Bijlage 2 - Was-wordt tabel wijzigingen re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2023
Tekst van het document
Was-wordt-tabel wijziging re-integratieverordening gemeente Zoetermeer 2023 Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1. Begrippen
Nieuwe tekst Artikel 1 - Begrippen
1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.
1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.
2. In deze verordening wordt verstaan onder: - doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; - grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; - korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; - wet: Participatiewet.
2. In deze verordening wordt verstaan onder: - doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; - interne werkbegeleiding: door een
-
-
-
-
-
collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; korte afstand tot de arbeidsmarkt: arbeidsinschakeling is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;
overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; lange afstand tot de arbeidsmarkt: arbeidsinschakeling is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;
-
voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen
-
-
-
persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; wet: Participatiewet.
Het opschrift van hoofdstuk 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Paragraaf 2. Beleid en financiën
Paragraaf 2. Beleid en evaluatie
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering
Nieuwe tekst Artikel 2. Evenwichtige verdeling en evaluatie
1.
1. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden, mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:
Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden, mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. b.
2.
De opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.
Het college zendt één keer per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de
a. b.
de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.
2. Het college zendt één keer per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de
3.
doeltreffendheid en de effecten van het beleid.
doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk.
Voor de uitvoering van de in dit artikel beschreven opdracht aan het college stelt de raad ten minste eenmaal per drie jaren de kaders vast waarin de beleidsdoelen en de financieringswijze worden beschreven.
3. Voor de uitvoering van de in dit artikel beschreven opdracht aan het college stelt de raad ten minste eenmaal per drie jaren de kaders vast waarin de beleidsdoelen en de financieringswijze worden beschreven.
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3 Algemene bepalingen over voorzieningen
Nieuwe tekst Artikel 3 Algemene bepalingen over voorzieningen
1.
1.
Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening ten minste eenmaal per drie jaren een beleidsplan vast en brengt dit ter kennisgeving aan de raad. In dit plan wordt vastgelegd: a. welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden; b. de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen; en het flankerend beleid ten aanzien van arbeidsinschakeling, waaronder zorg en hulpverlening, alsmede de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de combinatie van arbeid en zorg bij het ontheffingenbeleid.
2.
Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening ten minste eenmaal per drie jaren een beleidsplan vast en brengt dit ter kennisgeving aan de raad. In dit plan wordt vastgelegd: a. welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden; b. de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen; en c. het flankerend beleid ten aanzien van arbeidsinschakeling, waaronder zorg en hulpverlening, alsmede de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de combinatie van arbeid en zorg bij het ontheffingenbeleid.
2.
Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;
b. c.
d. e.
f.
g.
3.
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de wet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
Het college kan bij het toekennen van voorzieningen aan een groep personen, op basis van maatwerk, afwijken van de in deze verordening genoemde voorzieningen en bijbehorende bepalingen.
c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3.
Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de wet; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze
verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 4.
Het college kan bij het toekennen van voorzieningen aan een groep personen, op basis van maatwerk, afwijken van de in deze verordening genoemde voorzieningen en bijbehorende bepalingen.
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5. Sociale activering
Nieuwe tekst Artikel 5. Sociale activering
1. Het college kan een persoon met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.
1. Het college kan een persoon met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.
2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.
2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject
Nieuwe tekst Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject
Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:
Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:
a.
van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de
a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969,
Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b.
van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
nog niet is geëindigd, of b. van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Artikel 11 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst N.v.t.
Nieuwe tekst Artikel 11. Loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. 4. Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 13 - Uitstroompremie 1. Het college kan aan een persoon uit de doelgroep op aanvraag een eenmalige premie verlenen indien de persoon een werkkring aanvaardt, die niet gesubsidieerd wordt door middel van de werkgeverscheque en/of een loonkostensubsidie door het college, of het verrichten van arbeid als zelfstandige die leidt tot uitkeringsonafhankelijkheid, en nadat: a. de belanghebbende negen maanden uitkeringsonafhankelijk is gebleven, én b. de belanghebbende negen maanden arbeid heeft verricht in loondienst dan wel als zelfstandige. 2. De mogelijkheid tot het aanvragen van de premie deelt het college aan de belanghebbende mee bij de beschikking waarmee het recht op uitkering wegens werkaanvaarding wordt ingetrokken. 3. Een eventueel aan de persoon uitbetaalde doorstroompremie wordt in mindering gebracht op de uitstroompremie.
Nieuwe tekst Artikel 13 - Uitstroompremie 1. Het college kan aan een persoon uit de doelgroep op aanvraag een eenmalige premie verlenen indien de persoon een werkkring aanvaardt, die niet gesubsidieerd wordt door middel van de werkgeverscheque en/of een loonkostensubsidie door het college, of het verrichten van arbeid als zelfstandige die leidt tot uitkeringsonafhankelijkheid, en nadat: a. de belanghebbende negen maanden uitkeringsonafhankelijk is gebleven, én b. de belanghebbende negen maanden arbeid heeft verricht in loondienst dan wel als zelfstandige. 2. De mogelijkheid tot het aanvragen van de premie deelt het college aan de belanghebbende mee bij de beschikking waarmee het recht op uitkering wegens werkaanvaarding wordt ingetrokken. 3. Een eventueel aan de persoon uitbetaalde doorstroompremie en/of proefplaatspremie wordt in mindering gebracht op de uitstroompremie.
Artikel 15 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 15 – Proefplaatspremie 1. Het college kan aan een persoon uit de doelgroep op aanvraag een eenmalige premie verlenen indien de persoon: a. na het afronden van een proefplaats, als bedoeld in artikel 17, een werkkring aanvaart die leidt tot uitkeringsonafhankelijkheid; of b. na aanvaarding van een werkkring, die leidt tot uitkeringsonafhankelijkheid, de overeengekomen proeftijd, als bedoeld in artikel 7:652 van het Burgerlijk Wetboek, succesvol afrondt. 2. De mogelijkheid tot het aanvragen van de premie deelt het college aan de belanghebbende mee bij de start van een proefplaats of bij de beschikking waarmee het recht op uitkering wegens werkaanvaarding wordt ingetrokken.
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 17. Proefplaatsing gericht op arbeidsinschakeling
Artikel 17 – Proefplaats
1. Een proefplaatsing wordt gerealiseerd bij een werkgever die mogelijk bereid is een persoon uit de doelgroep, na een periode van het verrichten van activiteiten, een al dan niet gesubsidieerde arbeidsovereenkomst aan te bieden. 2. De activiteiten bestaan uit het verrichten van werkzaamheden zoals in de onderneming of instelling gebruikelijk is, gecombineerd met begeleiding door de werkgever. 3. De activiteiten mogen niet ontstaan zijn door reorganisatie of afvloeiing, tot een half jaar voorafgaand aan de plaatsing (geen verdringing op de arbeidsmarkt). 4. De werkgever of de uitvoeringsorganisatie draagt ten behoeve van de persoon zorg voor adequate verzekering tegen ongevallen tijdens het verrichten van de activiteiten. 5. De instelling of onderneming waar de activiteiten worden verricht draagt zorg voor adequate begeleiding van de belanghebbende. Het college draagt zorg voor voortgangsondersteuning aan belanghebbende en instelling of onderneming. 6. Over de inhoud van de begeleiding en de verhouding tussen het verrichten van activiteiten en begeleiding maken werkgever en de persoon afspraken. Instemming van het college is hierbij vereist door mede-ondertekening van de overeenkomst.
1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van twee maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 3. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. 4. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden
onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding door een jobcoach als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Het college kan zelf de jobcoach leveren dan wel de kosten voor jobcoaching aan de werkgever vergoeden als de kosten in verhouding staan tot de aard van de begeleiding en de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst.
Nieuwe tekst Artikel 20 - Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen in artikelen 20 tot en met 31.
Artikel 21 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 21. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. a. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden: b. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; c. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
d. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week, of heeft de intentie de arbeidsduur op te bouwen naar minimaal 12 uur per week; e. Het betreft een Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; f. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; g. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en h. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. 2. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 6 maanden na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 3. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.
Artikel 22 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 22. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige
voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 4. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
Artikel 23 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 23. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft.
Artikel 24 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 24. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura als volgt verstrekken: a. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van het college; b. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van een overheidsorgaan waarbij de voorziening is ingekocht; c. als subsidie in de vorm van een jobcoachcheque aan de werkgever of jobcoachorganisatie. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden bij andere voorzieningen, anders dan in dienstverband, gericht op arbeidsinschakeling.
Artikel 25 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 25. Jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet: a. door Noloc erkend zijn als Register Jobcoach, een jobcoachopleiding volgen of hiermee binnen een redelijke termijn starten; b. In afwijking van het eerste lid, geldt bij jobcoaching in de vorm van een subsidie, zoals vermeld in artikel 16 onder c, geen verplichte registratie in het beroepsregister Jobcoach van Noloc. Bij deze vorm van jobcoaching geeft het college voorkeur aan een jobcoach in dienst bij een werkgever of jobcoachorganisatie die beschikt over het Blik op Werk-keurmerk of het OVAL-keurmerk; c. Indien er sprake is van jobcoaching in de vorm van een subsidie, zoals bedoeld in artikel 23 onder c mag de jobcoach geen directe collega of leidinggevende van de werknemer zijn. 2. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de voorwaarden zoals vermeld in de instrumentengids Dennis. 3. Het college kan van de in het tweede lid genoemde voorwaarden afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4. Voordat het college de jobcoaching beëindigt verricht het college onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien.
Artikel 26 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 26. Jobcoaching in natura 1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 20 tot en met 24 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 27. Subsidie voor het organiseren van jobcoachng 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 20 tot en met 24, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat
toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. Artikel 28 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 28. Interne werkbegeleiding 1. Het college kan, ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking, een subsidie verlenen aan een werkgever voor de aantoonbare meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van interne werkbegeleiding, indien de persoon voor het kunnen verrichten van zijn werk is aangewezen op begeleiding, die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat. 2. De subsidie voor een intern werkbegeleider wordt uitsluitend verleend indien: a. de noodzaak hiertoe is gebleken uit een objectieve loonwaardemeting; b. de intern werkbegeleider een training heeft gevolgd, die hem in staat stelt werkbegeleiding te bieden aan een persoon met een arbeidsbeperking; en c. de intern werkbegeleider op vaste tijden beschikbaar is. 3.
De subsidie voor een intern werkbegeleider wordt afgestemd op de behoefte van de werknemer, maar bedraagt maximaal zes maanden.
4. Indien de werknemer, na de periode als bedoeld in het derde lid, nog niet in staat is zijn werkzaamheden, zonder ondersteuning van een intern werkbegeleider te verrichten, kan deze eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden. 5. De voorwaarden voor deze voorziening zijn, voor zover niet vastgelegd in deze verordening, nader uitgewerkt in de instrumentengids Dennis.
6. Om de werkgever of medewerkers in dienst van deze werkgever in staat te stellen de werkbegeleiding te bieden, kan het college deze werkgever of medewerkers in dienst van deze werkgever een training aanbieden
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 13. Vervoersvoorziening
Artikel 29. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
Het college kan aan een persoon met een structurele functionele beperking in het kader van de arbeidsinschakeling een voorziening voor vervoer aanbieden indien het voor die persoon niet mogelijk is van een collectief systeem dan wel openbaar vervoer gebruik te maken, indien: a. de kosten in verhouding staan tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst en/of de scholing; b. de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid en/of de scholing behoort tot de doelgroep; en c.
de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.
1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2.
Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen, gebruik maken van het collectief systeem of gebruik maken van het openbaar vervoer; b. de kosten in verhouding staan tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst en/of de scholing; c. de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente, en d. het vervoer is beperkt tot woonwerkverkeer.
3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
Artikel 30 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 30. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 2. Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe het de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit bepaalt.
Artikel 31 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 31. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 4. Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer bepaalt.
Artikel 32 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 32. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen 1. Het college kan voor een werknemer met een structurele functionele lichamelijke arbeidsbeperking bij een werkgever een werkplekaanpassing realiseren dan wel de kosten van de aanpassing aan de werkgever vergoeden als: a. de kosten in verhouding staan tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst; b. de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort tot de doelgroep; en c. de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente. 2. De kosten van de aanpassing zijn niet hoger dan de goedkoopst noodzakelijke voorziening. 3. Een aanpassing of een vergoeding hiervoor als bedoeld in het eerste lid wordt niet gerealiseerd voor zover de werkgever een vergoeding kan aanvragen bij een andere instantie of van de werkgever redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij de werkplekaanpassing zelf financiert of de afschrijvingstermijn van een eerder verstrekte identieke werkplekaanpassing nog niet is verstreken.
Paragraaf 4 – Slotbepalingen Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 21. Intrekken oude verordening en overgangsrecht
Nieuwe tekst Artikel 33. Intrekken oude verordening en overgangsrecht
1. De Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2015 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt.
1. De Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2017 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt.
2. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2015 of Beleidsregels re-integratie Participatiewet gemeente Zoetermeer 2015, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Reintegratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2015 of Beleidsregels re-integratie gemeente Zoetermeer 2015 voor de duur dat deze is verstrekt.
2. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Reintegratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer of Beleidsregels reintegratie Participatiewet gemeente Zoetermeer 2017, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Reintegratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2017 of Beleidsregels re-integratie gemeente Zoetermeer 2017 voor de duur dat deze is verstrekt.
Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel
Nieuwe tekst Artikel 35 - Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2017, tenzij over onderdelen ervan, binnen twee weken na de bekendmaking daarvan, een inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt gedaan.
1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2023, tenzij over onderdelen ervan, binnen twee weken na de bekendmaking daarvan, een inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt gedaan.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2017.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2023.