Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing project Natuursteenlaan 157
Tekst van het document
De belangrijkste daarvan zijn het gebruik van een gedeeltelijk groen dak, het gebruik van verschillende duurzame materialen en het toepassen en plaatsen van PV-panelen.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: • Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. • Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.
Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 34
Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; • Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; • Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 20. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl)
Langs de Oostweg en ter plaatse van de projectlocatie zelf loopt een aardgastransportleiding. Deze buisleiding heeft een diameter van ten hoogste 18 inch en een werkdruk van 40 bar. Conform het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen ligt voor dergelijke buisleidingen een 1%-letaliteitsgrens van 200 meter. De 100%-letaliteitsgrens ligt op 100 meter. Over de buisleiding heeft opdrachtgever afspraken gemaakt met Gasunie. Van toepassing zijn de onderstaande Velin voorwaarden: • Het pand moet minimaal op 4 meter afstand van de leiding gelegen zijn; • Het maaiveld dient ongeveer op hetzelfde niveau te blijven, er mogen geen ophogingen boven de leiding komen, dit kan zettingen van de leiding veroorzaken; • De opslag van bouwmaterialen mag niet nabij de leiding zijn gelegen; • De leiding dient beschermd te worden met stalen rijplaten bij het heiwerk en eventueel ook hijswerk tegen omvallende kranen en uit de kraan vallende objecten, dit is afhankelijk van de bouwmethode; • Nutstracé niet nabij de Gasunie leiding, graafwerk in een cirkel van 0,50 meter rondom de Gasnie buis dient handmatig te geschieden; • Werkzaamheden zullen begeleid worden door Gasunie toezicht. Om het groeps- en plaatsgebonden risico langs snelwegen vast te kunnen stellen is inzicht vereist in de aard van de vervoerde stoffen en de transportfrequentie.
Daar waar het gaat om het stellen van randvoorwaarden in de ruimtelijke ordening, wordt om het werkbaar te houden, het afwegingsgebied gemaximaliseerd tot 200 meter van de route. Het groepsrisico (GR) geeft voor dit gebied aan welke bebouwingsdichtheid nog acceptabel is, gelet op de voorgestelde oriënterende waarde. In het aangegeven gebied is de bebouwing dus wel toegestaan maar is de dichtheid van bebouwing soms gelimiteerd. De projectlocatie is op een afstand van circa 1,5 kilometer vanaf de Rijksweg A12 gelegen en maakt daarmee geen onderdeel uit van het invloedsgebied.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 35
Conclusie Het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie, indien de voornoemde Velin voorwaarden in acht worden genomen.
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: • woningen; • onderwijsgebouwen; • ziekenhuizen; • verpleeghuizen; • verzorgingstehuizen; • psychiatrische inrichtingen; • kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in woningen, dit zijn geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Door LBP Sight is een quickscan wegverkeerslawaai uitgevoerd op 30 november 2020 (zie bijlage 3). Uit de quickscan volgen de volgende resultaten: • Zeer hoog geluid belast. • Dove gevels noodzakelijk aan de zuidgevel. • Optimalisatie plattegronden bij dove gevels. • Geluidsbeperkende maatregelen nodig voor geluidluwe gevel. • Mogelijke oplossingen vroegtijdig bespreken met de gemeente. Door LBP Sight is een notitie oplossingsrichtingen dove gevel en geluid luwe gevel uitgevoerd op 15 december 2021 (zie bijlage 4). Uit de notitie volgen de volgende resultaten: • Het nieuw te bouwen woongebouw aan de Natuursteenlaan wordt hoog geluid belast vanwege omliggende wegen, vooral vanwege de N470. De zuidgevel van het woongebouw moet ter plaatse van de woningen worden uitgevoerd als een dove gevel. Hier morgen geen te openen delen worden toegepast. In deze notitie is aangegeven dat elke verblijfsruimte kan voldoen aan de minimale spuiventilatie-eisen conform het Bouwbesluit 2012. Naar aanleiding van de quickscan wegverkeerslawaai en de notitie oplossingsrichtingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai door LBP Sight (d.d. 21 juni 2022, bijlage 12).
In het onderzoek is getoetst aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid van Zoetermeer. Uit het onderzoek blijkt het volgende: − Natuursteenlaan: De hoogst, berekende geluidbelasting vanwege de Natuursteenlaan is 54 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde met 6 dB overschreden.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 36
− − − −
−
− −
Scheglaan: De hoogst, berekende geluidbelasting vanwege de Scheglaan is 56 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde met 8 dB overschreden. Munnikenweg: Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Hierdoor zijn er vanuit de Wet geluidhinder vanwege deze weg geen belemmeringen voor de komst van woningen. N470: De hoogst, berekende geluidbelasting vanwege de N470 is 66 dB. Hiermee wordt zowel de voorkeursgrenswaarde, als de maximale ontheffingswaarde overschreden. Het is niet mogelijk/wenselijk om bij dit project geluidbeperkende maatregelen toe te passen om de geluidbelasting terug te brengen tot de maximale ontheffingswaarde van 63 dB vanwege de N470 en de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de N470, Scheglaan en de Natuursteenlaan. Vanwege zowel de N470, Scheglaan als de Natuursteenlaan zijn hogere waarden aangevraagd bij de gemeente Zoetermeer. In bijlage 12 is het akoestisch onderzoek opgenomen. In paragraaf 3.2 van het akoestisch onderzoek is beschreven en in bijlage IV van het akoestisch onderzoek is aangegeven met welke maatregelen er voldaan wordt aan de gemeentelijke geluideisen. De zuidgevel van het plan moet doof worden uitgevoerd. In het ontwerp is rekening gehouden met de toepassing van een dove gevel, waardoor de minimale spuicapaciteit van de woonkamers gerealiseerd kan worden middels de west- en oostgevels.
30km/u-wegen: Vanwege de Scheglaan (30km/u-gedeelte) is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het advies is om in een vervolgonderzoek, die gevoegd wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning, de geluidwerende gevelvoorzieningen van de woningen af te stemmen op de gecumuleerde geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Op deze manier worden de bewoners optimaal beschermd tegen de geluidbelasting in de omgeving en wordt een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie, mits de voorwaarden uit het akoestisch onderzoek in acht worden genomen.
KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 37
Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen: • • • •
buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.
Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden.
Relatie tot ontwikkeling Ten zuiden van de projectlocatie bevindt zich een hoogspanningsleiding. Deze hoogspanningsleiding heeft een bedrijfsspanning 363 kV - 420 kV, conform de HoogspanningsNetkaart. In het ter plaatse van de hoogspanningsleiding geldende bestemmingsplan “Noordpolder 2013” is een hoogspanningsverbinding toegestaan van maximaal 380 kV. Door Anteagroup is een onderzoek naar Tesla-straling uitgevoerd op 26 januari 2022. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het rapport volgt dat ten aanzien van Tesla-straling het voorzorgprincipe wordt gehanteerd in Nederland. Op basis van de RIVM-informatie is geconstateerd dat de projectlocatie zich ruim buiten het gebeid bevindt waarop het voorzorgprincipe van toepassing is, zie onderstaande figuur. De woonbestemming kan daarom worden toegestaan. Figuur 21. Indicatieve magneetveldzone (rood vlak) van de hoogspanningslijn Wateringen-Bleiswijk
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 38
Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; • kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m 2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van woningbouw: 39 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 6 december 2021) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 2. Jaar
Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Totale concentratie rekenpunt 15845755 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2020
21.6
17.6
10.4
2030
14.8
15.5
8.5
Grenswaarden
40
40
25
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 39
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.
Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot ontwikkeling Soortenbescherming Ten behoeve van de ontwikkeling is door Ecoresult een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 29 maart 2021 is bijgevoegd in bijlage 5 bij voorliggende onderbouwing. Uit de quickscan volgt dat er mogelijk vleermuizen verblijven ter plaatse van de projectlocatie. Ook is het mogelijk dat vleermuizen de locatie gebruiken als onderdeel van hun leefgebied.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 40
Om dit nader te onderzoeken is door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uitgevoerd naar de soorten. De rapportage van 27 oktober 2021 is opgenomen als bijlage 8. Tijdens de inventarisatie is alleen de Gewone dwergvleermuis aangetroffen. De volgende conclusies en aanbevelingen volgen uit het rapport: • Ter plaatse van de projectlocatie komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. Er kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. • Ter plaatse van de projectlocatie zijn alleen langs vliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. • Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. De vleermuizen vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. • Ter plaatse van de projectlocatie was geen sprake van een foerageergebied of een vliegroute. • Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht. In de spouwmuur worden inbouwkasten geplaatst voor vleermuizen en zwaluwen.
Op een aantal plekken aan de gevels komen spandraden waar klimplanten worden aangebracht voor insecten en vogels. Om de parkeerkoffer wordt tevens ook beplanting aangebracht voor insecten en vogels. Stikstofonderzoek In het kader van de ontwikkeling is een stikstofberekening uitgevoerd door Mees Ruimte & Milieu op 15 februari 2023. Met het plan wordt de nieuwbouw van een appartementencomplex met 39 appartementen mogelijk gemaakt. De bestaande bebouwing op het perceel wordt gesloopt ten behoeve van de nieuwbouw. Bouwfase Relevante emissies tijdens de bouwfase ontstaan door de inzet van mobiele werktuigen en vervoersbewegingen van- en naar het plan. De invoergegevens worden bepaald op basis van de uit te voeren activiteiten, bouwtekeningen, vergelijkbare onderzoeken uitgevoerd door MBH Consult en een check bij een bouwkundig aannemer(MBH Consult is een zusteronderneming van een bouwkundig aannemer). De berekening van het projecteffect van de bouwfase is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. In de bijlagen bij de vergunning zijn de AERIUS rapportages bijgevoegd van de invoergegevens en het berekeningsresultaat. Het projecteffect van de bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000- gebieden.
Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase De woningen worden uitgerust middels een gasloos energieconcept. Derhalve zijn gebouwemissies niet relevant. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) in de beoogde gebruiksfase vinden plaats door verkeersbewegingen van en naar het plan. De verkeersgeneratie wordt bepaald op basis van kengetallen uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig Parkeren’ (2018). De berekening van het projecteffect van de beoogde situatie is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. In de bijlagen bij de vergunning zijn de AERIUS rapportages bijgevoegd van de invoergegevens en het berekeningsresultaat.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 41
Het projecteffect van de bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000- gebieden. Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering, zolang de zorgplicht voor beschermde soorten in acht wordt genomen.
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Relatie tot ontwikkeling Auto parkeren De gemeenteraad van Zoetermeer heeft op 14 mei 2018 het bestemmingsplan “Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten” vastgesteld. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met de gemeentelijke ‘Nota parkeernorm en uitvoeringsregels (2019)’. Een nieuwe ontwikkeling dient aan de regels uit deze uitvoeringsnota te voldoen. Op 16 december 2019 heeft de gemeenteraad de Actualisatie Parkeerbeleid Zoetermeer 2019 en de Nota Parkeernormen en uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 vastgesteld. In het geactualiseerde parkeerbeleid zijn de laatste inzichten ten aanzien van het parkeren en de toetsing op parkeernormen meegenomen. Voor alle functies zijn duidelijke vaste minimale parkeernormen per zone opgenomen. Hiervan kan in principe niet naar beneden afgeweken worden. Verder zijn er specifieke parkeernormen voor verschillende woonroepen, zoals jongerenwoningen, studentenwoningen, zorgwoningen en sociale/goedkope huurwoningen opgenomen. Het parkeerbeleid is hiermee doelgericht.
Verder verschilt de parkeernorm bij nieuwe ontwikkelingen afhankelijk van de locatie in de stad waar deze ontwikkeling wordt voorzien. Het parkeerbeleid is gebiedsgericht. Rekening is gehouden met een hoog, gemiddeld of laag autobezit, gebiedskenmerken zoals OVbereikbaarheid, aanbod aan voorzieningen alsmede de ambities voor het gebied in de toekomst vanuit gewenst ruimtegebruik, duurzaamheid en leefbaarheid. De projectlocatie is gelegen in zone C, zie onderstaande figuur.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 42
Figuur 22. Uitsnede Parkeernota 2019, parkeernormering (projectlocatie globaal weergegeven met rode cirkel)
Zone C kenmerkt zich als een gebied met een hoge autoafhankelijkheid en: • Relatief weinig openbaar vervoer aanbod in de directe nabijheid; • De aanwezigheid van goede fietsinfrastructuur maar met een grotere fietsafstanden naar centrumgebied; • Een relatief laag aanbod aan (dagelijkse) voorzieningen; • Een gemiddeld autobezit van >1,10 auto per huishouden in de afgelopen 5 jaar. De parkeernormen verschillen per type woning. In onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van de parkeernormen voor wonen.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 43
Figuur 23. Uitsnede Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels, parkeernormering auto
Voor de beoogde ontwikkeling is het benodigd aantal parkeerplekken bepaald. In de ‘Studie Appartementen Natuursteenlaan’ (zie bijlage 6) wordt er uitgegaan van 39 appartementen die kunnen worden getypeerd als gestapeld gemiddeld (voor 70% van de woningen geldt dat ze in het koopsegment met een prijs tot de NHGgrens worden aangeboden. De overige woningen worden als vrije sector huurappartementen aangeboden). Bij dit type appartement hoort een parkeernorm van 1,0 met een aandeel bezoek van 0,3. In totaal zijn er 39 parkeerplekken nodig. Op de projectlocatie van de beoogde ontwikkeling kunnen maximaal 39 parkeerplekken worden gerealiseerd. Hiermee kan worden voldaan aan de benodigde parkeerbehoefte. Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. In de Nota Parkeernomen en Uitvoeringsregels zijn de normen vastgelegd met betrekking tot het aantal fietsparkeerplaatsen.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 44
Figuur 24.Uitsnede Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels, parkeernormering fiets
Voor de beoogde ontwikkeling is er gekeken naar het benodigde aantal fiets parkeerplekken. In de studie wordt uitgegaan van 39 appartementen die kunnen wordt getypeerd als gestapeld gemiddeld. Bij dit type appartement hoort een parkeernorm van 4,0 met een aandeel bezoek van 1,0. In totaal zijn er 156 fiets parkeerplekken nodig. Ieder appartement beschikt over een berging waarin fietsen kunnen worden gestald. De beoogde ontwikkeling realiseert fiets parkeerplekken voor bezoekers op het terrein. In totaal worden 39 fiets parkeerplekken voor bezoekers gerealiseerd. Hiermee is voldoende ruimte gecreëerd om in het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen te voorzien.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 45
Figuur 25. Uitsnede ontwikkeling fiets parkeerplekken voor bezoekers, aangegeven met rode pijl, bron: Studie Appartementen Natuursteenlaan
Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-rekentool / publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: hoofdgroep wonen – gemeente Zoetermeer. Toekomstige situatie Voor de verkeersgeneratie wordt er gerekend met de ‘Studie Appartementen Natuursteenlaan’ (zie bijlage 6). Er wordt uitgegaan van 39 appartementen. Voor 70% van de woningen geldt dat ze in het koopsegment met een prijs tot de NHG-grens worden aangeboden. De overige woningen worden als vrije sector huurappartementen aangeboden. De doelgroep is het midden- en het hogere segment. De gemeente Zoetermeer wordt met een omgevingsadressendichtheid van 2.507 aangemerkt als ‘zeer sterk stedelijk’. Aan de hand van de stedelijkheidsgraad kan de verkeersgeneratie voor de beoogde ontwikkeling worden berekend. De planlocatie ligt in de rest bebouwde kom van Zoetermeer. Voor deze gebiedsbepaling geldt een range van een minimale en maximale verkeersgeneratie. Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking ten behoeve van de stikstofdepositieberekening wordt uitgegaan van de maximale kengetallen. De woningen worden gemiddeld getypeerd als ‘koop, appartement, midden’. De maximale verkeersgeneratie per woning zeer sterk stedelijk in rest bebouwde kom bedraagt 5,5.
De maximale verkeersgeneratie voor de beoogde ontwikkeling per etmaal bedraagt: 214,5 (afgerond 215) verkeersbewegingen. Er wordt op basis van CROW-kengetallen ervan uitgegaan dat daarvan per woning 0,02 vrachtverkeer betreffen, wat neerkomt op (afgerond) 1 vrachtwagenbeweging per etmaal. Huidige (feitelijke) situatie In de CROW publicatie 381 zijn geen verkeersgeneratiekengetallen opgenomen voor restaurants. Aan de hand van de volgende uitgangspunten is toch een kengetal bepaald: • Volgens de CROW mag voor restaurants in de ‘rest bebouwde kom’ in een ‘zeer sterk stedelijk’ gebied minimaal 12,0 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo worden aangehouden. • Het huidige restaurant heeft een oppervlakte van circa 240 m2. • Aangenomen is dat iedere tafel 2 keer per dag bezet wordt. • Een restaurant van 240 m2 heeft een parkeerbehoefte van 28,8 parkeerplaatsen (12,0 * 2,4).
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 46
• • •
Wanneer de tafels 2 keer per dag worden bezet, worden per dag 28,8 * 2 parkeerplekken gebruikt. Dit komt neer op 57,6 parkeerplekken per etmaal. De 57,6 parkeerplekken, trekken 2 motorvoertuigbewegingen aan per etmaal (heen- en terugreizend verkeer). De verkeersgeneratie voor het huidige restaurant komt gezien voorgaande neer op 2 * 57,6 = 115,2 motorvoertuigbewegingen/etmaal.
Planologisch toegestane situatie In de feitelijke situatie is een restaurant aanwezig op de projectlocatie met een oppervlakte van circa 240 m2. Het geldende bestemmingsplan “Rokkeveen” staat echter bebouwing toe in een bouwvlak van circa 1.200 m2. Aan de hand van deze gegevens kan de verkeersgeneratie voor de planologisch toegestane situatie worden bepaald: • Volgens de CROW mag voor restaurants in de ‘rest bebouwde kom’ in een ‘zeer sterk stedelijk’ gebied minimaal 12,0 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo worden aangehouden. • Het bestemmingsplan staat een restaurantfunctie toe in een bouwvlak van circa 1.200 m 2; • Aangenomen is dat iedere tafel 2 keer per dag bezet wordt. • Een restaurant van 1.200 m2 heeft een parkeerbehoefte van 144 parkeerplaatsen (12,0 * 12). • Wanneer de tafels 2 keer per dag worden bezet, worden per dag 144 * 2 parkeerplekken gebruikt. Dit komt neer op 288 parkeerplekken per etmaal. • De 288 parkeerplekken, trekken 2 motorvoertuigbewegingen aan per etmaal (heen- en terugreizend verkeer). • De verkeersgeneratie voor het huidige restaurant komt gezien voorgaande neer op 2 * 288 = 576 motorvoertuigbewegingen/etmaal. Conclusie verkeersgeneratie en ontsluiting Voor de feitelijke situatie geldt dat de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde woningbouw toeneemt. Het huidig aantal verkeersbewegingen betreft circa 115 motorvoertuigen/etmaal.
In de toekomstige situatie komen daar circa 100 motorvoertuigbewegingen/ etmaal bij. Het geldende bestemmingsplan staat echter een horecafunctie toe in een bouwvlak van circa 1.200 m2. Hier hoort een verkeersgeneratie van 576 motorvoertuigbewegingen/etmaal bij. De toename van 100 motorvoertuigbewegingen ten gevolge van de beoogde woningen valt weg bij hetgeen het geldende bestemmingsplan toestaat. Het verkeer dat ten gevolge van de beoogde ontwikkeling wordt gegenereerd, dient te worden ontsloten tot op het punt waar het opgaat in het heersend verkeersbeeld. Dit is het punt waarop het verkeer zich qua snelheid, optrek en stopgedrag niet meer onderscheidt ten opzichte van het overige verkeer, aanwezig op de betrokken weg. De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de Natuursteenlaan, de Scheglaan en de Oostweg (N471). De Oostweg staat in verbinding met de A12 richting Den Haag en Utrecht. Tot aan de Oostweg wordt verondersteld dat de verkeersaantrekkende werking opgaat in het heersend verkeersbeeld. Gezien voorgaande kan geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling goed op te vangen is binnen de bestaande wegenstructuur.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 47
Figuur 26. Ontsluitingssituatie (bron: Google Maps)
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van Schieland en Krimpenerwaard. Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 17 december 2021 de watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het waterschap dat zij belang heeft bij de plannen. Als gevolg hiervan is de projectinformatie toegestuurd naar de waterbeheerder. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 48
Waterkwantiteit Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur verharde oppervlakten aan te brengen met een totale oppervlakte van meer dan 500 m2, waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, wordt gebracht op het oppervlaktewater lichaam (artikel 3.2 van de Keur). Beschermde gebieden Legger oppervlaktewatersystemen De projectlocatie ligt niet binnen (de beschermingszone van) een watergang, zie onderstaand figuur. Figuur 27. Legger oppervlaktewatersysteem (projectlocatie blauw omlijnd)
Legger van waterkeringen De projectlocatie is niet gelegen binnen (de beschermingszone van) een waterkering.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 49
Figuur 28. Legger van waterkeringen (projectlocatie blauw omlijnd)
Voor het onderdeel beschermde gebieden ontstaan op voorhand geen belemmeringen. Riolering De wijk Rokkeveen is aangesloten op een gescheiden rioolstelsel. Bij een gescheiden rioolstelsel wordt het regenwater van verharde oppervlakken via het schoonwaterriool afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater wordt via het vuilwaterriool afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De beoogde ontwikkeling zal worden aangesloten op een gescheiden rioolstelsel. Bij nieuwbouw en herbouw wordt het huishoudelijk afvalwater gescheiden van het regenwater, waardoor ook nieuwe verharde oppervlakken zijn afgekoppeld. Op deze manier wordt zowel uitvoering gegeven aan landelijk beleid als het beleid van waterbeheer.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
WINDHINDER Algemeen Voor het aspect windhinder bestaat geen wettelijk kader. Hiervoor wordt in de praktijk aangesloten bij de Nederlandse Norm (NEN 8100). Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik wordt gemaakt van het beslismodel in de NEN8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties windhinderonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een nokhoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek noodzakelijk geacht.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een windhinder onderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Windsafe. De rapportage ‘CFD Windklimaat onderzoek Ontwikkeling Rokkeveen’ van 14 december 2021 is opgenomen in bijlage 7 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 50
De projectlocatie is gelegen aan de Natuursteenlaan en de Scheglaan en langs de N470. Langs de twee lanen lopen zowel wandel- als fietspaden. Alle paden in en rond de projectlocatie hebben een doorloopfunctie. Op basis van de resultaten van het windhinder onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Windhinder Bij de zuidoosthoek van het gebouw treedt een klein gebied met windhinder op. Gezien de grootte en ligging zal het effect op wandelaars klein zijn. Een mogelijkheid om dit te voorkomen is om aan de zuidzijde van het parkeerterrein bomen te plaatsen. Windgevaar Alle paden rondom de projectlocatie zijn vrij van de categorie ‘gevaarlijk’. Hiermee kan geteld worden dat de ontwikkeling geen windgevaar veroorzaakt.
Conclusie Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie, geadviseerd wordt om aan de zuidzijde van het parkeerterrein bomen te plaatsen.
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningbouw. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 51
Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met de vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als bijlage 11 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 52
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Door de initiatiefnemer wordt een informatieavond georganiseerd voor de omwonenden en geadresseerden binnen een straal van 300 meter van de projectlocatie.
Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt tevens de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor eenieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 53
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel om woningbouw te realiseren. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Hieruit volgt dat er geen belemmeringen ontstaan voor de realisatie van de beoogde woontoren. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 20202.RO.05
Pagina | 54