CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4.9 - Quickscan beschermde natuurwaarden bouwkavels Oosterheem

Raadsvergadering 20 december 2021, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan H. de Grootlaan - A. Jacobslaan4.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notitie Opdrachtgever: R. Pronk, gemeente Zoetermeer Auteur: Betreft:

G. Bakker Quick scan beschermde natuurwaarden bouwkavels Oosterheem

Projectnummer:

2064

Datum: Status:

5 juni 2019 DEFINITIEF

bezoekadres: Natuurhistorisch Museum Rotterdam Westzeedijk 345 3015 AA Rotterdam telefoon: 010 – 266 04 70 e-mail: info@bureaustadsnatuur.nl www.bureaustadsnatuur.nl

Inleiding De gemeente Zoetermeer heeft Bureau Stadsnatuur gevraagd een verkennend natuurwaardenonderzoek (‘quick scan’) uit te voeren op drie te ontwikkelen kavels in de wijk Oosterheem. In het kader van de ontwikkeling worden werkzaamheden verricht, zoals het verwijderen van de begroeiing, grondwerk, het aanbrengen van de riolering en kabels en leidingen en het aanbrengen van overige infrastructuur. Inzicht in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna kan conflictsituaties in relatie tot de geplande werkzaamheden voorkomen. De drie bekeken gebiedsdelen zijn in de hiernavolgende figuren weergegeven.

Figuur 1. Ligging van bouwkavels gebied ‘T-strook’.

Figuur 2. Ligging van bouwkavel gebied Martin Luther Kinglaan.

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

1 / 12

Figuur 3. Ligging van bouwkavel gebied Willem Dreeslaan.

De drie locaties zijn in de ochtend van 9 mei 2019 door een ecoloog van Bureau Stadsnatuur onderzocht op de potentiële aanwezigheid van beschermde functionaliteiten (vast leefgebied) voor dier- en plantensoorten die jaarrond beschermd zijn en waarvoor bij ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk een ontheffing in het kader van de Wet natuurbscherming is vereist. Gelet is op de volgende zaken: • of het gebied potentie heeft voor beschermde soorten; • of er (indirecte) aanwijzingen zijn voor het voorkomen van beschermde soorten; • of er in het kader van de Wnb vervolgonderzoek nodig is. • aan te geven welke maatregelen er (waar en wanneer) op grond van de verzamelde gegevens moeten worden genomen om beschermde en waardevolle flora en fauna te ontzien. Daarnaast is gelet op het voorkomen van planten- en diersoorten die zijn vermeld in de Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer (Vos & Szegedi 2011), waarmee op gemeentelijk niveau soorten worden beschermd. Indien aan de orde worden aangetroffen soorten die hierin zijn genoemd in de resultaten vermeld.

Resultaten Omschrijving onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied bestaat uit drie ruimtelijk te onderscheiden eenheden, namelijk (1) vier percelen aan de zogenoemde T-strook; (2) een perceel ten westen van de Martin Luther Kinglaan en (3) een perceel ten westen van de Willem Dreeslaan. Voor een impressie van de percelen wordt verwezen naar de foto’s in Bijlage 1. Alle percelen kenmerken zich door een intensief onderhouden karakter, in de zin dat er sprake is van een regelmatig maairegime en regelmatig onderhoud van sloten en groen. Alle kavels worden geregeld/vaak betreden door mensen.

Bevindingen per soortgroep Flora Er zijn geen wettelijk strikt beschermde plantensoorten aangetroffen, ondanks dat het veldbezoek in een periode plaatsvond met een betrekkelijk hoge trefkans voor wat betreft diverse strikt beschermde plantensoorten. De intensieve maairegimes op alle locaties en de voedselrijke uitgangssituatie van de bodem, maken de situatie ongeschikt voor eventueel in de regio voorkomende strikt beschermde plantensoorten, waarvan de meeste doorgaans in schralere en/of nattere milieus worden aangetroffen. De kans op vestiging van relevante soorten in het kader van de Wnb op korte termijn is onder de huidige omstandigheden voor alle kavels uitgesloten

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

2 / 12

In het terrein aan de Martin Luther Kinglaan zijn verspreide zaailingen van Reuzenberenklauw Heracleum mantegazzianum aangetroffen, waarbij de indruk bestond dat deze deels handmatig waren uitgestoken. Het betreft een invasieve exoot waarvan de verspreiding moet worden voorkomen. Vissen en overige waterfauna In het kavel aan de Martin Luther Kinglaan liggen enkele ondiepe greppels. Deze stonden droog tijdens het bezoek. Het voorkomen van vissen en Platte schijfhoren Anisus vorticulus, een strikt beschermde waterslak, is daarmee uitgesloten. De watergang aan de noordzijde van het kavel is te ondiep om op enige wijze een geschikt leefgebied te vormen voor enige in deze regio te verwachten beschermde vissoort en valt bovendien buiten het plangebied. Amfibieën Alle percelen liggen binnen de reikwijdte van een populatie Rugstreeppad Epidalea calamita. Geschikt leefgebied is echter alleen op het kavel aan de Martin Luther Kinglaan gevonden: op de oever van de watergang die de noordelijke begrenzing vormt, was op 9 mei 2019 een volwassen Rugstreeppad aanwezig. Het leefgebied onder de huidige condities beperkt zich vrijwel zeker tot de betreffende watergang en oevers; maar uitbreiding richting het bouwkavel is aannemelijk wanneer hier graafwerkzaamheden plaatsvinden, waardoor een geschikt leefmilieu ontstaat.

Het vestigingsrisico voor de andere kavels wordt als laag ingeschat; ze liggen geïsoleerd, omsloten door bebouwing en infrastructuur en relatief ver van nog resterende plaatsen waar de Rugstreeppad recent nog is aangetroffen. Overige soorten amfibieën met een wettelijk strikt beschermde status zijn op basis van hun arealen en ecologische eisen niet te verwachten. Vogels Op geen enkel kavel zijn broedverdachte vogels waargenomen. Zowel de geringe oppervlakte, het gebrek aan dekking, als kwetsbaarheid voor predatie, zullen hierin meespelen. Bovendien is op alle kavels bij herhaling betreding door bewoners met loslopende honden geconstateerd, waardoor er regelmatig sprake is van verstoring. Dit zal de vestiging van vogels verhinderen. Buiten de kavels aan de Willem Dreeslaan en de Martin Luther Kinglaan is langs de slootranden sprake van broedende exemplaren van Fuut Podiceps cristatus, Meerkoet Fulica atra en Wilde eend Anas platyrhynchos. Zo lang de oevermilieus van de watergangen in de periode april tot en met augustus ongemoeid blijven, zullen vogels hier geen last hebben van werkzaamheden in de aangrenzende bouwkavels. In de periferie van het kavel aan de Willem Dreeslaan ligt een bosje; hierin zijn wel broedende vogels te verwachten. Het moet worden ontzien in de periode april tot en met augustus.

Zoogdieren Er worden geen beschermde vaste verblijfplaatsen van zoogdieren verwacht. Het water- en oevermilieu van de watergang aan de Martin Luther Kinglaan is ongeschikt voor Waterspitsmuis Neomys fodiens. Overige beschermde grondgebonden zoogdieren komen in principe niet met een populatie voor in Zoetermeer. Wat vleermuizen betreft onderscheiden de bekeken kavels zich niet in bijzonder opzicht van de omgeving; hoewel ‘groen’, is overal sprake van korte vegetatie en/of gazons en ontbreken grote bomen met kronen die een onderscheidend leefgebied kunnen vormen voor vleermuizen; er is overal gebrek aan beschutting en potentiële rustplaatsen ontbreken.

Conclusies Op basis van de condities aangetroffen tijdens de quick scan is geen aanvullende ontheffing van de Wnb noodzakelijk om tot ingebruikname van de bouwkavels op de drie locaties over te gaan. Aanvullend onderzoek is bovendien niet nodig omdat de functionaliteit voor beschermde soorten voldoende inzichtelijk is. Er zijn wel redelijk grote risico’s met betrekking tot de kans op vestiging van Rugstreeppad in het terrein aan de Martin Luther Kinglaan. Voor de omgang met Rugstreeppad bestaat reeds een ontheffing (kenmerk: ODH-201800010716) die op de afbouw van Oosterheem, inclusief de in deze notitie besproken kavels, van toepassing

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

3 / 12

is. In de onderstaande aanbevelingen wordt nader op de omgang met deze soort ingegaan; deze is deels gebaseerd op bepalingen in de genoemde ontheffing.

Aanbevelingen • • • •

• •

• •

•

Maai alle percelen na 15 juli en zo nodig tussen 15 februari en 15 maart om de kans op vestiging van broedende vogels te verkleinen, voor zover dat nog niet is gebeurd. Verwijder in het terrein aanwezige struiken en bomen -waar nodig- buiten de periode 15 maart-15 juli. Hoewel er nu geen broedende vogels zijn aangetroffen, is toekomstige vestiging niet uit te sluiten. Voorafgaand aan graafwerkzaamheden t.b.v. bouwrijp maken, moet het kavel aan de Martin Luther Kinglaan worden omzoomd met amfibiewerend scherm zoals dit bijv. in Tuindorp is gebeurd. Ten aanzien van de andere locaties moeten de kosten van het plaatsen van amfibiewerend scherm worden afgewogen tegen de lage kans op vestiging van Rugstreeppad en kan worden overwogen dit niet te doen. Het is cruciaal dat eerst schermen worden geplaatst en pas daarna wordt gestart met graafwerkzaamheden. Gebruik geen emmers in combinatie met een scherm. Deze mogen alleen worden ingezet om dieren weg te vangen op een dagelijkse basis. Indien niet gecontroleerd vinden veel dieren de dood in een emmer. Laat een ecoloog periodiek (eens per maand) controleren of het scherm nog afdoende functioneert en of er reparaties nodig zijn. Laat een ecoloog, indien werkzaamheden nog moeten starten in het voorjaar, begin april een terreininspectie uitvoeren om eventuele risico’s m.b.t.

vestiging van vogels en andere dieren als gevolg van veranderingen in het terrein scherp te houden. Voorkomen verspreiding van Reuzenberenklauw vanuit het terrein aan de Martin Luther Kinglaan.

Literatuur Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys. 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Naturalis, Leiden. Delft, J.J.C.W. van & W. Schuitema, 2005. Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. RAVON Noord-Brabant, Tilburg / Stichting RAVON, Nijmegen. Boesveld, A. & A. Gmelig Meyling. 2011. Biotoopvoorkeuren van de Platte schijfhoren Anisus vorticulus. Zoekbeeld 2011(1): 10-14. Creemers, R. & Delft, J. van. (redactie). 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. KNNV Uitgeverij, Zeist. Janssen, J. & Schaminée, J. 2008. Europese natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Zeist. Kranenbarg, J., R. Struijk, M. Schiphouwer, J. Bergsma, K. Didderen & J. Herder. 2015. De vissen van Zuid-Holland. Stichting RAVON, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep (Dienst Regelingen, brief 26 augustus 2009, kenmerk ffw2009.corr.046) te downloaden van de website van het Ministerie van EL&I. Mostert, K. & J. Willemsen. 2011. Voorlopige werkatlas verspreiding zoogdieren in Zuid-Holland 2000-2011. Stichting Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland, Delft. Stichting Floron. 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. Stichting Floron, Nijmegen. Sovon Vogelonderzoek Nederland. 2018.

Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. © Bureau Stadsnatuur | Westzeedijk 345 | 3015 AA Rotterdam Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. bSR kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

4 / 12

Bijlage 1 – Foto’s onderzoeksgebied

Impressie bouwkavel T-strook op 9 mei 2019.

Impressie bouwkavel Martin Luther Kinglaan op 9 mei 2019.

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

5 / 12

Watergang waarin Rugstreeppad is aangetroffen ten noorden van kavel Martin Luther Kinglaan, 9 mei 2019.

Zaailing van Reuzenberenklauw Heracleum mantegazzianum aan de Martin Luther Kinglaan op 9 mei 2019.

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

6 / 12

Impressie bouwkavel Willem Dreeslaan op 9 mei 2019

Bosje in de periferie van het kavel aan de Willem Dreeslaan: geschikt voor broedende vogels.

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

7 / 12

Bijlage 2 – Wettelijk kader 1. Inleiding De Wet Natuurbescherming is per 1 januari 2017 van kracht en vervangt de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De informatie hieronder vat de belangrijkste feiten samen met betrekking tot de bescherming van soorten via de Wet natuurbescherming, en is gericht op personen en instanties die te maken krijgen met de wet in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, beheer en onderhoud. Uitvoering van de wet valt onder de verantwoordelijkheid van de provincies, met uitzondering van grote infrastructurele projecten aan onder meer waterwegen; daarbij blijft de Rijksoverheid het bevoegd gezag. De inhoud van deze samenvatting betreft in eerste instantie de algemeen geldende verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming en in tweede instantie de Zuid-Hollandse context waarin deze verbodsbepalingen moeten worden toegepast. De aanvullende regelgeving rond bescherming van soorten in Natura 2000-gebieden wordt hier slechts kort besproken. 2. Doel van de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en natuurgebieden. 3. Beschermingsregimes soorten In de Wet natuurbescherming zijn drie categorieën soorten onderscheiden met een eigen beschermingsregime en daaraan gekoppelde verbodsbepalingen: vogels, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten.

Een soort kan niet onder meer dan één van deze regimes vallen. Vogels vallen per definitie onder het regime van de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn betreffen Europese beschermingsregimes waar met de verbodsbepalingen artikel 3.1 en 3.5 in de Wet natuurbescherming in Nederland invulling aan wordt gegeven. Het regime ‘andere soorten’, artikel 3.10, heeft betrekking op soorten die alleen vallen onder een nationaal beschermingsregime; deze soorten zijn niet vermeld in de Europese richtlijnen. De drie beschermingsregimes met hun verbodsbepalingen zijn hieronder weergegeven. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel B, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

8 / 12

Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2.

Artikel 3.8 (bepalingen dat ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, hier niet uitgebreid besproken), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel B, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

3.

De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de Bosmuis, de Huisspitsmuis en de Veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

4. Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland De provinciale verordening bevat onder andere regels voor faunabeheereenheden en diverse vrijstellingen voor het bestrijden van schade en het uitvoeren van werkzaamheden. Ook is in de verordening opgenomen voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (zie de soortenlijst verderop onder ‘Beschermde andere soorten in Zuid-Holland (artikel 3.10)’). 5. Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provinciale beleidsregel staan onderwerpen als het verlenen van tegemoetkomingen in de faunaschade en de vergunningverlening voor Natura 2000-gebieden in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof. 6. Vogelsoorten met een (potentieel) ongunstige staat van instandhouding in Zuid-Holland (artikel 3.1) Naar aanleiding van artikel 3.1 lid 5 heeft Bureau Stadsnatuur een lijst opgesteld van vogelsoorten waarbij verstoring van wezenlijke invloed kan zijn op de staat van instandhouding in Zuid-Holland. Het betreft soorten die als broedvogel in de provincie voorkomen en waarvoor onder de Flora- en faunawet reeds een jaarronde bescherming van nestlocaties en vaste rustplaatsen gold (de onder de Flora- en faunawet als ‘categorie 1 t/m 4’ gekwalificeerde soorten), aangevuld met soorten die op basis van actuele gegevens van Sovon een

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

9 / 12

ongunstige staat van instandhouding kennen (de voorheen als ‘categorie 5’ gekwalificeerde soorten met een negatieve populatietrend en/of een kleine, kwetsbare populatie) en waarvoor derhalve gemitigeerd of gecompenseerd zou moeten worden in geval van conflicterende ruimtelijke ontwikkeling en beheer. Deze lijst is niet uitputtend en kan naar aanleiding van ontwikkelingen in de toekomst worden gewijzigd op basis van ecologisch zwaarwegende omstandigheden, zoals veranderingen in populatie-omvang of areaal van een soort. Het effect van de ingreep op de instandhouding van de soort is uiteindelijk leidend in de afweging of sprake is van een beschermde (en daarmee ontheffingsplichtige) situatie. Het gaat om de volgende 85 soorten: Appelvink

Groene specht

Krooneend

Roerdomp

Tureluur

Baardmannetje

Grote gele kwikstaart

Kwak

Roek

Veldleeuwerik

Blauwe reiger

Grote karekiet

Kwartelkoning

Scholekster

Velduil

Boerenzwaluw

Grote mantelmeeuw

Kleine zilverreiger

Slechtvalk

Visdief

Bontbekplevier

Grutto

Lepelaar

Slobeend

Waterral

Boomvalk

Havik

Matkop

Snor

Watersnip

Bosuil

Huismus

Middelste zaagbek

Sperwer

Wielewaal

Bruine kiekendief

Huiszwaluw

Noordse stern

Spotvogel

Wilde eend

Buizerd

Grote zilverreiger

Nachtegaal

Spreeuw

Wintertaling

Dwergstern

IJsvogel

Oeverzwaluw

Sprinkhaanzanger

Woudaap

Eider

Kerkuil

Ooievaar

Steenuil

Wulp

Gele Kwikstaart

Kievit

Patrijs

Steltkluut

Zomertaling

Gierzwaluw

Kleine bonte specht

Porseleinhoen

Stormmeeuw

Zomertortel

Goudvink

Kleine plevier

Purperreiger

Strandplevier

Zilvermeeuw

Graspieper

Kluut

Raaf

Tafeleend

Zwarte roodstaart

Grauwe Klauwier

Kneu

Ransuil

Tapuit

Zwarte stern

Grauwe vliegenvanger

Koekoek

Ringmus

Torenvalk

Zwartkopmeeuw

7. Beschermde habitatrichtlijnsoorten in Zuid-Holland (artikel 3.5) Soorten uitsluitend vermeld in Bijlage II – Beschermingsregime artikel 3.5 alleen van toepassing in Natura 2000-gebieden. De volgende 2 soorten zijn sinds 1990 vastgesteld in de provincie Zuid-Holland en vallen uitsluitend in voor deze soorten aangewezen Natura 2000-gebieden onder het beschermingsregime artikel 3.5: Nauwe korfslak

Zeggekorfslak

Soorten vermeld in Bijlage IV – Beschermingsregime artikel 3.5 van toepassing. De volgende 39 soorten zijn sinds 1990 vastgesteld in de provincie Zuid-Holland en vallen onder het beschermingsregime artikel 3.5: Groenknolorchis

Boomkikker

Otter

Meervleermuis

Dwergvinvis

Platte schijfhoren

Heikikker

Bosvleermuis

Rosse vleermuis

Gewone dolfijn

Bataafse stroommossel

Kamsalamander

Franjestaart

Ruige dwergvleermuis

Gewone vinvis

Gevlekte witsnuitlibel

Poelkikker

Gewone baardvleermuis

Tweekleurige vleermuis

Griend

Groene glazenmaker

Rugstreeppad

Gewone dwergvleermuis

Vale vleermuis

Potvis

Rivierrombout

Zandhagedis

Gewone grootoorvleermuis

Watervleermuis

Tuimelaar

Houting

Bever

Kleine dwergvleermuis

Bruinvis

Witsnuitdolfijn

Steur

Noordse woelmuis

Laatvlieger

Bultrug

8. Beschermde andere soorten in Zuid-Holland (artikel 3.10) De volgende 35 soorten zijn sinds 1990 vastgesteld in de provincie Zuid-Holland en vallen onder het beschermingsregime artikel 3.10 (NB: betreft uitsluitend als ‘wild’ gekwalificeerde plantensoorten; bron: verspreidingsatlas.nl): Blaasvaren

Grote leeuwenklauw

Stofzaad

Grote modderkruiper

Grijze zeehond

Bokkenorchis

Karthuizer anjer

Schubvaren

Kwabaal

Steenmarter Waterspitsmuis

Brave hendrik

Kleine wolfsmelk

Smalle raai

Ringslang

Brede wolfsmelk

Knolspirea

Stijve wolfsmelk

Boommarter

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

10 / 12

Bruinrode wespenorchis

Moerasgamander

Tengere veldmuur

Damhert

Dreps

Naakte lathyrus

Wolfskers

Das

Echte gamander

Rozenkransje

Aardbeivlinder

Eekhoorn

Glad biggenkruid

Ruw parelzaad

Grote vos

Gewone zeehond

Soorten waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling geldt van beschermingsregime artikel 3.10 In Zuid-Holland is een vrijstelling van de verbodsbepalingen artikel 3.10 van toepassing op de volgende 22 soorten: Bastaardkikker

Aardmuis

Egel

Konijn

Wezel

Bruine kikker

Bosmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Woelrat

Gewone pad

Bunzing

Haas

Rosse woelmuis

Kleine watersalamander

Dwergmuis

Hermelijn

Veldmuis

Meerkikker

Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis

Vos

9. Geïntroduceerde soorten in Zuid-Holland Soorten die zich door menselijk toedoen buiten hun natuurlijke areaal hebben gevestigd (geïntroduceerde soorten) vallen in Zuid-Holland niet onder de beschermingsregimes van artikel 3.1, 3.5 of 3.10, tenzij sprake is van een populatie die langer dan 50 jaren achtereen heeft standgehouden in de provincie (mond med. PZH, maart 2017). Voorbeelden in een Zuid-Hollandse context zijn beschermde plantensoorten uitgezaaid vanuit tuinen en Vroedmeesterpad, al dan niet moedwillig geïntroduceerd door terrariumhouders. Plantensoorten die lokaal zijn geïntroduceerd en als ‘niet wild’ zijn beschouwd in Zuid-Holland, zijn onder meer: Bruinrode wespenorchis

Knolspirea

Knollathyrus

Echte gamander

Bergnachtorchis

Wilde Weit

Diersoorten die zijn geïntroduceerd en als ‘niet wild’ zijn beschouwd in Zuid-Holland, zijn onder meer: Boomkikker

Muurhagedis

Vroedmeesterpad

Quaggamossel

Aziatische modderkruiper

Blauwband

De beschermde status van soorten als Muskusrat (sinds 1975 gedocumenteerd voor de provincie) en Nijlgans (eerste geval in 1967) kan op grond van het bovengeschetste 50 jaar-criterium ter discussie worden gesteld. 10. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgbeginsel (artikel 1.10 en 1.11) opgenomen: de intrinsieke waarde van soorten is vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime. Het is een algemeen geldende fatsoenseis die erop neerkomt dat redelijkerwijs vermijdbare schade aan en verstoring van planten en dieren moet worden voorkomen. 11. Wanneer ontheffing aanvragen? Wanneer redelijkerwijs kan worden vermoed dat verbodsbepalingen ten gevolge van een voorgenomen activiteit worden overtreden, moet eerst worden bepaald of mitigerende (verzachtende) maatregelen de schade kunnen beperken of tenietdoen zodat het overtreden van het verbod kan worden voorkomen. Wanneer het overtreden van een verbod onvermijdelijk is en er moet worden gecompenseerd voor veroorzaakte schade, dan dient men een ontheffing aan te vragen. Het aanvragen van een ontheffing heeft alleen zin als de functionaliteit van een plangebied voor een beschermde soort voldoende nauwkeurig in beeld is gebracht. Meestal is hier een uitgebreid onderzoek voor nodig waarin rekening wordt gehouden met de seizoensactiviteit van een soort.

Dergelijk onderzoek dient aan bepaalde richtlijnen te voldoen op basis waarvan de kwaliteit en volledigheid ervan worden gecontroleerd door de Omgevingsdienst (zie onder). Een randvoorwaarde is daarnaast dat een aanvraag vergezeld dient te gaan van een zogenaamd activiteitenplan. Hierin moet een initiatiefnemer van een potentieel schadelijke handeling het belang van de voorgenomen activiteit onderbouwen en aangeven welke mitigerende en/of compenserende maatregelen ten gunste van de soort(en) in kwestie worden getroffen. 12. Omgevingsvergunning via gemeente Wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning mogen ontheffingen voor beschermde soorten aanhaken. Bij aanhaken moet de gemeente een volledigheidstoets uitvoeren en verzorgt de gemeente de toetsing door de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH). Ten behoeve van een aanvraag zijn een onderzoeksrapport met

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

11 / 12

inventarisatiegegevens en een activiteitenplan noodzakelijk. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning is een wettelijke beslistermijn gemoeid van maximaal 26 weken. De gehele aanvraag verloopt via de gemeente. Voor meer informatie, zie: https://www.omgevingsloket.nl 13. Losse ontheffing via provincie Wanneer een ontheffing aangevraagd moet worden waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is de beslistermijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging. De gehele aanvraag verloopt via Omgevingsdienst Haaglanden. De leges bedragen EUR 1800,-. Ten behoeve van een aanvraag zijn een onderzoeksrapport met inventarisatiegegevens en een activiteitenplan noodzakelijk. Voor meer informatie en aanvraagformulieren, zie: https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/categorie/product/7-ontheffingverlening-soorten.html 14. Gedragscodes Gedragscodes in het kader van de Wet natuurbescherming worden alleen gemeentelijk of branchebreed opgesteld en dienen te worden goedgekeurd door het Ministerie van Economische Zaken. Bestaande gedragscodes die zijn goedgekeurd onder de Flora- en faunawet zijn, indien nog niet verlopen, nog altijd geldig voor de soorten die onder de Wet natuurbescherming onder één van de drie beschermingsregimes vallen. Voor nieuwe beschermde soorten waarvoor geen mitigerende maatregelen zijn vermeld in gedragscodes zal mogelijk een ontheffing noodzakelijk zijn.

Voor soorten die niet (meer) onder een strikt beschermingsregime vallen hoeft niet per se te worden gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Er moet desalniettemin altijd rekening worden gehouden met de wettelijke zorgplicht. 15. Handhaving Bij een vermoede overtreding van een verbodsbepaling in de Wet natuurbescherming kan handhaving worden ingeschakeld. In Zuid-Holland is de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid (OZHZ) hiervoor verantwoordelijk. Voor meer informatie, zie: https://www.ozhz.nl/vergunningen-en-meldingen/groene-handhaving

Melding van een vermoede overtreding: Telefoon: 078-770 85 85 mail: meldingFfwet@ozhz.nl website: http://www.natuurzuidholland.nl/contact/ Overige contactgegevens: Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid Afdeling Toezicht en Handhaving Postbus 550 3300 AN Dordrecht

bSR-notitie 2064 – Quick scan bouwkavels Oosterheem

12 / 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=adff347e-32d0-4d19-8369-872103e3957a