Bijlage 18 MER Bijlage 19 Ecologische beoordeling
Tekst van het document
Notitie
referentienummer datum aan van kopie projectnummer project betreft
13 februari 2025 Gemeente Zoetermeer Antea Group 0497677.100 Entree Zoetermeer Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Aanleiding: planvoornemen Entree Zoetermeer De gemeente Zoetermeer is bezig met de ontwikkeling van Entree. In Entree wordt het gebied rondom de Afrikaweg tussen de A12 en het centrum, waar nu verouderde kantoren staan, getransformeerd naar een levendige en kwalitatief aantrekkelijke stadswijk. Op een aantal plots is tijdelijke huisvesting voor jongeren, spoedzoekers en Oekraïners gerealiseerd. Entree ligt ten noorden van de A12 en station Zoetermeer. De Afrikaweg loopt van noord naar zuid door het gebied en aan de westen oostzijde loopt de Boerhaavelaan respectievelijk Bredewater. Entree wordt een nieuw gemengd stedelijk gebied met een mix van wonen, werken en voorzieningen. Entree is daarmee één van de sleutelprojecten voor de toekomst van Zoetermeer. In tabel 1 is per programmaonderdeel zowel de minimale als maximale invulling aangegeven. In de uiteindelijke invulling van Entree en de programmering zijn er talloze varianten in de programmering mogelijk. De uiteindelijke invulling is afhankelijk van diverse factoren zoals marktomstandigheden en fasering. Er is sprake van één stedenbouwkundig model waarbinnen de verschillende varianten gerealiseerd moeten worden.
Figuur 1: Nieuwe plangrens Entree Zoetermeer (Bron: Gemeente Zoetermeer)
Dit document is vertrouwelijk. Bezoek onze website voor de volledige disclaimer: Algemene voorwaarden en privacyverklaring Antea Nederland B.V. - statutaire zetel Heerenveen - handelsregister 29021830 - BTW nr. NL003662317B01 vestigingen in Heerenveen, Schoonebeek, Deventer, Almere, Capelle aan den IJssel, Goes, Oosterhout en Maastricht
blad 1 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Tabel 1: Minimale en maximale invulling per programmaonderdeel Entree. Programma onderdeel
Minimale alternatief
Maximale alternatief
Woningen
6.250
7.250 2
Kantoren
40.000 m bvo
50.000 m2 bvo
Bedrijfsfuncties
20.000 m2 bvo
40.000 m2 bvo
Maatschappelijke voorzieningen
35.000 m2 bvo
45.000 m2 bvo
Met betrekking tot het maximale alternatief nog de notie dat deze bestaat uit de maximale benutting van de bandbreedtes van elk van de programmaonderdelen. Het stedenbouwkundig model biedt zoals hiervoor aangegeven niet de ruimte om op elk programmaonderdeel de maximale invulling te realiseren. Er zal sprake zijn van communicerende vaten: bijvoorbeeld meer woningen heeft als gevolg dat er minder ruimte overblijft voor niet-woonfuncties. Door in het maximale alternatief de maximale benutting op elk programmaonderdeel als uitgangspunt te nemen voor de onderzoeken, kan met zekerheid gezegd worden dat voor elk programmaonderdeel ook het worst-case scenario is beoordeeld. Aanleiding: Natura 2000-gebiedsbescherming - stikstofberekening De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 11.1 tot en met 11.9 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de Ow. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden.
De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. De Ow regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden ten aanzien van plannen en projecten en die mogelijk een effect hebben op Natura 2000-gebieden gelet op de instandhoudingsdoelen van die gebieden. In het kader van de toetsing aan de Natura 2000-gebiedsbescherming zijn 3 AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Deze berekeningen zijn opgenomen en toegelicht in een afzonderlijk stikstofrapport. De berekeningen betreffen: • planbijdrage minimaal alternatief; • planbijdrage maximaal alternatief; • planbijdrage realisatie. Uit de Aerius-berekening (zie tabel 2) blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie in de realisatiefase ongeacht het gekozen alternatief. Voor de gebruiksfase geldt voor beide planalternatieven dat er sprake is van een toename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar en (maximaal) minder dan 0,05 mol/ha/jaar. Tabel 2: Planbijdrages stikstofdepositie in overbelaste situatie minimale en maximale invulling en realisatiefase programmaonderdeel Entree. Natura 2000-gebied 1)
Planbijdrage [mol/ha/jr] Minimale alternatief
Planbijdrage [mol/ha/jr] Maximale alternatief 2)
Planbijdrage [mol/ha/jr] Realisatiefase beide alt.
Meijendel & Berkheide
0,02
0,03
-
Solleveld & Kapittelduinen
0,01
0,02
-
Westduinpark & Wapendal
0,01
0,02
-
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
0,01
0,02
-
Kennemerland-Zuid
0,01
0,02
-
Coepelduynen
0,01
0,02
-
1)
2)
Op het Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein is in het maximale alternatief op 1 hexagon een planbijdrage van 0,01 mol/ha/jr in het habitattype H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart). Dit betreft echter geen sprake van een stikstofknelpunt (met KDW 1571 mol/ha/jr en een achtgrondwaarde van 1325 mol/ha/jr). In een dergelijke situatie is een negatief effect uit te sluiten. Dit Natura 2000-gebied komt daarom in voorliggende ecologische beoordeling niet meer aan de orde. Dit alternatief is gebruikt voor de afbakening van de instandhoudingsdoelen met een mogelijk planeffect, verderop in voorliggende notitie.
blad 2 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
In de zes stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is in de huidige situatie sprake van een (deels) overbelaste situatie1. Dat wil zeggen dat de huidige stikstofdepositie boven de KDW (kritische depositie waarde) liggen. De kritische depositie waarde wordt daarbij als volgt gedefinieerd: “De grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben et al. 2012). Stikstofdepositie kan daarom voor veel habitattypen een bedreiging vormen voor de kwaliteit. Daarom is de voorliggende ecologische beoordeling opgesteld. Doel notitie In deze notitie wordt onderzocht of significant gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstofdepositie als gevolg van de planbijdrage zijn uit te sluiten. Leeswijzer notitie Eerst worden de planbijdrage op de beïnvloede Natura 2000-gebieden beschreven. Hierbij is uitgegaan van het maximale alternatief. Vervolgens worden de gevolgen van de kleine deposities bepaald en beoordeeld. Daarna wordt ingegaan op de ecologische sleutelfactoren c.q. de sturende factoren voor het behouden van de natuurlijke kenmerken van de relevante Natura 2000-gebieden. Ten slotte volgt - deze twee onderdelen overwegende - een eindconclusie van de ecologische beoordeling van de planbijdrage aan stikstof.
Afbakening te beoordelen instandhoudingsdoelen Meijendel & Berkheide Het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide betreft een Habitatrichtlijngebied2. Het gebied is in 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. In oktober 2014 is een wijzigingsbesluit genomen met betrekking tot de begrenzing. In november 2022 is het wijzigingsbesluit vastgesteld, waarbij H2110, H3140 en H6430A, alsook de habitatrichtlijnsoorten kleine modderkruiper en kamsalamander zijn toegevoegd aan de instandhoudingsdoelen op basis van de aanwezige waarden. De instandhoudingsdoelen zijn in de tabellen 3 en 4 weergegeven. In deze tabellen vindt ook de afbakening plaats van instandhoudingsdoelen die relevant zijn voor de ecologische beoordeling. Groen gemarkeerde doelen zijn niet relevant. Tabel 3: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide (Aanwijzings- en wijzigingsbesluit) voor het maximale alternatief. Oranje = planbijdrage bij maximale alternatief op minimaal één overbelast hexagoon. Voor de instandhoudingsdoelstellingen geldt dat =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent. =(<) betekent behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde. * is een prioritair habitattype. Code
Habitattype en subtype
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
H2110
Embryonale duinen
= =
1429
922
0,01
H2120
Witte duinen
= >
1429
1926
0,02
> >
1071
2004
0,02
> >
929
1925
0,03
H2130A* H2130B*
Grijze duinen (kalkrijk) Grijze duinen (kalkarm)
H2160
Duindoornstruwelen
=(<) =
2000
2004
0,03
H2180Abe
Duinbossen (droog), berken-eikenbos
= =
1071
1786
0,02
Relevant
Nee, er is enkel een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen Ja, er is planbijdrage op enkele overbelaste hexagonen. Ja, er is planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage (0,01 mol/ha/jr) op 1 overbelast hexagon en op 2 naderend overbelaste hexagonen. Ja, er is planbijdrage op overbelaste hexagonen.
1
De termen ‘niet overbelast’, ‘naderend overbelast’ en ‘overbelast’ hebben betrekking op het al dan niet overschrijden van de KDW. De kritische depositie waarde wordt daarbij als volgt gedefinieerd: “De grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie” (H.F. van Dobben, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2397 2397). 2
Meijendel & Berkheide | natura 2000
blad 3 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Code
Habitattype en subtype
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
1071
1925
0,03
Relevant
H2180Ao
Duinbossen (droog), overig
H2180B
Duinbossen (vochtig)
= =
2214
1861
0,03
H2180C
Duinbossen (binnenduinrand)
= >
1786
1991
0,03
2143
1321
0,02
Nee, er is enkel een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen.
1000
929
0,01
Nee, er is enkel een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen.
H2190Ae
H2190Aom
Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen Vochtige duin-valleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen
Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Nee, er is enkel een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op enkele (naderend) overbelaste hexagonen.
> >
Nee, een planbijdrage op 1 naderend ovebelast hexagon. Voldoende ruimte zodat planbijdrage niet leidt tot overschrijding KDW. Andere hexagonen met planbijdrage zijn niet overbelast. Ja, er is een planbijdrage op 1 overbelast hexagon. De overige hexagonen zijn niet overbelast
H2190B
Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
> >
1429
1417
0,02
H2190C
Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
> >
1071
1504
0,02
H2190D
Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
> >
> 2400
-
-
Nee, niet stikstofgevoelig.
H3140lv
Kranswierwateren
= =
2143
1425
0,02
Nee, er is enkel een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen.
H6430A
Ruigten en zomen (moerasspirea)
= =
> 2400
-
-
Nee, niet stikstofgevoelig.
Concluderend zijn op basis van de analyse in tabel 3 in Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de habitattypen H2110 Embryonale duinen, H2180B Duinbossen (vochtig), H219A Vochtige duinvalleien (open water), (beide subtypen), H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk), H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten), H3140 Kranswierwateren en H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) op voorhand uit te sluiten. Een nadere ecologische analyse voor de overige habitattypen is opgenomen in voorliggende notitie. Tabel 4: Afbakening habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide (Aanwijzingsbesluit, Gebiedsanalyse3) voor het maximale alternatief waarbij =: behoudsdoelstelling betekent. Groen = geen nadere ecologische beoordeling noodzakelijk. Code
3
Habitatrichtlijnsoort
Doel populatie/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
H1014
Nauwe korfslak
= = =
Stikstofgevoelige soort, niet relevant. De soort is in Meijendel & Berkheide geassocieerd met Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen, H2190B en H2160. Op dit leefgebied en deze habitattypen is sprake van een zeer lokaal/beperkt effect. Ook lg12 heeft een planbijdrage in overwegend niet overbelaste hexagonen. Dit heeft geen negatieve invloed op de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de doelpopulatie voor de nauwe korfslak.
H1149
Kleine modderkruiper
= = =
Niet relevant, niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.
H1166
Kamsalamander
= = =
Stikstofgevoelige soort, niet relevant. De soort komt in Meijendel & Berkheide vooral voor in de infiltratieplassen van het deelgebied Meijendel. Potentieel leefgebied bevindt zich vnl. in de lage delen van dit gebied,
Meijendel & Berkheide: Gebiedsanalyse | natura 2000
blad 4 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Code
Habitatrichtlijnsoort
Doel populatie/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
waar de habitattypen H2190A, H2190B en H2190C voorkomen. Alleen in H2190C is er heel lokaal sprake van overbelasting en een planbijdrage. Dit zeer lokale effect heeft geen negatieve invloed op de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de doelpopulatie aan kamsalamanders. H1318
Meervleermuis
= = =
Niet relevant, niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.
Voor de habitatrichtlijnsoorten meervleermuis en kleine modderkruiper is geen sprake van stikstofgevoeligheid. Negatieve effecten op deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor de stikstofgevoelige soorten nauwe korfslak en kamsalamander is een significante effect op basis van de analyse in tabel 4 uit te sluiten. Afbakening te beoordelen instandhoudingsdoelen Solleveld & Kapittelduinen Het Natura 2000-gebied Sollelveld & Kapittelduinen betreft een Habitatrichtlijngebied4. Het gebied is in 2004 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelen zijn in de tabellen 5 en 6 weergegeven. In deze tabellen vindt ook de afbakening plaats van instandhoudingsdoelen die relevant zijn voor de ecologische beoordeling. Groen gemarkeerde doelen zijn niet relevant. Tabel 5: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Sollelveld & Kapittelduinen (Aanwijzingsbesluit) voor het maximale alternatief. Oranje = projectbijdrage op minimaal één overbelast hexagoon. Voor de instandhoudingsdoelstellingen geldt dat =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent. =(<) betekent behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde. * is een prioritair habitattype. Code
Habitattype en subtype
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
H2110
Embryonale duinen
= =
1429
1337
0,01
H2120
Witte duinen
=(<) >
1429
1642
0,01
Nee, er is alleen een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op 3 overbelaste hexagonen en 1 naderend overbelast hexagon. De overige hexagonen zijn niet overbelast. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Nee, er is alleen een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen.
Grijze duinen (kalkrijk) Grijze duinen (kalkarm) Duinheiden met struikhei
>>
1071
1642
0,01
= >
929
1784
0,01
= >
857
2032
0,01
Duindoornstruwelen
=(<) =
2000
2371
0,01
Duinbossen (droog), berken-eikenbos Duinbossen (droog), overig
1071
1977
0,01
= > 1071
2427
0,02
H2180C
Duinbossen (binnenduinrand)
=>
1786
2501
0,01
H2190Ae
Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen
2143
-
-
Nee, er is geen planbijdrage.
H2190Aom
Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen
0,01
Ja, er is een planbijdrage op 1 overbelast hexagon en 1 naderend overbelast hexagon. De overige hexagonen hebben geen planbijdrage.
H2130A* H2130B* H2150* H2160 H2180Abe H2180Ao
4
Relevant
= = 1000
1036
Solleveld & Kapittelduinen | natura 2000
blad 5 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Code
H2190B
H2190D
Habitattype en subtype
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
> >
1429
1417
0,01
Nee, er is alleen een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen.
>>
> 2400
-
-
Nee, niet stikstofgevoelig.
Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
Relevant
Concluderend zijn op basis van de analyse in tabel 5 in Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de habitattypen H2110 Embryonale duinen, H2160 Duindoornstruwelen, H219A Vochtige duinvalleien (open water) matig eutrofe vormen, H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) en H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten). Een nadere ecologische analyse voor de overige habitattypen is opgenomen in voorliggende notitie. Tabel 6: Afbakening habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen (Aanwijzingsbesluit, Gebiedsanalyse5) voor het maximale alternatief, waarbij =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent. Groen = geen nadere ecologische beoordeling noodzakelijk. Code
Habitatrichtlijnsoort
Doel populatie/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied
H1014
Nauwe korfslak
= = =
H1903
Groenknolorchis
> > >
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
Stikstofgevoelige soort, niet relevant. De soort is geassocieerd met Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen, H2190B Vochtige duinvalleien (ontkalkt) en H2160 Duindoornstruwelen. Op deze leefgebieden en habitattypen is er sprake van een zeer lokaal effect. Dit heeft geen negatieve invloed op de draagkracht van het Natura 2000gebied voor de doelpopulatie voor de nauwe korfslak. Stikstofgevoelige soort, niet relevant. De soort komt voor in H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk.) Voor H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) is geen sprake van een planbijdrage.
Voor de stikstofgevoelige soorten nauwe korfslak en groenknolorchis is een significante effect op basis van de analyse in tabel 6 ook uit te sluiten. Afbakening te beoordelen instandhoudingsdoelen Westduinpark & Wapendal Het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal is een Habitatrichtlijngebied6. Het gebied is in 2011 door de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelen zijn in tabel 7 weergegeven. In deze tabel vindt ook de afbakening plaats van instandhoudingsdoelen die relevant zijn voor de ecologische beoordeling. Groen gemarkeerde doelen zijn niet relevant. Tabel 7: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal (Aanwijzingsbesluit) voor het maximale alternatief. Oranje = projectbijdrage op minimaal één overbelast hexagoon. Voor de instandhoudingsdoelstellingen geldt dat =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent. =(<) betekent behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde. * is een prioritair habitattype. Code
Habitattype en subtype
H2120
Witte duinen
H2130A* H2130B* H2150*
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
= =
1429
2534
0,01
> >
1071
2653
0,02
= =
929
2347
0,02
= =
857
2295
0,01
Grijze duinen (kalkrijk) Grijze duinen (kalkarm) Duinheiden met struikhei
5
Solleveld & Kapittelduinen: Gebiedsanalyse | natura 2000
6
Westduinpark & Wapendal | natura 2000
Relevant
Ja, er is een planbijdrage op enkele overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen.
blad 6 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Code
Habitattype en subtype
H2160
Duindoornstruwelen
H2180A
Duinbossen (droog)
H2180Ao H2180C
Duinbossen (droog), overig Duinbossen (binnenduinrand)
Doel omvang/kwaliteit
=(<) =
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
2000
2653
0,01
1071
2347
0,02
1071
2017
0,01
1786
2675
0,02
= >
=(<) =
Relevant
Ja, er is een planbijdrage op enkele overbelaste hexagonen. De overige hexagonen met planbijdrage zijn niet overbelast Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelast hexagonen
Concluderend zijn op basis van de analyse in tabel 3 in Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal alle habitattypen relevant voor een nadere ecologische analyse, opgenomen in voorliggende notitie. Afbakening te beoordelen instandhoudingsdoelen Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is een Vogel- en Habitatrichtlijngebied7. Het gebied is in 2013 door de Staatssecretaris van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. In november 2022 is het wijzigingsbesluit vastgesteld, waarbij H6430B en de soort rivierdonderpad zijn toegevoegd aan de instandhoudingsdoelen op basis van de aanwezige waarden. De instandhoudingsdoelen zijn in de tabellen 8 tot en met 11 weergegeven. In deze tabellen vindt ook de afbakening plaats van instandhoudingsdoelen die relevant zijn voor de ecologische beoordeling. Groen gemarkeerde doelen zijn niet relevant. Tabel 8: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (Aanwijzings- en wijzigingsbesluit) voor het maximale alternatief. Oranje = projectbijdrage op minimaal één overbelast hexagoon. Voor de instandhoudingsdoelstellingen geldt dat =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent. * is een prioritair habitattype. Code
Habitattype en subtype
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
H3140
Kranswierwateren
> >
2143
1721
0,01
Nee, er is alleen een planbijdrage in niet overbelaste hexagonen
> >
2143
3168
0,01
Ja, er is een planbijdrage op 2 overbelaste hexagonen.
> >
1071
1652
0,01
>>
786
1651
0,01
= =
> 2400
-
-
Nee, niet stikstofgevoelig.
==
> 2400
-
-
Nee, niet stikstofgevoelig.
> >
1214
1291
0,01
Ja, er is een planbijdrage op overbelast hexagonen.
> >
500
1567
0,02
Ja, er is een planbijdrage op overbelast hexagonen.
= =
1429
-
-
= =
1786
1761
0,02
H3150 H4010B H6410
Blauwgraslanden
H7210
Ruigten en zomen (moerasspirea) Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden ) Galigaanmoerassen
H91D0*
Hoogveenbossen
H6430A H6430B H7140A
H7140B
7
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Vochtige heiden (laagveengebied_
Relevant
Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is planbijdrage op overbelaste hexagonen.
Nee, er is geen planbijdrage. Nee, er is een planbijdrage op 3 naderend overbelaste hexagonen. De andere hexgonen zijn niet overbelast. De planbijdrage leidt nergens tot een overschrijding van de KDW.
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | natura 2000
blad 7 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Concluderend zijn op basis van de analyse in tabel 8 in Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (significant) negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de habitattypen H3140 Kranswierwateren, H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea), H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje), H7210 Galigaanmoerassen en H91D0*Hoogveenbossen. Een nadere ecologische analyse voor de overige habitattypen is opgenomen in voorliggende notitie. Tabel 9: Afbakening habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (Aanwijzings- en wijzigingsbesluit, Gebiedsanalyse 8 ) voor het maximale alternatief, waarbij =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent. Groen = geen nadere ecologische beoordeling noodzakelijk. * is een prioritaire habitatrichtlijnsoort. Code
Habitatrichtlijnsoort
Doel populatie/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
H1016
Zegge-korfslak
= = =
Niet relevant. De soort is in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck geassocieerd met H7210 en Lg05. Voor dit habitattypen is geen sprake van een planbijdrage of geen planbijdrage op een overbelaste hexagonen.
H1082
Gestreepte waterroofkever
> > >
Niet relevant, soort met een niet stikstofgevoelig leefgebied.
H1134
Bittervoorn
= = =
H1149 H1163
Kleine modderkruiper Beek/rivierdonderpad
= = = = = =
Niet relevant. De soort is in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck geassocieerd met H3150 en Lg02 Geïsoleerde meander en petgat. Voor dit habitattype is zeer lokaal sprake van een planbijdrage op overbelaste hexagonen en bij Lg02 is alleen sprake van een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Dit heeft geen negatieve invloed op de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de doelpopulatie voor de bittervoorn. Niet relevant, soort met een niet stikstofgevoelig leefgebied. Niet relevant, soort met een niet stikstofgevoelig leefgebied.
H1318
Meervleermuis
= = =
Niet relevant, niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.
H1340*
Noordse woelmuis
= = =
Niet relevant, soort met een niet stikstofgevoelig leefgebied.
H1903
Groenknolorchis
>>>
H4045
Plattte schijfhoren
= = =
Ja. De soort is in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck geassocieerd met H7140A. Voor dit habitattype is sprake van een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Niet relevant. De soort is in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck geassocieerd met H3150 en Lg02 Geïsoleerde meander en petgat. Voor dit habitattype is zeer lokaal sprake van een planbijdrage op overbelaste hexagonen en bij Lg02 is alleen sprake van een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Dit heeft geen negatieve invloed op de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de doelpopulatie voor de platte schijfhoorn.
Voor de habitatrichtlijnsoorten gestreepte waterroofkever, kleine modderkruiper, beek/rivierdonderpad, meervleermuis en Noordse woelmuis is geen sprake van stikstofgevoeligheid. Negatieve effecten op deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor de stikstofgevoelige soorten zegge-korfslak, bittervoorn en platte schijfhoorn geldt concluderend op basis van de analyse in tabel 9 dat significant negatieve effecten uit te sluiten zijn. Een nadere ecologische analyse voor de groenknolorchis is opgenomen in voorliggende notitie. Tabel 10: Afbakening broedvogels Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (Aanwijzingsbesluit, Gebiedsanalyse) voor het maximale alternatief, waarbij =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent. Groen = geen nadere ecologische beoordeling noodzakelijk.
8
Code
Broedvogelsoort
A021 A029 A176
Roerdomp Purperreiger Zwartkopmeeuw
A197
Zwarte stern
Doel Aantal broedvogels/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied 6 > > 120 = = 9 = = 115 > >
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
Niet relevant, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied. Niet relevant, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied. Niet relevant, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied. Stikstofgevoelige soort, niet relevant. De soort is in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck geassocieerd met H3150. Voor dit habitattype is zeer lokaal sprake van een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Dit
103_Nieuwkoopse-plassen-en-de-Haeck_gebiedsanalyse_15-12-2017_ZH_def
blad 8 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Code
Broedvogelsoort
Doel Aantal broedvogels/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
A292
Snor
25 = =
heeft geen negatieve invloed op de draagkracht van het Natura 2000gebied voor de doelpopulatie voor de zwarte stern. Niet relevant, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.
A295
Rietzanger
680 = =
Niet relevant, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.
Voor de meest broedvogelsoorten is geen sprake van stikstofgevoeligheid. Negatieve effecten op deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor de stikstofgevoelige soort zwarte stern geldt concluderend op basis van de analyse in tabel 10 dat significant negatieve effecten uit te sluiten zijn. Tabel 11: Afbakening niet-broedvogels Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (Aanwijzingsbesluit, Gebiedsanalyse) voor het maximale alternatief, waarbij =: behoudsdoelstelling betekent. Groen = geen nadere ecologische beoordeling noodzakelijk. Code
Niet-broedvogelsoort
Doel
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
populatie/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied A027
Grote zilverreiger
Max 60 = =
A041
Kolgans
Max 3000 = =
A050
Smient
Max 3500 = =
A051
Krakeend
Max 90 = =
Niet relevant, instandhoudingsdoel betreft slaap- en rustplaats, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied. Niet relevant, instandhoudingsdoel betreft slaap- en rustplaats, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied. Niet relevant, instandhoudingsdoel betreft slaap- en rustplaats en foeragergebied, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied. Niet relevant, Instandhoudingsdoel betreft slaap- en rustplaats, soort niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.
Voor de niet-broedvogelsoorten is geen sprake van stikstofgevoeligheid. Negatieve effecten op deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Afbakening te beoordelen instandhoudingsdoelen Kennemerland-Zuid Het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid betreft een Habitatrichtlijngebied9. Het gebied is in 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. In oktober 2014 is een wijzigingsbesluit genomen met betrekking tot de begrenzing. In november 2022 is het wijzigingsbesluit vastgesteld, waarbij H7210 alsook de habitatrichtlijnsoort kleine modderkruiper zijn toegevoegd aan de instandhoudingsdoelen op basis van de aanwezige waarden. De instandhoudingsdoelen zijn in de tabellen 12 en 13 weergegeven. In deze tabellen vindt ook de afbakening plaats van instandhoudingsdoelen die relevant zijn voor de ecologische beoordeling. Groen gemarkeerde doelen zijn niet relevant. Tabel 12: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid (Aanwijzings- en wijzigingsbesluit) voor het maximale alternatief. Oranje = planbijdrage bij maximale alternatief op minimaal één overbelast hexagoon. Voor de instandhoudingsdoelstellingen geldt dat =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent.
=(<) betekent behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde. * is een prioritair habitattype. Code
Habitattype en subtype
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
H2110
Embryonale duinen
= =
1429
967
0,01
H2120
Witte duinen
> >
1429
1202
0,01
> >
1071
1763
0,01
= >
929
1343
0,01
H2130A* H2130B* 9
Grijze duinen (kalkrijk) Grijze duinen (kalkarm)
Relevant
Nee, er is alleen een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Nee, er is alleen een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen.
Kennemerland-Zuid | natura 2000
blad 9 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Code
H2130C* H2150*
Habitattype en subtype Grijze duinen (heischraal) Duinheiden met struikhei
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Max planbijdrage [mol/ha/jr]
Relevant
> >
786
-
-
Nee, geen planbijdrage
= =
857
-
-
Nee, geen planbijdrage Nee, er is alleen een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Nee, er is alleen een planbijdrage (1 hexagon) op niet overbelaste hexagon. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen.
H2160
Duindoornstruwelen
=(<) =
2000
1502
0,01
H2170
Kruipwilstruwelen
=(<) =
2286
1082
0,01
H2180A
Duinbossen (droog)
= =
1071
1579
0,01
= >
2214
-
-
= =
1786
2285
0,02
2143
-
-
Nee, geen planbijdrage
1000
-
-
Nee, geen planbijdrage
> >
1429
1111
0,02
= =
1071
-
-
Nee, geen planbijdrage
> >
> 2400
-
-
Nee, niet stikstofgevoelig.
= =
1429
-
-
Nee, er is geen planbijdrage.
H2180B H2180C
H2190Ae
H2190Aom
H2190B
H2190C
H2190D H7210*
Duinbossen (vochtig) Duinbossen (binnenduinrand) Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen Vochtige duin-valleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Vochtige duinvalleien (ontkalkt) Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) Galigaanmoerassen
Nee, geen planbijdrage Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen.
> >
Nee, er is alleen een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen.
Concluderend zijn op basis van de analyse in tabel 12 in Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de habitattypen H2110, H2120, H2130C*, H2150*, H2160, H2170, H2180B, H2190A, H2190B, H2190C, H2190D en H7210* op voorhand uit te sluiten. Een nadere ecologische analyse voor de overige habitattypen is opgenomen in voorliggende notitie. Tabel 13: Afbakening habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid (Aanwijzingsbesluit, Gebiedsanalyse10) voor het maximale alternatief waarbij =: behoudsdoelstelling betekent. Groen = geen nadere ecologische beoordeling noodzakelijk. Code
Habitatrichtlijnsoort
Doel populatie/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
H1014
Nauwe korfslak
= = =
Stikstofgevoelige soort, niet relevant. De soort is geassocieerd met Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen en de habitattypen H2190B en H2160. Op dit leefgebied en deze habitattypen is sprake van een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Daardoor heeft de planbijdrage geen negatieve invloed op de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de doelpopulatie voor de nauwe korfslak.
H1149
Kleine modderkruiper
= = =
Niet relevant, niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.
H1318
Meervleermuis
= = =
Niet relevant, niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.
H1903
Groenknolorchis
> > >
Stikstofgevoelige soort, niet relevant. De soort komt voor in H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk.) Voor H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) is alleen sprake van een planbijdrage op niet overbelaste hexagonen. Daardoor heeft de planbijdrage geen negatieve invloed op de
10
Meijendel & Berkheide: Gebiedsanalyse | natura 2000
blad 10 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Code
Habitatrichtlijnsoort
Doel populatie/ omvang leefgebied/ kwaliteit leefgebied
Analyse stikstofgevoeligheid, relevant voor ecologische beoordeling
draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de doelpopulatie voor de groenknolorchis.
Voor de habitatrichtlijnsoorten meervleermuis en kleine modderkruiper is geen sprake van stikstofgevoeligheid. Negatieve effecten op deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor de stikstofgevoelige soorten nauwe korfslak en groenknolorchis is een significante effect op basis van de analyse in tabel 13 uit te sluiten. Afbakening te beoordelen instandhoudingsdoelen Coepelduynen Het Natura 2000-gebied Coepelduynen is een Habitatrichtlijngebied11. Het gebied is in 2009 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. In november 2022 is het wijzigingsbesluit vastgesteld, waarbij H2110 en H2180C en H2190D zijn toegevoegd aan de instandhoudingsdoelen op basis van de aanwezige waarden. De instandhoudingsdoelen zijn in tabel 14 weergegeven. In deze tabel vindt ook de afbakening plaats van instandhoudingsdoelen die relevant zijn voor de ecologische beoordeling. Groen gemarkeerde doelen zijn niet relevant. Tabel 14: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Coepelduynen (Aanwijzings- en wijzigingsbesluit). Oranje = projectbijdrage op minimaal één overbelast hexagoon. Voor de instandhoudingsdoelstellingen geldt voor het maximale alternatief dat =: behoudsdoelstelling en >: uitbreiding- of verbeterdoelstelling betekent. * is een prioritair habitattype. Code
Habitattype en subtype
Doel omvang/kwaliteit
KDW [mol/ha/jr]
Max AD [mol/ha/jr]
Planbijdrage [mol/ha/jr]
H2110
Embryonale duinen
= =
1429
940
0,01
H2120
Witte duinen
= >
1429
1339
0,01
H2130A*
Grijze duinen (kalkrijk)
= =
1071
1841
0,02
H2160
Duindoornstruwelen
= =
2000
1537
0,01
H2180C
Duinbossen (binnenduinrand)
= =
1786
1461
0,01
= >
1429
921
0,01
= >
> 2400
-
-
H2190B
H2190D
Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
Relevant Nee, er is alleen een planbijdrage in niet overbelaste hexagonen. Nee, er is alleen een planbijdrage in niet overbelaste hexagonen. Ja, er is een planbijdrage op overbelaste hexagonen. Nee, er is alleen een planbijdrage in niet overbelaste hexagonen. Nee, er is alleen een planbijdrage in niet overbelaste hexagonen. Nee, er is alleen een planbijdrage in niet overbelaste hexagonen. Nee, niet stikstofgevoelig.
Concluderend zijn op basis van de analyse in tabel 12 in Natura 2000-gebied Coepelduynen (significant) negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de habitattypen H2110, H2120, H2160, H2180C, H2190B en H2190D op voorhand uit te sluiten. Een nadere ecologische analyse voor H2130* is opgenomen in voorliggende notitie. Ecologische beoordeling kleine deposities Binnen de beïnvloede Natura 2000-gebieden is sprake van een kleine planbijdrage van respectievelijk maximaal 0,03 mol/ha/jr (zeer lokaal). Ecologisch gezien leiden dergelijke geringe bijdragen niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. De berekende kleine stikstofdepositie zal op geen enkele wijze leiden tot een meetbaar of merkbaar gevolg voor de vegetatie, en daarmee op de kwaliteit van het de habitattypen/leefgebieden. Ook niet in een reeds overbelaste of naderende overbelaste situatie. De onderbouwing hiervoor is vierledig: 1. Kleine deposities (≤0,05 mol/ha/jr) zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot achtergronddeposities; 2. Kleine deposities leiden nooit tot schade aan planten; 3. Kleine deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; 4. Kleine deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer. Deze vier punten worden hierna toegelicht. 11
Coepelduynen | natura 2000
blad 11 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
❖ Kleine deposities (≤0,05 mol N/ha/jr) zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot achtergronddeposities In de meeste habitattypen functioneert een natuurlijke stikstofkringloop waarin veel grotere hoeveelheden stikstof circuleren: veelal duizenden kilo’s per hectare. Onverstoorde, natuurlijke achtergronddepositiewaarden (ADW) liggen in de orde van 1 tot 5 kilogram N/ha/jr; overeenkomend met 71 tot 357 mol/ha/jr. Er is echter geen sprake meer van een natuurlijke achtergronddepositie. Door de mens is de achtergronddepositie aanzienlijk hoger geworden. De achtergronddepositie binnen de gebieden waar een planbijdrage optreedt, ligt tussen de ca. 684 en 3.168 mol/ha/jr (AERIUS-versie 2024). Ook binnen deze verhoogde achtergronddepositie is het mogelijk om verschillende habitattypen in stand te houden. De geringe planbijdrage heeft geen merkbaar effect op deze totale stikstofkringloop. Om toch een beeld te geven van de omvang van de kleine depositietoenames is het goed om de verhouding tot de achtergrondbelasting in een gebied in acht te nemen. Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloedde oorzaken stikstofdepositie plaats. Deze achtergronddepositie varieert tussen circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr, afhankelijk van de locatie.
Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn. Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddeposities dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Dit betreft een ordegrootte van 10 %12. Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jr. Rekening houdend met deze bandbreedte wordt ter illustratie gekeken naar de laagste ADW op een hexagoon met een bijdrage door het plan. Deze bedraagt 684 mol N/ha/jr. Dan is een toename in depositie van 0,03 mol/ha/jr ongeveer 0,004 % van deze laagste ADW bedraagt. Een kleine dosis van 0,03 mol/ha/jr aan stikstof (maximale planbijdrage) is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. ❖ Kleine deposities leiden (vrijwel) nooit tot schade aan planten Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen als gevolg van kleine deposities zijn met zekerheid uitgesloten.
De huidige concentraties van NH3, NO x en SO2 zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan planten (vrijwel) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol 13. ❖ Kleine deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling Kleine depositietoenames leiden niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de plant, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant nodig heeft om te groeien. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een depositietoename van 1 mol/ha is de volgende berekening illustratief: Een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N/ha; De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jr 14; Het aandeel stikstof in droge stof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5 % uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5 % bij houtachtige planten tot 5,0 % bij peulvruchten15; Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 tot 90 kg N/ha/jr nodig. Dit komt overeen met circa 2.150 en 6.400 mol N/ha/jr. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof; dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de 12
https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-stikstofdepositie.
13
Smits, N.A.C. & D. Bal, 2014. Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deel I: Algemene inleiding herstelstrategieën: beleid, kennis en maatregelen. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken. 14 Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380. 15
https://nutrinorm.nl/meststoffen/waarom-heeft-een-plant-stikstof-nodig/#.XR4CmGaP6fg
blad 12 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
-
bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing); Een depositie van 1 mol N/ha/jr komt overeen met 0,02 en 0,05 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.
Een kleine toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit wordt geconcludeerd dat een kleine depositietoename van maximaal 0,03 mol N/ha/jr (dat is bijna 50 keer minder dan de hierboven geschetste gevolgen) de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden in alle berekende Natura 2000-gebieden niet meetbaar aantast. ❖ Kleine deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer Een plant heeft voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig 16. Een depositie van 0,02 mol (0,28 gram) per hectare zal dus, ervan uitgaande dat de helft van de stikstof ook daadwerkelijk wordt benut en de andere helft uitspoelt, leiden tot een aanwas van de vegetatie van 0,7 gram biomassa per hectare. Om aan te tonen of de toename aan stikstofdepositie een effect heeft op het rendement van het reguliere beheer, is – puur als voorbeeld, niet als mitigatiemaatregel - vergeleken met de inspanning die geleverd moet worden om deze toename middels begrazing weg te nemen. Veel voor stikstofgevoelige habitats en leefgebieden worden beheerd middels begrazing. Een schaap heeft een voedselbehoefte van 1,7 kg droge stof per dag 17.
Uitgaande van een drogestofgehalte van de heide- en graslandvegetatie van (worst case) maximaal 50 % eet een schaap per dag 3,4 kg vegetatie. Uitgedrukt in schaapdagen (hoeveelheid vegetatie die één schaap op één dag graast) is 3,4 kg dus 1 schaapdag. Om een jaarlijkse extra aanwas van 0,7 gram vegetatie per hectare uit het systeem te halen, is dus (0,7 / 3.400 =) 0,0002 schaapdag per hectare nodig. Uitgaande van een graasduur van 8 uur per dag (gescheperde kudde), moet om het gehele gevolg van de extra depositie van een heel jaar af te voeren door één schaap ongeveer 6 seconden worden gegraasd per hectare. Een dergelijke verwaarloosbaar kleine extra beheerinspanning is verwaarloosbaar en leidt niet tot enig gevolg voor het habitattype. De bijdrage van maximaal 0,03 mol/ha/jr heeft geen effect op het rendement van maatregelen om de kwaliteit van habitattypen te waarborgen. Het is daarmee uitgesloten dat de bijdrage significante gevolgen heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor het habitattypen of leefgebieden. Ecologische sleutelfactoren relevante Natura 2000-gebieden Vervolgens wordt in deze paragraaf beschreven of in het licht van de ecologische sleutelfactoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de verschillende habitattypen in de relevante Natura 2000-gebieden, de geringe bijdrage kan leiden tot een wezenlijke verslechtering.
Dat wordt beschreven per beïnvloed Natura 2000gebied. ❖ Meijendel & Berkheide18 De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Meijendel & Berkheide zijn het (herstellen van) de winddynamiek (invloed van zeewind en zeezout, voor de aanvoer van kalkrijk zand, het vormen van open plekken en het terugzetten van de vegetatie), de aanwezigheid van kalk, de waterstanden en de aanvoer van basenrijk kwelwater. Het reguliere beheer bestaat op hoofdlijnen uit: • (bos)begrazing, • maaien en afvoeren; • beheer overjarig riet 16
Steege, M.W. ter, 1996. Regulation of nitrate uptake in a whole plant perspective Changes in influx and efflux of nitrate in spinach. ID: 33047. University of Groningen. 17
Wageningen UR 2001. Handboek schapenhouderij. Wageningen UR - Praktijkonderzoek Veehouderij Lelystad. ISSN 0169-3689.
18
Natuurdoelanalyse natura 2000 - Meijendel & Berkheide
blad 13 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
• •
kleinschalig herstelbeheer; Verwijderen bosopslag en exoten.
❖ Solleveld & Kapittelduinen19 De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Solleveld & Kapittelduinen zijn klimaat/winddynamiek/ hydrologie en kalkrijkdom van de bodem. Het reguliere beheer c.q. instandhoudingsmaatregelen bestaat op hoofdlijnen uit: • lokale mogelijkheden tot verstuiving toelaten in de zeereep; • verwijderen duindoorn; • integrale begrazing; • (jaarlijks) maaien en afvoeren; • eenmalig plaggen; • verwijderen rimpelroos en Japanse duizenknoop; • creëren open plekken • verminderen (over)betreding. ❖ Westduinpark & Wapendal20 De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Westduinpark & Wapendal zijn een combinatie van winddynamiek in combinatie met de geomorfologie (met geëxponeerde hoger gelegen plekken en in de luwte gelegen duinvalleien). Het Westduinpark bestaat grotendeels uit kalkrijk zand, slechts een klein deel is kalkarm. In Wapendal, de oude strandwal, bestaat de bodem uit diep ontkalkt zand. Reguliere beheer c.q. instandhoudingsmaatregelen bestaat op hoofdlijnen uit: • verwijderen van exoten (rimpelroos en Japanse duizendknoop); • verwijderen van opslag • integrale begrazing; • (jaarlijks) (pleksgewijs) maaien en afvoeren; • eenmalig kleinschalig plaggen.
❖ Nieuwkoopse Plassen & De Haeck21 De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is het behoud van het laagveengebied met veenplassen met bijzondere watervegetaties, rietkragen, schrale hooilanden en broekbos, en ruimte voor successie, de opeenvolging van verschillende stadia van verlanding van belang. Een goede waterkwaliteit is essentieel. Reguliere beheer c.q. instandhoudingsmaatregelen bestaat op hoofdlijnen uit: • petgaten graven; • plaggen trilveen en veenmosrietlan • rooisen bosranden; • (nazomer)maaien en afvoeren; ❖ Kennemerland-Zuid22 De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Kennemerland-Zuid zijn de diverse gradiënten van zeereep naar binnenduinrand, waaronder droog-nat, meer of minder winddynamiek, meer of minder kalk en zout en open en dicht.
19
natuurdoelanalyse natura 2000
20
Natuurdoelanalyse Natura 2000 - Westduinpark & Wapendal
21
Natuurdoelanalyse Natura 2000 103 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
22
Microsoft Word - (88) Kennemerland-Zuid - Eindconcept NDA Noord-Holland - 30 maart 2023.docx
blad 14 van 15
datum 13 februari 2025 projectnummer 0497677.100 betreft Ecologische beoordeling stikstofdepositie
Reguliere beheer c.q. instandhoudingsmaatregelen bestaat op hoofdlijnen uit: • lokaal doorvoeren strandzonering; • aanleg stuiflocaties en stuifkuilen; • plaggen; • verwijderen van exoten (rimpelroos en Amerikaanse vogelkers) en bramen; • verwijderen van duindoorn, struweel en bosjes; • (druk)begrazing; • maaien en afvoeren en maaien adelaarsvaren; • regulatie damherten; • wegvangen karpers. ❖ Coepelduynen23 De sturende factoren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Coepelduynen is vooral de dynamiek, vochtgehalte, pH, overstroming en het zoet/zout gehalte van beland. Voedselrijkdom is ook een zeer belangrijke factor voor habitattypen, echter is deze factor zeer locatiespeficiek. Reguliere beheer c.q. instandhoudingsmaatregelen bestaat op hoofdlijnen uit: • bevorderen verstuiving door achterwege laten helm- en duindoornaanplant; • plaggen; • verwijderen van exoten; • verwijderen van duindoorn en struweel middenduin; • begrazing; • maaien en afvoeren. ❖ Conclusie ecologische sleutelfactoren De analyse van de sturende factoren neemt niet weg dat een structurele daling van de stikstofdepositie op Natura 2000, met het oog op het realiseren van de geldende instandhoudingsdoelstellingen en het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van habitats ook moet worden bereikt.
De planbijdrage zal in de desbetreffende Natura 2000-gebieden echter niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de sturende factoren, de factoren die in belangrijke mate de instandhoudingsdoelen bepalen. En eerder is in de notitie al beschreven dat de planbijdrage geen effect heeft op het rendement van het gevoerde beheer. Significante gevolgen zijn daarmee uitgesloten. Conclusie ecologische beoordeling stikstofdepositie Niet elke overschrijding van de kritische depositiewaarden hoeft tot een significant gevolg te leiden of dient anderszins als niet toelaatbaar te worden geacht. Omdat het plan Entree Zoetermeer leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, zijn de gevolgen van die toename onderzocht in de voorliggende notitie. Daarin is een planspecifieke ecologische beoordeling uitgevoerd waarin wordt geconcludeerd dat significante gevolgen voor de zes beïnvloede Natura 2000-gebieden (Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen, Westduinpark & Wapendal, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Kennemerland-Zuid en Coepelduynen) op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten. Op basis van deze notitie kan zekerheid worden verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden door de toename van stikstofdepositie niet zal aantasten.
23
Natuurdoelanalyse natura 2000 - Coepelduynen
blad 15 van 15