Advies verkeersbesluit fietspaden bezwarencommissie 3 maart 2021
Tekst van het document
Commissie voor de bezwaarschriften Algemene kamer Op 3 maart 2021 heeft een videohoorzitting plaatsgevonden van de commissie voor de bezwaarschriften. Het verslag van deze hoorzitting is als bijlage bij dit advies gevoegd en maakt onderdeel uit van dit advies. Aan: het college van burgemeester en wethouders Onderwerp: Het bezwaarschrift van tegen het collegebesluit van 25 november 2020, inhoudende een verkeersbesluit met betrekking tot diverse fietspaden in Nieuwerkerk aan den IJssel. Omtrent de ontvankelijkheid: De commissie constateert dat het bezwaarschrift is gemotiveerd en binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn is ontvangen. Op grond van artikel 1:2, lid 1, Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bezwaarmaker is woonachtig op het adres Dalkruid in Nieuwerkerk aan den IJssel. De achtertuin van bezwaarmaker is direct gelegen aan een van de bij het besluit betrokken fietspaden. Het belang van bezwaarmaker is rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Het bezwaarschrift voldoet voorts aan de overige vereisten voor ontvankelijkheid. Gelet op dat gegeven adviseert de commissie het college om het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren.
Omtrent de feiten: Op 28 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders een verkeersbesluit genomen, inhoudende de aanwijzing van diverse verplichte en onverplichte fietspaden te Nieuwerkerk aan den IJssel. Het verkeersbesluit is gepubliceerd op 25 november 2020 in de Staatscourant nr. 62246. Op 4 januari 2021 is een bezwaarschrift ontvangen van . Op 3 maart 2021 heeft een videohoorzitting plaatsgevonden. Omtrent de bezwaren: Kort samengevat komen de bezwaren van bezwaarmaker neer op het volgende: 1. Er heeft geen inspraak, participatie of overleg met belanghebbenden plaatsgevonden over het genomen besluit. 2. De verkeersveiligheid is niet gediend met het besluit, aangezien 90% van de snorscooters is opgevoerd en niet handhavend opgetreden wordt door de politie. 3. Het college handelt in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden door de inwoners niet te beschermen tegen gevaar. 4. De bijlage bij het verkeersbesluit met daarop aangegeven de bij het besluit betrokken fietspaden, is onleesbaar. Onduidelijk is nu welke fietspaden exact onder het besluit van het college vallen 5. het besluit is genomen in strijd met artikel 2.4 Awb nu de borden al zijn geplaatst en sprake is van vooringenomenheid. 6.
Het college handelt met het besluit in strijd met het Schone Lucht Akkoord doordat het toelaten van snorfietsen de luchtkwaliteit verslechtert. Bovendien neemt de geluids- en geuroverlast toe. Tevens is het besluit genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4 Awb nu de belangen van omwonenden onvoldoende zijn meegewogen bij het genomen besluit. Omtrent de van toepassing zijnde regelgeving: De van toepassing zijnde regelgeving is als bijlage 1 bij dit advies gevoegd. Omtrent de overwegingen van de commissie: Bij de totstandkoming van verkeersbesluiten geldt het volgende toetsingskader. Op grond van artikel 2, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot: a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
1 van 11
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers; c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer. Op grond van artikel 2, tweede lid van de WVW 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot: a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer; b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; c. de bestrijding van de epidemie van covid-19. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit. Op grond van artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit.
Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Omtrent de beoordeling van de bezwaren Ad 1 Voor zover bezwaarmaker betoogt dat het verkeersbesluit onrechtmatig is vanwege het feit dat geen inspraak, participatie of overleg heeft plaatsgevonden, overweegt de commissie als volgt. Op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Er rust op grond van dit artikel geen verplichting op het college om eventuele belanghebbenden gelegenheid te bieden voor inspraak, participatie of overleg. In dit geval ziet de commissie echter aanleiding voor het oordeel dat het gelet op artikel 21 van het BABW, op de weg van het college had gelegen om de nodige kennis te vergaren over de gevolgen van het besluit voor de direct aanwonenden van de betrokken fietspaden. Nu het college hieromtrent geen kennis heeft vergaard, is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht genomen. De commissie adviseert het college het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Ad 2 Bezwaarmaker stelt dat het verkeersbesluit de verkeersveiligheid niet ten goede komt nu met het besluit snorscooters gebruik kunnen maken van de fietspaden die voorheen aangeduid waren als onverplichte fietspaden en 90% van de snorscooters is opgevoerd. Dienaangaande overweegt de commissie het volgende. Aan het besluit heeft het college artikel 2, eerste lid van de WVW 1994 ten grondslag gelegd. Uit de overwegingen blijkt dat het college met het besluit heeft beoogd de aanduiding van fietspaden in Nieuwerkerk aan den IJssel in overeenstemming te brengen met de inrichting daarvan. Daargelaten dat bezwaarmaker niet heeft onderbouwd dat 90% van de snorscooters is opgevoerd, is door het college tevens ter zitting betoogd dat het verkeersbesluit bedoeld is om de gebruikers van de desbetreffende fietspaden te wijzen op de snelheid van andere fietspadgebruikers die zij ter plekke kunnen verwachten. Een en ander is gebaseerd op de Visie Duurzaam Veilig wegverkeer 2018-2030 van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid. In zoverre draagt het verkeersbesluit bij aan de veiligheid van alle weggebruikers en is het besluit niet in strijd met artikel 2, eerste lid van de WVW 1994. De commissie adviseert het college het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Ad 3 Voor zover bezwaarmaker betoogt dat de gemeente haar inwoners niet beschermt en daarmee in strijd met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de commissie dat gelet op vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), voor een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM sprake moet zijn van een situatie waarin klagers direct worden geraakt in hun privéleven of, zoals in dit geval in wezen wordt gesteld, hun woongenot. Voorts moeten de
2 van 11
negatieve effecten voldoende ernstig zijn. Daarbij wordt gekeken naar de concret e omstandigheden van het geval, zoals de intensiteit en duur van de overlast, de effecten op de fysieke en psychische gezondheid, en de aard van de omgeving (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2318, onder 2.3). Bezwaarmaker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verkeersbesluit een zodanige invloed op haar woon- en leefgenot heeft, dat hiermee een inmenging in de rechten neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, heeft plaatsgevonden. De commissie adviseert het college het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren. Ad 4 Bezwaarmaker stelt dat de plattegrond die als bijlage bij het verkeersbesluit is gevoegd, onleesbaar is en dat het besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd is. Dienaangaande overweegt de commissie dat uit de tekst van het besluit blijkt op welke fietspaden het verkeersbesluit betrekking heeft. In het besluit is voor het toepassingsbereik niet verwezen naar de bijlage. De bijlage dient slechts ter aanduiding van de locaties waar als gevolg van het besluit verkeersborden worden geplaatst. De bijlage bij het besluit is weliswaar niet van een hoge resolutie, maar gelet op vorenstaande kan dit naar het oordeel van de commissie niet leiden tot de conclusie dat het besluit daarmee onvoldoende gemotiveerd is.
De commissie adviseert het college het bewaar op dit punt ongegrond te verklaren. Ad 5 De commissie volgt bezwaarmaker niet in de stelling dat het besluit in strijd komt met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens bezwaarmaker getuigt het plaatsen van de verkeersborden vooruitlopend op het verkeersbesluit van vooringenomenheid. Blijkens d e Memorie van Toelichting (kamerstukken II, 1988/89, 21221, 3, p. 45, MvT), beoogt artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht te voorkomen dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bij voorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. De situatie waarin verkeersborden zijn geplaatst zonder of vooruitlopend op een te nemen verkeersbesluit, kan niet aangemerkt worden als een oneigenlijke belangenbehartiging als bedoeld in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht. De commissie adviseert het college het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren. Ad 6 Voor zover bezwaarmaker betoogt dat het college met het verkeersbesluit handelt in strijd met het Schone Lucht Akkoord, overweegt de commissie dat de gemeente Zuidplas op 13 januari 2020 het Schone Lucht Akkoord heeft getekend.
De ondertekenaars van dit akkoord stellen als doel om landelijk in 2030 gemiddeld minimaal 50% gezondheidswinst ten opzichte van 2016 te behalen voor de negatieve gezondheidseffecten afkomstig van binnenlandse bronnen. Uit het dossier kan de commissie niet de gegevens ontlenen die leiden tot de conclusie dat gehandeld is in strijd met het Schone Lucht Akkoord. Ten aanzien van de motivering van een besluit geldt artikel 3:46 Awb: een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. De ondertekening van het Schone Lucht Akkoord noopt het college tot een extra inspanning ten aanzien van de motivering van besluiten die invloed hebben op de luchtkwaliteit. Van die motivering is de commissie niet gebleken: in zoverre is het bezwaar van bezwaarmaker gegrond. Ad 7 Voor zover bezwaarmaker betoogt dat het besluit is genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, overweegt de commissie als volgt. Blijkens de motivering, strekt het verkeersbesluit van 28 september 2020 tot verbetering van de verkeersveiligheid en het milieu. Daartoe heeft het college overwogen: -
dat binnen de bebouwde kom de bromfiets in principe gebruik maakt van de infrastructuur voor het autoverkeer; dit aansluit bij het principe Duurzaam Veilig, waarbij gestreefd wordt naar uniformiteit in weginrichting; dat vanuit het principe Duurzaam Veilig wordt gesteld dat de bromfiets binnen de bebouwde kom thuishoort op de rijbaan bij het autoverkeer vanwege het geringe snelheidsverschil tussen bromfietsen en autoverkeer;
3 van 11
-
dat het laten rijden van de bromfiets op de rijbaan van het autoverkeer binnen de bebouwde kom de veiligheid op de fietspaden ten goede komt, door het wegnemen van het snelheidsverschil tussen bromfietsers en fietsers; dat het daarom gewenst is om de vrij liggende paden binnen de bebouwde kom van Nieuwerkerk aan den IJssel aan te wijzen als verplichte fietspaden; dat de vrij liggende paden in de parken een aantrekkelijke functie hebben voor recreatief gebruik; dat in deze parken de aanwezigheid van brom- en snorfietsen niet gewenst is wegens het geluid en hun snelheid; dat deze maatregelen worden genomen om de verkeersveiligheid en het gevoel van veiligheid te vergroten.
Aan het besluit heeft het college artikel 2, eerste lid van de WVW 1994 ten grondslag gelegd. Uit de overwegingen blijkt dat het college met het besluit tevens het oog heeft gehad op het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer. Met het besluit wil het college tevens de door het bromfietsverkeer veroorzaakte aantasting van het karakter van parken voorkomen of beperken. Ten onrechte is daarom niet tevens artikel 2, tweede lid, van de WVW 1994 ten grondslag gelegd aan het besluit. Als gevolg van het besluit, kunnen snorfietsers gebruik maken van de fietspaden die voorheen als onverplicht fietspad waren aangewezen. Het is een feit van algemene bekendheid dat snorfietsen die voortgedreven worden door een verbrandingsmotor, geluid produceren en gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Uit de motivering van het besluit blijkt niet dat de gevolgen van dit besluit voor de aanwonenden van de voorheen als onverplicht aangeduide fietspaden, betrokken zijn bij het besluit. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het college toegelicht dat als gevolg van het besluit snorfietsers een gerichtere route af kunnen leggen door Nieuwerkerk aan den IJssel en dat daardoor het aantal gemotoriseerd afgelegde kilometers afneemt.
De redenering is gevolgd dat daardoor de luchtkwaliteit over het geheel genomen verbetert. Desgevraagd is door de vertegenwoordiger aangegeven dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar kilometers die werden en worden afgelegd en de mate van verbetering van de luchtkwaliteit dus niet op onderzoeksresultaten is gebaseerd. De commissie is van oordeel dat hiermee onvoldoende onderbouwd is dat als gevolg van het besluit het aantal gemotoriseerd door snorfietsers afgelegde kilometers afneemt en daardoor de luchtkwaliteit verbetert. Het ontbreken van onderzoek naar de exacte gevolgen van het besluit voor het totale aantal gemotoriseerd afgelegde kilometers, en de verbetering van de luchtkwaliteit leidt ertoe dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. In zoverre is het besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht genomen. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1431) geldt dat nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, het die belangen tegen elkaar dient af te wegen.
Nu niet voldaan is aan de plicht van artikel 21 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer waarin staat dat aangegeven moet worden op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen - de rechtstreeks betrokken belangen van de aanwonenden van de voorheen onverplichte fietspaden zijn immers niet of in elk geval onvoldoende afgewogen - is het besluit in zoverre tevens in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht genomen. Gelet hierop komt het besluit naar het oordeel van de commissie voor herroeping in aanmerking. De commissie adviseert het college het bezwaar van besluit van 28 september 2020 te herroepen.
4 van 11
gegrond te verklaren en het
De commissie adviseert belanghebbenden te laten participeren in het traject leidende naar het besluit op bezwaar, welk herroepingsbesluit de benodigde motivering en afwegingen moet bevatten: onder andere met betrekking tot overlast voor belanghebbenden ten opzichte van de algemene wens tot harmonie van verkeersbesluiten en weginrichting. Advies: Het bovenstaande in acht nemend adviseert de commissie het college om: - De bezwaren van ontvankelijk en gegrond te verklaren; - Het verkeersbesluit van 28 september 2020 te herroepen rekening houdend met de resultaten van het te volgen participatietraject.
De voorzitter,
de secretaris,
De heer
de heer
Vanwege de geldende coronamaatregelen is dit advies niet ondertekend Bijlage 1 Van toepassing zijnde regelgeving Bijlage 2 Verslag hoorzitting 3 maart 2021
5 van 11
Bijlage 1 Van toepassing zijnde regelgeving Artikel 2 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) 1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot: a. het verzekeren van de veiligheid op de weg; b. het beschermen van weggebruikers en passagiers; c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer. 2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot: a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer; b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; c. de bestrijding van de epidemie van covid-19. Artikel 14 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent: a. het toepassen van verkeerstekens en onderborden; b. het treffen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg; c. het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer, en d. het ten behoeve van de doelen, genoemd in artikel, 2, eerste lid, onderdelen a en c, verwerken van kentekengegevens van voertuigen op of aan de weg met behulp van een technisch hulpmiddel. 2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld betreffende het toepassen van verkeerstekens en onderborden. 3. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende de inrichting, de plaatsing, de kleur, de afmeting en het materiaal van verkeerstekens en onderborden, en de inzet van een technisch hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Artikel 15 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) 1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit. 2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. Artikel 18 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) 1. Verkeersbesluiten worden genomen: a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister; b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten; c.
voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur; d. voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie. 2. Indien het beheer over een weg wordt overgedragen, blijven de verkeersbesluiten die de oorspronkelijke wegbeheerder ten aanzien van het verkeer op die weg heeft vastgesteld, van kracht totdat zij zijn vervangen.
6 van 11
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent de eisen waaraan verkeersbesluiten dienen te voldoen alsmede omtrent de totstandkoming en de inwerkingtreding van die besluiten. Artikel 21 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer(BABW) De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht 1
2
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering
7 van 11
Bijlage 2 Samenvattend verslag van de vergadering van de bezwaarschriftencommissie van 3 maart 2021 Algemene kamer Aanwezig: de heer (secretaris)
(voorzitter), de heer
, mevrouw
, de heer
Het bezwaarschrift van tegen het collegebesluit van 25 november 2020, inhoudende een verkeersbesluit met betrekking tot diverse fietspaden in Nieuwerkerk aan den IJssel. Aanwezigen: Bezwaarmaker: de heer Namens het college: De heer
namens mevrouw
.
De voorzitter opent de vergadering en licht de procedure toe. Allereerst wordt de heer in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift toe te lichten. Vervolgens kan de heer namens het college een toelichting geven op het besluit. Daarna stelt de commissie vragen. Aan het eind van de vergadering is er voor partijen een tweede gelegenheid om te reageren. Het doel van de hoorzitting is het horen van bezwaarmaker en advies uit te brengen over het bezwaarschrift aan het college. Vervolgens neemt het college na heroverweging van het besluit een beslissing op het bezwaar. De heer licht het bezwaarschrift toe. Na 40 jaar is de gemeente zonder overleg met omwonenden en zonder verkeersbesluit overgegaan tot verandering van de bebording bij fietspaden. Snorfietsers mogen nu op het fietspad in groene zones. Volgens het college komt dit de verkeersveiligheid ten goede. Algemeen bekend is echter dat 90% van de snorfietsers harder rijdt dan toegestaan. Het fietspad grenst aan een school en een buitenschoolse opvang. Stank en geuroverlast zijn toegenomen. Dit wordt ervaren in de tuin. 20% van de uitstoot van fijnstof wordt veroorzaakt door brommers en snorscooters. De heer vraagt zich af waarom het college dit besluit na 40 jaar heeft genomen. Het besluit is zonder overleg met omwonenden veranderd en zonder dat daarom gevraagd is. Bovendien is de situatie er ook niet duidelijker op geworden.
Als voorbeeld noemt de heer de route over de Eendendaal. Eerst mocht daar niet met een snorscooter gereden worden en nu wel. Vervolgens mag op de Zwanendaal een paar honderd meter niet met snorfiets gereden worden. In de parkgedeelten van Zuidplas mocht nergens met scooter gereden worden. Nu mag dit ter plaatse van de woning van bezwaarmaker wel. Het is onduidelijk. Bezwaarmaker is het niet eens met het besluit. Het kost geld, het is niet veiliger en het is zonder overleg gegaan. De voorzitter geeft aan dat de commissie later in de vergadering vragen zal stellen in verband met de ontvankelijkheid van het bezwaar. De heer geeft aan dat het betrokken fietspad grenst aan zijn achtertuin. Op 1,5 meter afstand raast het verkeer voorbij. De heer geeft een toelichting op het bestreden besluit. Met het besluit is beoogd om fietspaden die gelijk zijn qua inrichting en uitstraling de correcte juridische aanduiding te geven. Voor de meeste paden geldt dat de voorkeur is deze als verplicht fietspad aan te duiden. Dit is duidelijker en veiliger. De procedure en communicatie hadden volgens de heer anders gemoeten. Hieruit wordt voor het vervolg lering getrokken. Volgens de heer moet de wijk Zuidplas bezien worden in het totaal. Op het punt van milieu geldt in zijn totaliteit dat als gevolg van het besluit door snorscooters minder omgereden hoeft te worden.
Bovendien zijn snorscooters steeds vaker elektrisch. Bebording is wellicht nog niet helemaal aangepast. Dit is stilgelegd vanwege geluiden uit de wijk en bezwaren. Wellicht is de bebording op dit moment daarom onlogisch.
8 van 11
Mevrouw vraagt aan de heer welke afstand overbrugd moet worden om vanuit de achtertuin op het fietspad te komen. De heer stelt dat de achtertuin grenst aan het fietspad. De tuin wordt verlaten via een steeg. Na het overbruggen van een afstand van 2 a 3 meter wordt het fietspad bereikt. Mevrouw vraagt aan de heer wat de reden is om de situatie rond fietspaden gelijk te trekken. In hoeverre zijn de belangen in het kader van verkeersveiligheid en van aanwonenden daarbij betrokken? Dus niet alleen het aspect van veiligheid maar ook andere aspecten. Volgens de heer hadden sommige paden hetzelfde uiterlijk maar een andere juridische aanduiding. Onverplichte fietspaden zijn vaak breder, en komen vaak voor in parken in tegenstelling tot utilitaire fietspaden. Vanwege de aanduiding hadden de gebruikers van de paden bepaalde verwachtingen bij het gedrag van gebruikers van de paden, die niet strookten met de werkelijkheid. Mevrouw vraagt of gekeken is naar de situering van de paden. Hoe vergelijkbaar zijn de verschillende betrokken fietspaden? Volgens de heer is niet de afstand tot de aanliggende percelen het criterium om fietspaden een aanduiding te geven. Fietspaden in parken blijven onverplicht. De andere fietspaden in wijken worden verplichte fietspaden. Mevrouw vraagt of fietspaden door een woonwijk dezelfde aanduiding hebben als fietspaden aan doorgaande wegen.
De heer bevestigt dit met dien verstande dat bij doorgaande wegen vaak wel sprake is van een verplicht fiets-/bromfietspad. Mevrouw betrekken.
vraagt of binnen een verkeersbesluit ruimte is om belangen van wijkbewoners te
De heer geeft aan dat de belangen van weggebruikers en verkeersveiligheid leidend zijn geweest. Achteraf gezien had meer verteld moeten worden over milieu. Dat behoeft een afweging in het verkeersbesluit, maar dan kijk je in zijn algemeenheid naar milieu. Mevrouw stelt vast dat de woning van de heer niet de enige is die op korte afstand van de betrokken fietspaden ligt. Zijn de gevolgen van het besluit wat betreft geur onderkend? De heer kan niet aangeven in hoeverre dit is gebeurd. Hij is sinds kort werkzaam voor Zuidplas. De medewerker die het plan begeleid heeft, werkt niet meer bij de gemeente Zuidplas. Mevrouw vraagt hoe het college inmiddels aankijkt tegen de aspecten stank, geluid en afstand tot de aangrenzende percelen. Volgens de heer wordt gekeken naar de luchtkwaliteit in algemene zin. Door minder omrijden verbetert de luchtkwaliteit. Voor de gemeente in zijn geheel is het besluit een verbetering. Mevrouw vraagt hoe onderzocht is dat als gevolg van het besluit minder omgereden hoeft te worden en de luchtkwaliteit verbetert. Volgens de heer is dit in algemene zin beredeneerd. De heer onderzoek heeft plaatsgevonden.
bevestigt dat geen
De heer geeft aan dat hij in de voorbereiding van de hoorzitting niet kon vinden waar het tracé is benoemd waar het in deze bezwaarprocedure om gaat. Hij vraagt waar dit pad precies is benoemd in het besluit. Volgens de heer zijn in het besluit locaties benoemd waar sprake is van een verplicht bromfietspad/fietspad of onverplicht fietspad. De rest is generiek aangeduid als verplicht fietspad. Op de vraag van de heer
of dit deel 2 van het besluit is, antwoordt de heer
9 van 11
bevestigend.
De heer wenst hierover graag aan het eind van de zitting duidelijkheid. Er zijn 38 aangewezen paden. Onder besluitpunt 2 zijn fietspaden onder algemene noemer aangewezen. Is dit één besluit? Of zijn dit 40 besluiten? Volgens de heer is het besluit van november 2020 één besluit waarin alle fietspaden in Nieuwerkerk zijn aangeduid als één van de drie categorieën fietspaden. Het oorspronkelijke besluit in juli bevat de kaarten waar alle paden op staan. Volgens de heer is het besluit van juli 2020 eerder ingetrokken. Er zit een kaartje bij dat onduidelijk is. Zowel in Staatscourant als bij deze stukken. De voorzitter vraagt aan de heer of als motivering aan het besluit ten grondslag ligt dat paden met dezelfde uitstraling dezelfde aanduiding moeten hebben en dat die diezelfde aanduiding in het belang is van de verkeersveiligheid vanwege het verwachtingspatroon van verkeersdeelnemers bij paden met dezelfde uitstraling. De heer
antwoordt bevestigend.
De voorzitter redeneert dat op onverplichte fietspaden elektrische fietsen en elektrische snorscooters zijn toegestaan waardoor ook daar meer snelheidsverschillen met traditionele fietsen ontstaan. Gevolg van dit besluit is dat op de betrokken onverplichte fietspaden nu ook gewone snorscooters mogen rijden. In veel gevallen zijn deze opgevoerd. Dat mag niet, maar de handhaafcapaciteit is beperkt. De voorzitter vraagt aan de heer waardoor de verkeersveiligheid toeneemt met dit besluit. Autonome ontwikkelingen zoals elektrische fietsen en snorscooters maken het immers al onveiliger. De heer legt uit dat de redenering is geweest dat verwachtingen bij een fietspad gemanaged moeten worden. Op een verplicht fietspad houd je rekening met een hogere snelheid. De heer
vraagt of het besluit gebaseerd is op inzichten van het CROW of eigen inzichten.
Volgens de heer
zijn er ook inzichten bij het CROW maar zijn deze niet bij het besluit betrokken.
De voorzitter stelt met betrekking tot het aspect luchtvervuiling vast dat het college ervoor heeft gekozen het aantal kilometers van snorscooters te verminderen zodat over het geheel genomen minder overlast ontstaat. Mevrouw van en andere omwonenden zullen als gevolg van dit besluit extra geconfronteerd worden met de effecten van snorscooters. Heeft dat een rol gespeeld bij de besluitvorming? Volgens de heer minder omrijden
is de redenering geweest dat in algemene zin luchtkwaliteit gebaat is bij
Op de vraag van de voorzitter of het voordeel op het totaal opweegt tegen de hinder dichter bij de woningen van aanwonenden, antwoordt de heer bevestigend. De voorzitter vraagt of dezelfde redenering geldt voor het aspect geluid. Ook dat komt dichterbij. Volgens de heer
is op dit besluit geen wettelijke norm voor geluid van toepassing.
Mevrouw vraagt aan de heer hoe hij de afweging van belangen ziet in het kader van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens de heer
is het belang van een goede luchtkwaliteit groter dan lokale geluidsoverlast.
Mevrouw vraagt of de gevolgen voor geluid onderzocht zijn of dat deze redenering gebaseerd is op aannames. Volgens de heer zijn de gevolgen voor geluid lastig te berekenen. Het geluid van brommers en scooters valt niet onder de van toepassing zijnde regelgeving.
10 van 11
Mevrouw wijst op de mogelijkheid die het Babw sinds april 2019 biedt om een onderbord onder het bord G11 (verplicht fietspad) te plaatsen om snorfietsen te weren van een verplicht fietspad. Zou het in het kader van de heroverweging denkbaar zijn om deze bepaling kritisch te bezien. Is er een onderscheid te maken in verplichte fietspaden met snorscooters en verplichte fietspaden zonder snorscooters? Volgens de heer is deze nieuwe bepaling opgenomen vanwege de problematiek in Amsterdam waarbij verplichte fietspaden te druk zijn en de combinatie fietsen en snorfietsen overlast oplevert. Hij heeft de indruk dat daar in dit geval geen sprake van is. De voorzitter vraagt of met een dergelijk onderbord alle snorfietsers van het verplicht fietspad worden geweerd en of het belang daarvan gelegen is in milieu en veiligheid. De heer antwoordt bevestigend. Met een bord G13 kunnen fietsers ook gebruik maken van de rijbaan en dat is ongewenst. Vanwege de verkeersveiligheid maken snorscooters in Amsterdam wel gebruik van de rijbaan waar dat veilig kan. De infrastructuur is daar ingericht op wegen in de stad. Het milieuaspect speelt daar geen rol bij het plaatsen van een onderbord bij het bord G11. Snorfietsen rijden dan in feite op dezelfde weg. De heer
vraagt de heer
om een reactie.
Volgens de heer klopt het argument van minder omrijden niet. In het midden van het betreffende gebied ligt een park dat een barrière vormt. De fietspaden in dit gebied blijven onverplicht waardoor snorscooters nog steeds dezelfde weg afleggen. De heer ziet geen milieuwinst. Daar komt bij dat 90% van de snorfietsen opgevoerd is. Door dit besluit mogen deze snorscooters voortaan rijden op fietspaden die voorheen onverplicht waren. Hierdoor ontstaan alsnog onveilige situaties op fietspaden door snelheidsverschillen. Dit in tegenstelling tot elektrische fietsen die over het algemeen niet worden opgevoerd. De heer beschrijft het traject dat afgelegd moet worden van het gemeentehuis naar het Van der Valk-hotel. Het bruggetje in dit traject werkt als een trechter. Dit leidt tot onveilige situaties. Hij nodigt de heer uit om zelf eens ter plaatse te gaan kijken. De voorzitter sluit af met de mededeling dat de commissie zich zal beraden over het bezwaarschrift. Er wordt advies uitgebracht aan het college en het college neemt na heroverweging een beslissing op het bezwaar waar het advies van de commissie en het verslag van deze hoorzitting onderdeel van uitmaken.
11 van 11