Bijlage 4 - Nota beantwoording zienswijzen NRD en detailniveau Ruimtelijke strategie
Tekst van het document
Nota van beantwoording zienswijzen Notitie Reikwijdte en Detailniveau Ruimtelijke Strategie Zoetermeer
Gemeente Zoetermeer
1.
Inleiding
Op 27 augustus heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer vastgesteld. De NRD heeft vanaf vrijdag 6 september tot en met donderdag 17 oktober 2024 ter inzage gelegen. Hiervan is op de gebruikelijke wijze kennisgegeven door een publicatie in het Gemeenteblad (Overheid.nl) van 5 september 2024 en een verwijzing in het Streekblad Zoetermeer. Daarnaast is de publicatie op de gemeentelijke website geplaatst. De duur van deze periode voor het indienen van zienswijzen is wettelijk bepaald op zes weken. De NRD vormde de eerste stap in de mer-procedure voor de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer. In de NRD is beschreven hoe de mer-procedure voor de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer er uitziet, wat er in het Omgevingseffectrapport (OER) onderzocht wordt (de reikwijdte) en op welke wijze dit gebeurt (het detailniveau). Er zijn in totaal 8 zienswijzen ingediend. De gemeente spreekt haar dank en waardering uit naar de organisaties en overheden die gedurende de zienswijzeperiode een reactie hebben ingediend op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. In hoofdstuk 2 zijn de zienswijzen samengevat weergegeven in een tabel. Per onderdeel is de zienswijze beantwoord, waarbij is aangegeven op welke wijze deze betrokken is bij het opstellen van het OER.
Een deel van de zienswijzen vraagt vooral om inhoudelijke behandeling van een onderwerp in de Ruimtelijke Strategie zelf, en niet direct een aanpassing van de beoordelingen van de alternatieven in het OER. Deze zienswijzen hebben dan ook niet geleid tot een inhoudelijke verandering in het OER. Ook richt een aantal zienswijzen zich op onderwerpen of aspecten die bij de uitvoering van de Ruimtelijke Strategie aan de orde zullen komen. De gemeente gaat graag het gesprek aan met de indieners van deze zienswijzen over de wijze waarop hun reactie betrokken kan worden bij de verdere uitvoering van de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer.
2.
Samenvatting en beantwoording zienswijzen
INHOUD ZIENSWIJZE
BEANTWOORDING
1.1
Indiener verzoekt de gemeente om op een passende wijze rekening te (blijven) houden met de aanwezigheid van de bestaande vitale infrastructuur (de 380 kV bovengrondse hoogspanningsverbinding Wateringen-Bleiswijk, 150 kV ondergrondse hoogspanningsverbinding Zoetermeer-Leiden en het 150 kV station Zoetermeer) in de Ruimtelijk Strategie Zoetermeer en eventuele doorwerking naar een Omgevingsplan. Indiener wenst deze bestaande assets op een juiste manier planologisch te borgen en te behouden ten behoeve van de leveringszekerheid.
De gemeente respecteert de bestaande hoofdinfrastructuur van indiener, welke in het omgevingsplan ook reeds is geborgd. Met de groei van de stad neemt de druk op het net toe en houden we rekening met de extra ruimtevraag.
1.2
In paragraaf 4.1 van de NRD ziet indiener graag een beoordelingskader toegevoegd worden, waarbij de impact op het hoogspanningsnetwerk (ondergrondse/bovengrondse verbindingen en stations vanaf 110 kV) wordt afgewogen.
De gemeente onderschrijft het belang van een goede inpassing van de hoogspanningsinfrastructuur. In het Omgevingseffectrapport (OER) is een beoordeling voorzien voor de wijze waarop de
Zienswijze 1:
Indiener geeft aan dat met name bij de relatief grootschalige hoogspanningsinfrastructuur het waardevol zijn om het bestaande en eventuele toekomstige ruimtebeslag op te nemen.
1.3
Indiener wijst erop dat met het oog op de energietransitie er de komende jaren diverse netuitbreidingen/wijzigingen kunnen gaan plaatsvinden en vanwege de klimaatadaptatie er wellicht aanpassingen aan het net noodzakelijk zullen zijn, waarvoor ruimte nodig is. Indiener verwijst naar het Investeringsplan (IP) 2024-2033 van TenneT waarin de toekomstige ontwikkelingen opgenomen staan voor Nederland. Om toekomstige ontwikkelingen zo snel mogelijk uit te kunnen voeren, acht indiener het gewenst om dit ruimtebeslag op te nemen c.q. te vermelden in de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer.
1.4
Indiener vraagt aanvullende aandacht voor de ‘Staalkaart Tennet’. De staalkaart betreft een handreiking om gemeentelijke ambities in samenhang met ambities op het gebied van energievoorzieningen bij elkaar te brengen in het Omgevingsplan. Indiener nodigt de gemeente uit om gebruik te maken van de Staalkaart bij het opstellen van een Omgevingsplan en samen met de gemeente mee te denken in het op duurzame wijze opnemen van het hoogspanningsnet in Omgevingsplannen.
te onderzoeken alternatieven (en de ontwerp RSZ) interfereren met aanwezige hoogspanningsverbindingen. Dit valt onder het Thema “energie & grondstoffen”. Bij de uitwerking van dit thema worden bestaande en eventuele toekomstige hoogspanningsverbindingen toegevoegd. Daarnaast worden in de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer stappen geformuleerd om samen met stakeholders betere regie op de ondergrond te voeren en vroegtijdig af te stemmen. De gemeente is zich ervan bewust dat er de komende jaren diverse netuitbreidingen/ wijzigingen kunnen gaan plaatsvinden. De gemeente zal kennisnemen van het Investeringsplan. De ondergrond en het energienetwerk worden als onderwerpen meegenomen in de Ruimtelijke Strategie.
De gemeente dankt indiener voor het attenderen op de Staalkaart. De Staalkaart zal bij de doorwerking van de omgevingsvisie in het omgevingsplan verdere uitwerking kunnen vinden. De gemeente waardeert de constructieve opstelling en maakt graag gebruik van de expertise van indiener om mee te denken in het op duurzame wijze opnemen van het hoogspanningsnet in het Omgevingsplan.
Zienswijze 2: 2.1
Indiener kan zich vinden in de aanpak om in het MER duidelijk te maken wat de bestaande waarden in het plangebied zijn op de verschillende milieuaspecten, waaronder cultuurhistorie. Maar indiener is verbaasd om geen uitwerking te zien van de grondslagen van de beoordelingen voor de verschillende thema’s, waaronder cultuurhistorie.
De gemeente is blij met de uitgesproken ondersteuning van de aanpak. De grondslag voor de beoordeling wordt nader uitgewerkt in het Omgevingseffectrapport (OER). De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) bevat de onderzoeksaanpak voor de thema’s, maar bevat (mede gelet op het nog niet duidelijk zijn van de onderzoeksalternatieven) nog geen grondslag voor de beoordeling. Die informatie wordt in het kader van het OER-traject opgesteld en aangeleverd voor besluitvorming. Voor de gemeente staat buiten kijf dat cultureel erfgoed één van de aspecten is die getoetst worden in het OER.
2.2
Indiener geeft een opsomming geldend beleid, rapporten en inventarisaties die tezamen de cultuurhistorische waardenkaart van Zoetermeer vormen. Indiener acht het van belang dat de cultuurhistorische waardenkaart bij de weergave van de bestaande toestand (‘leefomgevingsfoto’) expliciet een van de onderleggers zou moeten zijn.
De door indiener genoemde bronnen zijn zeer relevante bronnen die een goed beeld geven van het ‘historisch kapitaal’ van de Gemeente Zoetermeer. De gemeente deelt de mening dat de cultuurhistorische waardenkaart een expliciete onderlegger is voor de beschrijving van de huidige staat van de omgeving (de leefomgevingsfoto).
2.3
Indiener is van mening dat de onderzoeksalternatieven beoordeeld moeten worden op hun gevolgen voor de geïdentificeerde cultuurhistorische waarden van objecten en gebieden. Indiener wijst erop dat zo’n beoordeling noodzakelijk is als de Ruimtelijke Strategie wordt gebruikt als basis voor het beoordelen van aanvragen voor omgevingsvergunningen en voor gemeentelijke initiatieven.
Indiener geeft een correcte weergave van het onderzoeksproces. In de NRD genoemde ‘fase 2’ (“Het bepalen van effecten en doelbereik van de integrale onderzoeksalternatieven.”) is de fase waarin het onderzoeksbureau de gevolgen van elk onderzoeksalternatief beoordeelt met behulp van de thema’s van het beoordelingskader. Dit betekent dat in het OER de gevolgen voor het cultureel erfgoed van de gemeente beschreven worden. Dit gebeurt wel globaal en op het abstractieniveau van de Ruimtelijke Strategie en Zoetermeer als geheel en gericht op aandachtspunten voor afwegingen en keuzes in de Ruimtelijke Strategie.
Zienswijze 3: 3.1
Indiener geeft aan graag bij te dragen aan een integrale samenhangende beoordeling van de effecten van de keuzes die worden gemaakt in het omgevingsbeleid in Zoetermeer. Indiener vindt het positief dat er in de Ruimtelijke Strategie én in deze NRD voor is gekozen de gezonde stad een centrale plek te geven en dat er nadrukkelijk is nagedacht hoe gezondheid goed te borgen in deze fase van het proces.
De gemeente waardeert de positieve reactie van indiener en gaat graag het gesprek aan met indiener over de inzet van haar expertise bij de uitwerking richting het omgevingsbeleid.
3.2
Indiener acht het van groot belang om gezondheid in de NRD en in het vervolgproces op een aantal punten scherp te formuleren. Om gezondheid goed te borgen in de beoordeling van de onderzoeksalternatieven adviseert indiener diverse punten aan het beoordelingskader in paragraaf 4.1 van de NRD toe te voegen en aan te passen Onder de punten 3.3 t/m 3.10 wordt de zienswijze m.b.t. deze punten toegelicht.
Verwezen wordt naar de beantwoording bij de punten 3.3 t/m 3.10
3.3
Indiener vindt het belangrijk dat het verkleinen van gezondheidsverschillen op een goede manier in het ruimtelijke planproces wordt opgenomen – door het toepassen van health in and for all policies. Een mogelijkheid om dit te realiseren is volgens indiener door ongelijk te investeren voor gelijke kansen. Indiener adviseert om 'ongelijk investeren voor gelijke kansen' een integraal
De gemeente onderschrijft het belang van het verkleinen van gezondheidsverschillen en dat daarvoor aandacht is in het ruimtelijke planproces. De gemeente zal het advies van indiener betrekken bij de totstandkoming van de Ruimtelijke Strategie. In de Ruimtelijke Strategie zal nadrukkelijk aandacht zijn voor de samenhang tussen
onderdeel te maken van alle thema's, net als gezonde stad.
gezondheid en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan het belang van gezonde en veilige routes en plekken om beweging en ontmoeting te stimuleren, vergroening om hittestress tegen te gaan en de ‘juiste functie op de juiste plek’ en klimaatadaptatie om negatieve invloeden op de gezondheid te beperken.
3.4
Voor het thema verkeer en vervoer adviseert indiener ruimtelijke plannen in te richten op basis van het STOMP-principe, daarin een extra uitsplitsing op te nemen naar elektrisch en fossiel personenvervoer, en dit op te nemen in de wijze van beoordelen van de onderzoeksalternatieven.
Indiener noemt een belangrijk principe om ervoor te zorgen dat gebieden in de stad bereikbaar en leefbaar blijven. In de Ruimtelijke Strategie zal nadrukkelijk aandacht worden gegeven aan meer duurzame vormen van mobiliteit (lopen, fietsen en ov) en minder prioriteit aan minder duurzame mobiliteitsvormen (zoals de auto). Gelet op het abstractieniveau van de onderzoeksalternatieven is het echter niet doelmatig om deze als (afzonderlijk) principe, met een extra uitsplitsing in het OER op te nemen.
3.5
Voor het thema Gezond en milieu gaat indiener aan de hand van de berekeningsresultaten van luchtkwaliteit en geluid graag in overleg met de onderzoekers om te bepalen met welke methode het beste de gezondheidseffecten in beeld kunnen worden gebracht. Indiener adviseert daarnaast om trillingen apart op te nemen als aspect.
Allereerst dient opgemerkt te worden dat de NRD niet veronderstelt dat er luchtkwaliteitsen geluidsberekeningen uitgevoerd gaan worden als onderdeel van het OER. Gelet op het verwachte detailniveau van de Ruimtelijke Strategie is het ook niet mogelijk of doelmatig om te komen tot berekeningen van de te verwachten geluidseffecten. Wel wordt een kwalitatief oordeel geveld over het verwachte woon- en leefklimaat, op basis van de te verwachten luchtkwaliteitsveranderingen en veranderingen in aantal geluidgehinderden. Voor het aspect trillingen geldt dat dit kwalitatief beschouwd zal worden in het OER, onder het aspect ‘geluid’, omdat het sterke samenhang met dit aspect heeft.
3.6
3.7
Voor het thema Gezondheidsbevordering adviseert indiener om in de onderzoeksalternatieven rekening te houden met de behoefte van verschillende doelgroepen aan verschillende vormen van bewegen en sport. Indiener pleit ervoor om ook ‘spelen’ als aspect ‘sporten en bewegen’ op te nemen. Indieners adviseert om het aspect openbare ruimte uit te splitsen naar de thema’s rookvrij, ontmoeten, eenzaamheid, voedselomgeving, valpreventie en mentale gezondheid.
De onderzoeksalternatieven bevatten geen concrete (kwantitatieve) gegevens over de door indiener genoemde thema’s. De gevolgen van deze alternatieven voor dit thema worden wel in het OER in beeld gebracht. Deze gevolgen worden beschreven onder het aspect ‘sporten en bewegen’. Spelen is daar een logisch onderdeel van.
Indiener wijst op langere blootstelling aan UVstraling en bijbehorende gezondheidsrisico’s als één van de effecten van het veranderend klimaat.
Indiener benoemt belangrijke thema’s voor de bescherming van de gezondheid van onze inwoners. Deze zal de gemeente dan ook
Het aspect openbare ruimte wordt in het OER wat meer in algemene termen toegespitst op de door indiener genoemde thema’s.
Daarnaast is indiener van mening dat klimaatrechtvaardigheid een categorie van ‘ongelijk investeren voor gelijke kansen’ is en daarmee een methode voor het verkleinen van de gezondheidsverschillen. Indiener adviseert om UV-straling en klimaatrechtvaardigheid expliciet als aspecten op te nemen onder het thema klimaatadaptatie.
betrekken bij de totstandkoming van de Ruimtelijke Strategie. Het is echter niet doelmatig deze als los beoordelingscriterium in het OER op te nemen. Deze aanbevelingen zullen echter wel in het OER opgenomen worden.
Voor het thema Natuur adviseert indiener om de groene woonomgeving te specificeren naar ‘goede verhouding gebruik- en kijkgroen op maaiveldniveau’.
In het OER is aandacht voor de verschillende
3.9
Indiener refereert aan de ambitie uit de omgevingsvisie om Zoetermeer te ontwikkelen naar een duurzame stad tussen de parken en er veel groen en water in de gemeente komt. Indiener wijst erop dat groen en blauw allergenen kan bevatten en insecten kan aantrekken die voor infectieziekten zorgen. Indiener adviseert om infectieziektepreventie als aspect toe te voegen bij het thema Bodem, water en ondergrond.
Infectieziektepreventie kan, zoals terecht gesteld door indiener, bemoeilijkt worden door een groene inrichting van de stad. In het OER zal op verzoek van indiener hierbij stilgestaan worden, maar er is geen aanleiding om dit als losse indicator op te nemen in het beoordelingskader. Dit voorkomt een te omvangrijk beoordelingskader.
3.10
Voor het thema Wonen- en voorzieningen adviseert indiener om rekening te houden met de demografische prognoses voor de gemeente Zoetermeer, zoals een sterke vergrijzing. Indiener is van mening dat dit vraagt om een passend aanbod. Daarnaast adviseert indiener om de kwaliteit van woningen mee te nemen als aspect. Indiener geeft aan dat hierbij gedacht kan worden aan binnenmilieu, isolatiewaarde, voorkomen van hitte en koude, ventilatiewaarden, voorkomen van vocht en schimmel.
In het OER worden effecten afgezet tegen de referentiesituatie 2040. Hierin wordt rekening gehouden met demografische groei, maar ook met bredere demografische veranderingen in de stad (waaronder vergrijzing). Vanuit het OER zullen aanbevelingen gedaan worden die vragen om een beleidsuitgangspunt in de Ruimtelijke Strategie. Naast kwantiteit is de kwaliteit inderdaad een belangrijk uitgangspunt voor een evenwichtige groei van de stad.
3.11
Indiener geeft aan graag bij te dragen aan de uitwerking van de onderzoeksalternatieven en het verder invullen van de beoordelingscriteria. En indiener geeft aan graag betrokken te blijven bij het beoordelen van de verschillende alternatieven aan de hand van deze criteria.
Het proces van de Ruimtelijke Strategie verloopt op enkele punten anders dan in de NRD is verondersteld. Eén van deze punten is het validatieproces dat de gemeente in de NRD voorgesteld heeft. Gelet op de vlotte doorloop van de Ruimtelijke Strategie en OER is het niet doelmatig gebleken om de effectbeoordelingen te valideren met externe partijen. Validatie wordt nu door middel van toetsing door de Commissie mer en validatie door terinzagelegging bij de ketenpartners georganiseerd. De gemeente waardeert uw bereidheid tot het leveren van input en het toetsen van het OER, en ziet daar tijdens de inzageperiode in het 2e kwartaal van 2025 een rol voor u.
3.8
kwaliteiten van de groenvoorzieningen binnen de stad. Daarin is het door de indiener gemaakte onderscheid relevant.
Zienswijze 4: 4.1
Indiener denkt graag mee bij de beoordeling van de aspecten uit het beoordelingskader en heeft aangegeven bij diverse punten betrokken te worden. Onder de punten 4.2 t/m 4.5 wordt de zienswijze m.b.t. deze punten toegelicht
De gemeente waardeert de constructieve opstelling van indiener en ziet de meerwaarde van samenwerking. Het proces van de Ruimtelijke Strategie verloopt op enkele punten echter anders dan in de NRD is verondersteld. Eén van deze punten is het validatieproces dat de gemeente in de NRD voorgesteld heeft. Gelet op de vlotte doorloop van de Ruimtelijke Strategie en OER is het niet doelmatig gebleken om de effectbeoordelingen te valideren met externe partijen. Validatie wordt nu door middel van toetsing door de Commissie mer en validatie door terinzagelegging bij de ketenpartners georganiseerd. De gemeente waardeert uw bereidheid tot het leveren van input en het toetsen van het OER, en ziet daar tijdens de inzageperiode in het 2e kwartaal van 2025 een rol voor u.
4.2
Indiener constateert dat het beoordelingskader niet specifiek ingaat op verdichting. Indiener geeft aan dat wanneer ervoor wordt gekozen om in bepaalde gebieden te verdichten de dichtheid van bebouwing en de personendichtheid in deze gebieden toenemen, waardoor eventuele incidenten, zowel in de omgeving als in de gebouwen zelf, omvangrijke gevolgen kunnen hebben. Indiener adviseert om bij verdichting, functiemenging en meervoudig ruimtegebruik aandacht te geven aan: brandveiligheid en constructieve veiligheid van gebouwen een weloverwogen inrichting van de openbare ruimte en een inrichting die bijdraagt aan snelle en effectieve hulpverlening
Het klopt dat verdichting niet in het beoordelingskader opgenomen is, maar dat heeft er vooral mee te maken dat verdichting een oorzaak is, en omgevingsveiligheid (zoals wel opgenomen in het beoordelingskader) een gevolg is. In het beoordelingskader zijn alleen gevolgen (“effecten”) opgenomen.
Indiener wijst op de gevolgen van klimaatverandering en het effect daarvan op de veiligheid binnen de fysieke leefomgeving. Indiener vraagt onder meer aandacht voor de bereikbaarheid voor de hulpdiensten bij wateroverlast, natuurbranden, vitale infrastructuur, kwetsbare objecten, het voorkomen van opslag van warmte in de omgeving (verstenen) en drainage van neerslag. Vanuit gezondheidsperspectief ziet indiener, als het om wonen gaat, winst dat er winst behaald kan worden door bij inrichting van woongebieden rekening te houden met hogere buitentemperaturen en neerslaghoeveelheden. En dat opvang en berging van regenwater bij extreme regenval kansen biedt om tegelijkertijd te dienen
De gemeente neemt dankbaar notie van de aandachtspunten die door indiener worden genoemd. De zienswijze richt zich niet zozeer op de onderzoeksaanpak in het OER, maar geeft vooral algemene aandachtspunten vanuit veiligheid en gezondheid voor de Ruimtelijke Strategie/omgevingsvisie en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het OER wordt aandacht besteed aan diverse externe veiligheidsaspecten. Dit gebeurt wel globaal en op het abstractieniveau van de Ruimtelijke Strategie en Zoetermeer als geheel en gericht op aandachtspunten voor afwegingen en keuzes in de Omgevingsvisie Ruimtelijke Strategie. Er worden geen concrete locaties onderzocht en geen specifieke
4.3
In het OER wordt wel aandacht besteed aan de door indiener gevraagde onderwerpen, passend bij het detailniveau van de ruimtelijke strategie. De door indiener veronderstelde gevolgen worden benoemd in de effectbeschrijvingen.
als bron voor bluswatervoorzieningen voor de brandweer.
berekeningen of doorrekening op het gebied van externe veiligheid. Dit komt vooral op plan- of vergunningenniveau aan de orde.
4.4
Indiener wijst erop dat de energietransitie veiligheidsrisico’s van nieuwe energiebronnen met zich meebrengt die nog grotendeels onbekend zijn. Zij noemt als voorbeeld zonnepanelen, waterstof(stations), geothermie, biomassa, windturbines, elektrische auto’s en lithium-ion batterijen (en batterijopslagen). Indiener geeft aan dat initiatieven met deze energiebronnen steeds vaker voorkomen in de regio en er nog nauwelijks wet- en regelgeving op dit gebied bestaat. En als gevolg hiervan de risico’s niet gereguleerd en beperkt worden door bestaande wet- en regelgeving.
Ook hier neemt de gemeente dankbaar notie van de aandachtspunten die door indiener worden genoemd. Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie onder 4.3.
4.5
Indiener wijst erop dat de methodiek van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is veranderd in aangewezen aandachtsgebieden en voorschriftengebieden. Deze nieuwe methodiek heeft verschillende effecten die van invloed zijn op het toekomstige omgevingsplan en ontwikkelmogelijkheden. Indiener acht het van belang dat vanwege de aanwezigheid van de verschillende risicobronnen in Zoetermeer in de NRD rekening wordt gehouden met de nieuwe methodiek van de Omgevingswet op het gebied van omgevingsveiligheid. Indiener geeft aan graag mee te denken over de uitwerking van het aspect omgevingsveiligheid.
De opstellers van het OER zijn zich bewust van de veranderingen in de regelgeving ten aanzien van omgevingsveiligheid. In het OER zal een reflectie gegeven worden op aandachtsgebieden en voorschriftengebieden zoals benoemd in de Omgevingswet. De gemeente waardeert de constructieve opstelling van indiener en maakt graag gebruik van het aanbod van indiener om mee te denken bij de uitwerking van het aspect omgevingsveiligheid. De gemeente zal hierover afstemming zoeken met indiener.
Zienswijze 5: 5.1
Indiener wijst op de kamerbrief over “Water en Bodem Sturend” van 25 november 2022. Indiener acht het van belang om water en bodem expliciet mee te nemen en verzoekt de gemeente om uitgangspunten en structurerende keuzes uit de genoemde brief in de NRD te verwerken. Door deze onderwerpen vroegtijdig en integraal op visie-niveau mee te nemen, verwacht indiener dat de kans op een prettige en toekomstbestendige leefomgeving groeit.
De kamerbrief “Water en Bodem Sturend” is bij de gemeente Zoetermeer bekend en vormt een belangrijk uitgangspunt voor de Ruimtelijke Strategie. Op twee manieren wordt rekening gehouden met deze kamerbrief: 1.
2.
In het OER wordt voorzien in een ‘systeemanalyse water en bodem’, op basis waarvan aanbevelingen gedaan worden voor de ruimtelijke strategie. In de Ruimtelijke Strategie worden maatregelen voorgesteld die moeten zorgen voor een klimaatbestendige en natuurinclusieve stad, zodat deze op langere termijn leefbaar en aantrekkelijk blijft voor mens en dier. Eén daarvan is om water, bodem en biodiversiteit sturend te maken bij de bouwopgave door
klimaatadaptief te bouwen en bij herinrichting in de stad meer rekening te houden met deze aspecten. 5.2
Waarbij de Ruimtelijke Strategie Zoetermeer een doorkijk heeft tot het jaar 2040 mist indiener in de NRD een peildatum voor de boordeling. Indiener wijst erop dat voor water- en klimaatgerelateerde aspecten het effect van ruimtelijke ingrepen veel langduriger zijn dan bijvoorbeeld 2040. Indiener adviseert de gemeente, waar zinvol, tevens een zichtperiode tot het jaar 2100 op te nemen.
In het MER wordt uitgegaan van een referentiesituatie met als peiljaar 2040. Dit is gekoppeld aan het zichtjaar van de ruimtelijke strategie. Voor een aantal thema’s (bijvoorbeeld het overstromingsrisico) is een langere termijn doorkijk tot bijvoorbeeld 2100 veel relevanter. Daar waar aan de orde wordt dit in het OER benoemd.
5.3
Indiener wijst op de ‘Handreiking weging van het waterbelang voor gemeenten’ en verzoekt de gemeente om de volgende (water)thema’s daaruit aan het beoordelingskader toe te voegen:
De weging van het waterbelang is een verplicht onderdeel van projecten die voortvloeien uit de Ruimtelijke Strategie. Dat maakt het relevant om in de ruimtelijke strategie (en het OER daarbij) ook al stil te staan bij de door indiener genoemde aspecten. De aspecten zijn echter reeds voorzien in het beoordelingskader dat in de NRD opgenomen is. Expliciet geldt dit voor de onderdelen hoogwaterveiligheid, wateroverlast, grondwater, ecologie en klimaatadaptatie. Impliciet worden ook de andere aspecten (zoetwater, onderhoud en afvalwater) in het OER benoemd, maar om het beoordelingskader compact te houden is ervoor gekozen om deze onderdelen niet separaat (maar als onderdeel van andere aspecten) te beschouwen.
-
Veiligheid en Waterkeringen; Voorkomen van wateroverlast; Grondwater en voorkomen van (zoet) watertekort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwaterketen; Klimaatadaptatie.
Indiener verzoekt de gemeente om deze thema’s in de OER te onderbouwen en mee te wegen.
Zienswijze 6: 6.1
Indiener mist in de tekst van de NRD de Regionale Energie Strategie (RES) Rotterdam – Den Haag en verzoekt om in de NRD een verwijzing daarnaar op te nemen. Daarnaast geeft indiener in overweging om ook te verwijzen naar de NOVEX en de Handreiking Ruimtelijke Puzzel voor de Haagse Regio.
Overkoepelend en aanpalend beleid wordt in het OER zelf beschreven en de betekenis ervan voor de Ruimtelijke Strategie wordt daar behandeld.
6.2
Indiener wijst erop dat de negen Haaglanden gemeenten samen een handreiking hebben opgesteld voor het leggen van de 'Ruimtelijke Puzzel' in de regio Haaglanden. In die handreiking worden 10 grensoverstijgende ruimtelijke opgaven benoemd. Een van die opgaven is het realiseren en in stand houden van een robuuste groenblauwe hoofdstructuur. Indiener neemt aan dat deze ruimtelijke opgave een volwaardige plek krijgt in de alternatieven die de gemeente gaat onderzoeken als onderdeel van de bouwsteen 'groen en blauw'.
De effecten van de onderzoeksalternatieven worden, net als de leefomgevingsfoto van de huidige situatie en referentiesituatie, beoordeeld op alle thema’s van de fysieke leefomgeving, waaronder de groene woonomgeving en natuurgebieden. Per thema en aspect wordt beschreven en beoordeeld of een alternatief een positieve of negatieve bijdrage levert aan de verwachte beoordeling van de referentiesituatie, en of dat bepaalde risico’s en/of kansen groter of kleiner worden.
Ten aanzien van dat onderwerp ziet indiener kansen om in het geval van herstructurering van bestaande woonwijken groenblauwe hoofdstructuur van het stedelijk gebied van Zoetermeer nog beter te koppelen aan recreatiegebieden en landschapsparken die grenzen aan het stedelijk gebied van Zoetermeer.
De gemeente onderschrijft de kansen die indiener ziet om de koppeling van het groenblauwe hoofdstructuur van de stad met de groengebieden rondom de stad te verbeteren en zal daar in de Ruimtelijke Strategie aandacht aan besteden.
6.3
Indiener geeft aan graag te willen samenwerken met de gemeente Zoetermeer binnen de Haagse Regio om verbindingen te realiseren tussen de groengebieden om Zoetermeer en het Bijzonder Provinciaal Landschap ter ondersteuning van maatschappelijke opgaven als klimaat, milieu en de beleving van het landschap.
De gemeente waardeert de constructieve opstelling van indiener en ziet de meerwaarde van samenwerking in de Haagse regio. Zoetermeer staat niet op zichzelf, maar is een gemeente / stad liggend in haar omgeving. Bij de uitwerking van de Omgevingsvisie/RSZ wordt ook gekeken naar de verbinding met de omgeving. In het OER wordt niet alleen gekeken naar de effecten op de gemeente Zoetermeer, maar ook, als relevant, naar effecten op de omgeving.
6.4
Indiener verneemt graag hoe de gemeente de relatie tussen de bouwsteen ‘groen en blauw’ en de regionale opgave ziet. En acht het raadzaam dat de gemeente de inhoud van deze bouwsteen afstemt binnen de Haagse Regio. Indiener geeft aan dat die afstemming eventueel informeel kan zijn en kan lopen via de Ambtelijke tafel Fysieke Leefomgeving Haagse Regio.
Groen en blauw vormt een belangrijke onderlegger voor de huidige en toekomstige inrichting van de stad. De gemeente ziet het belang en meerwaarde van een goede verbinding tussen de stedelijke groen en blauwstructuren en de regionale landschappen en zal daar in de Ruimtelijke Strategie aandacht aan besteden. De gemeente zal hiervoor ook in regionaal verband afstemming zoeken.
6.5
Indiener wijst erop dat keuzes over het aantal nieuwe woningen, de ligging van de woningen en de verbindingen tussen de woningen en het landschap rond Zoetermeer van invloed zijn op de gevolgen van de verstedelijking op het landschap. Een van die gevolgen betreft de toenemende recreatiedruk. Indiener geeft aan dat dit een onderwerp is dat de aandacht heeft van de Haagse Regio wat betreft de opgave van de robuuste groenblauwe hoofdstructuur.
De gemeente neemt kennis van de notie van indiener en is zich bewust van het effect van verstedelijking op het landschap en de groenblauwe hoofdstructuur. In de Ruimtelijke Strategie zal aandacht besteed worden aan de samenhang tussen verstedelijking en het groene landschap rondom de stad. Daarbij zal de regionale opgave van de robuuste groenblauwe hoofdstructuur betrokken worden.
Zienswijze 7: 7.1
Indiener merkt op dat in de NRD nauwelijks aandacht is voor de energie-infrastructuur of te wel de kabels en leidingen en de bijbehorende bovengrondse assets. Initiatiefnemer pleit ervoor om vroegtijdig in overleg te gaan met de netbeheerder over de energie-aspecten van de ontwikkelingen zodat indiener als netbeheerder een afweging kan maken.
Dit is een terecht punt. In de uitwerking van het OER zal expliciet stilgestaan worden bij de betekenis van de Ruimtelijke Strategie voor de bestaande en toekomstige energieinfrastructuur. Omdat het niet om een ‘milieueffect’ gaat, wordt dit niet opgenomen in het beoordelingskader, maar wordt hier een separate analyse voor ingericht.
7.2
Indiener vraagt, als beheerder van het elektriciteits- en gasnetwerk het volgende van de gemeente: 1.
2.
3.
4. 5.
6. 7.
Om de ontwikkelingen in de fysieke ruimte mogelijk te maken en aan te kunnen sluiten op onze netten (zowel hoog-, midden- en laagspanning) is ruimte nodig voor stations, kabels en leidingen. Hier dient al in de eerste fases van de ontwikkelingen rekening mee gehouden te worden. Het realiseren van nieuwe energie infrastructuur kost tijd. Indiener vraagt daarom in een zo vroeg mogelijk stadium in de planvorming betrokken te worden, zodat planningen op elkaar kunnen aansluiten. De snellere realisatie van nieuwe infrastructuur kan bereikt worden door te helpen bij het vinden van adequate locaties voor stations en tracés, doorlooptijden voor het aanpassen van bestemmingsplannen en vergunningen te minimaliseren. Daarbij ook om het voorkomen van verleggingen van de infrastructuur/ assets. Om de energietransitie betaalbaar te houden en de beschikbare netcapaciteit zo goed mogelijk te gebruiken, zijn systeem efficiënte keuzes noodzakelijk. Om vroegtijdig ruimte voor stations beschikbaar te laten stellen. Om in het gemeentelijk beleid de ruimtebehoefte voor het elektriciteits- en/of gasnet van indiener op te nemen en haar belang als netbeheerder bij de uitvoering van de plannen (vroegtijdig) mee te nemen.
Het verzoek van indiener komt erop neer dat ze in vroegtijdig stadium betrokken wil worden bij ontwikkelingen in de stad, zodat de gevolgen voor het elektriciteits- en gasnetwerk tijdig in beeld komen. De genoemde punten vormen geen direct inhoudelijke reactie op de NRD, maar de oproep van indiener wordt ter harte genomen en betrokken bij de planvorming en ontwikkelingen in de fysieke ruimte. Daarbij zal onder meer het bestaande samenwerkingsverband van de ‘programmeertafel‘ worden benut, waarin de gemeente o.a. met indiener in een vroegtijdig stadium plannen en werkzaamheden voor de inrichting van de buitenruimte op en in de ondergrond op elkaar afstemmen.
Zienswijze 8 8.1
Indiener mist in de NRD concreetheid en geeft aan uit het document geen heldere aanwijzing te halen waar de gemeente nu wat wil gaan doen.
Het is correct dat er in de NRD geen aanwijzingen zijn opgenomen waar de gemeente wat wil gaan doen. In de NRD zijn de kaders en reikwijdte van het OER vastgelegd. De NRD moet gezien worden als een ‘plan van aanpak’ voor het OER. Daarin zijn concreet de stappen weergegeven om tot een OER te komen. De concrete ruimtelijke vertaling en uitwerking vindt plaats binnen de Ruimtelijke Strategie.
8.2
Indiener geeft aan dat het enige nieuwe element voor haar de innovatiecampus is, maar een heldere ruimtelijke aanduiding ontbreekt waar die zou
De innovatiecampus is een reeds bestaand campusgebied, gesitueerd tussen de A12 en het Van Tuyllpark aan de oostkant van de stad. In de NRD zijn alleen de kaders en reikwijdte van
moeten komen. Indiener verzoekt om een plankaart waar de ontwikkelingen gepland zijn.
het OER vastgelegd en is een stappenplan opgenomen voor het opstellen van het OER. In de NRD zelf worden geen ruimtelijke uitspraken of aanduidingen gedaan. De Ruimtelijke Strategie zal kaartbeelden bevatten waarin ruimtelijke ontwikkelingen worden aangeduid.
8.3
Indiener merkt op dat in het beoordelingskader verkeer en vervoer alleen in termen van modaliteiten (niet in nabijheids- of bereikbaarheidseisen) is opgenomen, waar voor andere thema’s veel beter meetbare aspecten staan (luchtkwaliteit, geluid, sociale veiligheid, biodiversiteit etc.). Indiener verzoekt de gemeente dit aspect aan te scherpen.
Op basis van verkeersberekeningen (voor zowel fiets, ov als autoverkeer) kan iets over verkeerseffecten beschreven worden in het OER. De gevraagde informatie gaat over de kwaliteit van regionale verbindingen (hoe nabij/bereikbaar etc.). Deze kwaliteit zal beschreven worden in het gedeelte van het OER dat de huidige staat van de leefomgeving beschrijft.
8.4
Indiener wijst op de drie groeiscenario’s die in de NRD zijn benoemd en geeft aan dat dit extra verkeer tot gevolg zal hebben. Indien vraagt in dat verband of extra verkeer nog inpasbaar is in de huidige vormgeving van de aansluitingen zonder problemen in de doorstroming op met name het Rijkswegennet te veroorzaken.
De onderzoeksalternatieven en het eindbeeld van de Ruimtelijke Strategie worden doorgerekend voor verkeer. Daaruit zal naar voren komen of de huidige infrastructuur en aansluitingen toereikend zijn om extra verkeer te kunnen opvangen. Op basis van de verkeersberekeningen worden in het OER aandachtspunten en aanbevelingen gedaan die handvatten bieden voor keuzen die in de Ruimtelijke Strategie worden gemaakt.
8.5
Indiener verlangt dat bij nieuwe grootschalige ontwikkelingen een analyse wordt opgesteld van de verkeersintensiteiten waarbij de verkeerseffecten van het plan op niet alleen het (huidig) onderliggend wegennet maar ook op de (aansluitingen van) rijkswegen in beeld worden gebracht.
Bij iedere grootschalige ruimtelijke ontwikkeling maakt een berekening en analyse van de verkeersintensiteiten al standaard onderdeel uit van het planproces. Daarbij wordt zowel het effect op het onderliggend wegenet als op (de aansluitingen van) de rijksweg A12 in beeld gebracht.
Indien dit plan zoveel extra verkeer oplevert dat er problemen zullen ontstaan, dan is indiener ook geïnteresseerd in welke mitigerende maatregelen er tegenover staan.
De onderzoeksalternatieven en het eindbeeld van de Ruimtelijke Strategie worden doorgerekend voor verkeer. Daaruit zal naar voren komen of de huidige infrastructuur en aansluitingen toereikend zijn om extra verkeer te kunnen opvangen, of dat er mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.