Bijlage 3 - Wettelijk kader en begrippenlijst
Tekst van het document
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Nota bodembeheer gemeente Zoetermeer
Bijlage 3: TOELICHTING WETTELIJK KADER EN BEGRIPPENLIJST Het Besluit bodemkwaliteit omvat landelijke regels voor grondverzet en heeft als doel om zoveel mogelijk grond en baggerspecie her te gebruiken, zodat er minder primaire grondstoffen nodig zijn. Hergebruik is verantwoord als er geen verontreinigingen door ontstaan. Het Besluit bodemkwaliteit kent een landelijk geldend generiek kader dat door de gemeenten kan worden toegepast. Als het generiek kader niet volstaat, dan kan een gemeente voor (een deel van) hun beheersgebied binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit gebiedsspecifiek beleid ontwikkelen. Hierdoor heeft de gemeente de mogelijkheid verantwoord hergebruik van grond en baggerspecie maximaal af te stemmen op de maatschappelijke ontwikkelingen. Hierbij spelen bodemgebruik, bodemambities en ruimtelijke ontwikkelingen een rol. Voor het vormgeven van het grondverzet, zijn een aantal aspecten van belang, namelijk de bodemfuncties, de bodemkwaliteitsklassen en de toepassingseisen. Middels gebiedsspecifiek beleid is het mogelijk om de bodemkwaliteitsklassen en toepassingseisen aan te passen aan de lokale situatie. Bodemfuncties Het beheersgebied van de gemeente dient ingedeeld te worden in verschillende functieklassen, namelijk ‘Wonen’, ‘Industrie’, ‘Landbouw/Natuur’ en/of ‘Overig’ zoals recreatie.
De verdeling in functies dient op kaart weergegeven te worden in de bodemfunctiekaart. Uitgangspunt bij de indeling in bodemfunctieklassen is dat de klasse die wordt toegekend aan een gebied overeenkomt met de gevoeligste bodemfunctie binnen het betreffende gebied. Aan een woonwijk kan dus geen klasse Industrie worden toegekend, want klasse Wonen is een gevoelige bodemfunctie vanwege langdurig verblijf van mensen in woning en/of tuin. Bodemkwaliteitsklassen De grond wordt ingedeeld in 1 van de 3 bodemkwaliteitsklassen ‘landbouw/natuur’, ‘wonen’ of ‘industrie’. Als de grond niet voldoet aan deze klassen, dan is de grond in principe niet toepasbaar. In de Regeling bodemkwaliteit staan de normen en toetsingsregels om te bepalen in welke klasse de landbodem of grond valt. De bodemkwaliteitsklassen worden gebruikt om de kwaliteit van de te ontgraven grond en de ontvangende bodem te bepalen. Toepassingseisen In het generieke kader wordt gebruik gemaakt van een dubbele toetsing voor het vaststellen van toepassingseisen voor het hergebruik van grond. Dit houdt in dat er zowel naar de functie als de kwaliteit van de ontvangende bodem gekeken wordt. De dubbele toets houdt in dat de toepassingseis wordt bepaald door de strengste van de 2. Als het generieke kader te weinig mogelijkheden biedt voor het hergebruik van grond, dan kan de gemeente gebiedsspecifiek beleid ontwikkelen.
Uitgangspunt bij gebiedsspecifiek beleid is dat er geen verslechtering van de bodemkwaliteit ontstaat binnen het beheersgebied (stand-still principe).
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Nota bodembeheer gemeente Zoetermeer
Begrippenlijst Achtergrondwaarde (AW2000): landelijk geldende gehalten aan stoffen die de grens vormen aan wat in het dagelijks gebruik “schone grond en bagger” wordt genoemd. Het zijn de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (definitie volgens Besluit bodemkwaliteit). Besluit bodemkwaliteit: landelijk generiek normenkader voor het bodembeleid ten aanzien van bouwstoffen, grond en baggerspecie die zijn vastgelegd in één samenhangend beleidskader. Bodem: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen. Bodembeheergebied: aaneengesloten, door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 44, 45 of 46 van het Besluit bodemkwaliteit, afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer beheerders (definitie volgens Besluit bodemkwaliteit).
Bodemfuncties: gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad, overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling (definitie volgens Besluit bodemkwaliteit). Bodemfunctieklassen: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties in de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid van het Besluit bodemkwaliteit; Bodemfunctie-klassenkaart: Kaart met de bodemfunctieklassen die de ligging aangeeft van: gebieden met de bodemfunctieklasse landbouw/natuur of overig; gebieden met de bodemfunctieklasse wonen; gebieden met de bodemfunctieklasse industrie. Bodemgevoelige locatie: locatie waarvan de bodemfunctie bepaalt in welke mate de mens en de omgeving in contact kan komen met bodemverontreiniging. Ook bepaalt het bodemgebruik of het beleidsmatig nodig is het ecosysteem te beschermen. Een natuurgebied of een woonwijk hebben in hoge mate bescherming nodig. Om besluiten en normen goed en eenduidig op de risico's van bodemverontreiniging voor mens, ecosysteem en omgeving te baseren zijn afspraken gemaakt. Deze afspraken gaan onder meer over de instrumenten om de risico's te beoordelen, en de beschermingsniveaus en -doelen van de verschillende bodemfuncties. Dit is de basis van de nieuwe generieke Maximale Waarden.
De ruimte voor lokale keuzes is afgebakend. Een aantal basiskeuzes ligt landelijk vast. Bodemkwaliteit in algemene zin: beschrijving van de bodemkwaliteit ten behoeve van de onderbouwing van het bodembeschermingsbeleid en de ruimtelijke en maatschappelijke processen (bron: circulaire Landsdekkend Beeld). Bodemkwaliteitsklasse: In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen: Klasse Landbouw/natuur Klasse wonen Klasse industrie De normstelling is opgenomen in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Nota bodembeheer gemeente Zoetermeer
Bodemkwaliteitszone: aaneengesloten deel of meerdere niet aaneengesloten delen van een beheersgebied met een gelijke ontstaans- en gebruiksgeschiedenis, als gevolg waarvan sprake is van een vergelijkbare actuele kwaliteit van de bodem (definitie Regeling bodemkwaliteit). Bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast (definitie Besluit bodemkwaliteit). Bovengrond: de bovenste laag (0-0,5 m-maaiveld) van de grond waarbij contactmogelijkheden met de bodem mogelijk zijn. Bijzondere omstandigheden: voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, indien er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan verdachte locaties, onderzochte of bekende locaties en locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden. Diffuus lood: vaak zeer heterogeen verdeelde belasting van de bovengrond (enkele decimeters) met lood, die zich uitstrekt over relatief grote oppervlakten (soms hectaren) en die niet aan duidelijk te lokaliseren bronnen is te relateren.
De aanwezigheid ervan is meestal te verklaren uit eeuwenlang gebruik als stedelijk gebied, atmosferische depositie en – in veenweidegebieden – de toepassing van zgn. toemaak (een mengsel van stalmest, huisvuil, zand en bagger die op veengrond werd gestort om de bodemkwaliteit te verbeteren). Ernstige bodemverontreiniging: bodemverontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier ernstig zijn of dreigen te worden verminderd; de vaststelling of sprake is van een dergelijk geval geschiedt aan de hand van interventiewaarden. Geval van ernstige bodemverontreiniging: geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd (definitie Wet bodembescherming). Gezoneerd gebied: gebied dat is weergegeven als één of meer bodemkwaliteitszone(s) op een bodemkwaliteitskaart. Grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.
Van natuurlijke oorsprong wil zeggen een mengsel van gesteente en mineraalfragmenten vermengd met organische stof, niet ontstaan door menselijk handelen, dat door ontgraven is vrijgekomen uit de bodem. Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Grondwerken: werken waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van grond. Deze grond dient geschikt te zijn voor het beoogde bodemgebruik en van een vergelijkbare kwaliteit als de ontvangende bodem. Deze grondwerken worden in de praktijk niet teruggenomen en gaan deel uitmaken van de bodem. Bij grondwerken kan gedacht worden aan het aanvullen van een sleuf, het dempen van sloten, het ophogen van een akker of woongebied en het toepassen van leeflagen. Hergebruik als bodem: het hergebruiken van grond, zodanig dat deze weer bodem wordt. Dit is het geval in bijvoorbeeld ophogingen of aanvullingen van de bodem met uitsluitend grond. Historisch Bodembestand: dataset van verdachte locaties (bron: circulaire Landsdekkend Beeld). Het Historisch Bodem Bestand (HBB) is een samenvoeging van het Bio-s bestand (slootdempingen), het Bio-b bestand (bedrijfsterreinen) en het BSB bestand (bodemsanering in gebruikzijnde bedrijfsterreinen) en is een overzicht van locaties waar mogelijk bodemverontreiniging aanwezig is.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Nota bodembeheer gemeente Zoetermeer
Interventiewaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet bodembescherming (definitie volgens het Besluit bodemkwaliteit). Bij overschrijding van deze waarden moet nader worden onderzocht welke maatregelen nodig zijn om de risico’s voor mens, plant of dier te beperken of ongedaan te maken en of spoedige sanering op grond van artikel 37 van de Wet bodembescherming nodig is. Overschrijding van de interventiewaarden betekent niet automatisch dat de verontreinigde grond moet worden afgegraven of het verontreinigd grondwater moet worden opgepompt. Er kunnen bijvoorbeeld ook beperkingen aan het gebruik van de bodem worden opgelegd. Keuringsvrij grondverzet: verplaatsing van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart zonder dat een partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. Voorafgaand aan het grondverzet dient altijd een historisch onderzoek uitgevoerd te worden. Grond waarop een verdenking rust kan niet zonder meer keuringsvrij verzet en hergebruikt worden. Kwaliteitsklasse: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling in categorieën van de kwaliteit van de bodem, grond of baggerspecie.
Licht verontreinigde grond: de analyseresultaten van grond of bodem zijn getoetst aan de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering 20091 en de achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit. Bij licht verontreinigde grond is sprake van een achtergrondwaarde overschrijding, maar geen sprake van een tussenwaarde overschrijding. De tussenwaarde is een signaleringswaarde voor nader onderzoek en wordt voor grond gedefinieerd als (Achtergrond Waarde +lnterventiewaarde)/2. Locatie: een locatie is een eenheid (of een aggregatie van kleinste eenheden) met een vermoede of bewezen verontreiniging van de bodem die als één geheel wordt aangepakt (bron: circulaire Landsdekkend Beeld). Lokale Maximale Waarden: lokaal vastgestelde waarden voor de bodemkwaliteit waaraan de toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen. Bij het vaststellen van deze waarden is door het bevoegd gezag rekening gehouden met de actuele bodemkwaliteit en de risico’s voor de bodemfunctie ter plaatse. Lutum: gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 μm, betrokken op het totale drooggewicht van grond of baggerspecie (definitie Regeling bodemkwaliteit).
Maximale waarden voor bodemfunctieklassen: landelijk vastgestelde generieke waarden voor de bodemkwaliteit die voor een groep van bodemfuncties in algemene zin de bovengrens aangeeft van wat als een duurzaam geschikte toestand wordt beschouwd. Voor de generieke toetsing van op de landbodem toe te passen grond en baggerspecie worden twee bodemfunctieklassen onderscheiden: Wonen en Industrie. Voor klasse Landbouw/Natuur geldt al een maximale waarde, namelijk achtergrondwaarde (AW) Maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen: landelijk vastgestelde generieke waarden voor klassen waarin de actuele bodemkwaliteit kan worden ingedeeld. Voor de generieke toetsing van op de landbodem toe te passen grond en baggerspecie worden twee bodemkwaliteitsklassen onderscheiden: wonen en industrie. De bovengrens van deze klassen die de actuele bodemkwaliteit weergeven, komt overeen met de overeenkomstige bodemfunctieklassen die de gewenste kwaliteit weergeven. Milieuhygiënische verklaring: de kwaliteit van grond en baggerspecie kan worden aangetoond door middel van een milieuhygiënische verklaring. Het Besluit bodemkwaliteit kent de vijf typen milieuhygiënische verklaringen (partijkeuring, erkende kwaliteitsverklaring, fabrikant-eigen verklaring (op basis van erkend proces), (water)bodemonderzoek en (water) bodemkwaliteitskaart. 1
Circulaire bodemsanering 2009, Staatscourant, 7 april, nr. 67, in werking per 1 april 2009
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Nota bodembeheer gemeente Zoetermeer
Nader onderzoek: onderzoek dat nodig is met betrekking tot de vraag of een geval van verontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is (definitie Wet bodembescherming). Niet gezoneerd gebied: gebied of zone die uitgesloten is van de bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart zegt alleen iets over de diffuse bodemkwaliteit. Locaties waar de kwaliteit (vermoedelijk) afwijkt zijn uitgesloten. Dit zijn locaties waar een verdachte activiteit aanwezig is (geweest) waarvan de invloed op de bodemkwaliteit niet bekend is en locaties waar uit bodemonderzoek is gebleken dat de kwaliteit daadwerkelijk afwijkt van de gebiedskwaliteit. Niet toepasbare grond (generiek beleid): grond waarvan de kwaliteit de Maximale Waarden voor de klasse industrie overschrijdt mag in het generieke kader niet worden toegepast. Niet toepasbare baggerspecie: baggerspecie waarvan de interventiewaarden voor waterbodems worden overschreden, mag niet worden toegepast (hergebruikt). Ondergrond: deel van de bodem waar, bij normaal gebruik, geen contactmogelijkheden met bodemdeeltjes zijn, meestal het traject 0,5-2,0 m- maaiveld. De bodemlaag dieper dan 2,0 m-maaiveld wordt de diepe ondergrond genoemd. Ontgravingsklasse: de ontgravingsklasse geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een niet voor bodemverontreiniging verdachte locatie.
Ontgravingskwaliteit: de ontgravingskwaliteit die gebaseerd is op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden -AW2000), Wonen, Industrie of niet-toepasbaar. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden volgens het normenkader van het Besluit bodemkwaliteit. Klasse Landbouw/natuur (achtergrondwaarde – AW2000): Alle verontreinigingen voldoen aan de achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een beperkt aantal lichte overschrijdingen. De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. Elke overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel en PCB). Klasse Wonen: De verontreinigingen niet voldoen aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden. Opmerking: Anders dan bij de bodemkwaliteitsklasse-indeling, mogen hier geen overschrijdingen plaatsvinden. Klasse Industrie: De norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden. De norm voor klasse grens Industrie wordt niet overschreden. Klasse Niet toepasbaar: De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden.
De grond of bagger kan niet worden hergebruikt. Oriënterend bodemonderzoek: onderzoek naar aanleiding van een vermoeden dat sprake is van een geval van verontreiniging (definitie Wet bodembescherming); P80: 80-percentielwaarde, zijnde een kengetal van de kwaliteit van de bodem binnen een bodemkwaliteitszone, welke per stof wordt uitgedrukt in een gehalte (mg/kg droge stof), betreffende de waarde waarvoor geldt dat ten minste 95% van de meetwaarden voor de stof binnen de bodemkwaliteitszone een waarde heeft die kleiner dan of gelijk is aan deze waarde, berekend met de ‘Empirical distribution function with interpolation (MS Excel) method’ (definitie Regeling bodemkwaliteit). Parameter: chemische stof of een fysische eigenschap. Op deze stof kan het onderzoek zich richten.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Nota bodembeheer gemeente Zoetermeer
Partij: identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden verhandeld of toegepast. Partijkeuring: schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het Besluit bodemkwaliteit kan worden toegepast en hoe dit is vastgesteld. PFAS: Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS Poly- en perfluoralkylstoffen) zijn chemische stoffen die door de mens zijn gemaakt. Zij komen van nature niet in het milieu voor. Voorbeelden van PFAS zijn GenX, PFOA perfluoroctaanzuur (perfluoroctaanzuur) en PFOS perfluoroctaansulfonaten (perfluoroctaansulfonaten). PFAS zijn stoffen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Zij worden al decennia gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Naast deze positieve gebruikseigenschappen hebben PFAS ook negatieve milieueigenschappen, namelijk dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Van sommige PFAS is al aangetoond dat ze toxisch zijn.
De stoffen PFOS en PFOA behoren tot de zogenaamde Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) en vanaf juli 2019 ook GenX. Een aantal andere stoffen uit de PFAS groep staan op de lijst van potentiële ZZS (PZZS). Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten en de stofeigenschappen worden PFAS inmiddels in Nederland, en breder in Europa, niet alleen bij puntbronnen, maar ook als diffuse verontreiniging in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetroffen. Saneren: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem (definitie Wet bodembescherming). Schone grond: Ten eerste moet sprake zijn van grond (zie definitie grond). Daarnaast moet deze voldoen aan de AW2000. De wijze waarop vastgesteld wordt of grond voldoet aan de AW2000 waarden is beschreven in de regeling Bodemkwaliteit (art. 4.2). Hiervoor dient het (rekenkundig gemiddelde) gehalte van een gemeten stof niet de in de tabellen (bijlage B van de regeling) opgenomen waarde te overschrijden. Er dient rekening gehouden te worden met een correctie voor lutum gehalte en organische stofgehalte van de betreffende grond. Ook is in het Besluit bodemkwaliteit sprake van een verruimde toetsingseis, welke is terug te vinden in de Regeling bodemkwaliteit artikel 4.2.2 onder 4.
Bij meting van X stoffen mogen er Y stoffen zijn die een verhoging van maximaal 2 maal de AW2000 waarde hebben én de maximale waarde voor wonen niet overschrijden. Standaardbodem: bodem met 25% lutum en 10% organische stof (definitie Regeling bodemkwaliteit). Bij niet standaardbodem vindt een correctie naar het lutum- en organische stofgehalte plaats. Standstill op gebiedsniveau: de bodemkwaliteit mag plaatselijk verslechteren, mits dit elders in hetzelfde gebied tot een kwaliteitsverbetering leidt. Stedelijk gebied: gebieden binnen de bebouwde kom en toekomstige uitbreidingsgebieden. Storten: op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten (definitie Wet milieubeheer) daar waar een vergunning voor verleend is door het bevoegde gezag Wet milieubeheer. Toepassen van grond of baggerspecie: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder het toepassen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam mede verstaan het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Nota bodembeheer gemeente Zoetermeer
Verdachte locaties: zijn gedefinieerd als locaties waarbij op grond van de beschikbare informatie het vermoeden bestaat dat er bodemverontreiniging aanwezig is, zonder dat dit door middel van bodemonderzoek daadwerkelijk is vastgesteld (bron: Handboek Monitoring Bodemsanering, oktober 2001). Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van een oppervlaktewaterlichaam en het ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen. Bij het begrip ‘werk’ dienen de onderstaande accenten te worden geplaatst: de tijdelijkheid: toepassingen die het oogmerk hebben de grond definitief achter te laten zijn geen werk, maar betreft het storten van grond dan wel het hergebruik als bodem; de functionaliteit: bij hergebruik als werk moet er sprake zijn van een toepassing met een specifieke functie (anders is er sprake van ‘verkapt’ storten); de hoeveelheid: ook de hoeveelheid toe te passen materiaal moet functioneel zijn. Bijvoorbeeld het ophogen of verstevigen van wegen, het aanleggen van dijken en geluids- en windwallen. Zone: gebied op de bodemkwaliteitskaart waarbinnen de bodemkwaliteit homogeen wordt verondersteld.
Zorgplicht (artikel 13 Wet bodembescherming): ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.