Raadsbesluit Aanpassing Algemene plaatselijke verordening Zoetermeer 2022
Tekst van het document
Raadsbesluit Aanpassing Algemene plaatselijke verordening Zoetermeer 2022
2022-052185 De raad van de gemeente Zoetermeer; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 september 2022
besluit:
1. De
de
van de
Zoetermeer vast te stellen
Artlkel 2:l0a HlnderlIke beplantlng ên voorwe]p Het ls verboden beplanting of een vootwerp aan te brcngen oÍ te hebben op zodanige wilze dat aan het wegvêrkoer het vrlje ultzicht wordt belemmerd of voor het weoverkeer hlndar of oevaar onlstaat. Nlikel 2:1 2 Begripsbepaling 1.ln deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke
voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. marKen als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horccawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare maniÍestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en afdeling 9 van deze verordening; g. activiteiten die plaatsvinden in een inrichting en behoren bij het normale gebruik van die inrichting, tenzij deze activiteiten gevolgen kunnen hebben voor de openbare orde. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid', b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in arlikel2i2 van deze verurdening, op de weg; d. een feest, muzieloroorstelling of wedstrijd op een openbare plaats. AÉikel 2:1 4 Ordeverstoring í.Het is verboden bij een evenement de orde te veÍstoren. 2.Het is verboden bij een evenement zichtbaar goedercn te dngen, bij zich te hebben of te veruoeren die uitedijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uilspnak of bestuurlijk besluit vetboden is verklaad of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.
3.Het vefuod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daain geregelde ondetwerp wordtvoorzien door het Wetboek van Strafrccht. Artikel 2:í 5a Exploitatie horecabedrijf I .Het is veóoden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijÍ dat zich bêvindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel I van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zoryinstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of- restaurant; e. rouwcentra, begraaÍplaatsen en crematoria f. instellingen van paracommerciële rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Dnnk- en horccawet.
AJ'tikel 2i1 2 Begripsbepaling 1.ln deze aÍdeling wordt onder evenement veístiaan elke voor publiek toegankelijkê vêrrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel í60, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; Í. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en afdeling 9 van deze verordening; g. activiteiten die plaatrsvinden in een inrichting en behoren bij het normale gebruik van die inrichting, tenzij deze activiteiten gevolgen kunnen hebben voor de openbare orde. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2van dezeverordening, op de weg; d. een Íeest, muziekvoorstelling oíwedstrijd op een openbare plaats. AÉikel 2:1 4 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
AÉikel 2:15a Exploitiatie horecabedrijf l.Het is veÉoden een horecabedrijf te exploiteren zonder
vergunning van de burgemeester. 2.Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijÍ dat zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltudenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of- restaurant; e. rouwcentra, begraafplaatsen en crematoria f. instellingen van panaoommerciële rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Alcoholwet.
3.De burgemeester kan andere categorieén horecabedrijven aanwijzen waarvoor de vergunningplicht van lid 1 van dit artikel niet geldt. 4.De buqemeester kan de exploitatievergunning weigeren of intrekken als: a. de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijÍ in strijd is met een geldend bestemmingsplan; b. de ondememer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. de ondernemer of de leidinggevende onder curatele staat; d. de ondememer of de leidinggevende niet de leeftijd van achttien jaar heeÍt bereikt; e. de ingediende bescheiden niet oÍ niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing; Í. voor het horecabedrijf een vergunning krachtens artikel 3 van de Drank- en Horecawetisvereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, ofde aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten. 5.De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk oÍ voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, als: a. naar zijn oodeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leeíklimaat in de omgeving van het horecabedrijÍ door de aanwezigheid van het horecabedrijf nadelig wordt
beïnvloed; b. de ondememer of de leidinggevende het bij oí krachtens de bepalingen in deze afdeling geregelde overtreedt; c. de ondernemer of de leidinggevende betrokken is, oÍ hem ernstige nalatigheid kan worden verueten bij activiteiten in oÍ vanuit het horecabedrijf, dan wel toestaat oÍ gedoogt dat in zijn horecabedrijf activiteiten plaatsvinden, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; d. de ondememer of de leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie; e. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, een wijziging in het beheer of een wijziging in de ondernemer en/oÍ ondememing, waarvoor geen nieuwe exploitratievergunning is aangevraagd; f. zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins Íeiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijÍ gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leeÍklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; g. er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijÍ personen werkzaam zijn oÍ zullen zijn in strijd met het bij oÍ krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. 6.De ondememers die bij de inwerkingtreding van dit artikel al een het horecabedrijf exploiteren zijn vrijgesteld van de vergunningplicht van lid 1 van dit artikel. 7.De vrijstelling van lid 6 vervalt: a.
zodra de ondememer een wijziging, van welke aard dan ook, van de Drank- en horecawetvergunning aanvraagt, met uiEondering van een wijziging/aanvulling van het leidinggevendenaanhangsel; en/of: b. een geheel nieuwe Dnnk- en horecawetvergunning aanvraagt en/oÍ; c. de burgemeester de ondememer een waarschuwing en/of een maatregel op basis van de HorecasancÍê strategie Openbare Orde, het Goffeeshopbeleid Zoetermeer en/oÍ het Toezicht- en Handhavingsmodel DHW heeft opqeleqd. Afdeling 7. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horccawet Ariikel 2:22a Beg ri ps bepa n g ln deze afdeling wordt verstiaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijÍ, horecalokaliteit, inrichtino. oaracommerciële rechtsoersoon. sterke drankIi
3.De burgemeester kan andere categorieën horecabedrijven aanwijzen waarvoor de vergunningplicht van lid 1 van dit aÍtikel niet geldt. 4.De burgemeester kan de exploitatievergunning weigeren of intrekken als: a. de vestiging oí de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan; b. de ondememer oÍ de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. de ondernemer of de leidinggevende onder curatele staat; d. de ondememer of de leidinggevende niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereiK; e. de ingediende bescheiden niet oÍ niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing; f. voor het horecabedrijf een vergunning krachtens artikel 3 van de Alcoholwet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, oí de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten. 5.De burgemeester kan de exploitratievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk oívoor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, als: a. naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leeftlimaat in de omgeving van het horecabedrijÍ door de aanwezigheid van het horecabedrijí nadelig wordt beïnvloed; b. de ondememer oÍ de leidinggevende het bij of krachtens de bepalingen in deze aÍdeling geregelde overtreedt; c.
de ondememer of de leidinggevende betrokken is, of hem emstige nalatigheid kan worden verueten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijÍ, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horecabedrijf activiteiten plaatsvinden, waarmee de openbare
orde nadelig wordt beïnvloed; d. de ondememer of de leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie; e. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, een wijziging in het beheer of een wijziging in de ondememer en/of ondememing, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd; f. zich in of vanuit het horecabedrijÍ anderszins Íeiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar kan veroozaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- oí leeÍklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; g. er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijí personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet aóeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
6. De ondememers die bij de inwerkingtreding van dit artikel al een het horecabedrijf exploiteren zijn vrijgesteld van de veÍgunningplicht van lid 1 van dit artikel. 7. De vrijstelling van lid 6 vervalt: a. zodra de ondememer een wijziging, van welke aard dan ook, van de Alcoholvergunning aanvraagt, met uitzondering van een wijziging/aanvulling van het leidinggevendenaanhangsel; en/oÍ: b. een geheel nieuwe Alcoholvergunning aanvraagt en/of; c. de burgemeester de ondernemer een waarschuwing en/oÍ een maatregel op basis van de Horecastrategie Openbare Orde, het Coffeeshopbeleid Zoetermeer en/of het Toezicht- en Handhavingsmodel DHW heeft opgelegd.
Afdeling 7. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Nlikel 2:22a Begri psbepaling ln deze afdeling wordt verstiaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalokaliteit, inrichtinq, paracommerciële rechtspersoon, sterke drank,
slijtersbedrijf en zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstraan in de Dênk- en Horecawet.
Artikel 2:36 Gebruikvan dnnk drugs en/of lachgas 1.Het is voor personen die de leeÍtijd van achttien jaar hebben bereiKverboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw die deel uitmaken van een door de burgemeester aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes ên dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eeÍste lid is niet van toepassing voor zover artikel 45 van de Dnnk- en Horecawetvan toepassing is. 3.Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijí als bedoeld in artikel í van de Dnnk- en Horccawet en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Dnnk- en Horccawet. 4.Hêt is vetboden op een openbare plaats, op het openbaarwater of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de aftikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbercidingen daartoe te venichten of ten behoeve van dat gebruik voonnetpen of stotren voorhanden te hebben als dit gepaad gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leeklimaat aantast of anderszins ovedast verootzaaW.
5.HeÍ is vefuoden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de aftikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waarte gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbercidingen daaftoe te venichten of ten behoeve van dat gebruik vooruerpen of stotren voorhanden te hebben. 6.Het is vefuoden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw lachgas als roesmiddel recreatief te gebruiken, toe te dienen, voorbercidingen daaftoe te venichten often behoeve van dat gebruik voonirctpen of stoffen voorhanden te hebben.
slijtersbedrijÍ en arak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artlkel 2:22c Proeverfl in sliltlokaliteit
í. Slijtlokalltelten zijn vrijgesteld van het in artlkel 3, êêrsie lid, en het In artlkel í4, eercte lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betallng organlseren van eên proeverfl in hun lokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagên ên tflden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Wnkelt[dênwet rêgulier is ooenoesteld. Artikel 2:36 Alcoholnuttlglngsyerbod í.Het is voor pensonen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereiK verboden op een openbare plaats, op het openbaar water oÍ in een voor publiek toegankelijk gebouw die deel uitmaken van een door de burgemeester aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken oÍ aangebroken Ílessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor zover artikel 45 van de Alcoholwet van toepassing is. 3.Het verbod is niet van toepassing op: a. een tenas dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een onthefiing geldt krachtens artikel 35 van de
Alcoholwet.
AÉikel 2:36b Drugsverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats, op het openbaar water oÍ in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 oÍ 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te venichten of ten behoeve van dat gebruik vooruverpen of stoffen voorhanden te hebben indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- oÍ leeÍklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroozaken. 2.Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 oí 3 van de Opiumwet oÍ daarop gêlijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te venichten of ten behoeve van dat gebruik voon rerpen of stofÍen voorhanden te hebben.
Artikel 2:36c Lachgasverbod 1. Het is veóoden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw lachgas als roesmiddel recreatief te gebruiken, toe te dienen, voorbereidinoen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat qebruik
vooMêrpen of stoffen voorhanden te hebben, indien dit gepaard gaat mel overlart oÍ andero gednglngen die de openbarê orde verstoren, het woon. of leeÍklimaat nadellg
beihvloeden oÍ ander:zins hinder veroozaken. 2. Het is verboden op een openbarc plaats dle deel ultmaakt van een door de butgemeecter ter beschermlng van do openbare orde of het woon- en leefklimaat aangêwezen gebled lachgas recreatlef als Íoesmiddêl te gebrulken, voorbereldlngên daartoê te verrlchten of ten behoeve van dat gebrulk vooÍrorpon of stoffen biJ zich te
hebben. Artikel 2:37a lnstrument woonoverlast 'l .Degene die een woning oÍ een bij die woning behorend erf gebruiK draagt er zorg voor dat: . door gedragingen in of vanuit die woning of vanaÍ dat erf geen emstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroozaaK oÍ: . in de onmiddellijke nabijheid van die woning of vanaf dat erf geen emstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroozaakt. 2.Degene die een woning oÍ een bij die woning behorend erf tegen betraling in gebruik geefr aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisreglsfrafib peÊonen is ingeschreven draagt er zorg voor dat: . door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf geen emstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaaK oÍ: . in de onmiddellijke nabijheid van die woning oÍ dat erf geen emstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroozaaK. 3.Als de burgemeester naar aanleiding van êen schending van de zorgplicht zoals verwoord in de leden í en 2 van dit artikel een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang oplegt kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. 4.De burgemeester stelt beleidsregels op ter uituoering van het instrument teoen woonoverlast.
3. De burgemeeatar kan in het aanwflzlngrbeslult het verbod van lld 2 benerken tot baoaalde tiiden. Artikel 2:37a lnstrument woonoverlast l.Degene die een woning oÍ een bij die woning behorend erf gebruiK draagt er zorg voor dat: . door gedragingen in of vanuit die woning of vanaf dat eí geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroozaakt of: . in de onmiddellijke nabijheid van die woning of vanaf dat eÉ geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroozaakt. 2.Degene die een woning oÍ een bij die woning behorend erf tegen betaling in gebruik geeft draagt er zorg voor dat: . door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf geen emstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt
veroozaakt of: . in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen emstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt
veroozaaK.
3. Als de burgemeester naar aanleiding van een schending van de zorgplicht zoals verwoord in de leden I en 2 van dit artikel een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang oplegt kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. 4. De burgemeester stelt beleidsregels op ter uitvoering van het instrument teoen woonoverlast-
Aftikel 2:38b Verbod op zichtbarc uitingen van verboden otg,anisaties 1.Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daafuii behorende eruen zichtbaar goedercn te dÊgen, bij zich te hebben of te veruoeren die uitedijke kenmerken zijn van een organisatie die bij ,echtedijke uitspnak of bestuurlijk besluit vefuoden is veklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2.Het vefuod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
daarin gêregelde onderuerp wordt voorzien door het Wêtboekvan Strafrccht. AÉikel 2:41 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond daadwerkelijk met een fysieke lijn of zbm is aangelijnd; b. op een door het college aangewezen plaab; c. op de weg zonder voozien te zijn van een halsband oÍ een ander idenilficatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2. Het verbod in het eerstê lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. De verboden l'ir het eerste lid, aanheÍen onder a en b, ziln niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot oeleidehond oÍ sociale hulohond, Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder í. De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereiK. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitiant en de beheerder niet: a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van StraÍrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onhenoepelijk veroordeeld tot een onvoonrvaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden oÍ meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius, Aruba, Curacao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafuordering is toegelaten; c.
binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onhênoepelijk veroordeeld tot een onvooruaardelijke geldboête van 500 euro oí meer oÍ tot een andere hooÍdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van StraÍrecht, wegens dan wel mede wegens ovêrtreding van: hoofdstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening Zoetermeer; bepalingen gêsteld bij of krachtens de Drank- en Horccawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 1 37c tot en met 1379, '140, 240b, 242lot en met 249, 252,250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417,417bis,426,429qualer en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, dêrde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 ofjuncto artikel í63 van de Wegenverkeerswet 1 994;
.
.
r r
Artikel 2:4í Loslopende honden 1. Het is de eigenaarofhoudervan een hond verboden die hond te laten veólÍjven oÍ te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond is aangelijnd; b. op een door het college aangewezen plaats; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen openbare plaats zonder dat die hond is aangeliJnd; d. op een openbare plaats indien die hond niet is voozien van een halsband of een ander identiÍicatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en ondêr a, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerute lld, aanheí en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; oÍ b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant en de beheerder: a. stiaan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: a.
met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van StraÍrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van StraÍrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onhenoepelijk veroordeeld tot een onvoonraardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusieÍ de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius, Aruba, Curacao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafuordering is toegelaten; c.
binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onhenoepelijk veroordeeld tot een onvooruaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, ondera van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: hooÍdstuk 3 van de Algemene plaatselUke verordening Zoetermeer; bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwêt ên de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen í 37c tot en met 1 379, 140,240b,242 tol en met 249, 252,250a (oud), 273a, 300 tot en met 303,4í6, 417 , 417bis, 426, 429qualer en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen I en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 oÍ juncto artikel 163 van de Wegenverkeercwet
e
.
r
o
r
1994;
de aÉikelen í, ondera, b en d, 13, 14,27 en 30b van de Wet oo de kanssoelen:
.
de artikelen 1, ondera, b en d, 13, 14,27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gêsteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in aÉikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht oÍ artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b. eên bevel tot tenuifuoerlegging van een voonrvaardelijke straÍ. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggêrekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escoÉbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem tezake geen venviit treft. Artikel 6:1a Bestuudijke boete overlastfeiten openbare ruimte 1.
Overtreding door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon van het bij of krachtens heÍ de volgende artikelen bepaalde of de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete: 2:4, lid 1; 2:4, lid 4;2;5, lid I ; 2:5a, lid 2; 2:6, lid 1; 2:7 , lid 1;2:8,lid 1 ; 2:8, lid 2; 2:9;2:11,lid 1a:'2:11 ,lid 1b;2:11a, lid 1; 2:,13, lid 1; 2:14, lid 1; 2:14, lid 2; 2:24, lid 2;2:15a, lid í ; 2:16, lid 1; 2:17,lid 2;2:18,lid 2;2:19:2:20;2:21; 2:25, lid 1; 2:30a,lid 2; 2:30a, lid 3; 2:3í , lid 1;2:31 , lid 2; 2:32,lid 1;2:32,lid 2; 2:32,lid 5; 2:33, lid 1; 2:35, lid 1 .a; 2:35, lid 1 .b; 2:36, lid 1; 2:36, lid 4; 2:36, lid 5; 2:37,lid 1; 2:37,lid 2; 2:38; 2:38a,lid I ; 2:38a, lid 2; 2:38b, lid í ; 2:39, lid 1; 2:39, Iid 2; 2:39,lid 3; 2:4O;2:41,lid 1a; 2:4'l , lid 1b;2:41,lid 1c;2:42,lid 1;2:42,lid 5; 2:42,lid 6; 2:43, lid 2;2:43,lid 3; 2:43, lid 4; 2:44,lid 1; 2:47 ,lid 1',2:47 ,lid 2; 2:49, lid 1 ; 2:49, lid 2', 2:49a lid 1 ; 2:49a, lid 2: 2:52a, lid 4; 2:52a,lid 5; 2:52d, lid 1; 2:52h, lid 3;3:9, lid 1 ; 3:9, lid 2; 3:10, lid 1; 4:5, lid 1 ; 4:5a; 4:6; 4:7; 4:.8i 4:8a,lid 2: 4:15, lid 1;4:15, lid2;4:16;4:18, lid í;5:2, lid í;5:2, lid 2; 5:3, lid 1;5:4, lid 1;5:5, lid í;5:6, lid 1;5:7, lid 1;5:8, lid 1;5:9, lid 1;5:10, lid'l;5:í0, lid 2; 5:í0, lid 3; 5:1í, lid í;5:í3, lid 1;5:13, lid 2; 5:16, lid 1;5:19, lid 1;5:20, lid
1;5:21,lid1; 5:23, lid 'l; 5:23a, lid 2; 5:23a,lid 3; 5:24, lid 1; 5:24, lid 2; 5:25, lid 1; 5:26, lid í . 2. De boetebedngen als genoemd in de bijlage 'Boetebedragen overlastfeiten openbare ruimte' bij dit aftikel, vast te stellen. 3. lndien de overtreding van een voorschrift als genoemd in de bijlage van lid 2 van dit artikel is begaan door een natuurlijke persoon, is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in die bijlage is vermeld bij het desbetreffende voorschrift . 4. lndien de overtreding van een voorschrift als genoemd in de bijlage van lid 2 van dit aÉikel, is begaan door een natuurlijke persoon die twaalf, dertien, veertien oí vijftien jaar oud is, wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die in die bijlage is vermeld bij het desbetreffende voorschrift gehalveerd.
o o
5. lndien de overtreding van een vooÍschrift als genoemd in de bijlage van lid 2 van dit artikel, is begaan door een
a
de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht oÍ artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voonraardelijke
straf. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaÍ dê datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5. De exploitant of de beheerder is binnen dê laatste vijÍ jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting oÍ escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, ofwaarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem tezake geen veruijt treft.
Artikel 6:1a Bestuurlijke boete ovêrlastfeiten openbare ruimte
í. Overtreding door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de op grond van aÉikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete: 2:4, lid 1;2:4,lid 4; 2:5,lid 1;2:5a, lid 2;2:6,lid 1;2:7,lid 1; 2:8, lid í;2:8,lid2:'2:9t2:11,lid1a;2:11; lid 1b; 2:1ía, lid 1; 2:'13, lid 1 ; 2:1 4, lid 1 ; 2:1 4, lid 2; 2:24, lid 2; 2:1 5a, lid 1 ; 2: I 6, lid 1;2:17 ,lid 2; 2:18,lid 2; 2:19;2:20;2:21; 2:25,lid í; 2:30a, lid 2;2:30a,lid 3; 2:31 , lid 1 ; 2:3í , lid 2; 2:32, lid 1; 2:32, lid 2; 2:32,lid 5; 2:33, lid 1;2:35, lid 1a;2:35,lid 1b; 2:36, lid í; 2r36b, lid í;2:36b, lld 2; 2:36c, lld í; 2:36c, lid2,2:37,lid 1; 2:37 ,lid 2;2:38; 2:38a, lid '1 ; 2:38a, lid 2; 2:38b, lid í; 2:39, lid 1 ; 2:39, lid 2;2:39, lid 3;2:40;2:41 ,lid 1a;2:41,lid í b; 2:41 , lid 1c; 2:11,lid 1d;2:42,lid 1;2:42,lid 5;2:42, lid 6; 2:43, lid 2; 2:43, lid 3; 2:43, lid 4; 2:44, hd 1; 2:47 , lid 1; 2:47 , lid 2; 2:49, lid 1 ; 2:49, lid 2;2:49a lid 1; 2:49a,lid 2;2:52a,lid 4; 2:52a, lid 5;2:52d,lid 1;2:52h,lid 3;3:9, lid 1; 3:9, lid 2; 3:10, lid 1; 4:5, lid 1;4:5a; 4:6;4'.7;4:8i4:8a,lid2;4:15,lid 1;4:15, lid 2; 4:16; 4:18, lid 1',5:2,lid 1;5:2, lid 2; 5:3, lid 1;5:4, lid í;5:5, lid 1; 5:6, lid í;5:7,lid1:5:8, lid 1;5:9, lid'1;5:10, lid 1;5:í0, lid 2; 5:í0, Iid 3; 5:í1, lid 1;5:í3, lid 1;5:13, lid 2; 5:16, lid
1;5:19, lid í ; 5:20, lid 1; 5:21,lid 1; 5:23, lid 1; 5:23a,lid 2; 5:23a, lid 3; 5:24,lid 1; 5:24, lid 2; 5:25,lid í ; 5:26, lid í.
2. lndien de overtreding van een voorschrift als genoemd in de bijlage van lid 2 van dit artikel is begaan door een natuurlijke persoon, is de hoogte van dê bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in die bijlage is vermeld bij het desbetreffende voorschrift. 3. lndien de overtreding van een voorschrift als genoemd in de bijlage van lid 2 van dit artikel, is begaan door een natuurlijke peÍsoon dÍe twaalf, dertien, veertien of vijftien jaar oud is, wordt dê hoogte van de bestuurlijke boete die in die bijlage is vermeld bij het desbetreffende voorschrift gehalveerd. 4. lndien de overtreding van een voorschrift als genoemd in dê bijlage van lid 2 van dit artikel, is begaan door een rechtspersoon, wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die oeldt voor een natuurliike Dersoon verdubbeld.
rechtsperoon, wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die geldt voor een natuurlijke persoon vêrdubbeld. 6. De op te leggen bestuurlijke boete kan worden verdubbeld, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, is geconstateerd en de bestuurlijke boete voor de eerdere overtreding onhenoepelijk is geworden. 7. Het college kan de boetebedragen als vermeld in de bijlage'Boetebedragen overlastfeiten openbare ruimte' bij dit artikel, aanpassên. Daarbij gelden voor het college naast de wettelijke maxima van de boetebedragen de volgende uitgangspunten: - de aanpassing die de minister van Justitiê en Veiligheid
5. De op te leggen bestuurlijke boete kan worden verdubbeld, indien binnen een tijdvak van vufjaar voorafgaand aan de dag van constiatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, is geconstateerd en de bestuurlijke boete voor de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden. 6. Het college kan de boetebedragen als vermeld in de bijlage 'Boetebêdragen overlastfeiten openbare ruimte' bij dit artikel, aanpassen. Daaóij gelden voor het college naast de wettelijke maxima van de boetebedragen de volgende uitgangspunten: - de aanpassing die de minister van Justitie en Veiligheid doet; - het algemene stijgingspercentage, dat gebruikt wordt voor de leges en heffingen.
doet; - het algemene stijgingspercentage, dat gebruikt wordt voor de leges en heffingen.
2. De volgende bestuurlijke boetes vast te stellen en op te nemen in de lijst Boetebedragen overl astfeite n ope n ba re ru i mtei
. Artikel 2:36c,lid I Overtreden lachgasverbod: gebruik: 150 euro; r Artikel 2:36c, lid 1 Overtreden lachgasverbod: voorbereidingen treffen: 150 euro; r Artikel 2:36c,lid 1 Overtreden lachgasverbod: voorwerpen of stoffen voorhanden hebben: 150 euro;
o Artikel 2:36c, líd 2 Overtreden lachgasverbod: gebruik: 150 euro; o Artikel 2:36c,lid 2 Overtreden lachgasverbod: voorbereidingen treffen: 150 euro; r Artikel 2:36c,lid 2 Overtreden lachgasverbod: voorwerpen of stoffen voorhanden hebben: 150 euro;
o Artikel 2:41 ,lid 1d Loslopende honden op een aangewezen openbare plaats buiten de bebouwde kom: 100 euro. Dit besluit treedt in werking twee weken na de bekendmaking daarvan. Tenzij over besluitpunt 1 een inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt gedaan. Over besluitpunt 2 kan op grond van artikel 1:3c van de Referendumverordening geen referendum worden gehouden.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad op 6 december 2022
de
MCM
.J. Bezuijen