GEWIJZIGD Bijlage 1 Bestemmingsplan Eleanor Rooseveltlaan 3-29, plantoelichting
Tekst van het document
Als niet aan bovenstaande voorwaarden kan worden voldaan, dan bieden de “Afwijkingsregels hogere waarden beleid geluid” (de afwijkingsregels) in bepaalde gevallen de mogelijkheid om andere eisen te stellen aan de vereiste buitenruimte en geluidluwe zijde.
Onderzoek Het plan voorziet in nieuwe geluidgevoelige functies, namelijk woningen. Om de geluidbelasting van de naastliggende (spoor)wegen in beeld te brengen is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit dit onderzoek komen de volgende resultaten: Vanwege de A12 is sprake van geluidbelastingen van ten hoogste 62 dB (inclusief aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder), dit is hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Vanwege de Zuidweg is sprake van geluidbelastingen tot 63 dB (inclusief aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder), dit is gelijk aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Vanwege de Moeder Theresasingel treden ter plaatse van de beoogde appartementen geluidbelastingen op tot 57 dB (inclusief aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder). Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager dan de ontheffingswaarde van 63 dB. Vanwege de Elisabethgang, Louis Braillelaan, Madame Curiesingel en Tintlaan is sprake van geluidbelastingen lager dan de voorkeursgrenswaarde. Vanwege railverkeer is sprake van geluidbelastingen van ten hoogste 66 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB.
De gecumuleerde geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer samen, uitgedrukt in wegverkeerslawaai bedraagt tot 68 dB (exclusief aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder). Omdat de voorkeursgrenswaarde, en op meerdere locaties ook de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden zijn maatregelen noodzakelijk. De afweging en besluitvorming hierover vindt plaats binnen het zogenaamde Hogere waardenbeleid. De
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
34/54
ontwikkelaar heeft op basis van het akoestisch onderzoek om hogere waarden verzocht. De Wet geluidhinder biedt hiervoor een mogelijkheid. Het College van B&W heeft een belangenafweging gemaakt en een besluit hogere waarden geluid vastgesteld. Het besluit is als Bijlage 4 bij de plantoelichting gevoegd. In het Besluit staan maatregelen genoemd waaraan het bouwplan moet voldoen. Hiermee kan voldaan worden aan de voorwaarden van het gemeentelijk geluidbeleid. In de planregels, artikel 5.3.4 wordt middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat het bouwplan moet voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in het Besluit hogere waarden geluid. Als gevolg van een zienswijze is ook een nadere beschouwing opgesteld naar de geluidbelasting op de bestaande woningen als gevolg van het nieuwe bouwplan. Deze Notitie geluidbelasting bestaande woningen, d.d. 5 oktober 2022, is toegevoegd als Bijlage 17. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting voor de meeste dichtstbijgelegen woningen licht afneemt (1 tot 2 dB), gelijk blijft, of voor 1 woning met 1 dB toeneemt. Deze toename van 1 dB kan als niet significant worden beoordeeld.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Onderzoek Doordat in de directe omgeving van het plangebied hoofdzakelijk woningen en kantoren gevestigd zijn kan het worden getypeerd als 'rustige woonwijk'. Op circa 300 meter afstand van het plangebied ligt het station Zoetermeer Oost. Voor stations voor spoorwegen geldt een milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Hieraan wordt voldaan.
Ten westen van het plangebied ligt een kantorenpark. De dichtstbijzijnde kantoren liggen op circa 40 meter afstand van het plangebied. Voor kantoren geldt een milieucategorie 1 met een
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
35/54
richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. Hieraan wordt voldaan.
Verder zijn in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het plangebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende milieuhinderlijke functies niet in de eigen bedrijfsvoering beperkt. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven.
Tabel 5:1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
36/54
Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van 354 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Zuidweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de Zuidweg ruimschoots onder de grenswaarden lagen: 24,4 µg/m³ voor NO2, 18,4 µg/m³ voor PM10 en 10,9 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 6,5 dagen.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 5.5
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Onderzoek De beoogde woningbouwontwikkeling betreft de realisatie van een kwetsbaar object, om deze reden dient het aspect externe veiligheid te worden behandeld. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen of buisleidingen.
Wel is er sprake van de aanwezigheid van transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A12 en een bevoorradingsroute van LPG-tankstations aan de Zuidweg en de Houtsingel. Aangezien het plangebied binnen 200 meter van deze routes bevindt is een QRA noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd door AVIV en is opgenomen in bijlage 5. In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: de plaatsgebonden risico's van zowel de A12 als de bevoorradingsroute vormen geen belemmering voor de ontwikkeling;
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
37/54
het groepsrisico is in zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde. Conform art. 8 van het Bevt hoeft geen verdere verantwoording te worden afgelegd. Wel dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Eleanor Rooseveltlaan. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Zoetermeer. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht.
Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Voorts wordt bij de uitwerking van het bouwplan invulling gegeven aan een afschakelbare ventilatie en een brandveilige parkeergarage.
Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen 354 appartementen en maximaal 500 m² bvo aan economische functie (kantoren, dienstverlening, en beperkte maatschappelijke voorzieningen met ondergeschikte horeca) gerealiseerd worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.6
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
38/54
Onderzoek en conclusie Er ligt direct ten noorden van het plangebied een ondergrondse hoogspanningsverbinding van lokaal en regionaal belang. Deze leiding heeft een belemmeringenstrook van 5 meter. Deze zone valt deels binnen het plangebied, namelijk in het groen. Ter bescherming is hiervoor in de planregels een dubbelbestemming opgenomen. In het plangebied zijn diverse andere leidingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft geen rekening te worden gehouden. 5.7
Water
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK), verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit uitwerkingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling en verwerkt in deze paragraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van HHSK nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het HHSK is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water', de Keur, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van HHSK met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.
Huidige situatie
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
39/54
Algemeen Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit twee kantoorgebouwen, een omliggend parkeerterrein en groen. Het plangebied is deels verhard.
Bodem en grondwater Omdat het plangebied in de bebouwde kom van Zoetermeer ligt is het plangebied niet gekarteerd. In de omgeving van Zoetermeer bestaat de grond volgens de Bodemkaart van Nederland voornamelijk uit kalkrijke poldervaaggronden. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa -4,5 m NAP.
Waterkwantiteit In en rond het plangebied zijn geen watergangen aanwezig op basis van de legger. Het plangebied valt dan ook niet binnen een beschermingszones van een watergang.
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.
Toekomstige situatie Algemeen De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van de bestaande kantoorgebouwen en de bouw van vier woongebouwen. Daarnaast wordt het omliggende terrein heringericht. Het gebied tussen de woongebouwen wordt grotendeels groen ingericht.
Waterkwantiteit Bij een toename verhard oppervlak van 500 m² of meer geldt een compensatie eis vanuit HHSK. Er is een vergelijking opgesteld tussen het verhard oppervlak in de huidige situatie en in de toekomstige situatie. Deze vergelijking is opgenomen in bijlage 6. Hieruit blijkt dat in de huidige situatie 7.550 m2 aan verhard oppervlak aanwezig is. In de toekomstige situatie is dit 7.880 m2. Hierbij zijn de groene daken van de parkeerdekken niet meegerekend als groen oppervlak. Als deze wel worden meegenomen is er sprake van een verhard oppervlak van 6.178 m2.
In het minst gunstige scenario, waarbij het parkeerdek als verhard oppervlak wordt beschouwd, is er geen sprake van een toename van verharding van 500 m² of meer. Watercompenserende maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
40/54
Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid en waterkeringen.
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend HHSK-beleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gescheiden rioolstelsel. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. 2. 3. 4.
hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij HHSK vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is geen vergunning op basis van de Keur noodzakelijk.
Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. 5.8
Ecologie
Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van de Natuur Netwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
41/54
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Groenbeleid gemeente Zoetermeer De gemeente Zoetermeer spant zich in voor het behoud en waar mogelijk vergroten van het leefgebied voor zeldzame soorten, het verbeteren van nat leefgebied voor soorten in en om het water, het continueren van het extensieve, gifvrije beheer en het creëren van ecologische verbindingszones tussen gelijke of aan elkaar verwante leefgebieden. De gemeente wil dat een grote verscheidenheid aan planten en diersoorten ook in de toekomst in de stad aanwezig is en dat de bewoners deze blijft waarderen. Tegelijk met de Visie Biodiversiteit is een Groenkaart ontwikkeld en heeft de gemeenteraad de nota “Bomenbeleid” vastgesteld.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
42/54
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Convenant Klimaatbestendig bouwen in Zuid-Holland In het kader van het convenant Klimaatbestendig bouwen in Zuid-Holland is een programma van eisen ontwikkeld om ervoor te zorgen dat nieuwbouw leidt tot een klimaatbestendige stad. In dit convenant zijn de volgende doelen geformuleerd om ervoor te zorgen dat nieuwbouw bijdraagt aan een klimaatbestendige stad: 1. Hevige neerslag leidt niet tot schade aan infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen in de bebouwde omgeving. 2. Langdurige droogte leidt niet tot verdroging of schade aan de bebouwde omgeving. 3. Tijdens hitte biedt de bebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. 4. Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving. Onderzoek Gebiedsbescherming
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
43/54
Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft De Wilck en is gelegen op ca. 8,1 km afstand. Dit gebied is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft Meijendel en Berkheide en is gelegen op 13,4 km van het plangebied. Het plangebied is daarnaast niet gelegen in NNN-gebied of weidevogelgebied. Vanwege de afstand tot natuurgebieden zal de ontwikkeling niet leiden tot negatieve effecten als areaalverlies, versnippering, effecten op de waterhuishouding of verstoring. Daarnaast is een stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling. De berekeningen zijn toegelicht in een rapport (zie Bijlage 7. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar dus er is geen relevante depositiebijdrage berekend binnen de natura 2000-gebieden. Als gevolg van de recente uitspraak van de Raad van State waardoor de 'bouwvrijstelling' is komen te vervallen, is alsnog een stikstofonderzoek gedaan naar de stikstofdepositie tijdens de bouw-/aanlegfase. De berekening is toegelicht in een rapport (zie Bijlage 8). Hierbij is gebruik gemaakt van het wettelijk voorgeschreven rekenprogramma Aerius Calculator, versie 2021.2 met rekenjaar 2023. Beschouwd is de (tijdelijke) aanleg-/bouwfase met een stikstofemissie in de maatgevende bouwjaren van ca.
430 kg NOx/jaar en ca. 17 kg NH3/jaar. Uit de rekenresultaten volgt dat met deze stikstofemissie in de aanleg-/bouwfase sprake zal zijn van een stikstofbijdrage van maximaal 0,00 mol N/ha/jaar. Er is derhalve inzake stikstofdepositie ten aanzien van de aanleg-/bouwfase geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.
Soortenbescherming De huidige ecologische waarden worden vastgesteld aan de hand van een quick scan. Adviesbureau Stadsnatuur heeft een ecologische quick scan uitgevoerd welke is toegevoegd in bijlage 9. In deze quick scan wordt het volgende geconcludeerd: Het plangebied heeft potentie als broedgebied voor een klein aantal algemeen in het stedelijk gebied van Zoetermeer voorkomende vogelsoorten. Nestgelegenheid bevindt zich met name in de beplanting tussen parkeerterrein en gebouw. Hier dient in de planning en uitvoering van werkzaamheden rekening mee te worden gehouden. Er zijn geen verblijfsmogelijkheden voor vogels of vleermuizen in bomen of bebouwing. Er zijn geen potenties voor een essentiële vliegroute of beschermd foerageergebied voor vleermuizen. Houd rekening met de Zorgplicht m.b.t. overige flora en fauna. Bij het verwijderen van beplanting dient rekening te worden gehouden met voorschriften opgenomen in de Zoetermeerse gedragscode met betrekking tot flora en fauna. Zorg voor een kwaliteitsimpuls door natuurinclusief bouwen (faunavoorzieningen, gevelgroen, groene daken). Door de nieuwbouw te integreren in de groene infrastructuur kan een meerwaarde worden gerealiseerd ten opzichte van de bestaande situatie. Dit is maatwerk waarin de effectiviteit afhangt van de juiste afwegingen en uitgangspunten.
Samenwerking tussen landschapsarchitecten en ecologen is hierin doorslaggevend. Convenant klimaatbestendig bouwen in Zuid-Holland De doelen uit het convenant zijn vertaald in een aantal eisen voor het plangebied. Deze eisen worden nader uitgewerkt in het verdere ontwerpproces van de ontwikkeling. Het gaat om de volgende eisen: 1. Een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar; 2. In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm/u);
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
44/54
3. Gevels en daken worden zoveel mogelijk warmtewerend of koelend ingericht/gebouwd; 4. Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten. 5. De inrichting van de openbare ruimte draagt daarnaast bij aan verkoeling en het vasthouden, of vertragen van de afvoer van neerslag. Conclusie Door de werkzaamheden uit te voeren conform de richtlijnen uit de gedragscode van gemeente Zoetermeer wordt redelijkerwijs vermijdbare schade aan planten en dieren op voorhand voorkomen. Daarmee wordt tevens voldaan aan de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Indien rekening wordt gehouden met het bovenstaande leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. 5.9
Bezonning
Om de veranderende schaduwwerking van de beoogde ontwikkeling in beeld te brengen zijn er schaduwstudies opgesteld voor de huidige en de toekomstige situatie. Deze studies zijn opgenomen in respectievelijk Bijlage 10 en Bijlage 11. Er is geen regelgeving ten aanzien van bezonning. De meeste Nederlandse gemeenten hanteren de TNO-norm om aan te toetsen. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Toetsing De situering van de beoogde ontwikkeling is op hoofdlijnen gunstig gepositioneerd ten opzichte van omliggende woningen. De omliggende woningen bevinden zich namelijk ten zuiden en zuidoosten van het plangebied. De beschaduwing van de ontwikkeling verplaatst zich gedurende de dag vanaf het westen via het noorden richting het oosten.
Uit de schaduwstudie voor de toekomstige situatie blijkt dat de schaduw van de beoogde ontwikkeling uitsluitend in de avonduren van de zomerperiode (21 juni 20 uur) op naastgelegen woningen valt. Het gaat hier om de meest noordelijke woningen aan de oostzijde van het plangebied. Het betreft op het meetmoment een lichte toename aan schaduw ten opzichte van de huidige situatie.
Gedurende het meetmoment met de kortste daglengte (22 december) worden de omliggende woningen geen enkel moment geraakt door de schaduw van de ontwikkeling. Dit betekent dat gedurende de periode van de 'strenge' TNO-norm de beschaduwing op de omliggende woningen niet verandert. Er wordt voldaan aan deze norm.
Conclusie De schaduwwerking van de toekomstige situatie is gedurende de meeste meetmomenten hetzelfde als in de huidige situatie. Alleen gedurende de avonduren van de zomerperiode (21 juni 20 uur) is er een lichte toename aan schaduw. Aangezien de overige periode, waaronder
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
45/54
de periode uit de 'strenge' TNO-norm, geen toename aan schaduw is kan geconcludeerd worden dat de schaduwwerking van de beoogde ontwikkeling acceptabel wordt geacht. 5.10
Windklimaat
Toetsingskader De gevoeligheid van de mens voor wind is sterk afhankelijk van de activiteit waarmee men bezig is. Bij een laag activiteitenniveau (bijvoorbeeld wachten bij een bushalte, op een terrasje zitten) zullen lagere windsnelheden als hinderlijk ervaren kunnen worden dan bij een hoger activiteitenniveau. In de NEN 8100 wordt voor de beoordeling van het windklimaat derhalve onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteitenklassen. Bij hogere windsnelheden kan tevens sprake zijn van gevaarlijke situaties zoals evenwichtsverlies bij het passeren van gebouwhoeken en dergelijke. Hiervoor wordt getoetst aan het specifieke gevaarcriterium.
Tabel 5.2 Criteria windhinder volgens NEN 8100
Afhankelijk van de activiteitenklasse wordt de waardering van het lokale windklimaat gekwalificeerd met ‘goed’, ‘matig’ of ‘slecht’ (zie tabel 5.2). Bij een goed windklimaat ondervindt men geen overmatige windhinder. In een situatie zonder overmatige windhinder heeft het merendeel van het publiek onder normale omstandigheden geen last van windhinder. Bij een matig windklimaat ervaart men af en toe overmatige windhinder. In een slecht windklimaat ervaart men regelmatig overmatige windhinder. In een dergelijke situatie heeft het merendeel van het publiek last van windhinder. Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren. Activiteitenklasse ‘langdurig zitten’ is dusdanig kritisch dat deze met terughoudendheid wordt toegepast. Op terrassen en buitenruimten wordt om deze reden meestal uitgegaan van het criterium voor slenteren in plaats van langdurig zitten, met een streefwaarde van minder dan 5%.
Onderzoek en conclusie Door Peutz is onderzoek gedaan naar het windklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling (Bijlage 12). Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Het te verwachten windklimaat rond het bouwplan is over het algemeen goed tot matig voor doorlopen. Hierbij kan opgemerkt worden dat het windklimaat in de huidige bebouwingssituatie waarschijnlijk op de doorgaande weg voor een deel ook al matig zal zijn. Op het verhoogd maaiveld tussen de twee hoogste bouwdelen is het te verwachten windklimaat voor het grootste deel matig voor doorlopen, en daarmee slecht voor
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
46/54
slenteren. Er wordt geadviseerd hier bij de verdere inrichting van het dek rekening mee te houden. Voor de gevels van de lagere bouwdelen is het windklimaat goed voor slenteren. Met name tussen de twee noordelijke bouwdelen en bij de westelijke hoeken van de toren is het windklimaat voor de gevel minder gunstig. Er wordt geadviseerd de entrees te situeren op locaties waar het windklimaat goed voor slenteren is. De invloed van het plan ter plaatse van de omringende bebouwing is gering. Er is ten gevolge van de nieuwbouw geen windgevaar of beperkt risico op windgevaar te verwachten. 5.11
Vormvrije mer-beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planm.e.r.-plichtig, projectm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 354 woningen en maximaal 500 m2 aan economische functies. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen en de aanmeldnotitie in bijlage 13.
5.12
Trillingen
Toetsingskader Gezien de nabijheid van het spoor zijn voelbare trillingen in de geprojecteerde woningen op de woningbouwlocatie Eleanorapark op voorhand niet uit te sluiten. Daarom is onderzoek verricht naar mogelijke trillinghinder als gevolg van het spoorwegverkeer. Het onderzoek is uitgeveord door bureau Peutz. Op 2 meetposities ter hoogte van de geprojecteerde gevellijnen die het dichtst bij het spoor zijn gelegen, zijn metingen uitgevoerd. Het uitgevoerde onderzoek is in overeenstemming met de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Er is getoetst aan de streefwaarden uit de SBR-B, Richtlijn B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen,
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
47/54
Meet- en beoordelingsrichtlijn” uit augustus 2002 van de Stichting Bouwresearch. Indien de trillingniveaus op maaiveld voldoen aan de streefwaarden uit deze richtlijn, is er in beginsel sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat voor het aspect trillingen.
Onderzoek en conclusie Voor de resultaten van de uitgevoerde metingen wordt verwezen naar het Trillinghinderonderzoek dat is bijgevoegd in Bijlage 16. Uit de resultaten van de metingen wordt de conclusie getrokken dat trillingen ten gevolge van het spoor geen belemmeringen vormen om woningbouw op de planlocatie in het bestemmingsplan op te nemen. Er wordt wel een aantal technische aanbevelingen gedaan op gebied van fundering en constructie van het nieuwe gebouw. Dit betreft een uitvoeringsaspect dat geen nadere regeling vergt voor dit bestemmingsplan.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
48/54
Hoofdstuk 6
Juridische vormgeving
6.1
Inleidende regels
6.1.1
Begrippen
In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 6.1.2
Wijze van meten
In artikel 2 wordt weergegeven hoe in de regels opgenomen maten voor de bouwhoogte, dakhelling, goothoogte, inhoud, oppervlakte, vloeroppervlakte en ondergeschikte bouwdelen van een bouwwerk moeten worden gemeten. 6.2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Groen De bestemming 'Groen' is bedoeld voor groenvoorzieningen, langzaamverkeersroutes, sporten speelvoorzieningen, waterpartijen en waterlopen die van wijkoverstijgend c.q. lokaal belang zijn en die een belangrijke functie in de oriëntatie hebben. Binnen de aanduiding 'parkeergarage' is tevens een gebouwde parkeervoorziening mogelijk.
Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' is gelegd op de buurt- en erfontsluitingswegen met de daaraan of daarlangs gelegen paden, woonstraten, parkeervoorzieningen, voorzieningen voor het openbaar vervoer, groen- en waterelementen. Deze wegen zijn uitsluitend van belang voor het buurtverkeer. Verder zijn binnen de ruime begrenzing van de bestemming ook gebouwde nutsvoorzieningen met een beperkte omvang mogelijk.
Artikel 5 Wonen De vier woongebouwen binnen het plangebied zijn opgenomen in de bestemming 'Wonen'. Binnen het bouwvlak van deze bestemming zijn de hoofdgebouwen inclusief galerijen, balkons en noodtrappen toegestaan. Voor de gebouwen is tevens een aanduiding 'maximum bouwhoogte' opgenomen. Onder de woningen zijn inpandige parkeervoorzieningen toegestaan. Voor een deel van de bebouwing is tevens de aanduiding 'gemengd' opgenomen. Binnen deze aanduiding zijn economische functies toegestaan, zoals kantoren, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en/of ondergeschikte horeca. Deze functies zijn uitsluitend op de begane grond en eerste verdieping toegestaan.
Artikel 6 Leiding - Hoogspanning Direct ten noorden van het plangebied loopt een ondergrondse hoogspanningsverbinding. Voor de binnen het plangebied gelegen zone van de bij de ondergrondse hoogspanningsverbinding behorende belemmeringenstrook is een dubbelbestemming opgenomen.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
49/54
6.3
Algemene regels
In de algemene regels zijn aanvullende regels opgenomen. Dit hoofdstuk bevat antidubbeltelregeling, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. Deze regels zijn opgenomen in de artikelen 7 t/m 9.
Dit artikel bevat regels die waarborgen dat bij de verlening van omgevingsvergunningen getoetst wordt of voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. De regeling is van toepassing wanneer een omgevingsvergunning benodigd is voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of het handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening. Dit artikel bevat een dynamische verwijzing naar het parkeerbeleid. Hierdoor zijn altijd de meest actuele parkeernormen van toepassing.
In dit artikel is ook een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Afwijking is alleen mogelijk als wordt voldaan aan de regels en voorwaarden om af te wijken zoals die zijn opgenomen in het actuele parkeerbeleid. Ook bevat het artikel een nadere eisen regeling. Hiermee kunnen voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning om de verkeersveiligheid en/of om een goede verkeersstructuur en/of bereikbaarheid voor een pand, perceel, straat (of deel daarvan) dan wel een andere ruimtelijke functionele structuur te waarborgen.
Om na realisatie van de parkeerplaatsen een goed woon-, leef- en werkklimaat te waarborgen is het wenselijk dat deze gerealiseerde parkeerplaatsen in stand worden gehouden. Hiervoor is in dit artikel een regeling strijdig gebruik opgenomen. Het gebruik van de gronden, zoals dat is toegestaan volgens de onderliggende bestemmingen, wordt gezien als strijdig gebruik wanneer de parkeergelegenheid niet in stand is gehouden. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat de betreffende parkeergelegenheid wordt gebruikt voor andere doeleinden dan parkeren en de parkeerdruk wordt afgewenteld op de omgeving. Met deze regeling inzake strijdig gebruik is het mogelijk om handhavend op te treden in situaties waarin de parkeergelegenheid niet in stand wordt gehouden. 6.4
Overgangsrecht en slotregels
In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Ook is een strafbepaling opgenomen voor overtreding van de gebruiksbepalingen. Deze regels zijn opgenomen in artikel 10 en 11. In artikel 12 is de slotregel opgenomen.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
50/54
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Dat is hier het geval omdat sprake is van de bouw van één of meer woningen. Er kan echter worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente heeft met de ontwikkelaar van het plangebied een anterieure overeenkomst gesloten waardoor het kostenverhaal op die manier anderszins is verzekerd. Er is geen exploitatieplan nodig. Het is ook niet nodig aanvullende regels en eisen op te nemen. De kosten van het bouwplan komen voor rekening van de ontwikkelaar. Hiermee is aangetoond dat het plan economisch uitvoerbaar is.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie In het najaar van 2020 is er een overleg geweest met het actiecomité Eleanor Alternatief over een schetsontwerp. Onder andere naar aanleiding van dit overleg is het schetsontwerp aangepast. Vervolgens zijn in het voorjaar van 2021 meerdere participatiebijeenkomsten georganiseerd, een bijeenkomst op 31 maart 2021 met het actiecomité Eleanor Alternatief en een bijeenkomst op 20 april 2021 met buurtbewoners en belanghebbenden. Daarbij is het aangepaste schetsontwerp van de ontwikkelaar onderwerp van participatie geweest. Naar aanleiding van de ingekomen reacties is het schetsplan wederom op een aantal punten aangepast. Deze zijn opgenomen in het Eindverslag participatie. In dit verslag staan onder andere de uitkomsten en vervolgstappen van de bijeenkomsten. Het vastgestelde Eindverslag Participatie is opgenomen in Bijlage 14. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het wettelijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan naar de benodigde overlegpartners gestuurd. Op het verzoek om een vooroverlegreactie op het voorontwerpbestemmingsplan is gereageerd door KPN, Dunea, Veiligheidsregio Haaglanden, ODH, Tennet, Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard en Stedin. De vooroverlegreacties zijn behandeld in de Nota beantwoording Overlegreacties, deze is opgenomen in bijlage 15.
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken is gedurende een periode van 6 weken, met ingang van vrijdag 20 mei 2022, ter inzage gelegd. Gedurende deze periode is het voor eenieder mogelijk geweest om mondeling of schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Er zijn 72 zienswijzen ontvangen. Deze zijn opgenomen en beantwoord in de Nota Beantwoording Zienswijzen. De zienswijzen hebben op onderdelen geleid tot aanpassingen van de toelichting van het bestemmingsplan. Met name is een aantal onderzoeken
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
51/54
geactualiseerd danwel toegevoegd. De wijzigingen zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van de Nota van Beantwoording Zienswijzen. De Nota van Beantwoording Zienswijzen is bijgevoegd in Bijlage 18,
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
52/54
Hoofdstuk 8
Handhaving
Gemeentelijke handhavingsbeleid is gebaseerd op een prioritering. Daarbij zijn weegfactoren benoemd op basis waarvan de onderwerpen die het belangrijkst worden gevonden, het zwaarst worden gewogen. Fysieke veiligheid geldt als belangrijkste weegfactor. Natuur en duurzaamheid is de minst zware weegfactor. Vervolgens zijn voor de handhaving per taakveld bouwen, milieu en openbare ruimte prioriteiten gesteld. De handhaving van bestemmingsplannen valt onder het taakveld bouwen. Bij elk taakveld is een rangschikking ontstaan van zeer grote risico's naar zaken die nauwelijks risico's in zich herbergen. De prioritering wordt vervolgens in jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma's vertaald naar aandachtsgebieden, bijvoorbeeld extra aandacht voor illegale dakopbouwen, dakkapellen of illegaal gebruik.
Handhaving kan plaatsvinden via de publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Het college van Burgemeester en Wethouders is bevoegd om met bestuursrechtelijke sancties op te treden tegen overtredingen van regels van bestemmingsplannen. De bestuursrechtelijke sancties bestaan uit de bestuursdwang en het opleggen van last onder dwangsom. Door middel van het privaatrecht kan de gemeente op indirecte wijze het bestemmingsplan handhaven. Dat kan door gebruikmaking van haar bevoegdheden als eigenaar of van contractuele bevoegdheden.
De strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. Overtredingen op grond van bestemmingsplanregels vallen onder de Wet op de economische delicten. Strafrechtelijk optreden is gewenst bij overtredingen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. De Wet op de economisch delicten biedt verder de mogelijkheid bij het opleggen van de straf rekening te houden met het economisch voordeel dat de overtreder heeft behaald. Ook biedt de wet de mogelijkheid de verplichting op te leggen om op eigen kosten de gevolgen van het delict goed te maken.
Eleanor Rooseveltlaan 3-29 versie vastgesteld
53/54