Bijlage 2a bijlage 1 bij plantoelichting Wet Natuurbescherming onderzoek
Tekst van het document
Notitie Opdrachtgever: K. Grit, gemeente Zoetermeer Auteur: Betreft:
G. Bakker Onderzoek beschermde natuurwaarden Projectgebied Centraal Park, Zoetermeer
Projectnummer:
2534
Datum: Status:
12 augustus 2022 DEFINITIEF(v2)
bezoekadres: Natuurhistorisch Museum Rotterdam Westzeedijk 345 3015 AA Rotterdam telefoon: 010 – 266 04 70 e-mail: info@bureaustadsnatuur.nl www.bureaustadsnatuur.nl
Inleiding In het kader van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen (zie: Visie Centraal Park mei 2017) in het projectgebied ‘Centraal Park’ te Zoetermeer (Figuur 1) is Bureau Stadsnatuur door de gemeente Zoetermeer gevraagd om actualiserend onderzoek te doen naar het voorkomen van beschermde soorten en functies daarvoor, in relatie tot het groen en water in het gebied. In het verleden zijn in hetzelfde gebied diverse natuurwaardenonderzoeken in opdracht van gemeente Zoetermeer gedaan en potenties naar voren gekomen (zie Bakker 2007, 2013). Derhalve heeft het onderzoek zich gericht op de soortgroepen die eerder een rol speelden: vogels, vleermuizen, eventuele groeiplaatsen van op basis van gemeentelijk beleid beschermde plantensoorten en invasieve exoten. Voorgenomen werkzaamheden moeten een kwaliteitsimpuls geven aan het groen in het gebied. Dit past in de doelstellingen van het biodiversiteitsbeleid van de Gemeente Zoetermeer. Zie de Bijlage, punt 12, voor een toelichting hierop.
Kader van het onderzoek Het veldonderzoek richt zich op de beschermde flora en fauna uit art. 3.1-3.10 uit de Wet natuurbescherming. In het kort komt dat neer op de beschermde soorten van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn aangevuld met enkele nationaal/provinciaal beschermde soorten. De vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rusten verblijfplaats krijgen hierbij extra aandacht. Het veldonderzoek richt zich ook op de Zoetermeerse ‘Veldgidssoorten’ (zie Vos & Szegedi 2011). In deze veldgids staan een aantal plantensoorten beschreven, die niet strikt beschermd zijn onder de Wnb, maar waarvoor wel een gemeentelijke instandhoudingsdoelstelling geldt.
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzichtelijk te maken welke beschermde soorten en gebiedsfuncties daarvoor in het plangebied voorkomen, met als doel deze te kunnen ontzien in de planvorming. Mitigerende maatregelen in relatie tot locaties, werkwijze en planning kunnen daaraan bijdragen. Wanneer een beschermde situatie echt niet kan worden ontzien, is mogelijk een ontheffing van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming nodig. Voorliggende notitie kan daarvoor als basis dienen, voor wat betreft de aantasting van groen en bomen in het gebied. Het onderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van essentiële foerageerplaatsen en vliegroutes van vleermuizen en paarverblijfplaatsen in bomen. Het vleermuisonderzoek is niet gericht op bebouwing. Voor sloop van bebouwing is, afhankelijk van de potenties van die bebouwing, mogelijk aanvullend vleermuisonderzoek nodig. Het onderzoek heeft zich gericht op potenties van het groen voor broedende vogels (en het uitsluiten daarvan) met een specifieke aandacht voor soorten met een jaarrond beschermd nest. Het onderzoek heeft zicht, ten slotte, ook gericht op waardevolle groeiplaatsen van planten, met de Zoetermeerse Veldgidssoorten als leidraad.
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
1 / 14
Figuur 1. Begrenzing plangebied Centraal Park met projectie toekomstige inrichting. Nummers verwijzen naar deelgebieden, zie hoofdtekst (bron: gemeente Zoetermeer).
Beschrijving plangebied: huidige situatie en toekomstige situatie Centraal in het plangebied ligt de Grote Dobbe (deelgebied 4), een gegraven vijver die ook in de toekomst als zodanig blijft bestaan. De oevers worden anders ingericht, waarbij vergroening centraal staat. Rondom bevindt zich een ruime hoeveelheid bebouwing. Het gebied wordt, afgezien van bosschages, groenstroken en particuliere tuinen, intensief doorsneden door voet- en fietspaden en in bestrating. Het gebied, gelegen in het hart van Zoetermeer, wordt intensief betreden door mensen. Vrijwel overal in het gebied is de openbare ruimte in beheer van de gemeente, wat betekent dat er periodiek gemaaid wordt en watergangen worden geschoond. Deelgebied 1 en 2 bestaat momenteel geheel uit verharding met bomen in boomspiegels, deelgebied 3 en 6 bestaan vooral uit gazons met verspreid aangeplante bomen. De bosplantsoenen in deelgebied 4, 5 en 7 (en 8, buiten dit onderzoek) kennen een extensiever beheer, wat meer perspectief biedt voor het voorkomen van een groter aantal soorten planten en dieren. Voor de plannen per deelgebied wordt verwezen naar de Visie Centraal Park van mei 2017.
Methodiek Verkenning potenties: quick scan De focus ligt op uitsluitend het groen en water in de deelgebieden 1, 3, 4, 5, 6 en 7. Mogelijk zijn er de laatste jaren veranderingen opgetreden in het plangebied, waardoor er leefgebied is ontstaan voor beschermde soorten. In een verkennend bezoek zijn deze potenties, of het ontbreken ervan, per deelgebied gedocumenteerd. Eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten uit de Veldgids (bijv. Rietorchis) zijn gedurende dit bezoek genoteerd, alsmede boomholtes die een potentieel geschikte verblijfplaats zouden kunnen vormen voor vogels of vleermuizen. Daarnaast is gelet op potentieel leefgebied van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. De gebiedsverkenning is uitgevoerd in de avond van 3 september 2022.
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
2 / 14
Opzet Vleermuisonderzoek De focus ligt op uitsluitend het groen en water in de deelgebieden 1, 3, 4, 5, 6 en 7. Dat de Grote Dobbe (deelgebied 4) wordt gebruikt als foerageergebied door vleermuizen is eerder aangetoond. Omdat deze gegevens verouderd zijn is deze functionaliteit opnieuw onderzocht en is daarnaast gelet op eventuele vaste vliegroutes. Er zijn drie bezoeken gebracht; twee in het najaar, op 3 september en 30 september 2021 en één in het voorjaar, op 27 juni 2022, gericht op het vastleggen van essentiële foerageerplaatsen en vliegroutes van vleermuizen naar deelgebied 4. Bezoeken zijn wat betreft planning, timing en wijze van uitvoering verricht conform richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021 (NGB, VZZ & GaN 2020). De inventarisaties hebben zich gericht op de functie van het groen en het water en niet van bebouwing. De vleermuisinventarisaties zijn door één of twee ecologen uitgevoerd met behulp van heterodyne batdetectors met opnamefunctie (Pettersson D240x), een batlogger opnameapparaat (Elekon Batlogger M) en warmtebeeldcamera (Pulsar Helion XP28). Bij ieder bezoek zijn alle waargenomen vleermuizen vastgelegd met bijbehorende GPS-locatie. Waar mogelijk zijn gegevens over de soort en het gedrag genoteerd. De data en weersomstandigheden staan in Tabel 1. Tabel 1. Datum, weersomstandigheden en tijdsperiode per veldbezoek.
datum 03 sep 2021 30 sep 2021 27 juni 2022
bewolkingsgraad 0/8 6/8 1/8
temperatuur 16 12 19
wind NO1 Z2 ZW1
neerslag geen geen geen
tijd 19:30-22:30 19:25-21:25 21:40-00:00
zonsondergang 20:24 19:22 22:06
Inventariseerder G. Bakker J. Keyzer G. Bakker, A. de Baerdemaeker
Determinatie van vleermuisopnames met de Batloggers is achteraf uitgevoerd met behulp van de softwareprogramma’s BatExplorer 2.0. (Elekon AG 2018) en Batsound 4.01 (Pettersson Elektronik 2008) en op basis van vooraf gestelde akoestische kenmerken (Barataud 2015, Russ 2012, Skiba 2009).
Opzet vogelonderzoek Op 3 september 2021 en 27 juni 2022 (broedseizoen) is het groen in het plangebied voorafgaand aan het vleermuisonderzoek onderzocht op potenties voor- en gebruik door vogelsoorten met jaarrond beschermd nest. Het eerste bezoek, op 3 september 2021, moet dus worden beschouwd als ‘quick scan’, c.q. verkennend onderzoek, waarbij moet worden opgemerkt dat de auteur het plangebied de afgelopen jaren vaker heeft doorkruist buiten de kaders van een project. De oppervlakte te onderzoeken bosschages is beperkt, dus in korte tijd is de situatie door één ecoloog representatief te beoordelen. Grote delen van het plangebied bestaan uit kortgemaaide gazons met vrijstaande bomen, parkeerplaatsen en paden die überhaupt geen potentie hebben als leefgebied voor enige beschermde soort (zie verderop). Ondanks de ogenschijnlijk grote oppervlakte, is de potentie voor beschermde natuurwaarden laag. De focus lag op deelgebieden 4, 5 en 7, omdat zich daar dichtere stukken bosplantsoen in bevinden die wellicht potentie hadden als broedplaats of rustplaats voor met name Sperwer Accipiter nisus en Ransuil Asio otus en daarnaast mogelijk als vaste rustplaats voor Huismus Passer domesticus. Er is gericht gezocht naar nesten van Sperwer en nesten in gebruik door Ransuil, alsmede exemplaren van deze soorten.
Op basis hiervan werd vastgesteld dat de potentie voor Ransuil nihil is, en de potentie voor Sperwer laag. Aanwezigheid van Sperwer is op 27 juni 2022 onderzocht door te letten op aanwezigheid van adulte vogels en eventuele bedelende jongen in het plangebied. Ten aanzien van Ransuil is in de periode na zonsondergang gelet op aanwezigheid van adulte vogels en bedelende jongen. Er zijn tijdens de quick scan geen mogelijke nesten van Sperwer gevonden in de bosplantsoenen in het plangebied. De potenties voor Huismus zijn op voorhand uitgesloten: nergens is sprake van door mussen gewenste dichte bosschages (zoals Bruidssluier, Braam, Bamboe) die een voor de soort essentiële functie zouden kunnen vervullen. Omdat sprake is van intensief beheer, is hierin op korte termijn ook geen verandering te verwachten. Overigens wees informatie in de NDFF en waarneming.nl op het ontbreken van waarnemingen van de Huismus in het plangebied de afgelopen vijf jaar. Om genoemde redenen is uitgebreid onderzoek naar de Huismus (i.e. volgens de richtlijnen van het Kennisdocument Huismus, (BIJ12 2021)) niet nodig bevonden. Voor overige strikt beschermde soorten is het gebied op basis van de bekende verspreidingsgegevens en urbane context op voorhand niet relevant. Particuliere tuinen zijn niet betreden, al is wel gelet op aanwezigheid van genoemde soorten.
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
3 / 14
Resultaten Hierna zijn per deelgebied (m.u.v. 8) de bevindingen samengevat. Daarna worden voor de afzonderlijke soortgroepen de bevindingen besproken.
Deelgebied 1 (planning: medio 2023-medio 2024) Deelgebied 1 bestaat vrijwel volledig uit verharding in de vorm van klinkerbestrating met daarin aangeplante bomen met een kleine boomspiegel. De potenties voor beschermde soorten werden laag ingeschat. De resultaten van het vleermuisonderzoek laten zien dat het niet van groot belang is. Vogelsoorten als Houtduif kunnen nestelen in de bomen, verder zijn hier geen beschermde natuurwaarden te verwachten.
Deelgebied 2 (planning: 2025) Deelgebied 2 betreft de Markt. Deze bestaat volledig uit verhardingen in de vorm van klinkerbestrating. Beschermde natuurwaarden zijn hier niet aanwezig of te verwachten, als is de aanwezigheid van een broedpaar Slechtvalk Falco peregrinus (gebruik makend van een nestkast) op de aangrenzende woontoren een aandachtspunt, afhankelijk van de aard van voorgenomen werkzaamheden.
Deelgebied 3 (planning: eind 2022-2023) In dit deelgebied werden potenties verwacht voor vleermuizen en vogels op basis van de gevarieerde inrichting. De zuidkant van deelgebied 3 is van groot belang als foerageergebied voor de Gewone en de Ruige dwergvleermuis. De noordkant, grenzend aan de Markt, niet. Duisternis en aanwezigheid van gesloten rijen bomenkronen spelen hierin mee, de aanzienlijke hoeveelheid verlichting en het ontbreken van een bruikbare hoeveelheid bomen aan de Marktzijde maakt deze vermoedelijk minder aantrekkelijk voor vleermuizen.
Deelgebied 4 (planning: eind 2022-2023) Ook dit deelgebied kende op voorhand hoge potenties voor beschermde soorten. De hele zuidelijke oeverzone van deelgebied 4, inclusief het water van de Grote Dobbe, is van groot belang als foerageergebied voor de Gewone en de Ruige dwergvleermuis. De reden hiervoor is als voor deelgebied 3: een grote hoeveelheid loof, dito insectenaanbod (voedsel) en beschutting tegen wind en omgevingslicht. De boom- en struikbeplanting is van relatief groot belang als broedgebied voor vogels. Vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht. Dit heeft onder meer te maken met de ligging in een druk stedelijk gebied en de daaruit voortvloeiende betreding door mensen.
Deelgebied 5 (planning: medio 2023-2024) Deelgebied 5 omvat de Nicolaaskerk, het kerkhof en het Nicolaasplein, inclusief de aangrenzende oeverzone van de Grote Dobbe. De kerk zelf viel buiten de scope van het onderzoek. Het kerkhof is niet van wezenlijk belang als foerageergebied voor vleermuizen. De oeverzone met boombeplanting langs de Grote Dobbe is dat wel. Tientallen Gewone en Ruige dwergvleermuizen gebruiken deze als foerageergebied. Ook hier zijn diverse algemeen voorkomende broedende vogels te verwachten. Vogelsoorten met jaarrond beschermd nest zijn hier niet aangetroffen en worden niet verwacht. Ook overige strikt beschermde natuurwaarden zijn niet aangetroffen.
Deelgebied 6 (planning: 2024) Deelgebied 6 bestaat voor het grootste deel uit gemaaid gazon, enkele verspreidstaande bomen en jonge aanplant van heesters, met centraal een particuliere tuin, aan de westzijde begrensd door de Leidsewallenwetering. Aanwezige bomen hebben geen holtes die geschikt zijn voor vleermuizen. Het groen is van belang als broedplaats voor algemeen voorkomende soorten vogels, soorten met een jaarrond beschermd nest zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht.
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
4 / 14
Deelgebied 7 (planning: 2024) Deelgebied 7 vormt een potentiële groene corridor tussen de Grote Dobbe en Deelgebied 8. Hier is gericht gelet op een vliegroutefunctie voor vleermuizen. Deze is niet aangetroffen: migratie van (dwerg)vleermuizen vond diffuus plaats, zonder dat gebruik gemaakt werd van deze specifieke zone. Het groen in deelgebied 7 heeft kwaliteit als broedgebied voor vogels, maar het is geen plaats waar zich jaarrond beschermde nesten bevinden. Overige beschermde soorten zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht.
Vleermuizen: soorten en aantallen Gewone dwergvleermuis Gedurende het onderzoek zijn vijf soorten vleermuizen waargenomen in het plangebied (Tabel 2). Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus was, zoals verwacht, de beeldbepalende vleermuissoort die op alle bezoekmomenten als standsoort langdurig foeragerend is aangetroffen. Naar schatting gebruikten enkele tientallen exemplaren het plangebied tijdens de waarnemingsperioden. Op basis hiervan wordt gesteld dat delen ervan een essentiële functie vervullen als foerageergebied. Ruige dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis P. nathusii is eveneens op alle bezoekmomenten vastgesteld, al varieerde de presentie, ook conform verwachting, daar deze soort seizoensmigratie vertoont. Op 3 september 2021 was 33% van het totaal aantal opgenomen vleermuizen een Ruige dwergvleermuis; op 30 september was dit nog maar 2%; op 27 juni 2022 betrof 15% van de opnamen deze soort. Zowel Gewone als Ruige dwergvleermuis kunnen in de bebouwde kom van Zoetermeer breed verspreid verblijvend in bebouwing worden aangetroffen. Gelet op de presentie, kan worden gesteld dat het plangebied een voor de soort essentiële foerageerfunctie vervult. Laatvlieger Op 3 september 2021 werd éénmalig een passerende Laatvlieger Eptesicus serotinus waargenomen en opgenomen vanaf de noordoostelijke oever van de Grote Dobbe.
Gelet op het feit dat dit de enige waarneming betrof, kan worden aangenomen dat deze schaars is in de omgeving en dat het plangebied geen essentiële functie vervult voor deze grote gebouwbewonende vleermuissoort. Rosse vleermuis Op 3 september 2021 is tweemaal kortstondig een passerende Rosse vleermuis Nyctalus noctula waargenomen en opgenomen. Dergelijke overvliegende exemplaren kunnen doorgaans overal in Zoetermeer worden vastgesteld. Gelet op het verder ontbreken van waarnemingen, kan worden aangenomen dat het plangebied niet van groot belang is voor deze soort. Kleine dwergvleermuis Op 30 september 2021 zijn vier opnamen gemaakt van Kleine dwergvleermuis P. pygmaeus. Gelet op de locaties en timing betreft het vrijwel zeker één exemplaar. De determinatie kon tevens worden bevestigd op basis van twee opgenomen sociale roepjes, die voor deze soort unieke karakteristieken laten zien. Gelet op de kortstondige aanwezigheid en het feit dat het slechts één exemplaar betreft, wordt geconcludeerd dat het plangebied niet van belang is voor deze vooralsnog zeldzame soort (met dichtstbijzijnde bekende kraamverblijven in Wassenaar). Tabel 2. Vastgestelde soorten vleermuizen en aantal opnamen per soort per bezoek (als maat voor relatieve presentie). soort Pipistrellus pipistrellus Pipistrellus nathusii Eptesicus serotinus Nyctalus noctula Pipistrellus pygmaeus Totaal
3 sep 2021 88 47 5 2 0 142
30 sep 2021 213 6 0 0 4 223
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
27 jun 2022 387 69 0 0 0 456
5 / 14
Vleermuizen: gebiedsfuncties In de onderstaande figuren is gevisualiseerd waar vleermuizen zijn opgenomen, in relatie tot de (nu naar windrichting gecorrigeerde) zoneringskaart van het plangebied. Hoe roder de stippenwolken, hoe groter het aantal opnames. Een groot aantal opnames kan op conto komen van één of enkele vleermuizen, maar omdat het hele plangebied is doorlopen, geeft het een indicatie van de duur van aanwezigheid van de soort op een bepaald punt. Hoe langer een vleermuis op een vaste plaats foerageert, hoe relevanter die plaats is als foerageerplaats. Visualisatie met warmtebeeldcamera wees uit dat stippenwolken vrijwel overal activiteit van grotere aantallen vleermuizen representeren. NB. In deelgebied 6 zijn geen opnamen gemaakt, hier zijn op 30 september 2021 wel exemplaren van de Gewone dwergvleermuis foeragerend waargenomen, maar geen hoge aantallen. De Leidsewallenwetering langs het Marseillepad is sterk verlicht en daardoor geen aantrekkelijke vliegroute voor lichtmijdende vleermuissoorten (soorten uit het genus Myotis).
Figuur 2. Heatmap van vleermuisactiviteit (alle soorten) ronde de Grote Dobbe op 3 september (links) en 30 september 2021 (rechts).
Figuur 3. Heatmap van vleermuisactiviteit (alle soorten) ronde de Grote Dobbe op 27 juni 2022.
De resultaten laten zien dat deelgebieden 3, 4 en 5 van groot belang zijn voor foeragerende exemplaren van de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis. Er zijn geen op bomen baltsende exemplaren van de Ruige dwergvleermuis vastgesteld indicatief voor een paarverblijf. Alle potenties voor verblijfsfuncties (zomer-,
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
6 / 14
paar-, winter- en kraamverblijfplaatsen) bevinden zich in bebouwing rondom het plangebied. Wanneer bebouwing wordt gesloopt (buiten de scope van voorliggend onderzoek) wordt derhalve aanvullend vleermuisonderzoek aanbevolen.
Vogels: jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen en overige potenties Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor het voorkomen van Sperwer en Ransuil, of overige jaarrond beschermde broedvogelsoorten in het groen van het plangebied. Ook Huismus is, zoals verwacht, niet aangetroffen. Desondanks zijn vogels een relevant aandachtspunt: in alle deelgebieden kunnen in de periode maart tot en met september broedende vogels worden verwacht. Het gaat dan om algemeen voorkomende soorten die breed verspreid in bomen en struwelen in Zoetermeer broeden, alsmede om Meerkoet Fulica atra, die breed verspreid nestelt in watergangen. Voor alle vogelsoorten geldt dat bezette nesten niet opzettelijk mogen worden verstoord, ongeacht de periode van het jaar. Tot slot is de aanwezigheid van een broedpaar Slechtvalk Falco peregrinus op de voormalige Stadhuistoren een aandachtspunt. Deze plaats valt buiten de invloedssfeer van voorgenomen ontwikkelingen in het kader van de Visie Centraal Park en deze vogels gebruiken heel Zoetermeer als foerageergebied. Het plaatsen van een kraan op de Markt in de buurt van de nestkast (waarbij hoogte ervan, afstand tot de nestkast en duur van de inzet van belang zijn) of het afsteken van vuurwerk zijn incidentele gebeurtenissen waarvan de potentiële verstoring op de vogels per geval moet worden geëvalueerd. Dat valt buiten het kader van deze notitie.
Flora: stinzenplanten In het plangebied zijn geen groeiplaatsen aangetroffen van plantensoorten die onder de Wnb een strikte bescherming genieten en deze worden met de huidige inrichting en beheer ook niet verwacht. De bosplantsoenvakken zijn wél van belang voor kleine concentraties stinzenplanten, waaronder Daslook Allium ursinum. Deze soort kent een instandhoudingsdoelstelling in het kader van de Veldgids beschermde flora en fauna van Zoetermeer (Vos & Szegedi 2011). Behoud en zorgvuldig beheer van nog resterende bosplantsoenvakken conform de regels uit de oude Gedragscode van de gemeente (zie downloadlink onderaan deze notitie) en afstemming met een stadsecoloog is daarom van belang.
Invasieve exoten In de Grote Dobbe zijn op 27 juni 2022 meerdere exemplaren van de Rode Amerikaanse rivierkreeft Procambarus clarkii en van de Zwartbekgrondel Neogobius melanostomus waargenomen. Hiervoor worden geen specifieke maatregelen aanbevolen omdat deze soorten inmiddels in grote delen van het Zoetermeerse watersysteem voorkomen. De Grote Dobbe staat hier direct mee in verbinding. In deelgebied 6 is het eerdere voorkomen van Japanse duizendknoop Fallopia japonica aan het Marseillepad een aandachtspunt. Aanwezigheid van deze soort is een aandachtspunt daar waar werkzaamheden in het groen plaatsvinden. Verspreiding van de soort dient in eerste instantie voorkomen te worden door bestaande groeiplaatsen te ontzien en conform een specifiek protocol te saneren (zie: https://bestrijdingduizendknoop.nl/protocol/).
Conclusies en aanbevelingen De voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden uitgevoerd mits:
• • •
•
de beschermde functie als essentieel foerageergebied voor de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis van de deelgebied 3, 4 en 5 niet wordt aangetast; daartoe zorg wordt gedragen voor behoud van de nog aanwezige bomen en struwelen aan de oever van de Grote Dobbe; fasering van (kap)werkzaamheden (dus niet al het groen op een plaats in één keer geheel verwijderen, mocht dat al noodzakelijk zijn), kan zorgen dat beschermde foerageerfuncties voor genoemde vleermuizen niet worden aangetast en dus de wet niet word overtreden; bij onverhoopte, noodzakelijke grootschalige kap van bomen en struiken die leiden tot een verslechtering van het leefgebied van de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis een
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
7 / 14
•
• • • • • •
ontheffing wordt aangevraagd van verbodsbepalingen in de Wnb en een compensatieplan wordt opgesteld; er in de inrichtingsplannen rekening wordt gehouden met vleermuizen door geen extra verlichting te plaatsen, de duisternis aan de oost- en zuidoever te handhaven en noodzakelijke en nieuwe verlichting waar mogelijk vleermuisvriendelijk aan te leggen (door keuze van specifieke armaturen, lage masthoogten en/of lichtkleur); er bij evenementen rekening wordt gehouden met vleermuizen door donkere delen van de Grote Dobbe donker te houden en eventuele geluidsinstallaties, indien mogelijk, van de plas af te richten; er geen werkzaamheden in bosplantsoenvakken plaatsvinden in de periode 1 maart tot 1 september vanwege de op veel plaatsen voorkomende kans op bezette nesten van broedvogels; bij kap van vrijstaande bomen in de periode 1 maart tot 1 september eerst wordt gekeken of er een bezet nest in zit; bij werkzaamheden in/op/aan watergangen bezette nesten van vogels zoals Meerkoet worden ontzien; men bij werkzaamheden de verspreiding van Japanse duizendknoop tegengaat. In relatie tot de bosvakken de aanwezigheid van stinzenplanten als Daslook wordt meegenomen in het beheer van deze bosvakken (dus geen versnippering van hout ter plaatse, en andere zaken die leiden tot aantasting van groeiplaatsen).
Literatuur Bakker, G. 2013. Flora- en fauna-onderzoek in het kader van realisatie Culturele As, Zoetermeer. bSR-rapport 222. Bureau Stadsnatuur, Rotterdam. Bakker, G. 2007. Beschermde natuurwaarden van de Culturele As, Zoetermeer – onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet. bSRBIJ12. 2021. Kennisdocument Huismus. Versie 2.0. Janssen, J. & Schaminée, J. 2008. Europese natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Zeist. Kranenbarg, J., R. Struijk, M. Schiphouwer, J. Bergsma, K. Didderen & J. Herder. 2015. De vissen van Zuid-Holland. Stichting RAVON, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep (Dienst Regelingen, brief 26 augustus 2009, kenmerk ffw2009.corr.046) te downloaden van de website van het Ministerie van EL&I. Mostert, K. & J. Willemsen. 2011. Voorlopige werkatlas verspreiding zoogdieren in Zuid-Holland 2000-2011. Stichting Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland, Delft. Stichting Floron. 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. Stichting Floron, Nijmegen. Vos, J.G. & H. Zsegedi. 2011. Veldgids beschermde planten en dieren in de gemeente Zoetermeer. Gemeente Zoetermeer.
Websites https://www.zoetermeer.nl/_flysystem/media/zoetermeerse-gedragscode-flora-en-faunawet-juli-2015-inclusief-goedkeuringsbesluit.pdf http://www.verspreidingsatlas.nl/ http://www.vogelatlas.nl http://www.waarneming.nl © Bureau Stadsnatuur | Westzeedijk 345 | 3015 AA Rotterdam Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. bSR kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
8 / 14
Bijlage – Wettelijk kader 1. Inleiding De Wet Natuurbescherming is per 1 januari 2017 van kracht en vervangt de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De informatie hieronder vat de belangrijkste feiten samen met betrekking tot de bescherming van soorten via de Wet natuurbescherming, en is gericht op personen en instanties die te maken krijgen met de wet in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, beheer en onderhoud. Uitvoering van de wet valt onder de verantwoordelijkheid van de provincies, met uitzondering van grote infrastructurele projecten aan onder meer waterwegen; daarbij blijft de Rijksoverheid het bevoegd gezag. De inhoud van deze samenvatting betreft in eerste instantie de algemeen geldende verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming en in tweede instantie de Zuid-Hollandse context waarin deze verbodsbepalingen moeten worden toegepast. De aanvullende regelgeving rond bescherming van soorten in Natura 2000-gebieden wordt hier slechts kort besproken. 2. Doel van de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en natuurgebieden. 3. Beschermingsregimes soorten In de Wet natuurbescherming zijn drie categorieën soorten onderscheiden met een eigen beschermingsregime en daaraan gekoppelde verbodsbepalingen: vogels, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten.
Een soort kan niet onder meer dan één van deze regimes vallen. Vogels vallen per definitie onder het regime van de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn betreffen Europese beschermingsregimes waar met de verbodsbepalingen artikel 3.1 en 3.5 in de Wet natuurbescherming in Nederland invulling aan wordt gegeven. Het regime ‘andere soorten’, artikel 3.10, heeft betrekking op soorten die alleen vallen onder een nationaal beschermingsregime; deze soorten zijn niet vermeld in de Europese richtlijnen. De drie beschermingsregimes met hun verbodsbepalingen zijn hieronder weergegeven. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel B, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
9 / 14
Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2.
Artikel 3.8 (bepalingen dat ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, hier niet uitgebreid besproken), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel B, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
3.
De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de Bosmuis, de Huisspitsmuis en de Veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
4. Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland De provinciale verordening bevat onder andere regels voor faunabeheereenheden en diverse vrijstellingen voor het bestrijden van schade en het uitvoeren van werkzaamheden. Ook is in de verordening opgenomen voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (zie de soortenlijst verderop onder ‘Beschermde andere soorten in Zuid-Holland (artikel 3.10)’). 5. Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provinciale beleidsregel staan onderwerpen als het verlenen van tegemoetkomingen in de faunaschade en de vergunningverlening voor Natura 2000-gebieden. 6. Vogelsoorten met een (potentieel) ongunstige staat van instandhouding in Zuid-Holland (artikel 3.1) Naar aanleiding van artikel 3.1 lid 5 heeft Bureau Stadsnatuur een lijst opgesteld van vogelsoorten waarbij verstoring van wezenlijke invloed kan zijn op de staat van instandhouding in Zuid-Holland.
Het betreft soorten die als broedvogel in de provincie voorkomen en waarvoor onder de Flora- en faunawet reeds een jaarronde bescherming van nestlocaties en vaste rustplaatsen gold (de onder de Flora- en faunawet als ‘categorie 1 t/m 4’ gekwalificeerde soorten), aangevuld met soorten die op basis van actuele gegevens van Sovon een ongunstige staat van instandhouding kennen (de voorheen als ‘categorie 5’ gekwalificeerde soorten met een negatieve populatietrend en/of een kleine, kwetsbare populatie) en waarvoor derhalve gemitigeerd of
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
10 / 14
gecompenseerd zou moeten worden in geval van conflicterende ruimtelijke ontwikkeling en beheer. Deze lijst is niet uitputtend en kan naar aanleiding van ontwikkelingen in de toekomst worden gewijzigd op basis van ecologisch zwaarwegende omstandigheden, zoals veranderingen in populatie-omvang of areaal van een soort. Het effect van de ingreep op de instandhouding van de soort is uiteindelijk leidend in de afweging of sprake is van een beschermde (en daarmee ontheffingsplichtige) situatie. Het gaat om de volgende 85 soorten: Appelvink
Groene specht
Krooneend
Roerdomp
Tureluur
Baardmannetje
Grote gele kwikstaart
Kwak
Roek
Veldleeuwerik
Blauwe reiger
Grote karekiet
Kwartelkoning
Scholekster
Velduil
Boerenzwaluw
Grote mantelmeeuw
Kleine zilverreiger
Slechtvalk
Visdief
Bontbekplevier
Grutto
Lepelaar
Slobeend
Waterral
Boomvalk
Havik
Matkop
Snor
Watersnip
Bosuil
Huismus
Middelste zaagbek
Sperwer
Wielewaal
Bruine kiekendief
Huiszwaluw
Noordse stern
Spotvogel
Wilde eend
Buizerd
Grote zilverreiger
Nachtegaal
Spreeuw
Wintertaling
Dwergstern
IJsvogel
Oeverzwaluw
Sprinkhaanzanger
Woudaap
Eider
Kerkuil
Ooievaar
Steenuil
Wulp
Gele Kwikstaart
Kievit
Patrijs
Steltkluut
Zomertaling
Gierzwaluw
Kleine bonte specht
Porseleinhoen
Stormmeeuw
Zomertortel
Goudvink
Kleine plevier
Purperreiger
Strandplevier
Zilvermeeuw
Graspieper
Kluut
Raaf
Tafeleend
Zwarte roodstaart
Grauwe Klauwier
Kneu
Ransuil
Tapuit
Zwarte stern
Grauwe vliegenvanger
Koekoek
Ringmus
Torenvalk
Zwartkopmeeuw
7. Beschermde habitatrichtlijnsoorten in Zuid-Holland (artikel 3.5) Soorten uitsluitend vermeld in Bijlage II – Beschermingsregime artikel 3.5 alleen van toepassing in Natura 2000gebieden. De volgende 2 soorten zijn sinds 1990 vastgesteld in de provincie Zuid-Holland en vallen uitsluitend in voor deze soorten aangewezen Natura 2000-gebieden onder het beschermingsregime artikel 3.5: Nauwe korfslak
Zeggekorfslak
Soorten vermeld in Bijlage IV – Beschermingsregime artikel 3.5 van toepassing. De volgende 40 soorten zijn sinds 1990 vastgesteld in de provincie Zuid-Holland en vallen onder het beschermingsregime artikel 3.5: Groenknolorchis
Steur
Noordse woelmuis
Laatvlieger
Bultrug
Kruipend moerasscherm
Boomkikker
Otter
Meervleermuis
Dwergvinvis
Platte schijfhoren
Heikikker
Bosvleermuis
Rosse vleermuis
Gewone dolfijn
Bataafse stroommossel
Kamsalamander
Franjestaart
Ruige dwergvleermuis
Gewone vinvis
Gevlekte witsnuitlibel
Poelkikker
Gewone baardvleermuis
Tweekleurige vleermuis
Griend
Groene glazenmaker
Rugstreeppad
Gewone dwergvleermuis
Vale vleermuis
Potvis
Rivierrombout
Zandhagedis
Gewone grootoorvleermuis
Watervleermuis
Tuimelaar
Houting
Bever
Kleine dwergvleermuis
Bruinvis
Witsnuitdolfijn
8. Beschermde andere soorten in Zuid-Holland (artikel 3.10) De volgende 35 soorten zijn sinds 1990 vastgesteld in de provincie Zuid-Holland en vallen onder het beschermingsregime artikel 3.10 (NB: betreft uitsluitend als ‘wild’ gekwalificeerde plantensoorten; bron: verspreidingsatlas.nl):
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
11 / 14
Blaasvaren
Grote leeuwenklauw
Stofzaad
Grote modderkruiper
Grijze zeehond
Bokkenorchis
Karthuizer anjer
Schubvaren
Kwabaal
Steenmarter
Brave hendrik
Kleine wolfsmelk
Smalle raai
Ringslang
Waterspitsmuis
Brede wolfsmelk
Knolspirea
Stijve wolfsmelk
Boommarter
Bruinrode wespenorchis
Moerasgamander
Tengere veldmuur
Damhert
Dreps
Naakte lathyrus
Wolfskers
Das
Echte gamander
Rozenkransje
Aardbeivlinder
Eekhoorn
Glad biggenkruid
Ruw parelzaad
Grote vos
Gewone zeehond
9. Soorten waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling geldt van beschermingsregime artikel 3.10 In Zuid-Holland is een vrijstelling van de verbodsbepalingen artikel 3.10 van toepassing op de volgende 22 soorten: Bastaardkikker
Aardmuis
Egel
Konijn
Wezel
Bruine kikker
Bosmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Woelrat
Gewone pad
Bunzing
Haas
Rosse woelmuis
Kleine watersalamander
Dwergmuis
Hermelijn
Veldmuis
Meerkikker
Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis
Vos
10. Geïntroduceerde soorten in Zuid-Holland Soorten die zich door menselijk toedoen buiten hun natuurlijke areaal hebben gevestigd (geïntroduceerde soorten) vallen in Zuid-Holland niet onder de beschermingsregimes van artikel 3.1, 3.5 of 3.10, tenzij sprake is van een populatie die langer dan 50 jaren achtereen heeft standgehouden in de provincie (mond med. PZH, maart 2017). Voorbeelden in een Zuid-Hollandse context zijn beschermde plantensoorten uitgezaaid vanuit tuinen en Vroedmeesterpad, al dan niet moedwillig geïntroduceerd door terrariumhouders. Plantensoorten die lokaal zijn geïntroduceerd en als ‘niet wild’ zijn beschouwd in Zuid-Holland, zijn onder meer: Bruinrode wespenorchis
Knolspirea
Knollathyrus
Echte gamander
Bergnachtorchis
Wilde Weit
Diersoorten die zijn geïntroduceerd en als ‘niet wild’ worden beschouwd in Zuid-Holland, zijn onder meer: Boomkikker
Muurhagedis
Vroedmeesterpad
Quaggamossel
Aziatische modderkruiper
Blauwband
De beschermde status van soorten als Muskusrat (sinds 1975 gedocumenteerd voor de provincie) en Nijlgans (eerste geval in 1967) kan op grond van het bovengeschetste 50 jaar-criterium ter discussie worden gesteld. 11. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgbeginsel (artikel 1.10 en 1.11) opgenomen: de intrinsieke waarde van soorten is vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime. Het is een algemeen geldende fatsoenseis die erop neerkomt dat redelijkerwijs vermijdbare schade aan en verstoring van planten en dieren moet worden voorkomen. 12. Gemeentelijk natuurbeschermingsbeleid Zoetermeer De “groentrilogie” is een verzamelnaam voor drie beleidsdocumenten van de gemeente Zoetermeer. Ze omvatten het gemeentelijk beleid met betrekking tot groen, biodiversiteit en bomen en worden hieronder besproken. Daarnaast wordt in de uitvoering van het natuurbeleid vastgehouden aan de richtlijnen in diverse andere documenten, zoals de gedragscode flora en fauna Zoetermeer, Veldgids beschermde planten en dieren van Zoetermeer, Waterplan, Groene en gezonde stad, Visie Binnenstad 2040 en Visie Zoetermeer 2040.
Groenkaart De Groenkaart (https://www.zoetermeer.nl/_flysystem/media/de-groenkaart.pdf) beschrijft concreet de groene ambitie voor de stad en de spelregels voor de omgang met openbaar groen. Naast een stuk geschiedenis van het Zoetermeerse groenbeleid, een opsomming van afwegingskaders en definities, voorziet de Groenkaart in gebiedsbeschrijvingen per wijk, bedrijventerrein en groengebied. Het gaat niet in op soorten en daaraan gekoppelde waarden en processen, maar beschrijft welk type groen waar te vinden is.
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
12 / 14
Visie Biodiversiteit gemeente Zoetermeer De Visie Biodiversiteit (https://www.zoetermeer.nl/_flysystem/media/visie-biodiversiteit-september-2013.pdf) beschrijft het natuurbeleid van de gemeente Zoetermeer. Het gaat vooral in op doelen, ambities en betrokkenen. Het is vooral beschrijvend en kaderstellend van aard. Kernambitie van de Visie Biodiversiteit is als volgt geformuleerd: “De gemeente gaat zich inspannen voor het behoud en waar mogelijk vergroten van het leefgebied voor zeldzame soorten, het verbeteren van nat leefgebied voor soorten in en om het water, het continueren van het extensieve, gifvrije beheer en het creëren van ecologische verbindingszones tussen gelijke of aan elkaar verwante leefgebieden.” Natuurkernen Deze Zoetermeerse gebieden hebben de bestemming ‘Natuur’ en worden als zodanig beheerd. Het gaat om De Natuurtuin in het Westerpark, De Balij, Buytenpark en Prielenbos. In 2017 heeft de gemeenteraad verzocht om het Gruttolandje en het Libellenreservaat op de Groenkaart als natuurkernen aan te geven, en de spelregels voor natuurkernen van de Groenkaart ook voor deze gebieden van toepassing te verklaren. In 2018 heeft het college hiermee ingestemd. De Plas van Poot is als laatste aan de lijst met gebieden toegevoegd. Het plangebied valt geheel buiten de beleidsmatige invloedsfeer van de genoemde natuurkerngebieden.
Echter, buurt-, wijk-, stads- en regiogroen (incl. natuurkerngebieden) en blauwe verbindingen vormen samen een groen/blauw netwerk, waarmee het buitengebied is verbonden tot in het Stadshart. Als onderdeel van dit netwerk vervult de Grote Dobbe een belangrijke functie voor verschillende soorten. Bomenbeleid Het bomenbeleid geeft aan hoe de gemeente omgaat met bomen voor wat betreft onder meer soortkeuze, kap en herplant. Dit is dus ook van invloed op de keuzes die worden gemaakt in het plangebied. 13. Wanneer ontheffing aanvragen? Wanneer redelijkerwijs kan worden vermoed dat verbodsbepalingen ten gevolge van een voorgenomen activiteit worden overtreden, moet eerst worden bepaald of mitigerende (verzachtende) maatregelen de schade kunnen beperken of tenietdoen zodat het overtreden van het verbod kan worden voorkomen. Wanneer het overtreden van een verbod onvermijdelijk is en er moet worden gecompenseerd voor veroorzaakte schade, dan dient men een ontheffing aan te vragen. Het aanvragen van een ontheffing heeft alleen zin als de functionaliteit van een plangebied voor een beschermde soort voldoende nauwkeurig in beeld is gebracht. Meestal is hier een uitgebreid onderzoek voor nodig waarin rekening wordt gehouden met de seizoensactiviteit van een soort.
Dergelijk onderzoek dient aan bepaalde richtlijnen te voldoen op basis waarvan de kwaliteit en volledigheid ervan worden gecontroleerd door de Omgevingsdienst (zie onder). Een randvoorwaarde is daarnaast dat een aanvraag vergezeld dient te gaan van een zogenaamd activiteitenplan. Hierin moet een initiatiefnemer van een potentieel schadelijke handeling het belang van de voorgenomen activiteit onderbouwen en aangeven welke mitigerende en/of compenserende maatregelen ten gunste van de soort(en) in kwestie worden getroffen. 14. Omgevingsvergunning via gemeente Wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning mogen ontheffingen voor beschermde soorten aanhaken. Bij aanhaken moet de gemeente een volledigheidstoets uitvoeren en verzorgt de gemeente de toetsing door de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH). Ten behoeve van een aanvraag zijn een onderzoeksrapport met inventarisatiegegevens en een activiteitenplan noodzakelijk. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning is een wettelijke beslistermijn gemoeid van maximaal 26 weken. De gehele aanvraag verloopt via de gemeente. Voor meer informatie, zie: https://www.omgevingsloket.nl 15. Losse ontheffing via provincie Wanneer een ontheffing aangevraagd moet worden waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is de beslistermijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging. De gehele aanvraag verloopt via Omgevingsdienst Haaglanden.
De leges bedragen EUR 1800,-. Ten behoeve van een aanvraag zijn een onderzoeksrapport met inventarisatiegegevens en een activiteitenplan noodzakelijk. Voor meer informatie en aanvraagformulieren, zie: https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/aanvraag-wet-natuurbescherming.html
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
13 / 14
16. Gedragscodes Gedragscodes in het kader van de Wet natuurbescherming worden alleen gemeentelijk of branchebreed opgesteld en dienen te worden goedgekeurd door het Ministerie van Economische Zaken. Bestaande gedragscodes die zijn goedgekeurd onder de Flora- en faunawet zijn, indien nog niet verlopen, nog altijd geldig voor de soorten die onder de Wet natuurbescherming onder één van de drie beschermingsregimes vallen. Voor nieuwe beschermde soorten waarvoor geen mitigerende maatregelen zijn vermeld in gedragscodes zal mogelijk een ontheffing noodzakelijk zijn. Voor soorten die niet (meer) onder een strikt beschermingsregime vallen hoeft niet per se te worden gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Er moet desalniettemin altijd rekening worden gehouden met de wettelijke zorgplicht. 17. Handhaving Bij een vermoede overtreding van een verbodsbepaling in de Wet natuurbescherming kan handhaving worden ingeschakeld. In Zuid-Holland is de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid (OZHZ) hiervoor verantwoordelijk. Voor meer informatie, zie: https://www.ozhz.nl/themas/natuur/
Melding van een vermoede overtreding: Telefoon: 078-770 85 85 / 0888-333 555 mail: meldingwnb@ozhz.nl website: https://www.ozhz.nl/themas/natuur/misstand-schade-of-verstoring-gezien/ Overige contactgegevens: Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid Afdeling Toezicht en Handhaving Postbus 550 3300 AN Dordrecht
bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer
14 / 14