Bijlage 7 - Ruimtelijke onderbouwing Zwembad Van Tuyll Sportpark inclusief 10 bijlagen
Tekst van het document
Zoetermeer Zwembad Van Tuyll Sportpark ruimtelijke onderbouwing
Zwembad Van Tuyll Sportpark Zoetermeer
ruimtelijke onderbouwing
identificatie
planstatus
projectnummer:
datum:
status:
20191161
29-05-2020 11-11-2020 15-04-2021
concept ontwerp definitief
opdrachtleider:
ir. R.A. Sips
aangesloten bij:
Weena 505 3013 AL Rotterdam RBOI - Rotterdam (Delftsebv Poort) Verd. 35/36 Delftseplein 27b postbus 150 Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl
© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
3
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doel
7
1.2
Ligging en begrenzing beoogde ontwikkeling
7
1.3
Vigerende bestemmingsplan
9
1.4
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Beleidskader
11
2.1
Rijksbeleid
11
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
12
2.3
Gemeentelijk beleid
16
2.4
Conclusie
21
Hoofdstuk 3
Bestaande situatie
23
3.1
Ontstaansgeschiedenis
23
3.2
Ruimtelijke en functionele analyse projectgebied
23
3.3
Verkeer en vervoer
23
3.4
Cultuurhistorie en archeologie
25
Hoofdstuk 4
Beschrijving beoogde ontwikkeling
27
4.1
Planopzet
27
4.2
Verkeer en vervoer
29
4.3
Beschrijving behoefte
30
Hoofdstuk 5
Milieu en leefkwaliteit
31
5.1
Bodemkwaliteit
31
5.2
Bedrijven en milieuzonering
32
5.3
Wegverkeerslawaai
33
5.4
Luchtkwaliteit
33
5.5
Externe veiligheid
35
5.6
Kabels en leidingen
37
5.7
Water
38
5.8
Natuurwaarden
41
5.9
Duurzaamheid
45
5.10
Vormvrije mer-beoordeling
46
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
47
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
47
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
4
Bijlagen Bijlage 1
Behoefteonderzoek recreatief zwemmen
Bijlage 2
Behoefteonderzoek instructie- en verenigingszwemmen
Bijlage 3
Inrichtingstekening
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 5
Aerius berekening gebruiksfase
Bijlage 6
Aerius berekening aanlegfase
Bijlage 7
Quickscan ecologie
Bijlage 8
Nader onderzoek vleermuizen
Bijlage 9
Beplantingsplan
Bijlage 10
Vormvrije m.e.r-beoordeling
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
Ruimtelijke onderbouwing
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
In de gemeente Zoetermeer zijn drie zwembaden: De Veur, De Driesprong en ‘t Keerpunt. De twee binnenbaden, De Veur en de Driesprong, zijn eigendom van de gemeente en qua zwemvoorziening vooral functioneel van aard. Het derde zwembad ’t Keerpunt’ is in 2013 in twee delen verkocht: het recreatieve binnenbad aan een particuliere (wellness)onderneming en het 25-meter bad aan een zwemschool. Gegeven de huidige samenstelling van de zwembaden is er geen of slechts in beperkte mate gelegenheid om recreatief te zwemmen (binnen en buiten). De vraag naar een recreatieve zwemvoorziening neemt toe, zowel indoor als outdoor. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. Om de realisatie mogelijk te maken is ervoor gekozen om af te wijken van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Hiervoor dient een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld waarin wordt getoetst aan een goede ruimtelijke ordening, door te kijken naar de beleidskaders, de omgevingsaspecten en de uitvoeringsaspecten. Dit document bevat deze onderbouwing.
1.2
Ligging en begrenzing beoogde ontwikkeling
Het projectgebied is gelegen in het Van Tuyll Sportpark aan de Van der Hagenstraat. Het projectgebied is in de huidige situatie een grasveld, zie figuur 1.1. Eerder maakte het onderdeel uit van een voetbalvereniging. Naast het projectgebied is de Silverdome (ijsbaan) gelegen. Verder zijn in het Van Tuyll Sportpark een hockeyvereniging, tennisvereniging, atletiekvereniging en een honk- en softbal vereniging gevestigd. Ook is binnen het Van Tuyll Sportpark zwemschool Fresh en een scouting gesitueerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
8
Figuur 1.1 Projectgebied en directe omgeving
Figuur 1.2 Projectgebied
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
9
1.3
Vigerende bestemmingsplan
Op de gronden ter plaatse van de beoogde ontwikkeling vigeert het bestemmingsplan Kwadrant/vanTuyll sportpark/Brinkhage/Lansinghage, vastgesteld op 24 juni 2013. Ter plaate van het projectgebied is de bestemming 'Sport' opgenomen. Het beoogde zwembad past niet in de vigerende bestemmingsregelingen. Voor de ontwikkeling wordt dan ook afgeweken van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Daarnaast vigeert op deze gronden de parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten. Door middel van deze 'parapluherziening' worden in een keer in alle gemeentelijke ruimtelijke plannen de planregels aangepast voor zover het de onderwerpen 'parkeren' en 'nieuwe geluidsgevoelige objecten' betreft. De overige bestemmingen en regels van die plannen wijzigen niet en blijven onverminderd van toepassing.
Figuur 1.3 Uitsnede bestemmingsplan Kwadrant/vanTuyll sportpark/Brinkhage/Lansinghage en projectgebied (marker).
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
10
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding komen de volgende onderdelen van deze ruimtelijke onderbouwing aan bod: Hoofdstuk 2 beschrijft het beleidskader op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau en toetst of de beoogde ontwikkeling daaraan voldoet; Hoofdstuk 3 geeft de huidige situatie weer van het projectgebied; Hoofdstuk 4 beschrijft de beoogde ontwikkeling die plaats zal vinden; Hoofdstuk 5 gaat in op de toetsing van de relevante omgevingsaspecten; Hoofdstuk 6 beschrijft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling;
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
11
Hoofdstuk 2
2.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en Barro In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker vooropstaat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De voorgaande (hoofd)doelstellingen zijn in de structuurvisie vertaald naar de onderstaande nationale belangen. Deze zijn – direct of indirect – ook opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarmee zij juridisch doorwerken in ruimtelijke plannen. Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen. Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.
Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Toetsing Bij de ontwikkeling van de ontsluitingsweg zijn op de beoogde locatie geen rijksbelangen in het geding. Besluit ruimtelijke ordening In Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgelegd dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien de ontwikkeling mogelijk wordt maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
12
Toetsing In paragraaf 4.3 en het behoefteonderzoek in bijlagen 1 en 2 is nader ingegaan op de behoefte naar instructie- en verenigingszwemmen en recreatiezwemmen. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe te borgen is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte in de relevante regio worden beschreven. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) en jurisprudentie blijkt dat een gebouwde leisurevoorziening gezien wordt als stedelijke ontwikkeling. Daarom is hierna de behoefte beschreven. Toetsing In paragraaf 4.3 en het behoefteonderzoek in bijlagen 1 en 2 is nader ingegaan op de behoefte naar instructie- en verenigingszwemmen en recreatiezwemmen.
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleg mogelijk.
Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. Daarmee ontstaat ruimte voor maatwerk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit De gebiedsprofielen, die gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio zijn opgesteld, spelen een belangrijke rol bij het ontwikkelen van zo'n gedeelde opvatting. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
13
Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Toetsing Het projectgebied is aangemerkt als bestaand stads- en dorpsgebied. In dit geval wordt een vrijkomend sportveld beter benut. Op de kwaliteitskaart, laag van de stedelijke occupatie is het projectgebied aangemerkt als stedelijke groenstructuur.
Figuur 2.1 Uitsnede kaart laag van de stedelijk occupatie De stedelijke groen- en waterstructuur is van groot belang voor de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in het stedelijk gebied, zeker in het licht van verdere stedelijke verdichting en de verwachte klimaatverandering. Parken en groenblauwe dooradering vormen als het ware de uitlopers en de haarvaten van de landschappen buiten de stad. Goede verbindingen maken het landschap beter bereikbaar en toegankelijk vanuit de stad. De stedelijke groen- en waterstructuur kan een rol spelen bij het beperken van hittestress, droogte en wateroverlast. Richtpunt: Ontwikkelingen dragen bij aan het behouden en versterken van de stedelijke groen- en waterstructuur. Daarbij gaat het om de recreatieve kwaliteit, de bijdrage aan klimaatbestendigheid en de verbinding tussen stad en land. In dit geval wordt een grote bijdrage geleverd aan de recreatieve kwaliteit van Zoetermeer door het toevoegen van recreatief zwemwater en bijbehorende voorzieningen zoals een ligweide. Met het ontwerp worden bestaande bomen zoveel mogelijk behouden en nieuwe bomen geplant. Ook wordt halfverharding toegepast. De bestaande watergang aan de rand van het projectgebied wordt verbreed en er wordt extra oppervlaktewater aangelegd als watercompensatie voor de toe te voegen verharding.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
14
Programma ruimte (2019) Ruimtelijke kwaliteit in de groene ruimte In de stedelijke groen- en waterstructuur komen diverse doelen en opgaven bijeen, die een (boven)regionale component hebben en daarmee ook van provinciaal belang zijn. De primaire verantwoordelijkheid voor de stedelijke groen- en waterstructuur ligt in de meeste gevallen bij de gemeente en/of het waterschap. Om die reden zijn in de VRM wel de provinciale belangen met betrekking tot deze structuur benoemd en is de structuur zelf indicatief op kaart weergegeven. Daarbij is volstaan met de relatief grote groengebieden binnen het stedelijk gebied, omdat die het meest duidelijk een rol spelen in de bovenregionale groenblauwe structuur. De provincie wil graag in samenwerking met betrokken gemeenten, regio's en waterschappen de stedelijke groen- en waterstructuur concreet benoemen, beschermen en versterken en daarbij de rol van de provincie bepalen. Tevens wil de provincie graag meedenken en zo nodig participeren in initiatieven van gemeenten, regio's en waterschappen. Eén van de invalshoeken daarbij is de uitwerking van het Delta(deel)programma Nieuwbouw en Herstructurering met betrekking tot klimaatbestendigheid en de Regionale Adaptatiestrategie Haaglanden. In dit licht worden nader te bepalen onderdelen van de stedelijke groen- en waterstructuur van provinciaal belang geacht.
Binnenstedelijke herstructurerings- en verdichtingsprojecten en projecten van waterschappen ter realisering van de binnenstedelijke wateropgave moeten de groenblauwe structuur respecteren en waar mogelijk bijdragen aan de verdere realisatie daarvan. Van belang is verder dat bij de planvorming rekening wordt gehouden met de geschiktheid van de bodem om water vast te houden en/of te bergen en daarnaast met het benutten van de ruimte voor waterberging. Toetsing Het projectgebied is door de provincie aangemerkt als stedelijke groenstructuur.
Figuur 2.2 Uitsnede kaart verstedelijkingsstrategie voor wonen (bron: programma ruimte) Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
15
Omgevingsverordening Zuid-Holland (augustus 2020) De ontwikkeling is hierna getoetst aan de relevante regels uit de verordening. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1.
een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. 2. Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën NVT 3. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn: a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; wegnemen van verharding; toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. b. de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken; c.
in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door provinciale staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd. 4.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn; of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. 5 tm 7 NVT
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
16
Toetsing Het projectgebied is op de kwaliteitskaart aangeduid als stedelijke groenstructuur. Een zwembad past binnen de gebiedsidentiteit, maar gelet op de toevoeging van bebouwing wordt in dit geval geconcludeerd dat sprake is van aanpassen. Op de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit wordt in paragraaf 4.1 ingegaan. Aanvullende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: De s van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing Zie paragraaf 4.3 waar de behoefte naar de beoogde ontwikkeling aangetoond wordt. Hiermee wordt tegelijkertijd getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking,
2.3
Gemeentelijk beleid
Verkenningennota Structuurvisie 2030 (2011) De Verkenningennota omvat een aantal thematische verkenningen en wensbeelden die voortbouwen op de opgaven uit de Stadsvisie 2030 en draagt tevens een aantal nieuwe beleidsideeën aan die als onderzoeksvragen in de Omgevingsvisie worden meegenomen. Leisure heeft een belangrijke functie voor Zoetermeer. Waar andere steden in de regio uniek zijn vanwege hun historische binnenstad en universiteit, onderscheidt Zoetermeer zich door haar bijzondere leisurevoorzieningen. De grootschalige, vaak unieke leisurevoorzieningen vallen het meest op en geven Zoetermeer haar uitdagende leisure-imago. Een tiental spraakmakende voorzieningen is gevestigd in de leisure-as die van west naar oost door de stad loopt. Vanuit marketing overwegingen profileert Zoetermeer zich met de Big Five. Dit betreft de unieke combinatie van Snowworld, Dutch Water Dreams, Silver Dome, Burggolf en Ayersrock. Waar mogelijk kunnen kansen voor leisure langs de leisure- as verder benut worden. Groen en water zijn daarnaast onlosmakelijk verbonden met het karakter van Zoetermeer.Het is van groot belang dat dit groen-blauwe karakter en de kwaliteit van de groengebieden ook in de toekomst gewaarborgd blijft en waar mogelijk wordt versterkt.
Toetsing In onderstaande figuur is te zien dat in de verkenningennota met het Van Tuyll Sportpark rekening wordt gehouden met een uitbreiding / doorontwikkeling van voorzieningen. De ontwikkeling van een nieuw zwembad past binnen dit wensbeeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
17
Figuur 2.3 Uitsnede wensbeeld maatschappelijke voorzieningen De verdergaande verstedelijking in de regio heeft de positie van de Zoetermeerse groengebieden doen veranderen. Zo heeft het Van Tuyll Sportpark door de ontwikkeling van Oosterheem en de uitbreiding van Bleizo haar ligging aan de rand van de stad zien veranderen naar een meer binnenstedelijke positie. Met de ontwikkeling van het zwembad wordt rekening gehouden met bestaande en mogelijk nieuw aan te leggen oppervlaktewater, wat tevens gelijk dient als watercompensatie. Ook zal het nieuwe zwembad aan de buitenzijde zo groen mogelijk ingericht worden.
Stadsvisie 2030 (2008) De Stadsvisie 2030, die op 15 december 2008 is vastgesteld door de gemeenteraad van Zoetermeer, verwoordt negen opgaven die in de periode tot 2030 moeten worden opgepakt om als stad voldoende perspectief op een welvarende ontwikkeling te behouden. Daarnaast geeft de Stadsvisie aan welke kansen de gemeente wil benutten om de stad extra perspectief te geven. Toetsing Het projectgebied is op de kaart behorend bij de Stadsvisie 2030 aangemerkt als gebied waar vrijetijdsbesteding verder doorontwikkeld wordt. De zogenaamde 'Leisure as' loopt over het projectgebied. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuw zwembad en bijbehorende voorzieningen. Dit past dus goed binnen het beleid van de Stadsvisie 2030.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
18
Figuur 2.3 Uitsnede kaart Stadsvisie 2030 Waterplan Zoetermeer (2002) Het Waterplan Zoetermeer is opgesteld door de gemeente Zoetermeer, het indertijd nog bestaande waterschap Wilck en Wiericke, dat inmiddels deel uitmaakt van het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De doelstelling van het Waterplan Zoetermeer is het behouden en versterken van een duurzaam watersysteem. Kortom een watersysteem dat betrouwbaar, levend en boeiend is. Om ook in de toekomst een veilig en goed functionerend watersysteem in Zoetermeer te behouden, moet er meer ruimte voor water worden gerealiseerd. In het stedelijk gebied wordt daarnaast ingezet op het vertragen van piekafvoeren, onder meer door het toepassen van open verharding of het realiseren van vegetatiedaken. In het Waterplan Zoetermeer is tevens aangegeven dat er gestreefd wordt naar een hoge belevingswaarde van het water. Hiermee wordt water bedoeld dat er aantrekkelijk uitziet, goed zichtbaar is, niet stinkt en past in de stedelijke omgeving. Water biedt aantrekkelijke recreatiemogelijkheden en zorgt voor afwisseling in het landschap. Door variatie van de oevers kan de belevingswaarde van het water vergroot worden. Toetsing In de paragraaf 5.7 wordt verder ingegaan op welke wijze bij deze beoogde ontwikkeling rekening is gehouden met het aspect water.
De conclusie is dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor het behouden en het versterken van een duurzaam watersysteem.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
19
Gemeentelijk rioleringsplan Zoetermeer 2016-2020 (GRP) Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. In het GRP wordt vastgelegd hoe de gemeente zorgt voor deze riolering. Het GRP is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen de gemeente Zoetermeer, het Hoogheemraadschap van Delfland, het Hoogheemraadschap van Rijnland, het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard en Grontmij. Toetsing In de paragraaf 5.7 wordt verder ingegaan op welke wijze bij deze beoogde ontwikkeling rekening is gehouden met riolering. Wel kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling een nadelige gevolgen heeft voor de riolering in en nabij het projectgebied. Mobiliteitsvisie Zoetermeer 2030 Het afgelopen decennium heeft de gemeente Zoetermeer met haar partners invulling gegeven aan de Nota Mobiliteit uit 2005. De doelen die in deze Nota zijn gesteld, zijn verwezenlijkt. Twaalf jaar later is dit beleid tegen het licht gehouden en waar nodig geactualiseerd. Dat heeft geresulteerd in de Mobiliteitsvisie, waarin een nieuwe kijk op de mobiliteit van de toekomst is ontwikkeld. Een visie die past binnen het integraal en gebiedsgericht denken. Een visie bovendien, die rekening houdt met de laatste maatschappelijke en technologische ontwikkelingen.
De verwachting is dat de komende jaren maatschappelijke en technische veranderingen zich nog sterker dan voorheen zullen doorzetten. Een richtinggevende mobiliteitsvisie met veel flexibiliteit en mogelijkheden van uitwisseling tussen de modaliteiten kan hiervoor zorgdragen. De keuzes die gemaakt zijn in de Mobiliteitsvisie sluiten aan bij recente beleidsdocumenten van de gemeente Zoetermeer, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), provincie Zuid-Holland en het Rijk. In deze visie wordt het realiseren van de ontsluitingsweg voor Nutricia ook expliciet benoemd als gewenste nog te ontwikkelen weg. Toetsing Op het aspect verkeer en vervoer is in paragraaf 4.2 ingegaan. Nota Parkeerbeleid (auto en fiets) Zoetermeer (2019) De actualisatie van het bestaande parkeerbeleid was nodig omdat het parkeerbeleid uit 2012 op een aantal onderdelen niet meer past bij de huidige visie en ambitie van de stad. Het is met name gewenst om het parkeerbeleidskader meer doelgroepgericht en meer gebiedsspecifiek te maken. Differentiatie naar doelgroepen en gebieden biedt de stad meer mogelijkheden voor gericht maatwerk bij het vaststellen van de parkeer eis bij nieuwe ontwikkelingen. Zoetermeer heeft hoge ambities op gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid, duurzaamheid en economische vitaliteit. Om invulling te geven aan deze ambities is een actueel beleidskader nodig voor auto- en fietsparkeren.
Toetsing In paragraaf 3.3 en 4.2 is nader ingegaan op de bereikbaarheid van het projectgebied. Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer (2019) Met deze Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels beschrijft de gemeente Zoetermeer het kader ten aanzien van het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor fiets en auto bij nieuwbouw of transformatie. De gemeente Zoetermeer zet in deze Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels in op meer flexibiliteit in de omgang met parkeernormen door meer gebiedsgerichte en meer doelgroepgerichte normen. Deze Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019 vormt een onderdeel van de Beleidsnota Parkeerbeleid 2019.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
20
Toetsing In paragraaf 4.2 is nader ingegaan op het aspect parkeren. Met de ontwikkeling wordt voldoende voorzien in de parkeerbehoefte. Welstandsnota (2012) Voor vrijwel het gehele projectgebied geldt een regulier welstandsbeleid. Het gebied valt onder gebied 15 'Parken'. In de welstandnota is het volgende over het Van Tuyllpark opgenomen: Geopend in 1973. Gedeeltelijk in functionalistische stijl (recht en strak) ontworpen park, gericht op sport- en recreatievoorzieningen, en gedeeltelijk landschappelijk ingericht. Toetsing De ontwikkeling past binnen het welstandsbeleid. Met het ontwerp wordt zoveel mogelijk de parkachtige uitstraling behouden door het behoud van bestaande bomen en aanplant van bomen en bosschages. Nota Grondbeleid (2011) De Nota Grondbeleid schetst de uitgangspunten van het grondbeleid van de gemeente Zoetermeer, binnen de kaders van het ruimtelijk en sectoraal beleid. In de Nota staat hoe de gemeente omgaat met grondverwerving, gronduitgifte, kostenverhaal en risicomanagement. Ook staat in de nota hoe ruimtelijk-fysieke ontwikkelingen financieel worden beheerd. Ten slotte is in de Nota vastgelegd hoe winst uit het Grondbedrijf wordt genomen en op welke manier de gemeente verliesgevende projecten financiert. Toetsing Op het aspect financiële uitvoerbaarheid wordt ingegaan in paragraaf 6.1.
Groentrilogie van Zoetermeer Gelijktijdig met de Groenkaart is ook de Visie Biodiversiteit vastgesteld en in 2011 is het Bomenbeleid vastgesteld door de gemeenteraad. Samen vormen deze documenten als het ware de 'groentrilogie' van Zoetermeer. De Groenkaart De Groenkaart zet in op een duurzame, samenhangende recreatieve en ecologische groenstructuur voor de stad, die is verbonden met het regionale netwerk. Dit gebeurt door: gerichte kwaliteitsimpulsen voor de parken; het versterken van de samenhang van de groene ruimte; het verbeteren van de bereikbaarheid en vindbaarheid van de parken; het verhogen van de biodiversiteit; Om deze groene ambitie te realiseren zijn de vier deelambities uitgewerkt: gerichte kwaliteitsimpulsen voor de parken; het versterken van de samenhang van de groene ruimte; het verbeteren van de bereikbaarheid en vindbaarheid van de parken; het verhogen van de biodiversiteit. Visie Biodiversiteit Halverwege de jaren ’60 van de vorige eeuw maakte Zoetermeer een flinke groei door. Toen al stond de ontwerpers van Zoetermeer een groene, natuurrijke stad voor ogen. Doordat er snelgroeiende, overwegend inheemse bomen en struiksoorten geplant werden en dankzij een gifvrij, natuurlijk groenbeheer kon zich er een grote verscheidenheid aan in het wild levende plant- en diersoorten vestigen.
Het natuurbeleid staat sinds 1999 vastgelegd in een gemeentelijk natuurbeleidsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
21
De ambitie van de gemeente is om de biodiversiteit en de waardering van de inwoners hiervoor, op peil te houden en waar mogelijk te vergroten. Dat moet gebeuren binnen de financiële mogelijkheden van de gemeente. Bomenbeleid Het behoud van het bomenbestand in Zoetermeer staat onder druk. Veel bomen zijn aan het einde van hun levensduur, hebben ondergronds of bovengronds te weinig groeiruimte of kampen met ziektes. Met deze notitie wordt vastgelegd hoe wordt omgegaan wordt met het bomenbestand in Zoetermeer. Het vormt een toetsingskader voor de aanplant, verwijdering, vervanging en het beheer van bomen. Uitgangspunt is dat het groene karakter van Zoetermeer behouden blijft. Toetsing In paragraaf 5.8 is nader ingegaan op de natuurwaarden in en rondom het projectgebied. Ook wordt in deze paragraaf onderzocht of de ontwikkeling van invloed is op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Er worden zoveel mogelijk bomen behouden en er vindt aanplant plaats van bomen en bosschages. Door het gebruik van halfverharding op onder andere de parkeerplaats wordt een parkachtige uitstraling ondersteund.
2.4
Conclusie
In paragraaf 2.1 t/m 2.3 is de ontwikkeling getoetst aan het actuele relevante beleid en is de behoefte beschreven. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat behoefte is aan een nieuw zwembad en dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de beleidsuitgangspunten.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
22
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
23
Hoofdstuk 3
3.1
Bestaande situatie
Ontstaansgeschiedenis
Het Van Tuyll Sportpark is aangelegd vanaf de jaren zestig en is lange tijd extensief gebruikt als stadspark en als locatie voor sportverenigingen. Het park heeft in de loop der jaren echter steeds meer het karakter gekregen van een sport- en recreatiepark (met intensieve vormen van recreatie).
3.2
Ruimtelijke en functionele analyse projectgebied
Stedenbouwkundige opzet Kenmerkend voor de stedenbouw in het projectgebied is de functionaliteit. De inrichting van de wegen en de percelen is gericht op een zo doelmatig mogelijk gebruik van de ruimte. Bij de hoofdwegen is sprake van een scheiding van verschillende vervoersstromen (auto's, langzaam verkeer). Er is in het projectgebied weinig meer te merken van het oorspronkelijk verkavelingspatroon, bij de ontwikkeling van de terreinen is vooral gelet op functionaliteit. De belangrijkste structuurbepalende elementen in het projectgebied bestaan uit de routes A12, de Oostweg en de Verlengde Australiëweg. Met de aanleg van de Verlengde Oosterheemlijn (RandstadRail) langs de oostzijde van het projectgebied en het vervoersknooppunt BleiZo wordt een nieuw structuurelement toegevoegd. Leisure Tegenwoordig zijn in het Van Tuyll Sportpark diverse tennisbanen, een atletiekbaan, hockeyvelden en honkbalvelden te vinden, alsmede een binnenbad en een scoutingvereniging. Aan de westzijde van het park is een schaats- en evenementenhal gesitueerd (Silverdome). Deze voorzieningen hebben een zeer belangrijke lokale en (boven)regionale leisurefunctie en zijn belangrijke functionele dragers voor het Van Tuyll Sportpark. Het parkeerterrein aan de voorzijde van het Silverdome wordt tevens gebruikt voor grote evenementen en de halfjaarlijkse kermis.
3.3
Verkeer en vervoer
3.3.1 Autoverkeer De belangrijkste doorgaande wegen in het projectgebied zijn de A12, Oostweg, (Verlengde) Australiëweg en de Bleiswijkseweg. De overige wegen zijn wegen voor bestemmingsverkeer. Duurzaam Veilig In Zoetermeer worden de wegen volgens het principe van Duurzaam Veilig gecategoriseerd en vormgegeven. Dit betekent dat wegen worden onderverdeeld in categorieën. Aan deze categorieën zijn snelheid en inrichting gekoppeld. Doel is het verhogen van de herkenbaarheid en de verkeersveiligheid. In het projectgebied komen de volgende wegcategorieën voor:
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
24
Stroomwegen Stroomwegen zijn onderdeel van het hoofdwegenstelsel van Zoetermeer (de zogenoemde H-structuur). De wegen hebben als functie het snel verwerken van doorgaand verkeer. De wegen verbinden wijken met elkaar en leiden het verkeer van en naar de A12 en de regionale wegen. De snelheid op stroomwegen bedraagt binnen de bebouwde kom overwegend 70 km/uur en de intensiteit kan meer dan 15.000 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) bedragen. In het projectgebied gaat het om de Oostweg en de (Verlengde) Australiëweg. Daarnaast fungeert de A12 als stroomweg op het niveau van het Rijk en kent een dynamisch snelheidsregime dat varieert tussen de 100 en 130 km/uur. Drukke en stille gebiedsontsluitingswegen Gebiedsontsluitingswegen zijn in Zoetermeer onderverdeeld in drukke en stille gebiedsontsluitingswegen. Drukke gebiedsontsluitingswegen hebben als functie het verdelen en verzamelen van verkeer. Het langzaam verkeer moet gebruik maken van vrijliggende fiets- en voetpaden. Er is geen parkeergelegenheid op of langs de rijbaan. De maximale snelheid bedraagt 50 km/uur en de intensiteit ligt tussen de 3.500 en 15.000 mvt/etm. In het projectgebied zijn de Bleiswijkseweg, de Fokkerstraat, Van der Hagenstraat, Lansinghageweg en de Edisonsstraat gecategoriseerd als drukke gebiedsontsluitingswegen.
Erftoegangswegen Deze wegen hebben als functie het rechtstreeks ontsluiten van woningen, winkels, voorzieningen en bedrijven. Het afwikkelen van bestemmingsverkeer staat centraal zodat op deze wegen geen sprake is van een hoog percentage doorgaand verkeer. De erftoegangswegen bevinden zich binnen aaneengesloten verblijfsgebieden. De maximale snelheid in verblijfsgebieden binnen de bebouwde kom bedraagt 30 km/uur. De intensiteit is over het algemeen lager dan 3.500 mvt/etm. Alle overige wegen binnen het projectgebied zijn erftoegangswegen. 3.3.2 Fietsverkeer In Zoetermeer worden verschillende netwerken onderscheiden op basis van functie, vormgeving en gebruik. Hoofdfietsnetwerk en Regionaal fietsnetwerk Het hoofdfietsnetwerk voor het fietsverkeer zorgt voor een goede bereikbaarheid per fiets binnen Zoetermeer. Het hoofdnetwerk valt binnen het projectgebied samen met het regionaal fietsnetwerk. Daarnaast ontsluit het hoofdfietsnetwerk de verschillende wijken van Zoetermeer en verzorgt het de verbindingen met de rest van Zoetermeer.
In het projectgebied maken de fietsvoorzieningen langs de volgende wegen en routes deel uit van het hoofdfietsnetwerk: Bleiswijkseweg, fietsroute ten noorden van de A12 (Siemenspad), Lansingpad ten oosten van het projectgebied, Lansinghageweg/ Edelgasstraat, Edisonstraat, Fokkerstraat en het fietspad langs de Heemlaan over de (Verlengde) Australiëweg dat is aangesloten op de Van der Hagenstraat en het Van Tuyllpark met de wijk Oosterheem verbindt. Verbindend fietsnetwerk Het verbindend fietsnetwerk ondersteunt het hoofdfietsnetwerk en verdeelt het fietsverkeer verder de wijken in. Dit verbindend fietsnetwerk draagt ertoe bij dat individuele woningen, winkels, voorzieningen en bedrijven ook per fiets vlot bereikbaar zijn. In het projectgebied gaat het om de fietsvoorzieningen langs de volgende wegen en routes: Edelgasstraat, Brede Akkerpad aan zuidzijde Lansinghage, Spoorpad, Van der Hagenstraat, Siemenspad/ Werner von Siemensstraat en de Franklinstraat.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
25
3.3.3 Openbaar vervoer RandstadRail RandstadRail is een netwerk van sneltramverbindingen. Lijn 3 en 4 rijden van Zoetermeer naar Den Haag. Op de halte Leidschenveen kan overgestapt worden op de lijn naar Rotterdam. Op beide lijnen is sprake van een hoge frequentie in de spitsuren en een lagere frequentie in de daluren. In het projectgebied heeft RandstadRail geen halte. Vervoersknooppunt BleiZo Het vervoersknooppunt BleiZo is een regionale vervoersknoop aan de A12 en de spoorlijn Den Haag-Utrecht. Deze speelt een belangrijke rol voor het hele gebied. De knoop bestaat uit een station van RandstadRail, bushaltes van streek- en snelbuslijnen (waaronder de ZoRo-lijn richting Rotterdam), een P+R voorziening en een fiets/voetverbinding. Busvervoer In en in de nabijheid van het projectgebied rijden diverse buslijnen en bevinden zich meerdere bushaltes. Door het vervoersknooppunt BleiZo kan ook vanaf dit punt worden overgestapt op aansluitende buslijnen voor de bezoeker aan het projectgebied.
3.4
Cultuurhistorie en archeologie
In Zoetermeer kan het archeologisch onderzoek vooral belangrijke informatie opleveren over de periode van de 11e tot en met de 17e eeuw. Uit de periode vóór de 11e eeuw zijn weinig archeologische resten te verwachten. Enerzijds omdat het landschap ontoegankelijk was voor bewoning, anderzijds doordat een groot deel van dit landschap door latere ingrepen van de mens is verdwenen. Voor de periode ná de 17e eeuw kan de archeologie minder bijdragen aan de kennis over Zoetermeer. Deze periode kan namelijk goed worden onderzocht aan de hand van historische bronnen als registers, landkaarten, schilderijen en uiteindelijk ook foto’s. De 18e en 19e eeuw kunnen echter wel interessant zijn in diachroon verband; als bijvoorbeeld de ontwikkeling van een boerenbedrijf vanaf 16e tot aan de 19e eeuw kan worden onderzocht. Op vindplaatsen waarvan zeker is dat ze pas na 1700 zijn ontstaan zal de archeologie dus tot weinig kenniswinst leiden. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Cultuurhistorie In 2006 zijn vijf gebieden in Zoetermeer als beschermd dorpsgezicht aangewezen. Het projectgebied behoort hier niet toe.
Evenmin is bebouwing in het projectgebied aangewezen als gemeentelijk monument. Archeologie Op de provinciale waardenkaart van provincie Zuid-Holland is voor het projectgebied een kleine trefkans opgenomen (zie figuur 3.1). In het projectgebied en directe omgeving zijn geen vindplaatsen bekend. In de gemeentelijke Rapportage 'Archeologisch waardevolle gebieden in Zoetermeer' is het projectgebied evenmin aangewezen als archeologisch waardevol gebied. Ook in het vigerende bestemmingsplan Kwadrant/Van Tuyll sportpark/Brinkhage/Lansinghage is geen dubbelbestemming opgenomen voor archeologie.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
26
Figuur 3.1
Fragment provinciale kaart van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur
Conclusie Het projectgebied heeft geen belangrijke cultuurhistorische of archeologische waarden. Deze aspecten staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
27
Hoofdstuk 4
4.1
Beschrijving beoogde ontwikkeling
Planopzet
In het Van Tuyll Sportpark op de kavel naast de Silverdome is een nieuw zwembad ontwikkeld. Het nieuwe zwembad bestaat uit een recreatiebad met glijbaan, een instructiebad, een wedstrijdbad, een peuterbad en horeca. Tevens wordt een ligweide aangelegd met een waterspeelplaats. Op piekmomenten zijn ongeveer 1200 mensen tegelijk aanwezig. Parkeren van auto's vindt hoofdzakelijk plaats op een eigen kavel ten noorden van het zwembad (129 parkeerplaatsen). Nabij de entree van het zwembad worden 3 minder valide (auto)parkeerplaatsen, 256 fietsparkeerplaatsen en 12 scooteropstelplekken gerealiseerd.
Figuur 4.1 Plattegrond van de beoogde ontwikkeling (bijlage 3 voor grote versie) Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
28
Het nieuwe zwembad heeft een wateroppervlakte van in totaal zo'n 1200 m², een bruto vloeroppervlak van ongeveer 6000 m2, een totaal terreinoppervlak van 13.000 m2 en bestaat uit: Recreatie- en peuterbad van ruim 500 m2 met te openen wanden en dak met verschillende spel en speelvoorzieningen zoals een wildwaterkreek en glijbaan; Een zwemzaal met 20 x 10 meter doelgroepen bad, diepte 2,0 meter en beweegbare bodem die geschikt is voor activiteiten zoals aquafitgroepen, leszwemmen, banenwemmen en therapeutische zwemmen; Een zwemzaal met een 8-baans 25x20 meter wedstrijdbad (met een 1 meter en mogelijk een 3 meter duikplank); Toeschouwersruimte wedstrijdbad 200 bezoekers; Een waterspeelplaats buiten van ongeveer 125 m2; Een ligweide incl. speelelementen en buitenterras van ongeveer 2400 m2; Kleedaccommodaties voor het zwembad; Overige ruimten, zoals bergingen, personeelsruimten badmeesterposten etc. Een centrale hal met receptie; En horeca. In de zomermaanden kan het recreatiebad als buitenbad functioneren door het toepassen van te openen wanden en te openen dak (50%). De andere baden blijven 'gesloten'. De gemeente stelt hoge voorwaarden aan de toegankelijkheid voor mindervaliden.
Het ontwerp van het zwembad zal dan ook te voldoen aan ITstandaard voor de toegankelijkheid en het MIVA-toilet zal worden uitgevoerd, in overeenstemming met Het normenkader Toegankelijkheid Zoetermeer. Bestaande bomen blijven zoveel mogelijk behouden. Daarnaast vindt extra aanplant van bomen en bosschages plaats om het zwembad in het groen te zetten. Ook wordt op de parkeerplaats rekening gehouden met het toepassen van zoveel mogelijk groen. Het parkeren vindt ook plaats op halfverharding. Zie figuur 4.2 voor een impressie.
Figuur 4.2 Aanzicht vanaf de Van der Hagenstraat
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
29
4.2
Verkeer en vervoer
Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het projectgebied wordt aan de Van der Hagenstraat ontsloten. Dit is een doodlopende erftoegangsweg die het Van Tuyll Sportpark ontsluit (met o.a. hockey-, softbal- en tennisverenigingen). Via de Van der Hagenstraat is via de Oostweg de A12 en via de Australiëweg de binnenstad van Zoetermeer en de N209 te bereiken. Op de Van der Hagenstraat geldt een maximum toegestane snelheid van 50 km/h. Fietsverkeer Langs de Van der Hagenstraat zijn vrijliggende fiets- en voetpaden aanwezig. Daarnaast wordt het projectgebied ook ontsloten via het Heempad, wat een eigen ontsluiting is richting Oosterheem door middel van een fietspad en een voetpad. Openbaar vervoer Het projectgebied is eveneens te bereiken met het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde halte van de RandstadRail is Van Tuyll Sportpark. Deze halte ligt binnen een loopafstand van circa 650 meter. Aan deze halte halteren meerdere trams van en naar station Lansingerland-Zoetermeer en Den Haag, De Uithof met een frequentie van 4 á 6 per uur. Normstelling De verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte is gebaseerd op het parkeerbeleid van de gemeente Zoetermeer. Dit beleid maakt gebruik van CROW publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren" uit 2018. De kencijfers uit deze publicatie worden gespecificeerd op basis van het type functie en de ligging van de functie.
Parkeren De parkeernormen van de gemeente Zoetermeer zijn opgenomen in de 'Nota parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019'. Het projectgebied ligt in zone C volgens de Nota parkeernormen. De parkeerbehoefte voor een zwembad wordt op basis van het 100 m2 bvo bassin bepaald. In totaal wordt een oppervlakte van circa 1.088 m2 bassin gerealiseerd. De parkeernorm voor een overdekt zwembad in zone C bedraagt 11,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo bassin. Dit komt op een normatieve parkeerbehoefte van 126,2 parkeerplaatsen. Indien bij een ontwikkeling de parkeereis meer dan 100 parkeerplaatsen is en het aandeel bezoek groter dan 80% is, kan er een reductie van 10% toegepast worden. De totale parkeerbehoefte is 113,6 parkeerplaatsen. In totaal zijn er in de toekomstige situatie 114 parkeerplaatsen benodigd om te kunnen voorzien in de normatieve parkeerbehoefte. Op het parkeerterrein naast het zwembad worden in totaal 129 parkeerplaatsen aangelegd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte binnen het projectgebied. Van de te realiseren parkeerplaatsen dient 5% een laadpaal te hebben en voor nog eens 5% van de parkeerplaatsen dient de infrastructuur voor het plaatsen van meer laadpalen aanwezig te zijn. Tevens dient 1 op 50 reguliere parkeerplaatsen een mindervalide parkeerplaats te zijn. Hierom worden er 3 mindervalide parkeerplaatsen aangelegd nabij de entree van het zwembad.
Fietsparkeren De parkeernorm voor fietsparkeren bedraagt voor een overdekt zwembad 20 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo bassin. Dit betekent een parkeerbehoefte van 218 fietsparkeerplaatsen (217,6). In totaal worden 256 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd waarmee de parkeerbehoefte geheel binnen het projectgebied wordt opgevangen. Tevens worden 12 scooteropstelplekken gerealiseerd. Van de te realiseren fietsparkeerplaatsen dient 5% een laadpunt te hebben en voor nog eens 5% van de fietsparkeerplaatsen dient de infrastructuur voor het plaatsen van meer laadpunten aanwezig te zijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
30
Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van het projectgebied is berekend op basis van de voorgenomen ontwikkelingen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn berekeningen uitgevoerd op basis van de gemiddelde kengetallen van het CROW (Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381), hierbij zijn de kenmerken 'zeer sterk stedelijk' en 'rest bebouwde kom' gehanteerd. De verkeersgeneratie van de verkeerstoename is opgenomen in tabel 4.1. Tabel 4.1 verkeersgeneratie projectgebied Functie benaming CROW Hoeveelheid Mvt/hoeveelheid 2 Zwembad overdekt 1.088 m bvo bassin 31,6 per 100 m2 bvo bassin
Verkeersgeneratie 343,8 mvt/etmaal
De verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling bedraagt circa 344 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Voor sportfuncties is het maatgevende moment op basis van het CROW de zaterdagmiddag. Het aanwezigheidspercentage bedraagt op dat moment 100%. De verkeersafwikkeling wordt beoordeeld in het drukste uur van de dag, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalwaarde wordt afgewikkeld. Met name op een zaterdagmiddag zullen de ontsluitende wegen een verkeerstoename van circa 34 mvt ondervinden. Deze verkeerstoename zal naar verwachting opgaan in het huidige verkeersbeeld van de ontsluitende wegen en geen negatieve gevolgen hebben op de omliggende ontsluitingswegen. Conclusie Het projectgebied is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en per openbaar vervoer. De parkeerbehoefte kan worden voorzien op het parkeerterrein in het projectgebied. De verkeerstoename zal naar verwachting niet tot knelpunten leiden in de verkeersafwikkeling. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkelingen dan ook niet in de weg.
4.3
Beschrijving behoefte
In 2017 heeft een marktonderzoek naar recreatieve zwemvoorziening binnen de gemeente Zoetermeer plaatsgevonden, zie ook bijlage 1. De vraag naar een recreatieve zwemvoorziening is groot, zowel indoor als outdoor. De centrale probleemstelling en daarmee het onderzoeksvraagstuk is of het haalbaar is om in de gemeente Zoetermeer een nieuwe recreatieve zwemvoorziening te realiseren met binnen- en/of buitenwater. Daarnaast heeft in 2017 ook een onderzoek plaatsgevonden naar ruimte voor instructie- en verenigingszwemmen in Zoetermeer, zie bijlage 2. Doel van het onderzoek is om een behoefteprognose te presenteren van de toekomstige benodigde hoeveelheid zwemwater in de gemeente Zoetermeer. Hierbij wordt gekeken naar de huidige openbare zwembaden in Zoetermeer, evenals de private zwembaden waar zwemles wordt gegeven, demografische gegevens, een vergelijking met andere gemeenten en ervaringen van stakeholders betrokken bij de zwembaden. Beide rapportages laten een behoefte zien, waarin voorliggende ontwikkeling kan voorzien.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
31
Hoofdstuk 5
5.1
Milieu en leefkwaliteit
Bodemkwaliteit
Beleid en normstelling Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Onderzoek Voor het projectgebied heeft een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden, zie ook bijlage 4. Vooronderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat zowel op de onderzoekslocatie zelf als in de directe omgeving (binnen een straal van 25 meter) geen potentieel bodembedreigende activiteiten plaatsvinden en/of hebben plaatsgevonden. Wel zijn er meerdere gedempte sloten aanwezig binnen het onderzoeksgebied. Tijdens het onderzoek worden er boringen verricht ter plaatse van de gedempte sloten om onderzoek te doen naar eventueel dempingsmateriaal en/of slibresten. Tijdens het locatiebezoek zijn er geen verdachte locaties of asbestverdachte materialen waargenomen. Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als onverdacht op asbest beschouwd. In onderhavig onderzoek is daarnaast onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van PFAS. Veldonderzoek Grond In de grond zijn geen antropogene bijmengingen waargenomen. Ter plaatse van de gedempte sloten zijn geen dempingsresten of slibresten waargenomen.
De resultaten voldoen aan de verwachting uit het vooronderzoek waaraan de hypothese en onderzoekstrategie zijn opgesteld. In het grondmengmonster MM2, van de zintuiglijk onverdachte bovengrond, overschrijden de Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
32
concentraties van de parameters PCB en zink de achtergrondwaarde. De herkomst van de verhoogde parameters zijn niet bekend, nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De concentraties van de overige geanalyseerde parameters voldoen aan de achtergrondwaarde. De grond ter plaatse van de overige geanalyseerde mengmonsters voldoet aan de achtergrondwaarde. De grond is getoetst aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit en is indicatief Altijd toepasbaar. De analyseresultaten zijn getoetst aan de SRCarbo-waarden, voor de grond is indicatief geen veiligheidsklasse van toepassing. Asbest Bij de visuele maaiveldinspectie zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tevens is in het opgegraven materiaal geen asbestverdacht materialen aangetroffen. Analytisch is er geen asbest aangetoond (max. 1,0 mg/kg d.s.). De totaal gewogen asbestconcentratie in alle geanalyseerde mengmonsters overschrijdt niet het criterium voor nader asbestonderzoek (50 mg/kg d.s.). De onderzoekslocatie kan hiermee worden beschouwd als onverdacht op asbest. PFAS In het grondmengmonster PFAS1 (van de bovengrond) is PFOA aangetoond boven de grens van landbouw/natuur. De grond voldoet (indicatief) aan de functiesklasse wonen/industrie. In grondmengmonster het PFAS2 (van de ondergrond) zijn geen verhoogde concentraties PFAS aangetoond.
De grond voldoet hierdoor indicatief aan de functieklasse landbouw/natuur. Grondwater Het grondwater ter hoogte van de peilbuizen B01 t/m B03 voldoet aan de streefwaarde. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er, milieuhygiënisch gezien, geen belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen bouw van een zwembad. Het aspect Bodemkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg
5.2
Bedrijven en milieuzonering
Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze onderbouwing gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie wordt een zwembad gerealiseerd. Hiermee wordt een milieuhinderlijk functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.
In het gebied zijn voornamelijk sportfuncties, gemengde functies en bedrijven gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
33
De dichtstbijzijnde gevoelige bestemmingen betreffen woonbestemmingen. Deze bevinden zich ten noorden en ten zuiden van het projectgebied. Deze woningen liggen langs drukke wegen. Daarmee kan voor de deze woningen de richtafstand voor gemengd gebied worden aangehouden. De afstand voor beide woonbestemmingen bedraagt circa 400 meter. Bij het zwembad wordt ook een ligweide aangelegd met een waterspeelplaats. Hierdoor valt de beoogde realisatie onder de categorie niet overdekt zwembad. Volgens de VNG-lijst hoort hierbij milieucategorie 4.1 en een richtafstand van 100 meter in gemengd gebied. Vastgesteld wordt dat voldaan wordt aan de richtafstand. Overigens wordt ook voldaan aan de richtafstand van 200 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. Conclusie Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er voor de woonbestemmingen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.
5.3
Wegverkeerslawaai
Beleid en normstelling Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd voor de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen. Ook is akoestisch onderzoek noodzakelijk bij de reconstructie van bestaande of aanleg van nieuwe wegen. Onderzoek en conclusie Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe woningen en nieuwe wegen of wegreconstructies mogelijk gemaakt. Akoestisch onderzoek op basis van de Wgh kan derhalve achterwege blijven. Vanwege de verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling nemen de verkeersintensiteiten op nabijgelegen wegen toe. Hierdoor zou mogelijk indirecte geluidhinder op kunnen treden. Het beoogde zwembad heeft een verkeersgeneratie van 344 mvt/etmaal. Dit wordt via de Van der Hagenstraat ontsloten richting de Oostweg. Deze weg heeft een verkeerstintensiteit van circa 20.000 mvt/etmaal aan licht verkeer naar beide richtingen. De verkeersgeneratie van het beoogde zwembad zal hier direct opgaan in het heersende verkeersbeeld. Indirecte hinder als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling wordt niet aannemelijk geacht. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.4
Luchtkwaliteit
Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191161
34
Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde max. 35 keer p.j. meer dan concentratie 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een zwembad. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer van 344 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) in de omgeving. Met de NIBM-tool is berekend of de toename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Tabel 5.2 Resultaten van berekening met de NIBM-tool