Interpellatieverzoek bestuurlijk handelen wethouder Blansjaar
Tekst van het document
20 november 2025 Geachte voorzitter van de raad, Wij verzoeken u op grond van artikel 36 van het Reglement van Orde een interpellatie te houden over de invulling van het wethouderschap door wethouder Blansjaar. Wij hechten diep aan de democratische rechtsstaat en aan een lokaal bestuur waarin de gemeenteraad als hoogste orgaan wordt gerespecteerd, raadsbesluiten worden uitgevoerd en inwoners kunnen vertrouwen op een integere en voorspelbare overheid. Juist op dit punt zien wij bij wethouder Blansjaar al geruime tijd een zorgelijk patroon. Tijdens meerdere optredens, en recent opnieuw tijdens het commissiedebat van 17 november, is hij er niet in geslaagd de positie van de raad zichtbaar en overtuigend te respecteren, de eerder door de raad genomen besluiten leidend te laten zijn en de raad helder en volledig mee te nemen in de keuzes die het college aan haar voorlegt. Artikel 169 van de Gemeentewet verplicht het college en ieder van zijn leden om de raad volledig te informeren en verantwoording af te leggen over het gevoerde bestuur. Door de raad onvolledig, tegenstrijdig en laat te informeren over de uitvoering van raadsbesluiten wordt deze informatie en verantwoordingsplicht niet nageleefd. De wijze waarop de wethouder de raad informeert en vragen beantwoordt, bevestigt dit beeld.
De raad wordt geconfronteerd met een wethouder die niet uit zichzelf voortvarend invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheid, maar pas onder maximale druk van de gemeenteraad in beweging komt. Sinds de intrekking van het vorige afval- en grondstoffenbeleid in 2022 heeft wethouder Blansjaar, als verantwoordelijk portefeuillehouder, nagelaten om binnen redelijke termijn met een nieuw afvalbeleidsplan te komen, waardoor op dit cruciale dossier tussen 2022 en 2025 feitelijk een bestuurlijke leegte is ontstaan. Een concreet afvalbeleidsplan en bijbehorend raadsvoorstel is pas tot stand gekomen nadat: • • •
de raad in 2023 een tijdlijn opvraagt, de raad in 2023 een burgerberaad moet afdwingen, en in juni 2025 een motie “Doorpakken” plus een harde toezegging nodig zijn om vóór eind 2025 eindelijk nieuw beleid te krijgen.
Wij maken ons dan ook grote zorgen over de wijze waarop het bestuurlijk handelen van wethouder Blansjaar zich verhoudt tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en tot de verplichtingen uit de Gemeentewet, in het bijzonder de plicht om raadsbesluiten uit te voeren en de raad tijdig, volledig en eenduidig te informeren. Wij twijfelen of de wethouder voldoende gewicht geeft aan de positie van de gemeenteraad als hoogste orgaan en of hij in staat is de grote dossiers in zijn portefeuille, zoals afvalbeleid en Poppodium De Boerderij, op een manier te voeren die recht doet aan de besluiten en verwachtingen van de raad. Gezien de actualiteit, de herhaalde incidenten en de ernst van onze zorgen willen wij hierbij het verzoek indienen om in de eerstvolgende raadsvergadering vragen te mogen stellen aan het college over het functioneren van wethouder Blansjaar, zoals beschreven in artikel 36 Interpellatie van het Reglement van Orde van de gemeenteraad van Zoetermeer. Afhankelijk van de beantwoording van onze vragen zullen ondergetekende fracties mogelijk een of meerdere moties indienen. Met vriendelijke groet, D66
VVD
CU-SGP
Zó! Zoetermeer
CDA
Esmael Zamani
Lisette Sandifort
Francijn Brouwer
Roel van der Vlies
David Weekenstroo
PVV
LHN
Zoetermeer Vooruit
SP
FVD
Stefan Smits
Monique Siegelaer
Juliette Meurs
Jan Velner
Marco van den Boomgaard
Artikel 36 Interpellatie 1.
Een raadslid kan een verzoek indienen om tijdens de eerstvolgende raadsvergadering aan het college vragen te stellen over een niet geagendeerd onderwerp. Het onderwerp vereist actualiteit en heeft voldoende politieke relevantie. 2. Verzoeken hiervoor worden de werkdag voorafgaand aan de vergaderdag uiterlijk 12.00 uur ingediend bij de griffie en direct doorgestuurd naar de raads en commissieleden. 3. De voorzitter brengt het verzoek bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek in stemming. De raad bepaalt of de interpellatie zal worden gehouden. 4. De interpellatie vindt vervolgens plaats aan het begin van het debatgedeelte van de raadsvergadering, tenzij er dringende redenen zijn om een ander moment te kiezen. De interpellant voert als eerste het woord, waarna het aangesproken lid van het college als eerste kan reageren. Vervolgens volgt een debat waaraan de overige leden van de raad kunnen deelnemen, waarbij in principe wordt uitgegaan van maximaal twee termijnen voor raad en college. De interpellant kan indien gewenst als laatste het woord voeren. De volgende vragen zijn vooralsnog onderwerp van de interpellatie: 1.
Hoe kijkt de wethouder zelf terug op zijn optreden tijdens het commissiedebat van 17 november en eerdere debatten, waarin hij zichtbaar moeite had om vragen van de raad helder en consistent te beantwoorden en om de eerder door de raad genomen besluiten leidend te laten zijn in zijn voorstellen? 2. Erkent de wethouder dat in de raad het beeld is ontstaan dat hij de positie van de gemeenteraad als hoogste orgaan onvoldoende zichtbaar respecteert, en zo ja, op welke concrete punten begrijpt hij die zorg en wat had hij naar eigen oordeel anders moeten doen? 3. Welke lessen trekt de wethouder uit het feit dat er rond meerdere dossiers in zijn portefeuille (afvalbeleid en Poppodium De Boerderij) nu een interpellatie over zijn functioneren nodig wordt geacht, en welke verbeteringen stelt hij zelf voor in zijn manier van werken richting de raad? 4. Waarom heeft de wethouder, na de intrekking van het vorige beleid voor afval en grondstoffen in 2022, niet binnen redelijke termijn zelf het initiatief genomen om met een nieuw afvalbeleidsplan te komen, maar is dit pas gebeurd nadat de raad in 2023 een tijdlijn opvroeg, een burgerberaad over afvalbeleid afdwong en in juni 2025 de motie “Doorpakken met afvalbeleid” aannam met daarbij een duidelijke termijn? 5.
Hoe verklaart de wethouder dat er tussen 2022 en 2025 feitelijk sprake is geweest van een bestuurlijke leegte op het afvaldossier, terwijl het om een cruciaal onderwerp gaat voor inwoners en terwijl hij zich publiekelijk juist sterk heeft geprofileerd op afvalbeleid?
6. Kan de wethouder toelichten waarom het college bij het raadsvoorstel over de nieuwbouw van Poppodium De Boerderij een variant aan de raad heeft voorgelegd die afwijkt van het eerder, geamendeerd, door de gemeenteraad genomen besluit, en waarom hij tijdens het debat van 17 november niet duidelijk kon uitleggen waarom de door de raad vastgestelde uitgangspunten niet volledig zijn gevolgd? 7. Hoe verhoudt het handelen van de wethouder zich, naar zijn eigen oordeel, tot artikel 160 en artikel 169 van de Gemeentewet, die het college verplichten om raadsbesluiten loyaal uit te voeren en de raad volledig en tijdig te informeren, gezien de herhaalde signalen dat raadsbesluiten in zijn portefeuille niet of vertraagd worden uitgevoerd en de raad onvolledig of tegenstrijdig is geïnformeerd? 8. Erkent de wethouder dat de wijze waarop de raad in de dossiers afvalbeleid en Poppodium De Boerderij is geïnformeerd (late stukken, wisselende toelichtingen, onduidelijke keuzes) spanning oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en zo ja, hoe gaat hij dit herstellen? 9. De wethouder heeft in eerdere debatten en in een publiek optreden/interview gewezen op stroperigheid binnen de ambtelijke organisatie als verklaring voor vertragingen en problemen in zijn dossiers.
Kan de wethouder concreet aangeven in hoeverre hij zich verantwoordelijk acht voor de aansturing van die organisatie en erkent hij dat de politieke eindverantwoordelijkheid bij hem ligt en niet bij de ambtenaren? 10. Hoe omschrijft de wethouder zijn eigen manier van samenwerken met de ambtelijke organisatie op de dossiers afvalbeleid en Poppodium De Boerderij, en welke maatregelen neemt hij om te borgen dat ambtenaren zich gesteund weten in de uitvoering van raadsbesluiten in plaats van, expliciet of impliciet, als oorzaak van problemen te worden gepresenteerd richting de raad?