Raadsbesluit Aanpassing Algemene plaatselijke verordening Zoetermeer - Omgevingswet
Tekst van het document
omgevingsvergunning is verleend en hêt gêvaar en de hinder zijn betrokken b[ de aftieglng.
Artikel 4: 1 7 Begripsbepaling ln deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstiaan: een niêt-grondgebonden onderkomen of voertuig dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is veóoden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaabt te houden buiten een kampeertenein dat als zodanig in het omgevlngsplan is bestèmd oí mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan onthefÍing verlenen van het veóod als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de onthefÍing worden geweigerd in het belang van de bescherming: a. van natuur en landschap; b. van een stadsgezicht. Artikel 5:4 Voertuigwrakken í. Het is verboden een voertuig op de weg te plaatsen welke rijtechnisch in onvoldoende stiaat van onderhoud verkeert en/of in een kennelijk venltraarloosde toestand verkeert. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde ondeniverp wordt voozien biJ of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomoevlno. Artikel 5:5 Kampeermiddelen en andeÍe yoêrtuigen 1. Het is verboden een voertuig dat yoor rêcrêatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een weg; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de oemeente.
11
2. Het college kan onthefÍing verlenen van het verbod bedoeldin het eeÍste lid, aanhef en onder a. 3. Het r'n het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geragelde ondeftíetp wordt voorzien door het prcvinciaal wegenreglement of de provinciale I a n d sch a p sve ro rd e n i n g.
2. Het college kan ontheÍfing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid ís niet van toepassing op beperkingengebiedactiyltêltên mêt bêtrekking iot een weg waaÍvooÍ regels ziin gesteld bll oí krachtens de provinciale
omoevinosverordên ino, Artikel 5:7 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter en/of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te parkeren elders dan op een door het college aangewezen plaats. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vÍijdag, dagelijks van 07.00 tot 20.00 uur. 3. Het colleoe ontheffino verlenen van de verboden. Artikel 5:10 Overlast van fiets of brcmfiets 1. Het is verboden fietsen of bromÍietsen buiten de daarvoor bestemde parkeervoozieningen te laten stiaan op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tervoorkomingoÍ ophetring van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de gezondheid, aangewezen weg of weggedeelte. 2. Het is veóoden Íietsen of bromÍietsen te laten staan in parkeervoozieningen op een door het college aangewezen weg of weggedeelten, langer dan een door het college te bepalen periode. 3. Het is verboden Íietsen oÍ bromfietsen te laten staan op een door het college aangewezen weg of weggedeelte, lanqer dan een door het colleoe te beoalen oeriode. Artikel 5:1 6 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1 . a. Het is veóoden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. b.
Het veóod in lid 1a van dit artikel geldt niet voor ideële standplaatsen mits het ter plaatse geldende bestemmingsplan de standplaats toelaat. c. ldeële standplaatsen worden via het daartoe bestemde digitrale formulier bij het college gemeld. d. Het college kan nadere regels met betrekking tot diverse categoriêën standplaatsen vast stellen. 2. De vergunning wordt verleend voor maximaal vijf jaar. 3. Het college weigert de vergunning wegens strijd met e e n gelde nd be stem min gspl an. 4. Onverminderd het bepaalde in aÉikel '1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelÍ heEij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstrand, of; b. een kwantitatieve of tenitoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 5. Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een milieuwetplichtige activiteit betreft en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het derde lid, tot de dag waarop de beslissing over de milieuvergunningaanvraag is genomen. 6. Voor het innemen of hebben van een standplaats op particulier tenein is geen vergunning als bedoeld in lid ía van dit artikel nodiq. Artikel 5:19 Vooruverpen op, in of boven openbaar water 1.
Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een vooruerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgêving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig ên veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
Artikel 5:7 Grote voertuigen 1. Het is verbodên een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter en/of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te parkeren elders dan op een door het college aangewezen plaats. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 tot 20.00 uur. 3. Het college kan ontheÍÍinq verlenen van de veóoden. Artikel 5:10 Overlast van Íiets oí bromÍiets 1. Het is verboden Íietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde parkeervoozieningen te laten stlaan op een door het mllege in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming oÍ beëindiging van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de gezondheid, aangewezen weg of weggedeelte. 2. Het is verbodên fietsen of bromfietsen te laten staan in parkeervoozieningen op een door het college aangewezen weg of weggedeelten, langer dan een door het college te bepalen periode. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen te laten stiaan op een door het collegê aangewezen weg oÍweggedeelte, langer dan een door het colleoe te beoalen oeriode. Artikel 5:1 6 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. a. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hêbben. b.
Het veÈod in lid 1a van dit artikel geldt niet voor ideële standplaatsen mits het omgevlngsplan dê standplaats toelaat. c. ldeële standplaatsen worden via het daartoe bestemde digitiale formulier bij het college gemeld. d. Het college kan nadere regels met bekekking tot diverse categorieën standplaatsen vast stellen. 2. De vergunning wordt verleend voor maximaal vijf jaar. 3. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het
omgevingsplan. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats heEij op zichzelÍ heEij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand, oÍ; b. een kwantitatieve of tenitoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente oÍ in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 5. Het college houdt de beslÍssing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een milieuwetplichtige activiteit betreft en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het derde lid, tot de dag waarop de beslissing over de milieuvergunningaanvraag is genomen. 6. Voor het innemen of hebben van een standplaats op particulier terrein is geen vergunning als bedoeld in lid 1a van dit artikel nodio. Artikel 5:19 Vooruerpen op, in oÍ boven openbaar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een vooruerpt niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang oÍvormgeving, constructie oí plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het opènbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.
Degene die voomemens is een steiger, een meerpaal oÍ een ander voomlerp met een permanent karaKer op, in of
12
2. Degene die voomemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karaKer op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlÍjk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschÍijving van de aard en omvang van het voonrverp. 4. Van de melding wordt op elektronische wijze kennisgegeven. 5. Het verbod is niet van toepassing op sítuaties waarin wordt voozien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer ijkswaterstaatswerken, de Vaanvegenverodening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordeninq. Artikel 5:20 Ligplaats vaartuigen í. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaaÉuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar waten a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiène en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.
Het veóod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daain geregelde ondemerp wordt voorzien door de Woningriret, de Wet algemene bepalingen omgevingvecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswatersta atswerken, de Vaatwege nva rorden in g ZuidHolland of de Vercrdening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in hêt belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is veÍplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel 5:23 Beschadigen van watersÍaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens oÍ sluizen. 2.
Het veóod geldt niet voor zover in het daain geregelde ondetwery wordt voonien door het Wetboek van Strafrecht, Wet milieubeheer, hel Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Vaarwegenverordening ZuidHolland. Artikel 5:25 Verbod afualstofÍen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afualstoffen te verbranden builen inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer oÍ anderszins vuur aan te leggen, te stoken ofte hebben.
2. Mits er geen schade op een openbare plaats wordt veroorzaaK en/of er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:
boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contiactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voonverp. 4. Van de melding wordt op elektronísche wijze kennisgegeven. 5. Het veóod is niet van toepassing op beperkingengebledactiviteiten met betrekklng tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn g6teld bii of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgêvingayeÍordening oÍ de waterschapsverordenlng of op situaties waarin wordt voozien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Telecommunicatiewet of de daaroo oebaseerde Telecommunicatieverordenino. Artikel 5:20 Ligplaats vaartuigen í. Het is veóoden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantial vaartuigen. 3.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebledactiviteiten met betrekklng tot een waterstaatswerk waaryoor regels zijn gesteld blj of krachtens de Omgevlngcwet, de provinciale omgevingsverordêning of de waterschapsverordening of op sltuaties waarin wordt voorzien door het Beslult bouwwerken leefomgevlng of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet mllleubeheer of het Binnenvaartpol itiereglement. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlfik aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel 5:23 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zeften, duikers, pompen, waterleidingen, godingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens oí sluizen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
voozien door het Wetboek van ShaÍrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5:25 Verbod afualstoffen te veóranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afualstoffen te veÈranden buiten een inrichtlng in de zin van de Wet milieubeheer, zoals dle wet luidde direct vooraÍgaand aan de inwerkingtredlng van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits er geen schade op een openbare plaats wordt veroozaakt en/of er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
13
a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals bijvoorbeeld terrashaarden, vuurkorven en oliedrums, voor zover geen afualstoffen worden verbrand en er geen schade in de openbare ruimte wordt veroozaakt; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbo 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde ondeMerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinci ale m i lie uverordeni nq.
b. sfeervuren zoals bijvoorbeeld terrashaarden, vuurkorven en oliedrums, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand en er geen schade in de openbare ruimte wordt veroozaakt' c. vuur voor koken, bakken en braden.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde ondenruerp wordt voozien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale
omqevi nqsverordeni nq.
2. Deze wijzigingen, met uitzondering van de wijzigingen van artikel 2:48, artikel 5:7 en artikel 5:10, worden van kracht nadat de Omgevingswet in werking is getreden. Dit besluit treedt in werking twee weken na de bekendmaking daarvan. Tenzij over dit besluit een inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt gedaan.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad op 11 september 2023 de plaatsvervangend griffier, Cl.--
mr. L.O. de Prieëlle
J. Bezuijen
14