzoekers) moeten zo snel mogelijk starten met (voorbereiding op) integratie en participatie in de Nederlandse samenleving. Afgewezen asielzoekers
-
starten zo snel mogelijk met terugkeer. Vergunninghouders worden zo snel mogelijk geplaatst in de regio van de gemeente waar ze zullen worden gehuisvest, zodat tijdig kan worden begonnen met inburgering en integratie. Ook evident kansrijke asielzoekers worden geplaatst in de regio van
-
de (beoogde) gemeente van huisvesting. Het proces rond inburgering wordt vastgelegd in het nieuwe wetsvoorstel Wet Inburgering. Deze Uitvoeringsagenda sluit hierop
-
aan (zie paragraaf 4.2). Afgewezen asielzoekers moeten zo snel mogelijk terugkeren. Actieve voorbereiding op vertrek door de asielzoeker zelf is daarbij
-
het uitgangspunt. Overheden en non-gouvernementele organisaties ondersteunen hierin. Een integrale aanpak in het asielproces beperkt het aantal verhuisbewegingen van asielzoekers tot een minimum. Asielprocedure, opvang, huisvesting, integratie en terugkeer zijn nauw met elkaar verbonden en worden in samenhang bezien.
2. Toekomstbeeld van hetasielsysteem In het toekomstige asielsysteem maken bestuurlijke partners proactieve afspraken over voldoende flexibele opvangcapaciteit. Hierdoor kunnen plotselinge veranderingen in de vraag naar opvangplekken beter en voorspelbaar worden opgevangen. • Asielzoekers beginnen de asielprocedure op de Gemeenschappelijke Vreemdelingen Locaties (GVL’s). De procedure start met de aanmeldfase, die ongeveer drie dagen duurt. Aan het einde van de aanmeldfase worden op basis van nationaliteit en het landenbeleid onderscheid gemaakt tussen drie groepen asielzoekers: - Evident kansrijke asielzoekers: Dat zijn aanvragen die op basis van nationaliteit, landenbeleid en afwezigheid van contraindicaties (iF, nationale veiligheid, openbare orde) reeds in de aanmeldfase als kansrijk kunnen worden aangemerkt. Op dit -
moment betreft dit bijvoorbeeld Syriërs en Jemenieten. Evident kansarme asielzoekers: asielzoekers uit veilige landen of die reeds in een andere EU-lidstaat asiel hebben aangevraagd. Het kan ook gaan om asielzoekers uit landen die officieel niet als veilig land zijn aangemerkt, maar waarvoor het inwilligings-
-
percentage vrijwel nul is (nu bijvoorbeeld Moldaviërs). Een restgroep van asielzoekers: Dit is een (omvangrijke) groep waarvan de kansrijkheid niet is vast te stellen op basis van nationaliteit. Wat deze restgroep bindt, is dat voor het bepalen van de kansrijkheid ten minste een beoordeling van het (indivi duele) asielmotief nodig is. Daarom is na de aanmeldfase nog niet te bepalen of deze groep wel of geen grote kans maakt op
een vergunningverlening. Een groot aantal nationaliteiten valt nu in deze restgroep (bijv. Afghanistan, Iran, Irak). • Evident kansrijke asielzoekers worden zo snel mogelijk geplaatst in de nabijheid van de (beoogde) gemeente van huisvesting, zodat het integratieproces wordt bevorderd. Tijdens het asielproces en het verblijf in de opvang kan worden gestart met de voorbereiding op integratie. Voor een succesvolle integratie is goede aansluiting tussen deze fase en de daaropvolgende fase (huisvesting en integratie in de gemeente) van belang. Er is sprake van een doorgaande lijn. • Evident kansarme asielzoekers starten zo snel mogelijk met terugkeer. Tijdens het asielproces vinden hiervoor voorbereidende handelingen plaats door de Dienst Terugkeer E/ Vertrek in samenwerking met andere asieldiensten en ngo’s.
4 I
In het toekomstbeeld bestaat het asielsysteem uit drie typen opvanglocaties: 1. GVL’s: op deze middelgrote proceslocaties beginnen alle asielzoekers de asielprocedure. Hier werken alle asieldiensten samen aan een doelgroepgericht asielproces, dat bepaalt welk vervolgtraject na de aanvraag nodig is. De restgroep en evident kans arme asielzoekers blijven op de GVL, zolang zij intensief contact hebben met de asieldiensten. 2. Satellietlocaties: deze locaties voorzien in aanvullende opvangcapaciteit voor de GVL’s. Hier kunnen asielzoekers worden opgevangen die (in een bepaalde fase van het asielproces) minder frequent contact met de asieldiensten hebben. Het gaat hierbij vooral om de restgroep en evident kansarme asielzoekers. In beginsel vinden op deze satellietlocaties geen proces handelingen plaats. Daarnaast kunnen satellietlocaties opvang bieden aan specifieke groepen waarvoor een specifiek opvangregime gewenst is. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan onderdak voor uitgeprocedeerde gezinnen. 3. Regionale opvanglocaties: primair worden hier vergunninghouders en evident kansrijke asielzoekers zo snel mogelijk geplaatst. Iedere regionale opvanglocatie is verbonden aan meerdere gemeenten in de regio, waar de vergunninghouder uiteindelijk zal worden gehuisvest.
In regionale opvanglocaties krijgt de overgang van opvang naar huisvesting vorm, met activiteiten gericht op (voorbereiding op) inburgering, integratie en vestiging in de gemeente. Evident kansrijke asielzoekers volgen taallessen, cursussen en trainingen, die zo goed mogelijk aansluiten op de latere inburgering door gemeenten. Als sub-doelgroep kunnen ook andere groepen asielzoekers en bevolkingsgroepen worden opgevangen.
Typen opvanglocaties in toekomstbeeld asielsysteem Omvang
locaties
Groepen asielzoekers
Procescentra waar alle asielzoekers binnenkomen en de asielprocedure doorlopen
>1000 opvang plekken
4 in Nederland
- Alle groepen asielzoekers in eerste fase van procedure - Asielzoekers die procedure snel kunnen doorlopen en intensief contact hebben met asieldiensten
Locaties die dienen als ventiel voor GVL's en voor opvang van specifieke groepen
300-1200 opvang plekken
Afhankelijk van inslroom
- Asielzoekers met minder intenstief contact met asieldiensten (bijv. door verlengde procedure) - Asielzoekers die specifiek opvang regime behoeven (bijv. t a v zorg)
Locaties dichtbij gemeente van huisvesting, met activiteiten gericht op integratie
>300 opvang plekken
Minimaal 1 per provincie
• Hoofddoelgroep; vergunning houders en evident kansrijken - Sub-doelgroep: overige groepen asielzoekers en andere bevolkingsgroepen
Beschrijving
Satellie^ locaties
Regionale opvang locaties
(meet nodig) indien
(afhankelijk van taakstelling)
fi'guuf ■
1. Toekomstbeeld: vereenvoudigde schematische weergave Satelliet • locaties
Teriigkepf Uitslroom naar gcmcc'ilun
GVL’s InsUüü'n
Figuur 2: Verpfni'Oüdigde icfrcn'otrsthc wccriinvf w:n aiie'pn
Regionale opvang
De beschreven keten geeft het toekomstbeeld van het asielsysteem weer. Het huidige asielsysteem voldoet nog niet aan dit beeld. De bestuurlijke partners willen de komende jaren het toekomstbeeld stapsgewijs realiseren. Nieuwe afspraken en activiteiten zijn daarom zoveel mogelijk in lijn met dit toekomstbeeld.
3. Gezamenlijke flexibele opvangstrategie
CVL's
ummm
Regionale opvang
3.1 Ontwikkelen van flexibele opvangvormen • De bestuurlijke partners streven ernaar flexibele opvangvormen te ontwikkelen, zodat bij een fluctuerende behoefte aan opvangplek ken minder locaties moeten worden geopend of gesloten. Dit zijn vormen waar naast asielzoekers en vergunninghouders, gelijktijdig of volgtijdelijk, ook andere groepen woningzoekenden worden ondergebracht. • Satellietlocaties en regionale opvanglocaties kunnen worden ingericht als flexibele opvangvormen. • Voor de asielopvang is het voordeel dat hiermee tegen beperkte kosten flexibele opvangcapaciteit kan worden aangehouden. Hierdoor is het mogelijk om de asielopvang sneller op- en af te schalen, zonder dat locaties worden geopend of gesloten. • Het voordeel voor de betrokken gemeente(n) is dat deze opvangvormen tijdelijk woonruimte kunnen bieden voor andere groepen die met spoed een woning zoeken. Ook heeft het mengen van asielzoekers, vergunninghouders en andere groepen bewoners een positief effect op inburgering. Deze menging kan bijdragen aan lokaal draagvlak voor asielopvang. • De bestuurlijke partners spreken de doelstelling af om bij toekomstige uitbreidingen van de opvangcapaciteit bij ten minste de helft van het aantal locaties flexibele opvangvormen te ontwikkelen, hierbij rekening houdend met de verschillen in lokale omstandigheden.
• Om dit soort flexibele opvangvormen te ontwikkelen wordt, mede op basis van bestaande pilots, een leidraad ‘ontwikkeling flexibele opvangvormen' opgesteld. Deze leidraad bevat richtlijnen voor doelgroepen, de werkwijze rond tijdelijke (huur-)contracten, de financiering en het beheer. Lessen uit eerdere pilots worden hierbij benut. Specifieke aandachtspunten zijn de selectie van bewoners en de doorstroom naar andere locaties. • Ook wordt een kennisloket ingericht om expertise en ondersteuning te bieden bij de ontwikkeling van flexibele opvangvormen. In de loop van zozo zal het kennisloket operationeel zijn.
3.2 Gezamenlijke strategie bij op- en afschalen • Rijk, gemeenten en provincies hanteren een gezamenlijke strategie voor het op- en afschalen van opvangcapaciteit bij fluctuaties. • Dit begint bij het periodiek delen van prognoses en feitelijke ontwikkelingen in de instroom en doorstroom van asielzoekers, en een inschatting van de gevolgen voor de opvangbehoefte. Het rijk zal prognoses en objectieve gegevens ter beschikking stellen en daarbij de onzekerheden aangeven. • De bestuurlijke partners bespreken deze ontwikkelingen op landelijk, provinciaal en regionaal niveau aan de regietafels (zie hoofdstuk 5). De Landelijke Regietafel creëert periodiek een gezamenlijk beeld van de (veranderende) behoefte aan opvangcapaciteit, die wordt door vertaald naar de provinciale en regionale tafels. Hierbij wordt ook in gezamenlijkheid de behoefte naar de verschillende typen opvangvormen onderscheiden. • De bestuurlijke partners maken aan de regietafels afspraken over de typen en aantallen opvangcapaciteit om tijdig en doelmatig op fluctuaties in te spelen. Het is voor de partners duidelijk onder welke omstandigheden op welk type capaciteit een beroep wordt gedaan. Het handelingsperspectief op- en afschalen (ontwikkeld door het COA in afstemming met VNG) biedt hierbij handvatten.
• Flexibele capaciteit kan zich bevinden op of nabij bestaande locaties", in de vorm van directe reservecapaciteit (snel inzetbare plekken) en indirecte reservecapaciteit (binnen enkele maanden inzetbare plekken). Daarnaast kan sprake zijn van incidentele capaciteit (zoals recreatieparken) en vormen van noodopvang voor extreme situaties (zoals evenementenhallen).
" In de toekomst op of nabij GVL's, satellietlocaties en regionale opvanglocaties.
6 I
♦ Alle partners zijn erbij gebaat dat het op- en afschalen zo voorspelbaar mogelijk verloopt en dat zo vroeg mogelijk duidelijk is om welke locaties het gaat. Daarom worden op regionaal niveau proactief plannen gemaakt die voor beschikbare en potentiële locaties beschrij ven: i) het type opvangcapaciteit’; 2) het aantal plekken; 3) de snelheid waarmee deze plekken kunnen worden ingezet; 4) de kosten per plek per dagvoer het in reserve houden van de capaciteit. Flexibele opvangvormen (zoals beschreven in paragraaf 3.1) maken hiervan onderdeel uit.
4. De regionale opvanglocaties
Regionale opvang
4.1 Functies en doelgroepen • Het hoofddoel van de regionale opvanglocaties is de opvang en begeleiding van vergunninghouders en van evident kansrijke asielzoekers, in of nabij de gemeente waaraan zij zijn gekoppeld (vergunninghouders) of zullen worden gekoppeld (evident kansrijke asielzoekers). Hier kunnen zij zo goed mogelijk worden voorbereid op de definitieve huisvesting in de gemeente. Bij de begeleiding staat activering centraal. • Het nevendoel van de regionale opvanglocaties is het kunnen bieden van flexibele capaciteit voor de opvang van andere groepen asielzoekers en voor tijdelijke huisvesting van andere bevolkingsgroepen. Zo kunnen gemeenten hier andere groepen woningzoeken den tijdelijk huisvesten, zoals jongeren en mensen die met spoed woonruimte behoeven. Hiertoe kan op regionale opvanglocaties een flexibel opvangconcept worden toegepast (zie paragraaf 3.1). In tijden van lage instroom kunnen meer alternatieve groepen worden opgevangen, in tijden van hoge instroom meer vergunninghouders en asielzoekers. • Het gezamenlijk huisvesten van verschillende groepen faciliteert interactie en verbinding tussen diverse bevolkingsgroepen. Dit draagt bij aan de integratie van vergunninghouders en evident kansrijke asielzoekers.
Hiermee kan een regionale opvanglocatie, afhankelijk van de lokale omstandigheden, van bredere maatschappelijke meerwaarde zijn voor de buurt en de gemeente. • Het is mogelijk dat er binnen de groep evident kansrijke asielzoekers een (zeer) klein aantal asielzoekers zal zijn dat in een latere fase van het asielproces geen vergunning krijgt, bijvoorbeeld vanwege contra-indicaties. In dat geval zal (vanuit de regionale opvanglocatie) zo snel mogelijk worden gestart met terugkeer. Indien nodig voor een effectief terugkeerproces, kan overplaatsing naar een GVL of satellietlocatie aan de orde zijn. • Indien andere groepen asielzoekers op regionale opvanglocaties worden geplaatst, wordt hierbij de voorkeur gegeven aan asielzoekers met de grootste kans op een verblijfsvergunning. Het is mogelijk dat ook asielzoekers in de regionale opvanglocaties zullen worden opgevangen die (uiteindelijk) moeten terugkeren. Dit kan zich met name voordoen ten tijde van lage inwilligingspercentages en (plotselinge) stijgingen in de instroom. • Over de mix tussen het aantal beschikbare opvangplekken voor asielzoekers en niet-asielzoekers maken de gemeenten en het COA afspraken per regionale opvanglocatie. Om tot een effectieve en werkbare mix te komen worden gemeenten en het COA ondersteund met kennis en expertise (zie hoofdstuk 5).
Het handelingsperspectief op- en afschalen onderscheidt zes typen opvangcapaciteit: reguliere capaciteit, directe reservecapaciteit, indirecte reservecapaciteit, incidentele capaciteit, noodopvang, crisisnoodopvang.
I 7
4-2 Diensten en activiteiten • De regionale opvanglocaties bieden opvang en begeleiding. De begeleiding is gericht op integratie en participatie in de Nederlandse samenleving. Activering staat centraal. Vergunninghouders starten met inburgering en evident kansrijke asielzoekers volgen taal lessen, cursussen en trainingen. Deze voorbereidende activiteiten dienen goed aan te sluiten op inburgering. • De gemeente heeft op basis van het wetsvoorstel Wet Inburgering een regierol bij het verzorgen van de inburgering aan vergunning houders. Volgens het wetsvoorstel begint de inburgeringsplicht vanaf het moment van vergunningverlening. Gemeenten hebben hiermee de mogelijkheid om na vergunningverlening direct te starten met inburgering (ook wanneer vergunninghouders zich nog in de asielopvang bevinden). Wanneer gemeenten na vergunningverlening niet direct (kunnen) starten met het aanbieden van inbur gering aan een vergunninghouder, wordt ‘Voorbereiding op inburgering’" aangeboden op de wijze die in het wetsvoorstel Wet Inburgering wordt vastgelegd. Wanneer de regionale opvanglocaties zijn gerealiseerd, moet worden bezien of voorbereiding op inburgering nog benodigd is. • In het wetsvoorstel Wet Inburgering zijn geen bepalingen opgenomen over activiteiten voor evident kansrijke asielzoekers.
In die zin laat het wetsvoorstel de ruimte om aan deze groep activiteiten gericht op taallessen, cursussen en trainingen aan te bieden. Dit kan niet worden aangemerkt als (voor)inburgering, omdat evident kansrijke asielzoekers nog geen vergunning hebben. COA en gemeen ten bepalen gezamenlijk het aanbod aan taallessen, cursussen en trainingen voor evident kansrijke asielzoekers. • Het verrichten van werk is één van de belangrijkste manieren om snel te integreren. Door betaald werk kunnen vergunninghouders zo snel mogelijk op eigen benen staan en een bijdrage leveren aan onze samenleving. De plaatsing van vergunninghouders en evident kansrijke asielzoekers in de regionaie opvanglocaties houdt dan ook zoveel mogelijk rekening met aansluiting op de arbeidsmarkt, daarbij de andere criteria voor koppeling in acht nemend. Het dienstenaanbod op de regionale opvanglocatie zet breed in op voorbereiding op werk door middel van participatie, bijvoorbeeld door het doen van vrijwilligerswerk, stages, trainingen en cursussen. • In het geval op de regionale opvanglocaties asielzoekers verblijven die moeten terugkeren, zal op de locatie ook begeleiding tot terugkeer worden aangeboden. Hierbij staat activering tot vrijwillige terugkeer centraal. De Dienst Terugkeer D Vertrek (DTDV), het lOM en ngo’s verzorgen de diensten en activiteiten voor terugkeer.
4.3 Beheer en organisatie • Regionale opvanglocaties voldoen aan een programma van eisen, met minimaal dezelfde standaarden als reguliere opvanglocaties voor onder meer kwaliteit en veiligheid. Onderdeel hiervan zijn de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. • Binnen de kaders van deze Uitvoeringsagenda kunnen samenwerkende gemeenten met het COA gezamenlijk bepalen hoe specifieke regionale opvanglocaties worden ingericht. Deze gezamenlijke afspraken kunnen gaan over het eigendom en beheer van de locatie, alsmede het aanbod van diensten en activiteiten. • Regionale opvanglocaties zijn gespreid over het land volgens een regionale indeling die landelijk dekkend is. Regionale opvanglocaties liggen in hetzelfde gebied als de gemeenten waaraan de vergunninghouders zijn gekoppeld en evident kansrijke asielzoekers zullen worden gekoppeld. Elke gemeente is dus verbonden aan een nabijgelegen regionale opvanglocatie. Een regionale opvanglocatie kan meerdere gemeenten bedienen. • De omvang van een regionale opvanglocatie is mede afhankelijk van de cumulatieve taakstelling van de gemeenten binnen de betreffende regio. Ook het aantal evident kansrijke asielzoekers dat wordt geplaatst in een regionale opvanglocatie hangt samen met de omvang van de cumulatieve taakstelling.
Verschillen in omvang van regionale opvanglocaties zijn mogelijk, voor zover deze binnen de afgesproken budgettaire en kwalitatieve kaders vallen. • Gelet op de huidige budgettaire en kwalitatieve kaders zal een locatie doorgaans minimaal driehonderd opvangplekken kennen. Door alternatieve inrichtingen en efficiënte oplossingen staat het gemeenten en het COA vrij om grotere of kleinere locaties in te richten, mits het binnen de kaders valt. Zo kunnen gemengde woonvormen mogelijkheden bieden om binnen de budgettaire kaders vergun ninghouders en asielzoekers kleinschaliger op te vangen.
Dit is een programma dat na vergunningverlening voor alle inburgering plicbtige vergunninghouders m de opvang beschikbaar is. Dit programma bestaat naast Nederlandse taalverwerving uit individuele begeleiding en heeft aandacht voor KNM en arbeidsmarkt en participatie. Het programma is een eerste stap in het inburgeringsproces en biedt kennis en handvatten voor het zelfstandig wonen en leven in Nederland.
8 I
5. Regionale indeling en bestuurlijk samenwerking 5.1
mmmm
epv»ng
Regionale samenwerkingsverbanden
• De uitwerking van de afspraken over de flexibele opvangstrategie en regionale opvanglocaties wordt regionaal belegd. In de regio’s stellen de betrokken gemeenten en het COA gezamenlijk plannen op voor flexibele opvangcapaciteit en ontwikkelen zij de regionale opvanglocaties. Met deze samenwerking wordt de slagkracht vergroot. • De regionale samenwerking wordt vanuit de gemeenten zelf ingericht, in samenspraak met de provinciale regietafel (zie paragraaf 5.2). Hierbij wordt gezocht naar effectieve bestuurlijke samenwerkingsverbanden. De regionale indeling voldoet aan de volgende richtlijnen: - De regionale indeling vormt een landelijk dekkend netwerk van regionale opvanglocaties. Elke gemeente is gekoppeld aan een -
regio (en daarmee een regionale opvanglocatie). Bij voorkeur wordt aangesloten bij een bestaande regionale indeling, die zich heeft bewezen als een effectief samenwerkings
-
verband met voldoende slagkracht. Hierdoor hoeven zo min mogelijk nieuwe bestuurlijke gremia te worden opgezet. Bij geschikte regio’s valt te denken aan een provincie, arbeidsmarktregio, veiligheidsregio of woningmarktregio. Een regio moet een minimale omvang hebben om een voldoende aantal vergunninghouders en evident kansrijke asielzoekers te
-
hebben en effectief te kunnen samenwerken aan begeleiding. Anderzijds moeten regionale opvanglocaties niet te ver van de gemeenten liggen. Per regio dient qua omvang een optimale balans te worden gevonden. De gemeenten die aan een regionale opvanglocatie zijn gekoppeld, hebben daar (bij voorkeur gezamenlijk) een regierol in het verzorgen van inburgering van vergunninghouders. Daarbij kan worden aangesloten op samenwerking tussen gemeenten in het kader van de nieuwe Wet Inburgering, bijvoorbeeld bij het inkopen van taalaanbod.
5.2 Provinciale regietafels • Overkoepelend komt per provincie een provinciale regietafel bijeen, onder coördinatie van de rijksheer in die provincie. De provinciale regietafel heeft tot taak te bevorderen dat de regionale samenwerkingsverbanden binnen de provincie tot stand komen, dat bestaande verbanden hiervoor zoveel mogelijk worden benut, en dat binnen samenwerkingsverbanden gemeenten en het COA daadwerkelijk afspraken maken over de flexibele opvangstrategie en regionale opvanglocaties. • Aan iedere provinciale regietafel hebben in elk geval zitting de rijksheer, minimaal één afgevaardigde per regio (een burgemeester of wethouder van een betrokken gemeente) en het COA. Daarnaast kan iedere provinciale regietafel zelf bepalen wie nog meer zitting hebben (vast of op uitnodiging). Hierbij valt te denken aan Gedeputeerden of afgevaardigden van landelijke organisaties met een vastgoedportefeuille, zoals het Rijksvastgoedbedrijf of Defensie. • De regionale samenwerkingsverbanden en provinciale regietafels zijn bestuurlijke overleggremia, die afspraken moeten bevorderen over flexibele opvang en regionale opvanglocaties. Deze overleggremia leiden niet tot een wijziging in de formele verantwoordelijk heden van de bestuurlijke partners.
• Indien binnen regionale samenwerkingsverbanden niet tot overeenstemming kan worden gekomen, kan dit worden voorgelegd aan de provinciale regietafels en indien nodig de landelijke regietafel. • Indien de behoefte aan opvangcapaciteit toeneemt of daalt, brengt de landelijke regietafel in beeld hoe deze veranderende behoefte zich door vertaalt naar de provincies (mogelijk met gebruik van bandbreedten). Vervolgens wordt deze behoefte op provinciale regietafels door vertaald naar de regionale samenwerkingsverbanden. Per regio werken gemeenten en het COA samen om de opvangcapaciteit op- en af te schalen. • De rijksheren worden verzocht de oprichting of heractivering van de provinciale regietafels te verzorgen. • Er wordt een ondersteuningsarrangement uitgewerkt om de rijksheren, provinciale regietafels en regionale samenwerkingsverbanden bij te staan met relevante (cijfermatige) informatie, expertise en praktische ondersteuning.
I 9
6. Verantwoordelijkheden en financiën
locati**
RaqiofMita opvang
Er wordt aangesloten bij de bestaande formele verantwoordelijkheden en financiële arrangementen. Binnen deze kaders kunnen bestuurlijke partners gezamenlijk besluiten hoe zij specifieke opvanglocaties willen inrichten. Zo kunnen gemeenten en het COA gezamenlijk besluiten om het eigendom, beheer en dienstenaanbod van een locatie bij een derde partij te beleggen. Nu neemt het rijk in de praktijk financiële verantwoordelijkheid voor de opvang van asielzoekers en vergunninghouders tot het moment van huisvesting in gemeenten. In lijn met deze huidige praktijk zal het rijk de opvang van vergunninghouders en evident kansrijke asielzoekers in de regionale opvanglocaties financieren tot het moment van huisvesting in de gemeente. Het rijk is financieel verantwoordelijk voor de (voor-)inburgering van vergunninghouders en voor taallessen, cursussen en trainingen voor evident kansrijke asielzoekers in regionale opvanglocaties. De afspraken over de termijn (richtlijn veertien weken) van vergunningverlening tot aan uitplaatsing naar gemeenten worden herbevestigd en gemonitord, zoals ook in de huidige situatie het geval is. De verwachting is dat deze Uitvoeringsagenda de voorspelbaarheid voor gemeenten vergroot. Dit draagt eraan bij dat gemeenten kunnen voldoen aan de halfjaarlijkse huisvestingstaakstelling.
Het interbestuurlijk toezicht, uitgeoefend door de provincies, voorziet in instrumenten wanneer gemeenten de taakstelling niet halen. Gemeenten zijn financieel verantwoordelijk voor de tijdelijke huisvesting van niet-asielzoekers in flexibele opvanglocaties. Voor flexibele opvangvormen zijn per locatie verschillende constructies van eigendom en gebruik mogelijk. De locaties kunnen eigendom zijn van COA, gemeenten of derde partijen, waarbij de (andere) gebruikers een vergoeding betalen aan de eigenaard Dit geldt voor alle satellietlocaties en regionale opvanglocaties waar gebruik wordt gemaakt van flexibele opvangvormen.
7. Implementatie Uitvoeringsagenda Na het afsluiten van deze Uitvoeringsagenda stelt elke provinciale regietafel binnen zes maanden een plan van aanpak op om de afspraken uit de Uitvoeringsagenda te realiseren. Deze plannen zijn gebaseerd op de meest actuele raming van de benodigde opvangca paciteit. Onderdeel van dit plan is een transitieplan om van de huidige opvangcapaciteit stapsgewijs naar de toekomstige (flexibele) opvangcapaciteit te bewegen. De tijdsduur van deze transitie kan per provincie verschillen en meerdere jaren in beslag nemen. Het in hoofdstuk 5 genoemde ondersteuningsarrangement zal tijdig beschikbaar komen om de provinciale regietafels te ondersteunen bij het opstellen van de plannen. De landelijke regietafel, provinciale regietafels en regionale samenwerkingsverbanden hebben de taak om de afspraken uit deze Uitvoeringsagenda te realiseren en de voortgang (volgens het opgestelde plan) te monitoren en te bewaken.
Voor het verhuren van COA-eigendom aan derde partijen is nu per geval een ontheffing noodzakelijk. Bestuurlijke partners zullen onderzoeker of hiervoor een alternatieve, structurele oplossing mogelijk is.
10 I
De Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen is door de gezamenlijke overheden (rijk, provincie, gemeente) tot stand gekomen en is op 14 mei 2020 op de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie vastgesteld. Meer informatie: www.rijksoverheid/uitvoeringsagenda