Interpellatie ‘Gedrag van wethouder Weerwag’
Tekst van het document
Zoetermeer, 18 februari 2026 Geachte voorzitter van de raad,
Wij verzoeken u op grond van artikel 36 van het Reglement van Orde een interpellatie te houden over de invulling van het wethouderschap door wethouder Weerwag. In een democratische rechtsstaat moet de gemeenteraad als hoogste orgaan zijn controlerende taak vrij en zonder druk of intimidatie kunnen uitoefenen (zie artikelen 160 en 169 van de Gemeentewet). Dit vergt een professionele en veilige bestuurlijke cultuur. Een collegiale verhouding tussen raad en college én een bestuur dat verantwoordelijkheid neemt voor de ambtelijke organisatie die onder zijn gezag werkt. Wanneer een bestuurder publiekelijk de suggestie wekt dat ambtenaren verantwoordelijk zijn voor bestuurlijke fouten, of wanneer raadsleden die hun reguliere controlerende middelen inzetten persoonlijk worden bejegend op een wijze die als intimiderend of ondermijnend wordt ervaren, raakt dat het functioneren van de hele raad en de veiligheid en professionaliteit binnen de organisatie. Aanleiding voor dit interpellatieverzoek zijn allereerst de publieke uitingen van wethouder Weerwag na het pauzeren van het monumenten-/Post ’45-proces.
In berichten op sociale media en in de pers heeft de wethouder de indruk gewekt dat hij herhaaldelijk heeft aangedrongen op een andere toon, timing en inhoud van de communicatie, maar dat zijn suggesties niet (altijd) zouden zijn overgenomen, waarna “terecht onrust” onder bewoners is ontstaan. Daarmee legt de wethouder de schuld voor de ontstane onrust feitelijk bij ambtenaren en gooit hij hen publiekelijk voor de bus, om zichzelf buiten schot te houden. Deze wijze van communiceren is zeer zorgwekkend. Ambtenaren handelen binnen opdrachten en kaders die door het college worden gesteld. Zij kunnen zich bovendien niet publiekelijk verdedigen. Dat maakt het extra belangrijk dat bestuurders hun organisatie publiekelijk rugdekking geven en de politieke eindverantwoordelijkheid nemen. Niet voor niets hebben vakbond FNV Overheid en meerdere fracties in de raad deze uitingen als onacceptabel bestempeld, juist omdat dit het vertrouwen binnen de organisatie kan schaden en de professionele veiligheid van medewerkers onder druk kan zetten. Dit raakt aan goed werkgeverschap en aan de basis van een zorgvuldige bestuurscultuur. Daarnaast zijn er meerdere ernstige signalen over het gedrag van de wethouder richting raadsleden, waardoor een onveilige werksituatie ontstaat.
Zo zijn er vier meldingen van raadsleden over het gedrag van wethouder Weerwag jegens raadslid mevrouw Sandifort op 9 februari 2026. Deze meldingen zien op een gesprek dat plaatsvond kort nadat mevrouw Sandifort in een coalitie-appgroep had aangegeven het agenderingsverzoek van D66 over het Post ’45-dossier mede te ondertekenen. Volgens de meldingen is het raadslid in dat gesprek door wethouder Weerwag benaderd in een harde, verwijtende en intimiderende toon. Er wordt melding gemaakt van het gebruik van persoonlijke kwalificaties, het kleineren of afkappen van antwoorden en het uitoefenen van druk door te spreken over mogelijke gevolgen voor het raadslid of de positie van de raad in het dossier. Ook wordt er melding gemaakt van (dreigend) toespreken over gevolgen met zinnen als “dit gaat je veel kosten” en “hier ga je last van krijgen”. Binnen de raad is ten minste één eerder voorval bekend waarbij een ander raadslid door wethouder Weerwag op intimiderende wijze is benaderd en onder druk is gezet. Los van de betrokken raadsleden gaat het hier om een patroon dat de kern raakt van de verhoudingen in onze lokale democratie. Raadsleden moeten zonder vrees voor persoonlijke repercussies vragen kunnen stellen, agenderingsverzoeken kunnen indienen en politieke controle kunnen uitoefenen.
Wanneer de indruk ontstaat dat een wethouder probeert te sturen op het gebruik van die instrumenten via persoonlijke druk,
kwalificaties en/of intimiderende bejegening, tast dat het vrije mandaat en de controlerende functie van de gemeenteraad aan. Deze meldingen en signalen zijn zeer zorgwekkend en raken de kern van de bestuurlijke cultuur. Zowel de omgang van een bestuurder met raadsleden als de manier waarop een wethouder publiekelijk over de ambtelijke organisatie communiceert. De raad mag er niet van uitgaan dat dergelijke gebeurtenissen als ‘privé’ kunnen worden weggezet. Zij kunnen het vrije mandaat en de controlerende taak van raadsleden onder druk zetten én het vertrouwen en de professionele veiligheid binnen de ambtelijke organisatie aantasten. Wij verzoeken daarom conform artikel 36 van het Reglement van Orde formeel toestemming om de wethouder hierover vragen te stellen in de eerstvolgende raadsvergadering. Het doel is om feitelijk te verifiëren wat er is gezegd en gedaan en om te toetsen of de wethouder zijn verantwoordelijkheid heeft genomen om de raad en de ambtelijke organisatie volledig, zorgvuldig en met respect te behandelen. Afhankelijk van zijn beantwoording behoudt de raad zich het recht voor moties in te dienen. Met vriendelijke groet, D66
VVD
PdvZ
Zó! Zoetermeer
CU-SGP
Esmael Zamani
Jeffrey van Gils
Tamara Haak
Roel van der Vlies
Francijn Brouwer
CDA
SP
ZV
50 Plus
David Weekenstroo
Jan Velner
Julliëtte MeursTroch
Willeke Mertens
Artikel 36 Interpellatie 1.
Een raadslid kan een verzoek indienen om tijdens de eerstvolgende raadsvergadering aan het college vragen te stellen over een niet geagendeerd onderwerp. Het onderwerp vereist actualiteit en heeft voldoende politieke relevantie.
2.
Verzoeken hiervoor worden de werkdag voorafgaand aan de vergaderdag uiterlijk 12.00 uur ingediend bij de griffie en direct doorgestuurd naar de raads- en commissieleden.
3.
De voorzitter brengt het verzoek bij de vaststelling van de agenda in stemming. De raad bepaalt of de interpellatie zal worden gehouden.
4.
De interpellatie vindt plaats aan het begin van het debatgedeelte van de raadsvergadering, waarbij de interpellant als eerste het woord voert, waarna het aangesproken lid van het college reageert. Vervolgens volgt het debat, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van maximaal twee termijnen.
De volgende vragen zijn vooralsnog onderwerp van de interpellatie:
1.
Erkent de wethouder dat hij als portefeuillehouder en lid van het college volledig politiek eindverantwoordelijk is voor de toon, timing en inhoud van de communicatie richting bewoners in dit dossier?
2.
Kan de wethouder bevestigen of ontkennen dat hij via sociale media en/of in de pers de indruk heeft gewekt dat zijn aanwijzingen of suggesties over de communicatie niet (altijd) zijn overgenomen binnen de ambtelijke organisatie, en erkent hij dat dit de indruk kan wekken dat ambtenaren verantwoordelijk zijn voor de ontstane onrust?
3.
Erkent de wethouder dat het college als geheel en de portefeuillehouder in het bijzonder verantwoordelijk zijn voor de aansturing van de ambtelijke organisatie, en dat hij zijn ambtenaren niet publiekelijk ‘voor de bus’ kan gooien om bestuurlijke verantwoordelijkheid te ontwijken?
4.
Acht de wethouder zijn publieke uitingen verenigbaar met goed werkgeverschap en een professionele bestuurscultuur, gelet op het risico dat ambtenaren hierdoor publiekelijk worden weggezet zonder zich te kunnen verdedigen en het vertrouwen en de veiligheid binnen de organisatie kunnen worden geschaad?
5.
Kan de wethouder bevestigen of ontkennen dat hij in het telefoongesprek van 9 februari 2026 een raadslid in een harde, verwijtende en intimiderende toon heeft benaderd, met persoonlijke kwalificaties en/of het kleineren of afkappen van antwoorden en acht hij dit verenigbaar met professionele omgangsvormen en een veilige bestuurscultuur?
6.
Kan de wethouder bevestigen of ontkennen dat hij in dat gesprek druk heeft uitgeoefend door te spreken over mogelijke (negatieve) gevolgen of repercussies voor het raadslid (of voor de positie van de raad in het dossier), en hoe beoordeelt hij, met terugwerkende kracht, het effect daarvan op het vrije mandaat en de onafhankelijke controlerende rol van raadsleden?
7.
Erkent de wethouder dat raadsleden zelfstandige agenderings- en controlerechten hebben die niet afhankelijk zijn van voorafgaande toestemming, instemming of persoonlijke afstemming met een wethouder?
8.
Is de wethouder bereid te erkennen dat hij met zijn publieke uitingen over ambtenaren én zijn benadering van raadsleden de bestuurlijke verhoudingen en het vertrouwen heeft geschaad, en kan hij concreet aangeven welke herstelmaatregelen hij neemt (en per wanneer) om dit te repareren en herhaling te voorkomen?