Bijlage 5 - Q en A procesvragen RES
Tekst van het document
Q&A Raadsleden RES 1.0 1. Q: Wat als een gemeente besluit niet in te stemmen? Wat gebeurt er dan? A: De RES vloeit voort uit het Klimaatakkoord, waarmee alle organisaties in onze regio hebben ingestemd. Met de publieke partijen in een regio is gewerkt aan de totstandkoming van de RES. Wat er ligt is dus onder regie en met input vanuit de partijen tot stand gekomen. Het kan zijn dat er op delen of het geheel geen gelijkluidende besluitvorming plaatsvindt. Dat is dan aanleiding voor een bestuurlijk gesprek in de regio om tot een oplossing te komen die recht doet aan ieders belangen in de regio alsook de gezamenlijke ambities, al dan niet voortvloeiend uit de instemming met het Klimaatakkoord. Hiermee is het niet vrijblijvend. Ook weegt mee dat de inzichten die reeds gegeven zijn via verschillende processen zoals de wensen en bedenkingen zijn opgenomen in de RES zoals deze er ligt. Uiteraard staan de onderdelen die op brede steun kunnen rekenen niet ter discussie. 2. Q: Wensen en bedenkingen: Hoe zijn de conceptantwoorden tot stand gekomen en hoe leidt dat tot een passende verwerking in de RES 1.0? A: Er zijn zo’n 400-tal wensen en bedenkingen ingestuurd. Het proces verliep als volgt: ten eerste hebben ze gewogen vanuit de inhoud; in hoeverre is het in lijn met het perspectief dat we in de Concept-RES hebben geformuleerd en of het matcht met het Energieperspectief 2050.
We hebben gekeken welke van deze wensen en bedenkingen passend zijn, conform de bestaande lijn. Dat kan neerkomen op een verdieping, verbreding of nuancering. Deze zijn opgenomen in de verwerking van de RES zonder verdere bespreking. Er zijn ook wensen en bedenkingen die niet in die koers passen. Dan heb je een aantal mogelijkheden: 1. De wens of bedenking is een ontzettende goede vondst. Dan nemen we het mee. 2. Het is niet uitvoerbaar. Dan is dit aangegeven in de beantwoording. 3. Het is buiten scope van de RES. Zoals bijvoorbeeld mobiliteit of kernenergie. Kernenergie maakt op dit moment geen onderdeel uit van de scope, echter, kernenergie maakt wel onderdeel uit van het energiesysteem. Daarmee maakt het indirect onderdeel uit van onze opdracht, alleen steken we er nu geen energie in tot er (op landelijk niveau) wordt aangestuurd op kernenergie. 4. Het past niet in bovenstaande. De wensen en bedenkingen die in deze laatste categorie vallen zijn aanleiding van bestuurlijk gesprek geweest. O.a. het Bestuurlijk Netwerk Energie van 10 december. Overall is bovenstaande de structuur die we hebben gehanteerd. Daarmee behoren vergelijkbare wensen en bedenkingen een vergelijkbaar antwoord te hebben gekregen. 3.
Q: Hoe zit het met de landelijke opgave en hoe verhoudt dit zich tot de regionale inzet? A: In het Klimaatakkoord wordt (o.a.) de doelstelling 35 TWh grootschalige opwek van duurzame elektriciteit op land geformuleerd. Daar komt de doelstelling van 49 TWh op zee bij, waar het Rijk zelf de regie in heeft. In het Klimaatakkoord is bovendien aangegeven dat de doelstelling voor opwek op land via een regionaal proces, van
onderaf, moet ontstaan. Het Rijk heeft daarmee besloten niet op voorhand de 35 TWh te verdelen onder de regio’s. De 30 regio’s verschillen onderling. Onze regio, energieregio Rotterdam Den Haag, is een grote regio met 23 gemeenten als buitengrens, maar er zijn ook regio’s met 1 gemeente zoals Hoeksche Waard. Er zijn stedelijke regio’s zoals de onze en meer landelijke. De verschillen zijn dus groot. Er is geen eenduidige verdeelsystematiek geformuleerd. De regio zelf is aan zet, om van onderaf te bepalen welke bijdrage ze willen leveren aan die 35 TWh. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een heeft een optelsom van alle regio’s gemaakt, deze komt boven de 35. Zij hebben risicofactoren meegenomen. Er is dus een bottom-up proces geweest in al die regio’s. Dit proces heeft ertoe geleid dat onze regio een bod heeft geformuleerd van 2.8 – 3.2 TWh. Dit is gebaseerd op de ruimtelijke kansen die er in onze regio zijn en niet op onze eigen energievraag. Want, als we het vanuit onze energievraag zouden insteken, dan komen we uit op een veel groter bod, wat niet ruimtelijk inpasbaar is. Dit levert een onrealistische doelstelling op, omdat het belangrijk is om de landschappelijke kwaliteit mee te laten tellen. Gezien het stedelijke karakter van onze regio zetten we bijv. veel in op grootschalige (en kleinschalige) zon op daken. 4.
Q: Besluitvorming op lokaal niveau: wie is er bepalend? A: De regio zelf heeft geen mandaat, het is geen ruimtelijke plannenmaker. Wel zijn we een samenwerkingsorganisatie van de partijen die met elkaar een ambitie formuleren. De 23 gemeenten, 4 waterschappen en provincie staan achter die ambitie en dus ook achter de consequenties ervan (om die uiteindelijk te vertalen naar beleid en lokale plannen). Stel, uw raad stelt de RES vast, dan staat u dus ook gezamenlijk met alle andere 27 partijen achter die ambitie en is het een zoektocht hoe die in te passen in uw (ruimtelijk) beleid en plannen. En hoe, daar gaat het regionale proces niet over maar de partijen zelf. Dat kan betekenen dat dingen onmogelijk blijken te zijn als er geen steun voor wordt gevonden, maar dat kan ook betekenen dat er meer gebeurt, want daar is wel de steun voor. U maakt bovendien een integrale afweging, Wij als regio kunnen dit nooit doen, want wij hebben een smallere focus (energie red.) dan u als raad, waar u alle afwegingen meeneemt in uw keuzes. 5. Q: Hoe vertaalt de 2.8 – 3.2 TWh bandbreedte zich over de regio? A: Met het vaststellen van de RES scharen partijen zich gezamenlijk achter de ambitie van de regio als geheel. Iedere partij zal daaraan een bijdrage leveren die passend is bij de (ruimtelijke) kansen die er zijn.
De verdeling hangt dus niet samen met inwoneraantallen, oppervlakten of energieverbruik. De ambitie is opgebouwd vanuit het perspectief dat de ruimtelijke kwaliteit leidend is en daarna toetsen we op haalbaarheid. Een onderverdeling kan de RES-regio niet voorschrijven. We kunnen geen verdeling maken en partijen daaraan verplichten. Want als er een locatie afvalt, en er zijn geen mogelijkheden dit binnen b.v. een gemeente te compenseren, zou het een irreële vraag / eis zijn daar toch aan vast te houden. In zo’n geval wordt dit naar de regionale tafel gebracht om te bespreken. Dan wordt er opnieuw binnen de zoekgebieden naar mogelijkheden gekeken. Dat brengt met zich mee dat ontwikkellocaties écht serieus moeten worden bekeken en afvallen een laatste optie is.
6. Q: Hoe gaan we om met financiering en regulering van wind- en zonprojecten? A: Bij wind- en zonprojecten, die ingrijpen op de directe leefomgeving, wordt er gestreefd naar 50% financiële participatie (lokaal eigendom) van de omgeving in dit soort projecten. Op die manier kun je de gelden namelijk laten terugvloeien naar de omwonenden en niet naar b.v. buitenlandse investeerders. Op dat moment profiteren omwonenden met de duurzame projecten mee en heeft dit invloed op het lokale draagvlak. Hier zit nog echter nog werk in om dit verder uit te werken. Het streven van 50% lokaal eigendom is in het Klimaatakkoord omschreven. Lokaal bestuur kan hier al wel op inspelen door beleid te formuleren en daar dus een rol in te spelen. Hier zijn al goede voorbeelden van maar er is ook nog nadere uitwerking nodig om dit beter te borgen. 7. Q: Stel, de regio haalt het bod van 2,8 – 3,2 TWh niet, wat gebeurt er dan vanuit landelijk perspectief? A: Het RES-proces is iteratief; elke 2 jaar verschijnt een actualisatie. Alle dertig energieregio’s vullen elk hun bod regionaal in; PBL telt dit op en bekijkt of hiermee de totaaldoelstelling die het Rijk heeft gesteld daadwerkelijk wordt behaald. Het stopt ook niet in 2030, er komt nog een fase achteraan tot 2050, Dan is het doel een vrijwel CO2 vrije energievoorziening.
Op het moment dat de conclusie is, zoals nu, we redden het, dan kunnen we de projecten in redelijke luwte ontwikkelen. Redden we het niet omdat de optelsom van het PBL leidt tot een lager geheel, dan moet er gezocht worden naar een oplossing. Dat vormt een aanleiding om met verschillende regio’s onder regie van de decentrale overheden (VNG, IPO, waterschappen), het gesprek te voeren over bijvoorbeeld een andere verdeelsleutel. Dat wordt op dit moment niet gedaan omdat het totaalbeeld volgens berekeningen van het PBL laten zien dat de totaalopgave wordt gehaald. We kunnen ons wel voorstellen dat dat in de tijd, met een RES 2.0, een RES 3.0 of verder kan gaan spelen. Een systematiek daarvoor is er nu nog niet.