bijlage 7 - Nota van beantwoording advies Commissie mer
Tekst van het document
Nota beantwoording advies Commissie mer Bijlage 7
Afdeling Stedelijke Ontwikkeling Gemeente Zoetermeer Augustus 2025
Inhoudsopgave 1.
2.
Inleiding .....................................................................................................................................................................................3 1.1
Proces .................................................................................................................................................................................3
1.2
Toetsingsadvies ..................................................................................................................................................................3
1.3
Opzet beantwoording..........................................................................................................................................................4
Beantwoording van het toetsadvies ...........................................................................................................................................5 Tabel 1 Hoofdpunten Commissie mer en de wijze waarop hiermee is omgegaan ................................................................................5 Tabel 2 Aanbevelingen Commissie mer en de wijze waarop hiermee is omgegaan ............................................................................17
2
1. Inleiding
1.1
Proces
Van 4 april t/m 15 mei 2025 hebben de ontwerp Ruimtelijke Strategie Zoetermeer en het Omgevingseffectrapport ter inzage gelegen. Tijdens de ter inzagelegging heeft de Commissie mer een adviestraject opgestart. Een adviestraject bestaat altijd uit een locatiebezoek van de Commissie en een bespreking van het conceptadvies op haar kantoor in Utrecht. Het locatiebezoek was op 14 mei 2025. Bij dit locatiebezoek heeft de Commissie een toelichting op de RSZ en het OER gekregen en is samen met een aantal leden van het kernteam RSZ een fietstour langs verschillende locaties en ontwikkelingen in de stad gemaakt. Op 23 juni 2025 heeft de bespreking van het conceptadvies met de Commissie mer plaatsgevonden en op 26 juni 2025 is het definitieve advies ontvangen van de Commissie mer. 1.2
Toetsingsadvies
De Commissie heeft veel waardering voor hoe de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving in Zoetermeer wil verbeteren en de trend van negatieve maatschappelijke ontwikkelingen wil ombuigen. De Ruimtelijke strategie vertaalt sociale, economische en milieuaspecten naar een ruimtelijk beeld voor de gemeente. De interdisciplinaire manier van werken heeft geleid tot het daadwerkelijk bij elkaar brengen van veel perspectieven. Dit weerspiegelt volgens de Commissie op een goede manier de geest en intentie van de Omgevingswet. De Commissie waardeert ook de rol die het OER daarbij heeft gespeeld. Het OER heeft bij het ontwikkelen van de Ruimtelijke Strategie steeds de consequenties van verschillende mogelijke ingrepen voor ontwikkelingen in de leefomgeving aan de beleidsmakers voorgehouden. Er ligt daardoor duidelijk op tafel welke ambities in het gedrang kunnen komen, bijvoorbeeld omdat ze tegenstrijdig zijn of omdat uiteindelijk het bouwprogramma bepalend is. De Commissie signaleert echter bij de toetsing van het OER desondanks dat nog belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer. Het advies van de commissie kent een trapsgewijze opbouw.
Het bestaat uit de volgende 6 hoofdpunten waarvan de commissie van mening is dat het aanvullen en uitvoeren ervan essentieel is om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer: 1. 2. 3. 4.
Samenhang en afstemming tussen Ruimtelijke Strategie, omgevingsvisie en programma’s is niet helder; De alternatieven zijn niet altijd goed te volgen; De navolgbaarheid en consistentie van de ‘foto van de leefomgeving’ en de beoordeling van effecten behoeft aanvulling en onderbouwing; Het OER bevat een korte managementsamenvatting, waarin alleen het voorkeursalternatief is behandeld. De gemaakte keuzen zijn daardoor nu niet voor een breed publiek makkelijk te volgen. 5. Onzekerheden en bandbreedtes zijn niet verwerkt in de effecttabel wat een juiste eindbeoordeling bemoeilijkt.
3
6. De ruimtelijke consequenties van maatregelen voor het opwekken van energie en de opslag ervan worden niet benoemd. Ook doet de Commissie een aantal aanbevelingen voor de verdere besluitvorming. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren. Deels zijn dit aandachtspunten voor het vervolgtraject, waarvoor geen aanpassingen nodig zijn van het OER voor besluitvorming. 1.3
Opzet beantwoording
In het volgende hoofdstuk staan de hoofdpunten, adviezen en aanbevelingen uit het toetsingsadvies weergegeven en op welke wijze deze zijn verwerkt.
4
2. Beantwoording van het toetsadvies Tabel 1 Hoofdpunten Commissie mer en de wijze waarop hiermee is omgegaan Categorie
Advies Commissie mer
Reflectie/reactie op advies en wijze waarop advies is meegenomen
Document waar advies in is meegenomen
Hoofdpunt 1
Samenhang tussen de Ruimtelijke Strategie, omgevingsvisie en programma’s. Deze samenhang, zowel inhoudelijk als in procedures is nu niet helder. Het is belangrijk om te weten hoe de gemeente met maatregelen kan bijsturen. Dit kan nodig zijn als blijkt dat er bij de uitwerking van de Ruimtelijke Strategie verschillen zijn tussen voorspelde en gemeten effecten en tussen de gestelde en uiteindelijk behaalde doelen.
De RSZ omvat alle ruimtelijke beleidsthema’s van de gemeentelijke organisatie. De belangrijkste strategische opgaven worden vertaald in voorstellen voor omgevingsprogramma’s. Deze omgevingsprogramma’s moeten worden gezien als een ‘mal’ waarbinnen het werk in Zoetermeer in de komende jaren georganiseerd wordt. Elk nieuw ruimtelijk initiatief krijgt in principe een plek onder een lopend programma. Deze omgevingsprogramma’s lopen langjarig.
Wordt meegenomen in de Uitvoeringsagenda RSZ Zoetermeer 2040
De Ruimtelijke Strategie is een uitwerking van de Visie Zoetermeer 2040. De volgende stap is het opstellen van programma’s, waarvan sommige al parallel aan de Ruimtelijke Strategie ontwikkeld worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor het programma voor het Entreegebied. Hiervoor is eerder al een milieueffectrapport opgesteld. Dit programma loopt dus voor op de Ruimtelijke Strategie. In het algemeen is niet duidelijk hoe deze al in ontwikkeling zijnde programma's met de Ruimtelijke Strategie samenhangen en hoe deze in procedure én inhoud op elkaar worden afgestemd. Het milieueffectrapport voor de gebiedsontwikkeling van de Entree laat zien dat bij de concrete uitwerking in programma’s de milieueffecten en het doelbereik anders kunnen uitpakken dan in het OER voor de Ruimtelijke Strategie is voorzien. Het OER maakt niet duidelijk hoe met deze verschillen wordt omgegaan. Dit kan bijvoorbeeld door ambities en/of de beoordeling bij te stellen of later bij te sturen op basis van monitoring.
Indien van toepassing
We maken onderscheid in omgevingsprogramma’s-thema en omgevingsprogramma-gebied. De ambities en doelen die in het omgevingsprogramma-thema worden beschreven ‘landen’ uiteindelijk binnen een omgevingsprogrammagebied. Bij de laatste ligt de focus echter op de specifieke ontwikkeling van een bepaald gebied. In de Uitvoeringsagenda Zoetermeer 2040 die volgt op de RSZ wordt de positie van de omgevingsvisie binnen het instrumentarium van de Omgevingswet nader geduid en wordt de toepassing van de samenhangende instrumenten van de Omgevingswet in Zoetermeer beschreven. De Uitvoeringsagenda geeft hiermee invulling van de wijze waarop de visie Zoetermeer 2040 en de RSZ doorwerken in het omgevingsbeleid van de gemeente. De lopende gebiedsprogramma’s, zoals Entree, zijn voor een belangrijk deel parallel opgelopen aan de RSZ en zoveel mogelijk in lijn gebracht met de opgaven en keuzen in de RSZ (en visie Zoetermeer 2040). De Commissie trekt dezelfde
5
conclusie als de auteurs van het OER RSZ: effecten kunnen in concrete vervolgprojecten afwijken van de effecten die beschreven zijn bij in het OER RSZ. Om deze reden is het van belang dat met nieuwe mer-procedures bij gebiedsgerichte omgevingsprogramma's het milieubeeld uit het OER RSZ nader geconcretiseerd wordt, zoals gedaan is bij het Entreegebied. Deze mer-strategie borgt dat ook in vervolgprojecten het milieubelang mee blijft wegen. Daarnaast is het van belang dat de in het OER RSZ voorgestelde effecten gemonitord worden. Naar aanleiding van het advies van de Commissie zal dit verdere aandacht krijgen in de nog op te stellen uitvoeringsagenda. De beleidsambities uit de omgevingsvisie worden op meerdere manieren gemonitord. Enerzijds via de Staat van Zoetermeer, welke vanaf 2019 periodiek wordt opgesteld en waarmee op basis van een brede set van indicatoren de ontwikkelingen van de stad wordt bijgehouden. Daarnaast volgen ook uit de afzonderlijke omgevingsprogramma’s monitoringsmaatregelen. Per omgevingsprogramma worden monitors ontwikkeld om de specifieke doelen van het programma te volgen. Daarbij wordt per programma bepaald welke indicatoren en data gebruikt zal worden voor de monitoring. Deze worden uitgewerkt in een monitoringsplan. Hierbij kunnen onderdelen op een specifiek thema heel concreet worden uitgewerkt en ‘eigen’ monitoring kennen.
Op die manier houdt de gemeente grip op de ontwikkelingen en is het mogelijk tijdig maatregelen te treffen om bij te sturen indien dat nodig is, waarbij de output van de monitoringsinformatie op stadsniveau en op de verschillende omgevingsprogramma’s continu in samenhang bekeken kan worden. Het college van B&W legt periodiek verantwoording af aan de gemeenteraad met een monitorings-rapportage over de ontwikkelingen binnen de omgevingsprogramma’s en de stad als geheel (Staat van Zoetermeer). Het voornemen is om de
6
monitoringsrapportage(s) zo veel mogelijk te koppelen aan de gemeentelijke beleidscyclus en de cyclus van de Voortgangsrapportages (VGR’s). Bijsturing kan op verschillende manieren: bijsturing op de plannen, bijsturing via het nemen maatregelen en bijsturing door het aanpassen van eerder geformuleerde doelstellingen. Er zal hierbij altijd eerst worden gezocht naar maatregelen om de situatie te verbeteren, voordat bijsturing van plannen of ambities wordt voorgesteld. Adviezen hoofdpunt 1
De Commissie adviseert voorafgaande aan de besluitvorming het MER aan te vullen met een duidelijke beschrijving van de procedurele en inhoudelijke samenhang tussen de Ruimtelijke Strategie, de omgevingsvisie, het programma voor het Entreegebied en eventuele andere al lopende en toekomstige programma's. Beschrijf hoe deze samenhang bewaakt wordt en geef aan hoe de gemeente omgaat met verschillen in voorspelde en gemeten effecten en doelbereik en hoe ze dan bijstuurt.
Hoofdpunt 2
Navolgbaarheid onderzoeksalternatieven. Het OER heeft een grote rol gespeeld bij het bepalen van de Ruimtelijke Strategie en brengt de conclusies, knelpunten en kansen goed in beeld. De onderbouwing van de alternatieven, is echter niet goed te volgen. Dit is essentiële informatie om het uiteindelijke besluit goed te kunnen begrijpen. Keuze voor onderzoeksalternatieven: het verhaal De Visie Zoetermeer 2040 is in de Ruimtelijke Strategie ruimtelijk uitgewerkt. In het OER staat dat hierbij drie alternatieven zijn ontwikkeld om zo de ‘hoeken van het speelveld’ te verkennen en richting te geven aan de ruimtelijke uitwerking. Deze drie alternatieven bevatten elk verschillende maatregelen of bouwstenen. Dit voedt de
Zoals hierboven aangegeven wordt in de Uitvoeringsagenda RSZ Zoetermeer 2040 de samenhang tussen de verschillende instrumenten beschreven en worden via diverse monitors de ontwikkelingen in de stad in samenhang bijgehouden. Aanvullend is wel een Verantwoording aanbevelingen OER opgesteld, waarin een beschouwing wordt gegeven in hoeverre de aanbevelingen vanuit het OER in de RSZ zijn meegenomen. Ook is in de RSZ zelf een extra hoofdstuk toegevoegd waarin de samenhang met het OER is beschreven. De gemeente Zoetermeer dankt de Commissie voor de waardering voor het doorlopen proces. In onderstaande passages is aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het verzoek van de Commissie om (het verhaal van) de onderzoeksalternatieven te verduidelijken.
Wordt meegenomen in de Uitvoeringsagenda RSZ Zoetermeer 2040
Aanpassing van het omgevingseffectrapport RSZ
Samenhang en logica van de alternatieven en de relatie tussen de maatregelen en omvang en verdeling van het ruimtelijk programma ontbreekt In het ontwerp OER waren de onderzoeksalternatieven als ‘willekeurige’ samenstelling van verschillende maatregelen gepresenteerd. Hierbij werd voor de Commissie onvoldoende duidelijk waarom bepaalde ingrepen (bijvoorbeeld overkluizing van de A12) aan bepaalde groeiscenario's
7
Ruimtelijke Strategie met inzichten in kansen en risico’s voor de leefomgeving. De Commissie ziet dat de beschreven onderzoeksalternatieven de beleidsmakers hebben geholpen om te leren over de consequenties van verschillende keuzes. De Commissie mist echter het grotere ‘verhaal’ achter de alternatieven: • de samenhang en logica van de alternatieven en de relatie tussen de maatregelen en omvang en verdeling van het ruimtelijk programma in de alternatieven ontbreekt. De alternatieven variëren nu op een aantal punten, zoals wel of juist geen overkluizing van de A12, Intercitystations, westelijke ontsluiting en snelheidsverlaging op de wegen in de stad. De motivering waarom welke bouwstenen in welk alternatief zijn meegenomen ontbreekt. De alternatieven zijn nu onderling niet goed te vergelijken. Ook de samenhang van keuzes in de alternatieven met de verschillende opgaven van de gemeente voor bijvoorbeeld woningbouw, gezonde stad, groen, biodiversiteit, energietransitie en klimaatadaptie is niet duidelijk beschreven. • hoe de ambitie voor een ‘gezonde stad’ is meegenomen in de alternatieven. Dit is een van de belangrijke drijfveren voor dit plan. In het OER staat dat de ambitie en bouwsteen ‘gezonde stad’ (inclusief ruimtelijke kwaliteit) echter geen onderdeel van de alternatieven is. De ‘gezonde stad is nu alleen onderdeel van het beoordelingskader.
Daarmee is niet duidelijk of bijvoorbeeld andere ruimtelijke uitwerkingen of woningbouwlocaties naar voren waren gekomen als ‘gezonde stad’ een leidend onderdeel of zelfs uitgangspunt van de alternatieven zou zijn geweest. • De wijze waarop water en bodem sturend en klimaatadaptatie zijn meegenomen. Het OER beperkt zich tot delen van de gemeente waar gebouwd wordt. Tegelijk zijn ook in andere delen van Zoetermeer, zoals
gekoppeld waren (in geval van voorbeeld: 16.000 woningen in combinatie met overkluizing A12). Om dit te verduidelijken is teuggevallen op de thematische insteek die de alternatieven eerder gehad hebben (ontspannen, verbonden en innovatieve stad). Hieruit volgt dat niet het groeiscenario leidend is voor de te maken keuzes, maar een thematisch idee. In het geval van het voorbeeld: de ‘verbonden stad’ (alternatief 2) zet maximaal in op het onderling verbinden van wijken met elkaar en de stad in de regio. Hierin past bij uitstek overkluizing van de A12. Door deze thematische onderlegger toe te voegen aan het OER, wordt dit duidelijk. Wijze waarop de ‘gezonde stad’ is meegenomen De Commissie stelt terecht vast dat de ‘gezonde stad’ géén uitdrukkelijke bouwsteen is voor de alternatieven. Het alternatief ‘ontspannen stad’ kan in dat kader wel gezien worden als alternatief waarin het meest ingezet wordt op vergroening, klimaatadaptatie en gezondheid. Meer dan in het ontwerp OER is dit duidelijk gemaakt. De gemeente is hiermee van mening dat de ‘gezonde stad’ voldoende geborgd is in de onderzoeksalternatieven, en tevens in het voorkeursalternatief. Wijze waarop bodem en water sturend en klimaatadaptatie zijn meegenomen Het OER beperkt zich tot alternatieven die voor de gemeente ‘in redelijkheid in beschouwing te nemen zijn’. Het OER houdt rekening met de inhoud van de ontwerp RSZ.
In de ontwerp RSZ zijn geen maatregelen opgenomen die ingrijpen op het systeem van de Meerpolder, omdat deze gebieden (en de waterhuishouding daarvan) vooral een waterschapsverantwoordelijkheid zjin. In lijn met de strategieën ‘water en bodem sturend’ zoals vastgelegd in de RSZ stuurt de gemeente mee op het verbeteren van de waterhuishouding. Concreetheid van de alternatieven: kaarten
8
de Zoetermeerse Meerpolder, extra watermaatregelen nodig om volgens het klimaatakkoord de uitstoot van broeikasgassen terug te brengen. Dit kan ook de natuur versterken, zodat de bouwstenen groen en recreatie extra inhoud krijgen. De Commissie constateert dat de hoeken van het speelveld nog verder hadden kunnen worden opgezocht aan de hand van thema’s als de ‘gezonde stad’ en verschillen in stedelijke verdichting bij de intercitystations of juist elders. Dit had meer inzicht gegeven in de conclusies over de alternatieven. Deze zijn nu niet goed te volgen. Dit is essentieel om het besluit over de Ruimtelijke Strategie goed te volgen.
Naar aanleiding van het advies van de Commissie is besloten om een visualisatie van de onderzoeksalternatieven op te nemen in het OER. Dit geeft invulling aan dit adviespunt, maar versterkt ook het gevraagde ‘verhaal’ van de alternatieven. Het voorkeursalternatief Naar aanleiding van het advies van de Commissie is de tabel in paragraaf 7.1 van het OER uitgebreid. Deze tabel geeft weer welke maatregelen opgenomen zijn in het voorkeursalternatief (op gelijke wijze als gedaan is voor de onderzoeksalternatieven). Deze matrix, in combinatie met het kaartbeeld in figuur 7.1 geeft invulling aan het advies van de Commissie.
Concreetheid van de alternatieven: kaarten Er ontbreken in het OER duidelijke kaarten van de verdeling van het ruimtelijk programma voor woningbouw (waar en hoeveel) en de ambitie voor groen/stadsnatuur.9 Daardoor is het lastig de beoordeling van de effecten op mobiliteit en gezondheid te volgen. Met goede kaarten kan de logica van de alternatieven beter naar voren komen. Het Voorkeursalternatief (VKA) Er ontbreekt een duidelijke matrix met een overzicht van de bouwstenen zoals die voor de drie alternatieven is gegeven. Hierbij helpt ook niet dat de foto van de leefomgeving niet compleet is, zie paragraaf 2.3.1. Bij de beoordeling van de milieueffecten van het VKA lijkt wél rekening te zijn gehouden met meer gebiedsgerichte gegevens dan nu gepresenteerd. Dit is echter niet na te gaan, omdat bijvoorbeeld niet duidelijk is: • waar woningbouw en groenvoorzieningen komen; • waar bedrijventerreinen liggen; • welke mobiliteitsmaatregelen waar worden genomen.
9
Adviezen hoofdpunt 2
De Commissie adviseert het MER voorafgaande aan de besluitvorming aan te vullen met de volgende onderwerpen: • Vertel het ‘verhaal’ van de alternatieven én van het voorkeursalternatief. Geef een goede onderbouwing van de alternatieven en het voorkeursalternatief en beschrijf de keuzes die eraan ten grondslag liggen. Geef aan hoe de belangrijke opgaven en ambities uit de Visie 2040 ruimtelijk zijn vertaald. Geef aan welke bouwstenen in welk alternatief zijn gebruikt en hoe deze samenhangen. • Zet voor alle alternatieven én het voorkeursalternatief de locaties van woningen (blokkaarten/schematische functiekaarten met dichtheden per wijk), de bedrijventerreinen waar ontwikkelingen zijn en groen op kaarten. Doe dit als basis voor de onderbouwing van de milieueffecten. • Beschrijf het voorkeursalternatief expliciet. Dit helpt de gemeenteraad bij het besluit en geeft belanghebbenden meer zicht op het hoe en waarom van keuzes.
Zie reactie in de tabelregel hierboven. - Het ‘verhaal’ van de alternatieven en vka is opgebouwd door een kaartbeeld van de alternatieven op te nemen. Per bouwsteen is in de matrix weergegeven hoe deze doorgewerkt hebben in elk van de alternatieven. - De door de Commissie gevraagde basisinformatie die als (modelmatige) uitgangspunten voor de alternatieven hebben gediend is aangevuld in het OER. Dit zijn o.a. de figuren in paragrafen 6.2.1. t/m 6.2.3. De weergegeven figuren bevatten kwantitatieve uitgangspunten en geografische spreidingsgegevens (op wijkniveau) van de te bouwen woningen, bedrijvigheid en voorzieningen. - De beschrijving van het voorkeursalternatief is explicieter opgenomen in het OER. Dit is gedaan in paragraaf 7.1. Ook de kwantitatieve uitgangspunten zijn aangevuld in het OER.
Aanpassing van het Omgevingseffectrapport RSZ
Hoofdpunt 3
Samenvatting Het OER bevat een korte managementsamenvatting, waarin alleen het voorkeursalternatief is behandeld en niet alle alternatieven. Daardoor zijn de gemaakte keuzes nu niet voor een breed publiek makkelijk te volgen.
De gemeente onderschrijft het belang van een goed leesbare samenvatting, waarin naast het voorkeursalternatief ook de onderzoeksalternatieven zijn toegelicht en gemaakte keuzen makkelijker te volgen zijn. Daartoe is de samenvatting in het OER aangevuld met een (korte) beschrijving van de drie onderzoeksalternatieven en zijn de uitkomsten van de alternatievenvergelijking weergegeven. Verder is voor het voorkeursalternatief per thema’s van het beoordelingskader aangegeven wat de mate van onzekerheid is en de verklaring daarvoor. Met deze aanvullingen vormt de samenvatting een goede weerslag van het OER.
Aanpassing van het Omgevingseffectrapport RSZ
Het is daarmee geen goede weerslag van het OER. Een OER dient ook een goed leesbare samenvatting te bevatten, die de inhoud goed weergeeft. Dit is hier zeker aan de orde omdat de informatie in het OER complex en uitgebreid is. Het is nu voor de besluitnemers en voor burgers niet makkelijk te volgen: • welke alternatieven zijn onderzocht en wat de resultaten van het onderzoek zijn;
10
•
hoe de gemaakte keuzes in de Ruimtelijke Strategie logisch uit het onderzoek volgen.
Advies hoofdpunt 3
Breid de ‘managementsamenvatting’ uit tot een volwaardige en voor een breed publiek goed leesbare samenvatting en geef daarin aan welke onderzoeksalternatieven in het beleidsproces zijn onderzocht.
Zoals hierboven beschreven is de managementsamenvatting in het OER aangepast en aangevuld met de punten die door de Commissie mer zijn benoemd.
Hoofdpunt 4
Navolgbaarheid en consistentie ‘foto van de leefomgeving’ en beoordeling effecten. Er is veel informatie beschikbaar en ook gebruikt. Het OER schrijft echter niet altijd de informatie op die nodig is om de conclusies goed te kunnen volgen. Zo zijn geen kaarten opgenomen voor bijvoorbeeld geluid, luchtkwaliteit (NO2) en risico’s en de locaties van woningen, bedrijventerreinen en groen. Verder mist nog onderbouwende informatie over mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit. Deze twee onderwerpen zijn belangrijke pijlers voor de Ruimtelijke Strategie.
De gemeente herkent zich in de door de Commissie gesignaleerde aanvullingen. Puntgewijs wordt hieronder gemotiveerd wat met de adviezen gedaan is.
•
•
Consistentie Op een aantal onderdelen is de effectbeoordelingen niet consistent. Dit geldt bijvoorbeeld voor: De beoordeling van luchtkwaliteit en geluid. De analyse van de luchtkwaliteitssituatie in het voorkeursalternatief leidt tot een positieve score. De toename van concentraties door ontwikkelingen (woningbouw en verkeer) zal op lokaal niveau mogelijk tot een licht negatief effect leiden, maar stadsbreed en rondom de bedrijventerreinen is een positief effect toegekend. Op dezelfde gronden (vooral woningbouw en verkeer) krijgt geluid een (licht) negatieve scores. Voor luchtkwaliteit wordt de score dus uitgemiddeld en voor geluid niet. In het OER staat dat een te grote stadsuitbreiding zorgt voor veel verkeer (auto en fiets), waardoor de bestaande infrastructuur niet voldoende is. Uitbreiding
Aanpassing van het Omgevingseffectrapport RSZ
Kaartbeelden en onderbouwende informatie In hoofdstuk 5 (leefomgevingsfoto) is de door de Commissie gevraagde informatie aangevuld. Dit betreft kaarten met luchtkwaliteit (NO2), aandachtsgebieden externe veiligheid in relatie tot bebouwde gebieden (pagina 50 en 56 van het definitieve OER). De informatie rondom mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit komen in de punten hieronder aan de orde. Consistentie - De Commissie stelde een methodologische inconsistentie in de beoordeling van luchtkwaliteit en geluid vast, waarbij voor het aspect luchtkwaliteit de uiteindelijke score van verschillende maatregelen uitgemiddeld werd, en bij geluidhinder de maatgevende negatieve effecten voor de effectscore leidend zijn geweest. Deze inconsistentie is in het OER hersteld, door de beoordeling luchtkwaliteit aan te passen (zie pagina 218 van het definitieve OER). - De Commissie stelt in het advies vast dat er geen modelmatig bewijs is om het aantal te bouwen woningen expliciet te begrenzen op 16.000 als kantelpunt. Dit is een terechte constatering. De conclusies van het onderzoek zijn daarom in het
11
•
•
•
hiervan zou ruimte kosten. Dit leidt tot de conclusie dat de groenambitie van de gemeente niet goed samengaat met het maximale aantal woningen. Het OER trekt de conclusie dat het aantal woningen beperkt moet blijven tot 16.000 woningen om een leefbare stad te garanderen. Elders in het MER staat juist dat de autoinfrastructuur ruim voldoende is om een grote groei te kunnen faciliteren. Het komt ook niet overeen met de (zeer) scores in alternatief 3 voor leefbaarheid, gezonde openbare ruimte, autoverkeer en langzaam verkeer. De effectscore op OV en langzaam verkeer is beoordeeld op 'beschikbaarheid voldoende capaciteit' (die daarmee voornamelijk '+' scoren), terwijl het volgens het beoordelingskader ook gaat om 'groei aantal OV-verplaatsingen' (bij fietsgebruik idem) en 'versterken positie in hart van de randstad). Dit is niet consistent. Bij de afweegcriteria komt het gebruik OV en Langzaam verkeer onvoldoende nadrukkelijk aan bod. Deze komen nu alleen indirect terug via gezonde openbare ruimte, groene leefomgeving, leefbaarheid, et cetera. Dit is relevant omdat deze de belangrijkste voorwaarden vormen om een groot woningbouwprogramma mogelijk te maken. Andere voorbeelden van inconsistente beoordelingen zijn er voor veiligheid en openbare ruimte.
-
-
-
definitieve OER genuanceerder, waarbij de hoofdlijn van de conclusie weliswaar overeind blijft (een beperking van het aantal woningen leidt tot een betere borging van behoud van groene kwaliteiten). De vergelijking met alternatief 3 is niet geheel terecht, omdat in alternatief 3 een veel grotere set aan flankerende maatregelen zat dan in het voorkeursalternatief. De scores voor leefbaarheid, gezonde openbare ruimte voor alternatief 3 kunnen daarom, in tegenstelling tot wat de Commissie deed, niet zomaar langs de scores voor het VKA gelegd worden. Wel is rekening gehouden met dit adviespunt door de verschillen tussen de onderzoeksalternatieven te expliciteren door verklarende figuren van de alternatieven weer te geven (zie reactie op ‘hoofdpunt 1’). De commissie signaleert dat de effectscore voor OV en langzaam verkeer uitgebreider plaats had moeten vinden. De Commissie heeft daarbij echter aangegeven dat de beschreven ‘gewenste beweging’ getoetst had moeten worden. Dat is niet correct: het OER toetst in alle gevallen op het aspect zelf. In de effectbeoordeling is deze gewenste beweging (paragraaf 7.2.1) wel aangevuld door deze gewenste beweging expliciet te noemen. Daarmee is in feite getoetst op de ‘gewenste beweging’. Naar oordeel van de Commissie is de effectscore voor 'veiligheid’ te positief, maar de Commissie kan zich wel vinden in de inhoudelijke motivering.
De effectscore bij de motivering is aangepast naar licht negatief (zie pagina 220 van het definitieve OER). De commissie stelde vast dat de beschrijvingen voor ‘openbare ruimte’ te weinig concreet zijn beschreven (niet-ruimtelijk). Dit is in het OER aangevuld; zie
12
bijvoorbeeld pagina 160, waar ‘delen van de stad’ geconcretiseerd is tot ‘Binnenstad en Entree’. Advies hoofdpunt 4
Zorg er voorafgaande aan de besluitvorming voor en in een aanvulling op het OER dat de informatie over de effecten navolgbaar en consistent is.
Hoofdpunt 5
Onzekerheid en bandbreedte Het OER benoemt weliswaar dat de onzekerheid in positieve scores nog groot is, maar verwerkt dit niet in de effecttabel. De genoemde scores geven wellicht een te positief beeld. Dit bemoeilijkt een juiste eindbeoordeling. Het is belangrijk dit eenduidig op tafel te hebben bij het nemen van het besluit, een monitoring programma op te stellen en zo nodig bij te sturen. De eindbeoordeling is overwegend positief over het voorkeursalternatief. Tegelijkertijd geeft het OER een lange lijst met aanbevelingen voor verbeteringen. Niet duidelijk is hoe zich dit tot elkaar verhoudt. Het OER stelt, dat bij de beoordeling vooral de nadruk is gelegd op de kansen die stedelijke vernieuwing biedt voor de leefbaarheid in de stad. Bij de aanbevelingen wordt duidelijk gemaakt, dat de onzekerheid in positieve scores nog groot is. Dit komt omdat ambities nog niet goed zijn belegd of vastgelegd, tegenstrijdig zijn of uitgewerkt of verbreed moeten worden. Deze onzekerheid komt niet uit de effecttabel naar voren. De eindbeoordeling is daarom mogelijk niet volledig en mogelijk dus te positief. Dit is belangrijk om op tafel te hebben bij het nemen van het besluit en had dan ook beter, en visueel, duidelijk gemaakt moeten worden.
Aan dit hoofdpunt is tegemoetgekomen door onder andere bovenstaande wijzigingen door te voeren in het OER. Op gelijke wijze is kritisch naar enkele van de andere effectscore gekeken. Waar nodig en in lijn met het advies van de Commissie zijn effectscore genuanceerd en opnieuw ingebracht in het proces. Een totaaloverzicht van wijzigingen is beschikbaar in de nota van wijzigingen. De hoofdconclusies van het OER veranderen geenszins. Onzekerheid en bandbreedte De Commissie stelt terecht vast dat er nog een belangrijke mate van onzekerheid in de effectscores zit. Dit wordt bewezen door negatievere effecten die beschreven zijn in het MER voor het Entreegebied. Om die reden acht de Commissie het van belang om ook in deze fase een beeld te geven van onzekerheden bij de effectscores.
Aanpassing van het omgevingseffectrapport RSZ
Aanpassing van het Omgevingseffectrapport RSZ
Bij het beeld van de huidige en referentiesituatie is dit weergegeven in de ‘trendfiguren’. Voor het VKA wordt deze methode niet als betrouwbaar geacht, omdat deze mogelijk ‘schijnzekerheid’ biedt. Om deze reden is een aanvullende analyse uitgevoerd. Hierbij is per beoordelingsaspect in de effecttabel een inschatting van de mate van onzekerheid opgenomen (zie paragraaf 7.3). In deze analyse is beoordeeld hoe groot de mate van onzekerheid is door: - Mate van borging in de Ruimtelijke Strategie (indien zeer vrijblijvend geborgd wordt het risico groter). - Mate van onzekerheid rondom het thema, bijvoorbeeld door onvoorspelbaarheid van conjunctuurgevoelige thema's. Deze risico-inschatting geeft, tezamen met de plussen en minnen, een realistischer beeld van de werkelijke risico's. Mobiliteit
13
De Commissie gaat in haar toetsadvies specifiek in op mobiliteit, ruimtelijke kwaliteit en energie omdat deze essentieel zijn voor de keuzes. Mobiliteit Mobiliteit is een van de belangrijke knoppen om aan te draaien bij het bepalen van de stedelijke modellen en bij het vertellen van het ‘verhaal’ achter de alternatieven. De organisatie van de mobiliteit en de daarbij gewenste modal split in relatie tot de omvang en verdeling van het ruimtelijke programma in de alternatieven is tenslotte cruciaal voor de leefkwaliteit. Dit bepaalt ook de ruimte voor groen. Dit had bij de alternatieven nadrukkelijk aan de orde kunnen worden gesteld aan de hand van de vraag welke maatregelen nodig zijn om een gezonde leefomgeving te creëren. Ruimtelijke kwaliteit In het OER is geen beoordelingskader voor Ruimtelijke Kwaliteit opgenomen. Dit is wel belangrijk omdat de keuzes die per alternatief onderzocht worden impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit. In het MER voor het Entreegebied is ruimtelijke kwaliteit getoetst in twee ruimtelijke categorieën Cultuurhistorie (Historische geografie en Historische (steden)bouwkunde) en Stedelijk Landschap. Het aspect Historisch kapitaal dat nu in de effectbeoordeling van het OER staat dekt in feite de cultuurhistorie af, maar niet Stedelijk Landschap.
De Commissie adviseert om de ruimtelijke uitgangspunten van het gehanteerde verkeersmodel te verhelderen, zodat conclusies navolgbaarder worden. Deze informatie is toegevoegd aan het OER, door op wijkniveau weer te geven hoe veel woningen, bedrijvigheid en voorzieningen toegevoged worden aan de stad. Ruimtelijke kwaliteit De Commissie vraagt om een expliciete beoordeling van het aspect ‘stedelijk landschap’. In de beoordeling ‘landschappelijke waarden’ wordt echter al expliciet beoordeeld op de landschappelijke waarden van het stedelijk landschap. Om die reden is de titel van het aspect aangepast. Daarnaast is de effectbeschrijving uitgebreid met het aspect ‘ruimtelijk beeld’. Hiermee zijn de effectbeoordelingen van het OER RSZ en het MER Entree ook methodisch in lijn met elkaar. Omdat in het Entreegebied het onderscheid tussen toekomstwaarde, belevingswaarde en herkomstwaarde ook niet gemaakt is, is ervoor gekozen om dit voor het OER RSZ eveneens niet te doen.
Echter, onder Historisch kapitaal wordt wel de landschappelijke waarde beoordeeld, dat als categorie dicht bij Stedelijk Landschap ligt. Dit schept verwarring omdat het VKA nu negatief scoort voor Historisch kapitaal, en dan dus ook voor het aspect van landschappelijke waarde. Daardoor ontstaat het beeld dat de Ruimtelijke strategie op het punt van ruimtelijke kwaliteit dus ook negatief scoort. Door ruimtelijke kwaliteit, een belangrijk
14
integraal doel van de Ruimtelijke Strategie, ook integraal te beoordelen ontstaat een beter beeld van de effecten van alternatieven op de ruimtelijke kwaliteit. Dit kan door het aspect Stedelijk Landschap aan de beoordeling toe te voegen. De beleving van ruimtelijke kwaliteit heeft een sterke relatie met het DNA van Zoetermeer, de leesbaarheid van de geschiedenis en de samenhang tussen de stedenbouwkundige structuren en de gebouwen die daar door de tijd heen in zijn gebouwd. Echter het DNA van Zoetermeer is ook bepalend voor de gebruikswaarde en de toekomstwaarde. Het koppelen van de foto van de leefomgeving aan de impact van de alternatieven op de ruimtelijke structuren (duidelijk weergegeven op een kaart) geeft een beeld op het integrale effect van deze alternatieven op het DNA van Zoetermeer. Adviezen hoofdpunt 5
De Commissie adviseert: • De onzekerheden alsnog te benoemen en in de tabel aan te geven. Geef aan hoe de gemeente met deze onzekerheden omgaat. • De (ruimtelijke) uitgangspunten, die als basis voor het verkeersmodel zijn gehanteerd, te verhelderen. Geef aan hoe de uitgangspunten en de prognoseresultaten zich verhouden tot het ‘verhaal’ van de alternatieven en de keuzes voor het VKA. Geef aan welke mogelijkheden er afhankelijk van verstedelijkingskeuzes zijn voor het bereiken van een modal shift. • Het OER voorafgaande aan de besluitvorming aan te vullen. Beoordeel het aspect Stedelijk Landschap, op dezelfde wijze als in het MER voor het Entreegebied. Doe dit op de aspecten structuur en beeld en beoordeel ze op belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Geef dit ook aan voor het Voorkeursalternatief.
Zie detailantwoorden in de tabelregel hierboven. Aan al deze adviespunten is tegemoetgekomen.
Aanpassing van het omgevingseffectrapport RSZ
15
Hoofdpunt 6
Energie en duurzaamheid: energietransitie Het OER benoemt niet de ruimtelijke consequenties van maatregelen voor het opwekken van energie en de opslag ervan. Daardoor kan dit onderwerp nu niet goed meewegen bij besluiten over de ruimtelijke inrichting van Zoetermeer. De gemeente wil in 2050 aardgasvrij zijn, liefst al in 2040. Maar het OER laat niet zien wat de ruimtelijke gevolgen zijn van deze ambitie. Zonne-energie alleen is niet genoeg; er is ook opslag nodig. De ruimteclaim daarvoor ontbreekt. Ook netcongestie – een belangrijk knelpunt – krijgt geen ruimtelijke vertaling in kaarten of scenario’s, terwijl dit invloed heeft op veel andere plannen.
Advies hoofdpunt 6
De alternatieven zijn eenzijdig en richten zich vooral op WKO, zonder andere serieuze scenario’s. Het OER kiest voor warmte-koudeopslag (WKO)20 als oplossing voor verwarming en koeling. Deze techniek kan helpen tegen hittestress, omdat warmte niet wordt uitgestoten maar opgeslagen in de bodem. Toch is onduidelijk of WKO voldoende is voor de hele stad. In sommige alternatieven komt het nauwelijks terug. Ook is onbekend of de bodem geschikt is en of er ruimte is voor WKO-systemen. Andere opties zoals warmtenetten of warmtepompen worden niet serieus onderzocht, terwijl die in de Warmtevisie 2040 wel als belangrijk genoemd worden. Daardoor blijft de ruimtelijke impact van energieopwekking en -opslag onduidelijk. De Commissie adviseert het OER voorafgaande aan de besluitvorming aan te vullen en de ruimtelijke effecten verder uit te werken met: • een onderbouwde aanname voor de energievraag tot 2040; • inzicht in welke energie lokaal kan worden opgewekt; • de ruimte die nodig is voor opwek en opslag;
De Commissie stelt terecht vast dat de ruimtelijke gevolgen van de gemeentelijke energie-ambities nog niet gedetailleerd weergegeven zijn in het OER RSZ. Dat heeft ermee te maken dat de gemeente op dit dossier in een separaat traject (Energievisie) keuzes maakt. Er is voor gekozen om deze besluitvorming niet te hinderen door slecht gemotiveerde keuzes in de RSZ vast te leggen. De te maken keuzes rondom dit onderwerp worden in dat traject gemaakt, en de (milieu)gevolgen ervan ook. Bij een actualisatie / monitoring van de RSZ dient geborgd te worden of de in het OER RSZ veronderstelde kwaliteiten overeind blijven. Dit adviespunt heeft om bovenstaande reden niet geleid tot een aanpassing van het omgevingseffectrapport RSZ.
Dit punt heeft niet geleid tot aanpassing van het omgevingseffectrapport RSZ.
Zie tabelregel hierboven. Deze (milieu)informatie wordt in het traject van de Energievisie gegenereerd.
Dit punt heeft niet geleid tot aanpassing van het omgevingseffectrapport RSZ.
16
•
de ruimtelijke consequenties van WKO, warmtenetten en warmtepompen – zowel bovenals ondergronds.
Tabel 2 Aanbevelingen Commissie mer en de wijze waarop hiermee is omgegaan Aanbevelingen Motivering voorkeursalternatief
Bodem, water en klimaat
Hoewel het geen verplichting bij milieueffectrapportage is, beveelt de Commissie ook aan om het voorkeursalternatief duidelijker te motiveren.
De beschreven trends in het water- en bodemsysteem van Zoetermeer duiden volgens de foto van de leefomgeving op een toenemende gevoeligheid voor onder andere verzilting en opbarsting (wegdrukken van deklaag) door kwel. Dit betekent dat de Ruimtelijke Strategie ook beleid en zorgvuldigheid vraagt voor het bouwrijp maken, aanvoer van zand en bodemdaling. Ook ontbreken hierover kwantitatieve gegevens. De uitspraken over bodem, water en klimaatadaptatie in het OER zijn steeds gekoppeld aan het bouwprogramma. In Zoetermeer liggen echter ook onbebouwde gebieden zoals de Zoetermeerse Meerpolder. Hiervan is recent een stuk vernat, onder andere voor de weidevogels. Mogelijk echter is hiervoor nog meer vernatting nodig. De Commissie beveelt aan om bij de uitwerking van het besluit in te gaan op de mogelijkheden en effecten van vernatting van venige en moerassige bodems. Hou daarbij rekening met de effecten op en risico’s voor de deklaag en kwel.
In hoofdstuk 7 van het OER is een beschrijving opgenomen van het voorkeursalternatief. Om te borgen dat het voorkeursalternatief vergelijkbaar is met de drie onderzochte onderzoeksalternatieven, is in de beschrijving van het voorkeursalternatief de matrix uit hoofdstuk 6 aangevuld met een beeld van het voorkeursalternatief, en is aangegeven welke bouwsteen op welke wijze doorgewerkt heeft in het voorkeursalternatief. De argumentatie hiervoor is opgenomen in de RSZ. Volgend op de RSZ wordt een Uitvoeringsagenda RSZ 2040 opgesteld. Daarin worden diverse nieuwe omgevingsprogramma’s voorgesteld waarin de doelen en opgaven van de omgevingsvisie doorvertaald en uitgewerkt zullen worden. Een van de voor te stellen omgevingsprogramma’s is een programma Kwaliteit van de Leefomgeving. Met dit omgevingsprogramma kan gestuurd worden op de waarde, beleving en toekomst van de ruimtelijke kwaliteit en het belang voor de leefbaarheid gericht op: •
•
Een toekomstbestendige, gezonde en veilige buitenruimte die bijdraagt aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheidsbevordering. Ter bevordering van een gezond bodem- en watersysteem, een diverse natuur voor mens, plant en dier, een aantrekkelijke verblijfsomgeving voor bewegen, spelen en ontmoeten, een passend netwerk voor gezonde mobiliteit en passende ruimte voor onder- en bovengrondse nutsvoorzieningen. Verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving (bouwkwaliteit), o.a. gericht op gebouwspecifieke kwaliteitseisen ten aanzien van beeldkwaliteit, welstand, erfgoed en architectuur, natuurinclusief bouwen, circulair bouwen en het dakenprogramma.
17
•
Verbeteren van het gezonde leefmilieu, o.a. gericht op gezondheidsbescherming, fijnstof en milieuaspecten. Het verplichte omgevingsprogramma ‘actieplan geluid’ valt hier onder.
Binnen het aspect toekomstbestendige, gezonde en veilige buitenruimte kan de aanbeveling van de Commissie meegenomen worden. Net als voor de andere omgevingsprogramma’s zal ook voor dit omgevingsprogramma nader bepaald gaan worden welke indicatoren en data gebruikt zullen worden voor de monitoring als onderdeel van het monitoringsprogramma. Natuur en groen in de stad
In het OER staat helder dat er geen duidelijke, kwantitatieve doelstellingen of waarborgen voor natuur zijn. De effectbeoordeling gaat ervan uit dat de goede intenties op dit vlak ook gerealiseerd worden. Maar ook als het groen in het aaneengesloten groengebied wel groeit, neemt de druk daarop toe door het toenemend aantal inwoners, zoals het OER ook stelt. Wel komt er een verbetering van groene verbindingen en is er een voorgenomen kwaliteitsslag .Het OER en de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer maken duidelijk dat de gemeente deze uitdaging vanuit actuele inzichten in de stadsecologie wil aangaan. Dit is een flinke uitdaging. De Commissie beveelt aan de ambities voor beleefbaar groen en stadsnatuur in programma’s uit te werken en te kwantificeren. Verder verdient de realisatie en kwaliteit van het groen en de stads(rand)natuur/het Ringpark een nadrukkelijke plek in het monitoringprogramma. Dit monitoringprogramma moet ook evaluatiemomenten en bijsturingsmaatregelen bevatten. De planuitwerking van de Entree maakt duidelijk dat gaandeweg een (grotendeels private) herontwikkeling onzekerheid kan ontstaan over de oppervlakte en kwaliteit van de groene ruimte (of onder druk komt te staan).
Volgend op de RSZ wordt een Uitvoeringsagenda RSZ 2040 opgesteld. Daarin worden diverse nieuwe omgevingsprogramma’s voorgesteld waarin de doelen en opgaven van de omgevingsvisie doorvertaald en uitgewerkt zullen worden. Een van de voor te stellen omgevingsprogramma’s is een programma Kwaliteit van de Leefomgeving. Met dit omgevingsprogramma kan gestuurd worden op de waarde, beleving en toekomst van de ruimtelijke kwaliteit en het belang voor de leefbaarheid gericht op: •
•
Een toekomstbestendige, gezonde en veilige buitenruimte die bijdraagt aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheidsbevordering. Ter bevordering van een gezond bodem- en watersysteem, een diverse natuur voor mens, plant en dier, een aantrekkelijke verblijfsomgeving voor bewegen, spelen en ontmoeten, een passend netwerk voor gezonde mobiliteit en passende ruimte voor onder- en bovengrondse nutsvoorzieningen. Verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving (bouwkwaliteit), o.a. gericht op gebouwspecifieke kwaliteitseisen ten aanzien van beeldkwaliteit, welstand, erfgoed en architectuur, natuurinclusief bouwen, circulair bouwen en het dakenprogramma.
18
•
Stikstofemissies naar reeds overbelaste natuur
Circulariteit
De beoordeling van de effecten van extra stikstofemissies op Natura 2000-gebieden is indicatief. Op het niveau van de Ruimtelijke Strategie lijkt met name de realisatiefase kritisch. Daarom is een stikstofberekening uitgevoerd waarin de vraag is beantwoord tot welk bouwprogramma effecten kunnen worden voorkomen. De resultaten zijn mede aanleiding geweest om het bouwprogramma in het VKA te beperken tot 16.000 woningen en circa 140.000 m2 aan bedrijven. Het OER maakt daarbij niet duidelijk: • welk tempo van bouw hierbij is toegestaan; • wat de uitspraak betekent dat ‘stikstofeffecten redelijkerwijs geminimaliseerd worden'. Op het niveau van de Ruimtelijke Strategie kan de Commissie zich vinden in de conclusie dat er voor nu voldoende informatie over de uitvoerbaarheid is. Ze wijst echter op de risico’s dat mogelijk later blijkt dat programma’s toch tot te veel stikstofdeposities kunnen leiden. De resultaten van de berekeningen in het MER voor Entree geven hier aanleiding toe. Dit vraagt daarom bij de verdere uitwerking in programma’s wel blijvend aandacht. De Commissie beveelt aan bij concrete vervolgbesluiten opnieuw berekeningen op basis van concrete gegevens te maken van de stikstofdepositie en daar in de uitwerking rekening mee te houden. Het OER constateert dat in de Ruimtelijke strategie circulariteit niet wordt genoemd.
Het OER komt er op verschillende punten terug, maar maakt het niet concreet. Het vertaalt de ambitie
Verbeteren van het gezonde leefmilieu, o.a. gericht op gezondheidsbescherming, fijnstof en milieuaspecten. Het verplichte omgevingsprogramma ‘actieplan geluid’ valt hier onder.
Net als voor de andere omgevingsprogramma’s zal ook voor dit omgevingsprogramma nader bepaald gaan worden welke indicatoren en data gebruikt zullen worden voor de monitoring als onderdeel van het monitoringsprogramma. In dit adviespunt onderschrijft de Commissie mer de in het OER getrokken conclusie dat op visieniveau geen sprake is van significante effecten. In vervolgprogramma's kan dit alsnog leiden tot stikstofeffecten, zo bewijst het omgevingsprogramma Entree.De gemeente is het eens met de aanbeveling van de Commissie om ook bij deze programma's aandacht te hebben voor negatieve natuureffecten door stikstofdepositie. Dit wordt, conform de natuurwetgeving in relatie tot Natura 2000-gebieden, telkens geadresseerd bij gebiedsontwikkelingen die voortvloeien uit de RSZ. Het risico dat geadresseerd is in de voortoets RSZ verandert hier niet door. Om deze reden leidt dit adviespunt niet tot een wijziging van het omgevingseffectrapport RSZ.
Het beleid rondom circulariteit in Zoetermeer is in de opbouwende fase. Na de zomer zal de raad daarover een beleidsvoorstel behandelen. Dit circulaire beleid gaat wel in op de ruimtelijke randvoorwaarden maar nog
19
niet naar beleid of maatregelen. Wel geeft het OER de terechte aanbeveling om beleid op circulariteit te ontwikkelen. Het geeft daarbij onvoldoende inzicht waarop dit beleid zich kan richten. De Commissie beveelt aan in de programma’s uit te werken hoe de gemeente gaat voldoen aan de landelijke doelstellingen voor circulariteit. Denk hierbij bijvoorbeeld aan: • biobased nieuwbouw; • het stimuleren van natuurlijke isolatiematerialen in de bestaande bouw; • het oprichten van een ‘grondstoffenbank’ voor de sloop/nieuwbouw-projecten; • het los kunnen maken van afzonderlijke componenten uit producten.
niet zover dat circulaire eisen worden gesteld voor bouw en infrastructuur. Kansen op dit vlak worden uiteraard wel benut. Bij een volgende update van de omgevingsvisie zullen nieuwe circulaire ontwikkelingen zoals meervoudig multifunctioneel ruimtegebruik van bestaande bouw en infrastructuur worden meegenomen. Waar dat aan de orde is en kan, zal het beleid rondom circulariteit nadere uitwerking krijgen in (nieuw op te stellen) omgevingsprogramma’s. Circulair bouwen of biobased nieuwbouw kan goed meegenomen worden in het programma Kwaliteit van de Leefomgeving (verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving). Voor onze bedrijventerreinen geldt dat er weinig tot geen vernieuwing of uitbreiding plaats zal vinden in de komende jaren. Wel houden we ontwikkelingen qua bedrijfsvestiging alsmede ontwikkelingen in de buitenruimte in het oog voor circulaire kansen zoals bijvoorbeeld bouwmaterialen hubs. Recycling van grondstofstromen op bedrijfsterreinen is uitdrukkelijk bij ons in beeld. Bestaande regionale contacten worden in toenemende mate benut voor samenwerking op het circulaire vlak. Dat zal in de nabije toekomst alleen maar verder toenemen. Zoetermeer heeft het Convenant Toekomstbestendig Bouwen ondertekend en daarmee komen natuur inclusief en circulair bouwen (o.a. “oogsten van restmateriaal”) nadrukkelijker in beeld.
De gemeente vervult een actieve rol als partner in het stimuleren en faciliteren van circulaire innovaties en de ontwikkeling van een markt voor circulaire oplossingen.
Monitoring
De voorspelde effecten en doelbereik hebben een grote bandbreedte en veel onzekerheden. Daarnaast zal de Ruimtelijke Strategie worden uitgewerkt in verschillende programma’s. Het is belangrijk de samenhang tussen de programma’s en de Ruimtelijke Strategie in beeld te houden.
Volgend op de RSZ wordt een Uitvoeringsagenda RSZ 2040 opgesteld. Daarin worden diverse nieuwe omgevingsprogramma’s voorgesteld waarin de doelen en opgaven van de omgevingsvisie doorvertaald en uitgewerkt zullen worden. Onderdeel daarvan zal zijn om ook (op stadsniveau) het bijbehorende instrumentarium en monitoring te organiseren in een breder monitoringsprogramma.
20
Daarom beveelt de Commissie aan om een gedegen monitoringprogramma op te zetten. Geef hierin aan hoe wordt gevolgd of de ontwikkeling van individuele programma’s binnen het kader van het de Ruimtelijke Strategie blijft passen. Beschrijf de mogelijkheden om bij te sturen als daar aanleiding voor is.
Voor de afzonderlijke omgevingsprogramma’s wordt bepaald welke indicatoren en data gebruikt zullen worden voor de monitoring als onderdeel van het monitoringsprogramma voor de gehele stad.
21