CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - NIEUW Was-Wordt lijst

Raadsvergadering 12 september 2022, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Erfgoedverordening Zoetermeer 20225.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Erfgoedverordening – Was-Wordt lijst Erfgoedverordening Zoetermeer 2010 Citeertitel Erfgoedverordening Zoetermeer 2010 Artikel 1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder:

Erfgoedverordening Zoetermeer 2022 Citeertitel Erfgoedverordening Zoetermeer 2022 Artikel 1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder:

a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

a. gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn esthetische waarde, cultuurhistorische waarde, betekenis voor de wetenschap, situering of zeldzaamheidswaarde; 2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1; b. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a; c. beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; d. stadsbouwmeester bijgestaan door erfgoeddeskundigen: het op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde adviesorgaan met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het erfgoedbeleid, hierna verder aan te duiden als stadsbouwmeester; bijgestaan door erfgoeddeskundigen: het op basis van artikel 15

b. gemeentelijk erfgoedregister: een door het college bij te houden en door eenieder raad te plegen gemeentelijk erfgoedregister van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed en de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan een functie als cultureel erfgoed is toebedeeld. c. gemeentelijk beschermd monument: onroerende zaak als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid; d. Commissie Ruimtelijke Kwaliteit: gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet; e. gemeentelijk beschermd stadsof dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 20, eerste lid; f. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer; g. omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel

Toelichting Het jaartal is geactualiseerd. De begrippen die in de verordening niet meer worden gebruikt, zijn geschrapt. Dit betreft bijvoorbeeld ‘plan van aanpak’, ‘programma van eisen’, ‘gemeentelijke archeologische waardenkaart’ en de ‘Wabo’. Begripsbepalingen zijn aangepast/afgestemd op de terminologie in de Omgevingswet (hierna Ow) en Erfgoedwet. Dit zijn bijvoorbeeld de bepalingen ‘gemeentelijk monument’, ‘gemeentelijk erfgoedregister’, ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’ en ‘omgevingsvergunning’.

Monumentenwet 1988 ingestelde adviesorgaan met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het erfgoedbeleid, hierna verder aan te duiden als stadsbouwmeester; e. archeologisch monument: monument als bedoeld onder a, dat van algemeen belang is wegens zijn betekenis voor de wetenschap of wegens zijn cultuurhistorische waarde op grond van historische gegevens of archeologisch onderzoek of waarnemingen; f. gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten zijn aangegeven; g. plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; h. programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; i. gemeentelijk stadsgezicht: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun esthetische waarde, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde die overeenkomstig de bepalingen in deze verordening zijn aangegeven als beschermd gemeentelijk stadsgezicht;

5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of geen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

j. gemeentelijke lijst van stadsgezichten: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening gemeentelijk beschermde stadsgezichten; k. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; l. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer; m. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; n. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 2. Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt,

Artikel 2. [Vervallen]

Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument of archeologisch monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

Artikel 2 van de verordening over het gebruik van het monument, vervalt. Dit voegt namelijk geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden meegewogen. Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet in de verordening te worden benoemd. Aan lid 1 is ‘archeologisch monument’ toegevoegd, omdat dit aansluit bij de systematiek die in de Ow wordt gehanteerd. Lid 2 is vervallen, omdat onder de Ow de adviesverplichting voor aanwijzingsbesluiten van gemeentelijke monumenten wordt geregeld in artikel 2 lid 2

vraagt het college advies aan de stadsbouwmeester. 3. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel 4. Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1. De stadsbouwmeester adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de stadsbouwmeester, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.

2. Voordat het college een kerkelijk monument, dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 3. De aanwijzing kan geen monument of archeologisch monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 4. Voorbescherming Met ingang van de datum waarop alle zakelijk gerechtigden van een monument of archeologisch monument - die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet - de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10, 11 en 13 van overeenkomstige toepassing. Artikel 5. Advies gemeentelijke adviescommissie en beslistermijn aanwijzingsbesluit 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3, eerste lid, advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 2. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de Commissie

van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, Zoetermeer 2022. In lid 2 is ‘religieuze bestemming’ vervangen door ‘kerkelijk’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Erfgoedwet. In het nieuwe lid 3 is ook ‘archeologisch monument’ toegevoegd in lijn met lid 1. En is de verwijzing naar een artikel in de Monumentenwet 1988 gewijzigd in een verwijzing naar het vervangende artikel in de Erfgoedwet. Ontvangst van het voornemen tot aanwijzing door het college is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Daarom is het woord ‘eigenaar’ vervangen door ‘zakelijk gerechtigden (…) die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet’. Verder is ook hier ‘archeologisch monument’ toegevoegd, in lijn met artikel 3 en de systematiek in de Ow. Omdat artikel 12 en 14 zijn vervallen, zijn deze uit artikel 4 geschrapt. De titel van het artikel is aangepast, zodat dit beter de inhoud weergeeft. Voor aanwijzingsbesluiten van gemeentelijke monumenten wordt bij de inwerkingtreding van de Ow de adviesverplichting en adviestermijnen geregeld in artikel 2 lid 2 en artikel 6 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, Zoetermeer 2022. Vandaar dat in lid 1 van dit artikel nu alleen is geregeld het moment waarop advies wordt gevraagd, namelijk over het voornemen om een

Ruimtelijke Kwaliteit, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.

Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.

Artikel 6. Bekendmaking aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.

Artikel 7. Registratie in het gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college registreert het gemeentelijke monument in het gemeentelijk erfgoedregister.

2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 8. Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.

2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 8. Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.

2. Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

2. Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.

3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.

gemeentelijk monument aan te wijzen. Het nieuwe lid 2 is toegevoegd, zodat dit analoog is geregeld aan wat er voor de aanwijzing van rijksmonumenten is bepaald in artikel 17.9 van de Ow. Lid 2 is het nieuwe lid 3 geworden. De woorden ‘mededeling’ en ‘medegedeeld’ zijn vervangen door ‘bekendmaking’ en ‘schriftelijk bekendgemaakt’, omdat dit aansluit bij de terminologie die wordt gebruikt in artikel 3:41 Awb. ‘Kadastrale legger’ is vervangen door de ‘openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Kadasterwet. ‘Gemeentelijke monumentenlijst is vervangen door ‘gemeentelijk erfgoedregister’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Erfgoedwet.

In lid 4 is ‘gemeentelijke monumentenlijst’ vervangen door ‘gemeentelijk erfgoedregister’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Erfgoedwet.

4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing 1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.

4. De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing 1. Indien het college de aanwijzing intrekt, is artikel 5 van overeenkomstige toepassing.

2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel 4 van de monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.

2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.1 van de Erfgoedwet of als het gemeentelijk monument is aangewezen op grond van een monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.

3. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.

3. De intrekking wordt op in het gemeentelijk erfgoedregister geregistreerd.

Artikel 10. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen. 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt

Artikel 10. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze

In lid 1 is de verwijzing naar artikel 3, tweede lid geschrapt, omdat dit artikellid is vervallen. In lid 2 is de verwijzing naar artikel 3 van de Monumentenwet 1988 gewijzigd in een verwijzing naar het vervangende artikel in de Erfgoedwet. Verder is de specifieke vermelding van artikel 4 van de provinciale monumentenverordening vervangen door een meer generieke verwijzing naar een provinciale monumentenverordening. Het genoemde artikel 4 bestaat namelijk niet meer en er is geen vervangend artikel om naar te verwijzen. In lid 3 is ‘gemeentelijke monumentenlijst’ vervangen door ‘gemeentelijk erfgoedregister’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Erfgoedwet. Om de leesbaarheid te verbeteren, is in leden 1 en 2 de verwijzing naar artikel 1 van de verordening geschrapt. Verder is in lid 1 het zinsdeel ‘of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is’, toegevoegd. Hierdoor is aangesloten bij de formuleringen in het Besluit activiteiten leefomgeving. In lid 2 is ‘vergunning’ in ‘omgevingsvergunning’ gewijzigd, omdat het een omgevingsvergunning betreft. Om dezelfde reden is ‘bevoegd gezag’ gewijzigd in ‘college’. In lid 4 is ‘religieuze bestemming’ vervangen door ‘kerkelijk’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Erfgoedwet. En ook hier is ‘vergunning’ in ‘omgevingsvergunning’ gewijzigd,

met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, geen omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

5. Het college kan aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van het monument, zoals het verrichten van bouwhistorisch of ander onderzoek. Artikel 11. De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.

5. Het college kan aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van het monument, zoals het verrichten van bouwhistorisch of ander onderzoek. Artikel 11. De schriftelijke aanvraag Een schriftelijke aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.

Artikel 12. Termijnen advies 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de stadsbouwmeester voor advies.

Artikel 12. [Vervallen]

2. Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de stadsbouwmeester schriftelijk advies uit aan het college. Artikel 13. Weigeringsgronden De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel 14. Intrekken van de vergunning

omdat het een omgevingsvergunning betreft.

De verwijzing naar artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht is geschrapt, omdat dit besluit vervalt wanneer de Ow in werking treedt. In plaats daarvan is het woord ‘schriftelijk’ opgenomen, omdat artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht zag op ‘schriftelijke aanvragen’ die niet via elektronische weg worden ingediend. Voor aanvragen omgevingsvergunningen met betrekking tot gemeentelijke monumenten worden bij de inwerkingtreding van de Ow de adviesverplichting en adviestermijnen geregeld in artikel 2 lid 2 en artikel 6 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, Zoetermeer 2022.

Artikel 13. Weigeringsgronden De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

De expliciete vermelding dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument, vervalt. Zie hierover de toelichting bij artikel 2.

Artikel 14. [Vervallen]

Artikel 14 vervalt, want na inwerkingtreding van de Ow zijn de intrekkingsgronden van een omgevingsvergunning uitputtend

De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen. Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de stadsbouwmeester. 2. De stadsbouwmeester adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift. Artikel 16. Aanwijzing en registratie 1. Het college registreert op de gemeentelijke monumentenlijst archeologische terreinen en kan daartoe uit eigener beweging of op verzoek van belanghebbende terreinen aan toevoegen, afvoeren of anderszins daarin wijzigingen aanbrengen. 2. Artikel 3, lid 2 en 4, en artikel 4 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 17. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 en e, de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; a. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

geregeld in onder andere de artikelen 5.39 en 5.40 van de Ow, artikel 8.97 e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en – i.v.m. overgangsrecht – ook artikel 10a.12 van het Bkl

Artikel 15. [Vervallen]

Voor aanvragen omgevingsvergunningen met betrekking tot beschermde monumenten worden bij de inwerkingtreding van de Ow de adviesverplichting en adviestermijnen geregeld in artikel 2 lid 2 en artikel 6 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, Zoetermeer 2022.

Artikel 16. [Vervallen]

Doordat een archeologisch monument onder het begrip ‘gemeentelijk monument’ valt, is een apart artikel over de aanwijzing en registratie van archeologische monumenten niet meer nodig.

Artikel 17. [Vervallen]

Omdat de bescherming van archeologische monumenten is opgenomen in de Zoetermeerse bestemmingsplannen (conform artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 Besluit omgevingsrecht), is deze vangnetbepaling niet meer nodig.

b. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; c. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart; d. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: • het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of • de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of • in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel 18. Opgravingen en begeleiding 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Zoetermeer onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a. het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder h, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. b.

de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder g van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.

Artikel 18. [Vervallen]

Dit is inmiddels geregeld via de ‘archeologische’ vergunningplicht in de bestemmingsplannen. In een dergelijke omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden opgenomen, zoals bijvoorbeeld een programma van eisen.

2. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Artikel 19. Procedure De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 17, tweede lid, onder d, en artikel 18, eerste lid, onder b. Artikel 20. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht 1. Het college kan een stadsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stadsgezicht. 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan de stadsbouwmeester. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven. 3. De aanwijzing kan geen stadsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van artikel 13 van de monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel 21. Termijn advies en aanwijzingsbesluit 1. De stadsbouwmeester adviseert schriftelijk binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek van het college.

Artikel 19. [Vervallen]

Omdat artikel 17 en 18 zijn vervallen, vervalt ook dit artikel. Dit artikel bevat namelijk alleen procedureregels voor de activiteiten in artikel 17 en 18.

Artikel 20. De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

In lid 1 is ‘stadsgezicht’ vervangen door ‘stads- of dorpsgezicht’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Ow.

2. De aanwijzing kan geen stadsof dorpsgezicht betreffen dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van een monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 21. Advies gemeentelijke adviescommissie en beslistermijn aanwijzingsbesluit 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 20, eerste lid, advies aan een gemeentelijke

Lid 2 is vervallen, want de adviesverplichting voor de aanwijzing van beschermde stadsof dorpsgezichten wordt bij de inwerkingtreding van de Ow geregeld in artikel 2 lid 2 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, Zoetermeer 2022. In het nieuwe lid 2 is ook weer ‘stadsgezicht’ vervangen door ‘stads- of dorpsgezicht’. En verder is de formulering van dit artikel geactualiseerd conform de wijze waarop de aanwijzing van beschermde stads- of dorpsgezichten door het rijk of de provincie gaat werken onder de Ow. Net als bij artikel 5 van deze verordening is de titel van het artikel aangepast, zodat dit beter de inhoud weergeeft. Voor aanwijzingsbesluiten van beschermde stads- en

2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de stadsbouwmeester, maar in ieder geval binnen vierentwintig weken na de adviesaanvraag.

adviescommissie, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de gemeentelijke adviescommissie, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, maar in ieder geval binnen vierentwintig weken na de adviesaanvraag.

Artikel 22. Registratie op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten 1. Het college registreert het beschermde gemeentelijke stadsgezicht op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten. 2. De gemeentelijke lijst van stadsgezichten bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van het beschermde stadsgezicht en een beschrijving in woord en beeld van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden. Artikel 23. Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan de aanwijzing al dan niet op verzoek van een belanghebbende wijzigen. 2. Artikel 20, tweede en derde lid en artikel 21, eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van de artikelen 20 en 21 achterwege.

Artikel 22. Registratie in het gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college registreert het beschermde gemeentelijke stadsof dorpsgezicht in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van het beschermde stadsgezicht en een beschrijving in woord en beeld van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden. Artikel 23. Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan de aanwijzing al dan niet op verzoek van een belanghebbende wijzigen. 2. Artikel 20, tweede lid en artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van de artikelen 20 en 21 achterwege. 4. De inhoud en datum van de wijziging wordt in het

dorpsgezichten wordt bij de inwerkingtreding van de Ow de adviesverplichting en adviestermijnen geregeld in artikel 2 lid 2 en artikel 6 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, Zoetermeer 2022. Vandaar dat in lid 1 van dit artikel nu alleen is geregeld het moment waarop advies wordt gevraagd, namelijk over het voornemen om een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht aan te wijzen. Lid 2 is toegevoegd, zodat dit analoog is geregeld aan wat er voor de aanwijzing van rijksmonumenten is bepaald in artikel 17.9 van de Ow. Lid 2 is lid 3 geworden. ‘Gemeentelijke monumentenlijst’ is vervangen door ‘gemeentelijk erfgoedregister’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Erfgoedwet. En ‘stadsgezicht’ is vervangen door ‘stads- of dorpsgezicht’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Ow.

In lid 2 is de verwijzing naar het derde lid van artikel 20 geschrapt, omdat dit artikellid is vervallen. Verder is heel artikel 21 van toepassing verklaard, omdat een derde lid aan dit artikel is toegevoegd en ook van toepassing is. In lid 4 is ‘Gemeentelijke monumentenlijst’ vervangen door ‘gemeentelijk erfgoedregister’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Erfgoedwet.

4. De inhoud en datum van de wijziging wordt op de gemeentelijke lijst van beschermde stadsgezichten aangetekend. Artikel 24. Intrekken van de aanwijzing 1. Het college kan de aanwijzing intrekken.

gemeentelijk erfgoedregister aangetekend.

2. Artikel 20, tweede lid en artikel 21, eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Artikel 20, tweede lid en artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel 13 van de monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.

3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stadsof dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet.

4. De datum van intrekking wordt op de gemeentelijke lijst van beschermde stadsgezichten aangetekend. Artikel 25. Vaststelling bestemmingsplan en advies van de stadsbouwmeester 1. De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd stadsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. 2. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stadsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend in de zin van het eerste lid kunnen worden aangemerkt. 3. Alvorens het college de gemeenteraad ter zake een voorstel doet, wordt de stadsbouwmeester om advies gevraagd. 4. De stadsbouwmeester adviseert schriftelijk binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek van het college.

Artikel 24. Intrekken van de aanwijzing 1. Het college kan de aanwijzing intrekken.

4. De datum van intrekking wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Artikel 25. Wijziging omgevingsplan en advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1. De gemeenteraad wijzigt, ter bescherming van een op grond van een artikel 20, eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht het omgevingsplan, als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. 2. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het eerste lid kan worden aangemerkt. 3. Alvorens het college de gemeenteraad ter zake een voorstel doet, wordt de gemeentelijke adviescommissie, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet om advies gevraagd.

In lid 2 is heel artikel 21 van toepassing verklaard, omdat een derde lid aan dit artikel is toegevoegd en deze ook van toepassing is. De formulering van lid 3 is geactualiseerd conform de wijze waarop de aanwijzing van beschermde stads- of dorpsgezichten door het rijk of de provincie gaat werken onder de Ow. In lid 4 is ‘Gemeentelijke monumentenlijst’ vervangen door ‘gemeentelijk erfgoedregister’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Erfgoedwet.

De titel van het artikel en lid 1 tot en met 3 zijn aangepast, zodat dit aansluit bij de terminologie, verwijzingen en formuleringen die gelden onder de Ow. Lid 4 vervalt, want de adviestermijnen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden bij de inwerkingtreding van de Ow geregeld in artikel 6 van de Verordening op de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, Zoetermeer 2022.

Artikel 26. Tegemoetkoming in schade Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen; b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10; c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid; d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder d; e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede volzin. Artikel 27. Strafbepaling Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 28. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: a. Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1; de met opsporing c.q. toezicht belaste personen; b.

Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2; de met opsporing c.q. toezicht belaste personen. 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening

Artikel 26. [Vervallen]

Artikel 26 vervalt, omdat nadeelcompensatie wordt geregeld door de Ow. In artikel 15.1 van de Ow zijn de schadeoorzaken limitatief opgesomd.

Artikel 27. Strafbepaling Degene, die handelt in strijd met artikel 10, eerste of derde lid, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Overtreding van artikel 10 eerste lid is ook strafbaar gesteld, omdat dit aansluit bij de Wet op de economische delicten.

Artikel 28. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de met opsporing c.q. toezicht belaste personen.

Lid 1 van dit artikel is tekstueel vereenvoudigd, waardoor ook de terminologie aansluit bij wat er onder de Ow gaat gelden.

2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen.

De verwijzing naar artikel 16 is geschrapt, omdat dit artikel is vervallen.

In lid 2 is de burgemeester geschrapt, omdat op grond van artikel 18.6 Ow het college bevoegd is om personen aan te wijzen die met toezicht op de naleving worden belast.

belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel 29. Intrekken oude regeling De Monumentenverordening Zoetermeer, vastgesteld op 19 februari 2001, gewijzigd op 25 april 2005 en op 8 december 2008, wordt ingetrokken per datum inwerkingtreding Erfgoedverordening Zoetermeer 2010. Artikel 30. Overgangsrecht 1. De op grond van de onder artikel 29 ingetrokken Monumentenverordening Zoetermeer 2001 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, gemeentelijke stadsgezichten en gemeentelijke archeologische monumenten worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de Erfgoedverordening Zoetermeer 2010 worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 29 ingetrokken Monumentenverordening Zoetermeer 2001. Artikel 31. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking twee weken na de bekendmaking.

Artikel 32. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Zoetermeer 2010.

Artikel 29. Intrekken oude regeling De Erfgoedverordening Zoetermeer 2010 wordt ingetrokken per datum inwerkingtreding Erfgoedverordening Zoetermeer 2022.

De titels van de regelingen zijn geactualiseerd en het is tekstueel vereenvoudigd door de datum van vaststelling en wijzigingen weg te laten.

Artikel 30. Overgangsrecht 1. De op grond van de Monumentenverordening 2001 en Erfgoedverordening Zoetermeer 2010 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, gemeentelijke stads- of dorpsgezichten en gemeentelijke archeologische monumenten worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

De titels van de regelingen zijn geactualiseerd en het artikel is tekstueel vereenvoudigd door de verwijzing naar artikel 29 weg te laten. Daarnaast is in lid 1 ‘stadsgezicht’ vervangen door ‘stads- of dorpsgezicht’, omdat dit aansluit bij de terminologie in de Ow.

2. Aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de Erfgoedverordening Zoetermeer 2022 worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening Zoetermeer 2010. Artikel 31. Inwerkingtreding Deze verordening treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking. Artikel 32. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Zoetermeer 2022.

Het moment van inwerkingtreding is geactualiseerd. Deze is gelijkgesteld met de dag van inwerkingtreding van de Ow

Het jaartal in de titel van de regeling is geactualiseerd

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=7890e112-7b43-45c1-ba6f-acb88b57df89