CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 18 MER Bijlage 15 Rapportage Natuur

Raadsvergadering 14 juli 2025, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling kaderstellende beleidsdocumenten ten behoeve van Omgevingsprogramma Entree5.829 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zoetermeer Entree milieueffectrapport MER deel B – Deelrapport natuur 18 februari 2025

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Verantwoording Titel

Zoetermeer Entree milieueffectrapport MER deel B – Deelrapport natuur

Opdrachtgever

Gemeente Zoetermeer

Projectleider

Joost de Jong

Auteur

Eline Dierikx

Tweede lezer

Wendy Liefting

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Aantal pagina’s

24

Datum

18 februari 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Inhoudsopgave 1

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

Ontwikkeling Entree ........................................................................................................... 4

1.2

Opbouw van dit achtergrondrapport ................................................................................... 6

1.3

Plangebied en studiegebied ............................................................................................... 6

1.4

Beschrijving alternatieven .................................................................................................. 7

2

Beleid en toetsingskader ........................................................................................................... 7

3

Huidige situatie en autonome ontwikkeling ............................................................................... 8 3.1

3.1.1

Huidige situatie – soortenbescherming ....................................................................... 9

3.1.2

Huidige situatie – gebiedsbescherming .................................................................... 14

3.2 4

5

6

Huidige situatie ................................................................................................................... 8

Autonome ontwikkeling .................................................................................................... 14

Beoordelingskader................................................................................................................... 15 4.1

Indicator 1: soortenbescherming ...................................................................................... 15

4.2

Indicator 2: stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ................................................... 16

4.3

Indicator 3: (kansen voor) verhoging van natuurwaarden ................................................ 16

Effectbeschrijving en -beoordeling .......................................................................................... 17 5.1.1

Indicator 1: soortenbescherming ............................................................................... 17

5.1.2

Indicator 2: stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ............................................ 18

5.1.3

Indicator 3: (kansen voor) verhoging natuurwaarden................................................ 19

5.1.4

Overzicht effectbeoordeling aspect natuur ............................................................... 20

Mitigerende en compenserende maatregelen ......................................................................... 20 6.1

Wettelijk verplichte maatregelen ...................................................................................... 20

6.1.1

Mitigatie en compensatie soortenbescherming ......................................................... 20

6.1.2

Mitigatie en compensatie stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ...................... 22

6.2

Bovenwettelijke mitigatie en compensatie ....................................................................... 22

6.2.1

Mitigatie en compensatie (kansen voor) verhoging natuurwaarden ......................... 22

7

Leemten in kennis ................................................................................................................... 23

8

Samenvatting........................................................................................................................... 23

9

Literatuur ................................................................................................................................. 24

3/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

1 Inleiding 1.1

Ontwikkeling Entree

De gemeente Zoetermeer is bezig met de ontwikkeling van Entree. In Entree wordt het gebied rondom de Afrikaweg tussen de A12 en het centrum, waar nu verouderde kantoren staan, getransformeerd naar een levendige en kwalitatief aantrekkelijke stadswijk. Op een aantal plots is tijdelijke huisvesting voor jongeren, spoedzoekers en Oekraïners gerealiseerd. Entree ligt ten noorden van de A12 en station Zoetermeer. De Afrikaweg loopt van noord naar zuid door het gebied en aan de west- en oostzijde loopt de Boerhaavelaan respectievelijk Bredewater.

Figuur 1.1 Nieuwe plangrens Entree Zoetermeer (Bron: Gemeente Zoetermeer)

4/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Entree wordt een nieuw gemengd stedelijk gebied met een mix van wonen, werken en voorzieningen. Entree is daarmee één van de sleutelprojecten voor de toekomst van Zoetermeer. In de navolgende tabel is per programmaonderdeel zowel de minimale als maximale invulling aangegeven. In de uiteindelijke invulling van Entree en de programmering zijn er talloze varianten in de programmering mogelijk. De uiteindelijke invulling is afhankelijk van diverse factoren zoals marktomstandigheden en fasering. Er is sprake van één stedenbouwkundig model waarbinnen de verschillende varianten gerealiseerd moeten worden. Programma onderdeel

Minimale alternatief

Maximale alternatief

Woningen

6.250

7.250

Kantoren

40.000 m2 bvo

50.000 m2 bvo

Bedrijfsfuncties

20.000 m2 bvo

40.000 m2 bvo

Maatschappelijke voorzieningen

35.000 m2 bvo

45.000 m2 bvo

Met betrekking tot het maximale alternatief nog de notitie dat deze bestaat uit de maximale benutting van de bandbreedtes van elk van de programmaonderdelen. Het stedenbouwkundig model biedt zoals hiervoor aangegeven niet de ruimte om op elk programmaonderdeel de maximale invulling te realiseren. Er zal sprake zijn van communicerende vaten: bijvoorbeeld meer woningen heeft als gevolg dat er minder ruimte overblijft voor niet-woonfuncties. Door in het maximale alternatief de maximale benutting op elk programmaonderdeel als uitgangspunt te nemen voor de onderzoeken, kan met zekerheid gezegd worden dat voor elk programmaonderdeel ook het worst-case scenario is beoordeeld.

5/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Figuur 1.2 Zicht op de Afrikaweg in de huidige situatie, van noord naar zuid

1.2

Opbouw van dit achtergrondrapport

Het MER is opgebouwd uit twee delen, deel A en deel B. In deel A zijn inleidende hoofdstukken en de hoofdlijnen van de resultaten van de effectstudies opgenomen. In deel B zijn de volledige effectstudies opgenomen van alle aspecten, inclusief het beleidskader en de referentiesituatie. De delen A en B vormen samen het MER. Voorliggend rapport is een onderdeel van deel B en gaat in op aspect natuur.

1.3

Plangebied en studiegebied

In het MER wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen plangebied en studiegebied. Het plangebied is in figuur 1.1 weergegeven. Het studiegebied is het totale gebied waarin

6/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

milieueffecten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten in het plangebied kunnen optreden.  Voor aspect natuur is het studiegebied groter dan het plangebied Voor de effecten op de soortenbescherming (hierna OW Soortenbescherming vanwege de Omgevingswet (OW)) is voornamelijk gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde soorten binnen de omlijning van het plangebied. Op enkele locaties is ook op enkele tientallen meters buiten het plangebied gecontroleerd op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde soorten. Voor het onderdeel van de gebiedsbescherming (hierna OW Gebiedsbescherming vanwege de Omgevingswet) wordt tot een afstand van 25 kilometer tot het plangebied getoetst naar de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In de stikstofberekening zijn alle Natura 2000-gebieden meegenomen waar sprake is van een effect als gevolg van stikstofdepositie.

1.4

Beschrijving alternatieven

In het MER zullen twee alternatieven worden onderzocht. In het minimumalternatief wordt uitgegaan van:  6.250 woningen, kantoorprogramma: 40.000 m² bvo, bedrijfsfuncties 20.000 m² bvo en 

2

maatschappelijke voorzieningen 35.000 m² bvo In het maximumalternatief wordt uitgegaan van 7.250 woningen, kantoorprogramma 50.000 m² bvo, bedrijfsfuncties 40.000 m² en maatschappelijke voorzieningen: 45.000 m² bvo

Beleid en toetsingskader

Voor het thema natuur zijn de effecten in beeld gebracht aan de Omgevingswet (Ow). De Ow beschermt Natura 2000-gebieden, soortenbescherming en houtopstanden. In navolgende paragrafen wordt een toelichting gegeven op het beleid en de wetgeving rond ecologie en de relevantie hiervan voor het MER. De voorgenomen activiteiten kunnen negatieve gevolgen hebben voor de beschermde natuurwaarden in het plangebied. Bij de beoordeling van de genoemde criteria wordt gekeken naar mogelijke effecten op de nationale, provinciale en gemeentelijke beschermingsregimes. Dit wordt per alternatief beoordeeld. Naast de wettelijke verplichtingen zijn in het plan Entree ook ambities opgenomen voor natuurontwikkeling. Hier zal dus ook aan getoetst worden. Bomenbeleid Binnen de gemeente is een bomenbeleid aanwezig dat zich richt op de participatie van bewoners. Hier dient tijdens de kap en herplant rekening mee te worden gehouden. Een effectbeoordeling is hier echter niet van toepassing, omdat dit niet onderscheidend is tussen de verschillende alternatieven.

7/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Tabel 2.1 Overzicht relevante wet- en regelgeving voor natuur Schaalniveau

Beleid

Relevantie voor MER

Europees

Vogelrichtlijn (VR) en

Natura 2000-gebieden

Habitatrichtlijn (HR) Nationaal

Ow Soortenbescherming

Beschermde en nationaal vrijgestelde soorten

Ow Gebiedenbescherming

Natura 2000-gebieden

Ow Houtopstanden, hout en

Niet van toepassing

houtproducten Provinciaal/regionaal

Ow Soortenbescherming

Provinciaal vrijgestelde soorten

Gemeentelijk

Visie Biodiversiteit,

Niet van toepassing

Bomenbeleid en

Wel van toepassing

Groenkaart

Niet van toepassing

3 Huidige situatie en autonome ontwikkeling 3.1

Huidige situatie

Entree ligt ten noorden van de A12 en station Zoetermeer. De Afrikaweg loopt van noord naar zuid door het gebied. Langs de west- en oostzijde van de Afrikaweg lopen de Boerhaavelaan en Bredewater (en respectievelijk Meerzichtlaan en Abdissenbos, 50 km/u) parallel aan het plangebied (zie figuur 3.1). Percelen Het plangebied bestaat uit 23 percelen: West 1 tot en met 8, Oost 1 tot en met 8 (waarbij nummer 4 bestaat uit 4.1 en 4.2), Station 1, 2a, 2b, 2c en 3, en Hotel. De ligging van het plangebied en percelen staat weergegeven in figuur 3.1. De percelen omvatten overwegend kantoorpanden, bedrijfs- of werkterrein en parkeerplaatsen. Naast hun werkfunctie, worden de panden gebruikt als tijdelijke huisvesting voor jongeren, spoedzoekers en Oekraïense vluchtelingen of staan deze (deels) leeg. De percelen Station 1 en Oost 1 worden op dit moment gebruikt als opslag/stortplaats voor materiaal en/of containers. De bebouwing op perceel Oost 2 die nog wel te zien is in figuur 3.1, is inmiddels niet meer aanwezig. Het perceel omvat nu braakliggend terrein met ruigtegroei en ontstane poeltjes. Op perceel Oost 7 is enkel nog het karkas aanwezig van het toenmalige kantoorpand. Werkzaamheden ten behoeve van de transformatie van een kantoorfunctie naar een woon- en maatschappelijke functie zijn hier reeds aangevangen.

Voor betreffende werkzaamheden op perceel Oost 7, is in 2021 een omgevingsvergunning verkregen. De percelen zijn overwegend verhard, met over het algemeen groenstructuren in de vorm van bomen (met name solitaire bomen en bomenrijen) en beplanting. Perceel Oost 3,4 en 5 en West 8 bevatten daarnaast ook gazon, waardoor het aandeel groen op deze locaties hoger ligt ten opzichte van andere percelen. Perceel Oost 6 betreft een onbebouwd terrein met een

8/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

geasfalteerde ondergrond, met daar omheen bosschages. Door bladval en regenwater dat niet snel wegstroomt is het tijdelijk drassig. Openbare ruimte Ook de openbare ruimte, zoals aangegeven in figuur 3.1, behoort tot het plangebied. Met voetpaden, fietspaden en autowegen, is de openbare ruimte veelal verhard. Openbaar groen bestaat hier doorgaans uit onderhouden gazon, bomen (solitaire bomen, boomgroepen en boomrijen) lage en hoge begroeiing en (dichte) bosschages. In het plangebied aanwezige boomsoorten zijn onder andere: berk, eik, els, es, wilg en iep. Langs de weerszijden van de gehele Afrikaweg, met uitzondering van onderbrekingen door kruispunten, lopen bosschages van volwassen bomen en (dichte) begroeiing. In het zuidwesten ligt de ‘staart’ van het Westerpark, een bosachtig gebied ten westen van Zoetermeer. In het zuidoosten is het Prinses Arianepark gelegen, met de inrichting van een stadspark. Van deze twee gebieden valt een klein deel binnen het plangebied. Tot slot zijn in het plangebied enkele (delen van) watergangen gelegen. Dit betreffen sloten, waarvan de oevers onderling verschillen (onbeschoeid, beschoeid, flauw en steil talud of hoge oeverwanden).

Figuur 3.1 Globale ligging van het plangebied (rood omlijnd) (Bron: ATKB, 2024)

3.1.1 Huidige situatie – soortenbescherming Aan de hand van de beschikbare informatie zijn verschillende relevante soorten en habitats vastgesteld in het plangebied. Indien een soort(groep) niet wordt benoemd in deze paragraaf blijkt

9/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

uit het uitgevoerde onderzoek en literatuurstudie dat de soort (hoogstwaarschijnlijk) niet in het plangebied voorkomt. Vaatplanten Er komen mogelijk groeiplaatsen voor van dreps en glad biggenkruid op het braakliggende terrein binnen perceel Oost 2 (zie figuur 3.1) (ATKB, 2024). Grondgebonden zoogdieren Wettelijk beschermde soorten komen niet voor binnen het plangebied. Wel komt konijn voor binnen perceel Oost 4 en 5 (zie figuur 3.1) (ATKB, 2024). Jaarrond beschermde nesten Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten van boomvalk, sperwer en/of ransuil in het plangebied aanwezig (ATKB, 2024). De locatie van de potentiële nestlocaties is aangegeven in figuur 3.2.

10/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Figuur 3.2 Aangetroffen nesten in het plangebied. ‘Nest groot’ duidt nesten aan die van ekster of zwarte kraai (kunnen) zijn. Indien voorzien van een van een X, dan is de locatie ongeschikt voor roofvogels. Voor de volledigheid zijn aangetroffen kleine nesten (algemeen) tevens in kaart gebracht (Bron: ATKB, 2024)

Jaarrond beschermde nesten: afhankelijk van ecologische factoren In het plangebied komen mogelijk nestlocaties van spreeuw voor (ATKB, 2024). Figuur 3.3 toont de locatie van de bomen met potentieel geschikte holtes voor spreeuw.

11/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Figuur 3.3 Aangetroffen (potentiële) boomholten in het plangebied. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in spechtenholten en potentiële holten die door inrotting ontstaan zijn. Bomen binnen het plangebied waarvan onzeker is of er boomholten aanwezig zijn, zijn tevens weergegeven (Bron: ATKB, 2024)

Broedvogels In het plangebied kunnen broedvogels nesten hebben in bomen en dichte begroeiing. Vogels kunnen het hele jaar tot broeden komen. Vleermuizen In het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig in bomen en bebouwing (zie figuur 3.4). De bomen kunnen daarnaast ook mogelijk essentiële vliegroutes van vleermuizen vormen (zie de zwarte stippellijnen in figuur 3.5). Er is geen sprake van essentieel foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied (ATKB, 2024).

12/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Figuur 3.4 Resultaten met betrekking tot potentiële vleermuisverblijfplaatsen in het plangebied (Bron: ATKB, 2024)

Figuur 3.5 Meerdere structuren zijn door het gehele plangebied aanwezig die kunnen dienen als (essentiële) vliegroute van vleermuizen (zwarte stippellijnen). De geel omcirkelde gebieden tonen de foerageergelegenheden voor vleermuizen die grotendeels buiten het plangebied liggen (Bron: ATKB, 2024)

13/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Amfibieën Mogelijk komt voortplantingshabitat en winterhabitat van rugstreeppad voor op perceel Oost 3 in het plangebied (zie figuur 3.1) (ATKB, 2024). Vlinders In het plangebied komen mogelijk voortplantingsplaatsen van grote vos voor in de boomsoorten iep, zoete kers, populier en wilg binnen het plangebied (ATKB, 2024). Overige soortgroepen Beschermde reptielen, libellen en vissen kunnen niet voorkomen binnen het plangebied (ATKB, 2024). 3.1.2

Huidige situatie – gebiedsbescherming

Binnen en rondom het plangebied liggen geen beschermde Natura 2000-gebieden. Er is hierdoor enkel sprake van mogelijke externe effecten op beschermde natuurwaarden in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied De Wilck is gelegen op circa 7 kilometer afstand. Door de afstand zijn effecten anders dan door stikstofdepositie niet te verwachten. Echter is dit Natura 2000-gebied niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is Meijendel & Berkheide, gelegen op 11,7 kilometer afstand van het plangebied.

3.2

Autonome ontwikkeling

Binnen het plangebied is een omgevingsvergunning afgegeven voor het realiseren van een transformatorstation Stedin aan de Abdissenbos in Zoetermeer. Uit de ecologische beoordeling is gebleken dat er geen negatieve effecten optreden op het onderdeel soortenbescherming en er tevens geen stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden (Witteveen+Bos, 2023). Overige ontwikkelingen beperken zich voornamelijk tot het realiseren van woningbouw. Hier worden effecten op het plangebied en de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden verwaarloosbaar geacht. Dit is echter wel afhankelijk van de wijze van aanleg en of de woningen op het gasnet worden aangesloten. In het plangebied zelf worden verder geen wijzigingen verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Het is een druk gebied met huisvesting en kantoren en in sommige delen ook grotendeels verhard. Veel van het gemeentelijk groen wordt regelmatig beheerd. De autonome ontwikkeling van de natuurwaarden zal daarom nagenoeg gelijk zijn aan de huidige situatie.

14/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

4 Beoordelingskader Het beoordelingskader is opgesteld aan de hand van 3 criteria: 1. Soortenbescherming 2. 3.

Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (Kansen voor) verhoging natuurwaarden

In de volgende paragrafen worden deze criteria verder toegelicht.

4.1

Indicator 1: soortenbescherming

Het doel ten aanzien van soortenbescherming is inzichtelijk maken welke invloed de alternatieven hebben op beschermde soorten en hun leefgebied ten aanzien van ruimtebeslag en verstoring. Daarnaast wordt de verwachte mogelijkheid op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vermeld. De toetsing bestaat uit een bureaustudie waarbij gebruik wordt gemaakt van het al uitgevoerde natuuronderzoek voor dit project. Daarnaast zijn gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De relevante informatie uit het uitgevoerde natuuronderzoek worden in de beoordeling verwerkt. Effecten op beschermde soorten worden in het kader van het MER kwalitatief beoordeeld. Hierin is een positieve beoordeling niet mogelijk. Dit komt doordat niet op voorhand vast te stellen is dat de alternatieven tot een verbetering van habitat van beschermde soorten zal leiden of tot een toename van beschermde soorten. Een beoordeling is neutraal (0) indien er geen effect verwacht wordt op beschermde soorten. De alternatieven wordt als negatief (-) beoordeeld indien er sprake is van negatieve effecten in de vorm van verslechtering van habitat en/of (mogelijke) afname van beschermde soorten, maar met behulp van mitigatie er naar verwachting geen omgevingsvergunning noodzakelijk zal zijn.

Indien er sprake is van negatieve effecten zoals verslechtering van habitat en/of (mogelijke) afname van beschermde soorten én naar verwachting een omgevingsvergunning noodzakelijk is wordt het alternatief beoordeeld als zeer negatief (- -). Tabel 4.1 Toelichting op klasse-indeling effectbeoordeling indicator Soortenbescherming Waardering

Toelichting op klasse-indeling

++

N.v.t.

+

N.v.t.

0

-

--

Naar verwachting geen verbetering of verslechtering van habitat en/of (mogelijke) toe- of afname van beschermde soorten Verslechtering van habitat en/of (mogelijke) afname van beschermde soorten, maar met behulp van mitigatie naar verwachting geen omgevingsvergunning noodzakelijk Verslechtering van habitat en/of (mogelijke) afname van beschermde soorten én naar verwachting een omgevingsvergunning noodzakelijk

15/24

Kenmerk

4.2

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Indicator 2: stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden

Het doel van het onderdeel gebiedsbescherming (Natura 2000) is het vergelijken van effecten van de alternatieven op Natura 2000-gebieden en het aangeven van eventuele risico’s ten aanzien van vergunbaarheid. Het plangebied is gelegen op aanzienlijke afstand van beschermde Natura 2000-gebieden. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom van Zoetermeer. Om die reden zijn effecten anders dan door stikstofdepositie niet te verwachten. Deze beoordeling wordt kwantitatief beoordeeld aan de hand van een AERIUS-berekening. In deze beoordeling is sprake van een zeer positief effect (+ +) indien het alternatief leidt tot een afname van stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden (> 0,05 mol/ha/jaar) in minimaal één van de stikstofberekeningen, aanlegfase en/of gebruiksfase. De beoordeling is positief (+) indien er een geringe afname is in minimaal één van de stikstofberekeningen (< 0,05 mol/ha/jaar). Een alternatief wordt neutraal (0) beoordeeld indien er geen sprake is van een toename of afname van stikstofdepositie in zowel de aanlegfase als gebruiksfase. Indien er wel sprake is van een toename < 0,05 mol/ha/jaar in minimaal één van de stikstofberekeningen of de depositie 0,00 mol/ha/jaar is met aanvullende bronmaatregelen of interne/externe saldering is de beoordeling negatief (-).

Indien aanvullende maatregelen of saldering noodzakelijk zijn, is ook sprake van een vergunningplicht. Mocht er sprake zijn van een toename groter dan 0,05 mol/ha/jaar in minimaal één van de stikstofberekeningen en is dit niet te verlagen met bronmaatregelen en/of interne/externe saldering is de beoordeling zeer negatief (- -). Bij dat scenario is het plan mogelijk niet vergunbaar. Tabel 4.2 Toelichting op klasse-indeling effectbeoordeling indicator Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Waardering

Toelichting op klasse-indeling

++

Afname van stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden (> 0,05 mol/ha/jaar)

+

Geringe afname van stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden (< 0,05 mol/ha/jaar).

0

Geen sprake van een toename of afname van stikstofdepositie

-

--

4.3

Een toename < 0,05 mol/ha/jaar of de depositie is 0,00 mol/ha/jaar met aanvullende bronmaatregelen of interne/externe saldering Toename groter dan 0,05 mol/ha/jaar en dit is niet te verlagen met bronmaatregelen en/of interne/externe saldering

Indicator 3: (kansen voor) verhoging van natuurwaarden

Naast de wettelijke kaders heeft de gemeente Zoetermeer een ambitie voor verhoging van natuurwaarden en vergroting van biodiversiteit. Dit komt onder andere tot uiting in blauwgroene structuren als ecologische verbinding en groene daken. Een van de opgaven is om verschillende habitats te creëren en wordt gekozen voor beplanting met inheemse soorten. De beoordeling van de kansen voor verhoging natuurwaarden is gebaseerd op het uitgangspunt dat maatregelen voor alle alternatieven gelijk zijn.

16/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

De beoordeling voor (kansen voor) verhoging van natuurwaarden is kwalitatief. Waarbij een zeer positieve beoordeling (+ +) duidt op een zekere verhoging van natuurwaarden. Een alternatief wordt als positief (+) beoordeeld indien er een mogelijke verhoging is van natuurwaarden. Indien er geen effect is op natuurwaarden wordt het alternatief als neutraal (0) beoordeeld. Bij een mogelijke afname is de beoordeling negatief (-) en bij een (vrijwel) zekere afname wordt het alternatief als zeer negatief beoordeeld (- -). Tabel 4.3 Toelichting op klasse-indeling effectbeoordeling indicator (kansen voor) verhoging van natuurwaarden Waardering

Toelichting op klasse-indeling

++

Een zekere verhoging van natuurwaarden

+

Een mogelijke verhoging is van natuurwaarden

0

Geen effect op natuurwaarden

-

Een mogelijke afname van natuurwaarden

--

Een zekere afname van natuurwaarden

5 Effectbeschrijving en -beoordeling 5.1.1 Indicator 1: soortenbescherming Aan de hand van de beschikbare informatie zijn verschillende beschermde soorten en habitats mogelijk aanwezig in het plangebied. Indien een soort(groep) niet wordt benoemd in deze paragraaf blijkt uit het uitgevoerde onderzoek en literatuurstudie dat de soort (hoogstwaarschijnlijk) niet in het plangebied voorkomt. In het plangebied komen geen beschermde reptielen, libellen en vissen voor. Verder komen in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren voor. Het voorkomen van konijn is wel vastgesteld in het plangebied. Deze soort is door de provincie Zuid-Holland vrijgesteld, waardoor er geen vergunningplicht geldt voor konijn. Wel is hier de zorgplicht van toepassing om het opzettelijk doden van konijn te voorkomen. Bij ontwikkelingen binnen perceel Oost 2 kunnen groeiplaatsen van dreps en glad biggenkruid vernietigd worden. Voor deze soorten geldt dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het aantasten van groeiplaatsen. Binnen perceel Oost 2 worden in beide alternatieven werkzaamheden verwacht waardoor groeiplaatsen vernietigd kunnen worden. De effecten van de alternatieven zijn niet onderscheidend van elkaar. In beide alternatieven zullen er werkzaamheden plaatsvinden binnen perceel Oost 3.

In dit perceel is mogelijk voortplantingshabitat en overwinteringshabitat van rugstreeppad aanwezig. Voor het vernietigen van het leefgebied en het verstoren van rugstreeppad is een omgevingsvergunning nodig. De effecten van de alternatieven zijn niet onderscheidend van elkaar. In het plangebied worden meerdere bomen en dichte begroeiing verwijderd. Deze bomen en dicht begroeiing bieden mogelijk nestplaatsen voor algemene broedvogels. Ook bieden de bomen

17/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

mogelijk nestplaatsen voor boomvalk, sperwer en/of ransuil met jaarrond beschermde nesten en nestplaatsen van spreeuw. Voor spreeuw geldt een slechte staat van instandhouding, waardoor een afname aan nestplaatsen in bomen door kan werken op de populatiegrootte en daarmee de staat van instandhouding van de soort. Voor alle soorten geldt dat het verstoren van bezette nesten verboden is. Voor boomvalk, sperwer, ransuil en spreeuw geldt dat het kappen van bomen leidt tot het vernietigen van nestplaatsen. Voor het vernietigen van nesten van deze soorten is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Voor beiden alternatieven geldt dat er nestplaatsen van deze soorten verloren gaan. De effecten van de alternatieven zijn niet onderscheidend van elkaar. Door de voorgenomen sloop en renovatie van bebouwing en bomenkap kunnen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis worden vernietigd of verstoord. Verder kunnen essentiële vliegroutes van vleermuizen verloren gaan bij het verwijderen van rechtlijnige groenstructuren zoals bomenrijen. Voor het vernietigen van verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes is een omgevingsvergunning noodzakelijk. In beiden alternatieven wordt bebouwing gesloopt en/of gerenoveerd. Daarnaast worden bomen gekapt en groenstructuren verwijderd.

Voor beiden alternatieven geldt dat potentiële verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes van vleermuizen verloren gaan. De effecten door het verwijderen van bomen en overige groenstructuren in de twee alternatieven zijn niet onderscheidend van elkaar. Naast dat de bomen nestplaatsen van vogels en verblijfplaatsen van vleermuizen kan huisvesten, kunnen aanwezige iepen, zoete kersen en wilgen ook als voortplantingsplaats van grote vos benut worden. Bij het verwijderen van deze boomsoorten gaat mogelijk voortplantingshabitat van grote vos verloren. Een omgevingsvergunning voor het vernietigen van voortplantingsplaatsen is noodzakelijk. De effecten van de alternatieven zijn niet onderscheidend van elkaar. Voor beide alternatieven geldt dat het aanvragen van een omgevingsvergunning noodzakelijk is vanwege effecten op de soortgroepen broedvogels, flora, vleermuizen, amfibieën en/of vlinders. Beide alternatieven worden dus als zeer negatief (- -) beoordeeld. De indicator soortenbescherming is niet onderscheidend. Op dit moment is er nog geen informatie bekend over het daadwerkelijk voorkomen van beschermde soorten binnen het plangebied.

Door soortgerichte nadere onderzoeken uit te voeren naar potentieel aanwezige soorten kan zekerheid worden verkregen de noodzaak voor het aanvragen van een omgevingsvergunning en de mitigatie en compensatie maatregelen voor de potentieel aanwezige soorten. 5.1.2

Indicator 2: stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden

Stikstofdepositie is een natuurlijke voedingsstof voor planten. Te veel stikstof kan echter leiden tot veranderingen in de vegetatiesamenstelling. Snelgroeiende soorten nemen toe, langzaam groeiende soorten nemen af. De kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden van soorten kan

18/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

hierdoor verminderen, of zelfs helemaal verdwijnen. In het omgevingsprogramma zijn diverse activiteiten benoemd die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie. In beide varianten is er sprake van een mogelijke toename van stikstofdepositie. Dit betreft zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. In de directe omgeving van het plangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Deze gebieden zijn Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapitelduinen, Westduinpark & Wapendal, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, KennemerlandZuid en Coepelduynen. In de gebruiksfase is mogelijk sprake van een toename van stikstofdepositie door de toename aan verkeersbewegingen van en naar woon- en werklocaties. Om deze effecten in beeld te brengen is voor beide alternatieven een AERIUS berekening opgesteld. Minimum alternatief Bij het maximum alternatief is er in de gebruiksfase een maximale toename van stikstofdepositie van 0,2 mol/ha/jaar berekend. Hiermee scoort het alternatief zeer negatief (- -). Er is een toename berekend in zes Natura 2000-gebieden. Voor Meijendel en Berkheide en Solleveld & Kapitelduinen is als gevolg van de gebruiksfase stikstofdepositie berekend op 8 habitattypen en een leefgebied die in de huidige situatie (naderend) overbelast zijn.

Voor Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal is stikstofdepositie berekend op 8 (naderend) overbelaste habitattypen). Voor Kennemerland-Zuid gaat het om 4 habitattypen en voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck om 6 habitattypen. Voor Coepelduynen is er voor 1 (naderend)overbelast habitattypen stikstofdepositie berekend. Maximum alternatief Bij het maximum alternatief is er in de gebruiksfase een maximale toename van stikstofdepositie van 0,3 mol/ha/jaar berekend. Hiermee scoort het alternatief zeer negatief (- -). Er is een toename berekend in zes Natura 2000-gebieden. Voor Meijendel en Berkheide en Solleveld & Kapitelduinen is als gevolg van de gebruiksfase stikstofdepositie berekend op 9 habitattypen en een leefgebied die in de huidige situatie (naderend) overbelast zijn. Voor Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal is stikstofdepositie berekend op 8 (naderend) overbelaste habitattypen. Voor Kennemerland-Zuid gaat het om 4 habitattypen en voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck om 6 habitattypen en 2 leefgebieden. Voor Coepelduynen is er voor 1 (naderend)overbelast habitattypen stikstofdepositie berekend. Bij beide alternatieven is sprake van een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase groter dan 0,05 mol/ha/jaar. De alternatieven zijn voor de indicator stikstofdepositie op Natura 2000gebieden niet onderscheidend. 5.1.3

Indicator 3: (kansen voor) verhoging natuurwaarden

In beide varianten zijn er kansen voor verhoging van natuurwaarden als hier bewust op ingezet wordt bij de ontwikkeling van het gebied. Zo ligt er een ambitie voor de realisatie van verschillende soorten habitats waarmee biodiversiteit in het plangebied vergroot kan worden. Daarnaast worden

19/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

groenblauwe structuren gerealiseerd die ook in verbinding komen met omliggende parken en groen. Verder zal ook in de nieuwbouw natuurinclusief bouwen worden toegepast. Kansen voor verhoging van natuurwaarden worden in beide varianten op deze wijze benut. De gemeente Zoetermeer heeft in beide varianten hoge ambities voor de ontwikkeling van natuurwaarden, maar ook voor andere onderwerpen zoals duurzaamheid en energie. Hierin dient in het uiteindelijke ontwerp een afweging gemaakt te worden. Een dak kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor zowel groen als zonnepanelen, maar niet beiden op precies dezelfde plek. Er is geen verschil in footprint tussen de verschillende alternatieven. Beide alternatieven worden binnen dezelfde bouwblokken gerealiseerd. Hierdoor is de toename in verhard oppervlak hetzelfde bij beide alternatieven. Ook is er geen verschil in het aantal bomen dat gekapt wordt tussen de twee alternatieven. Hierdoor is er tussen de twee alternatieven geen verschil in kansen. In beide alternatieven zal door de maatregelen sprake zijn van een toename aan groen oppervlak en natuur inclusief bouwen wat tot een positief effect leidt. In beide alternatieven zal er dus mogelijk sprake zijn van een toename van natuurwaarden, afhankelijk van de daadwerkelijke mate van verstoring. beide alternatieven scoren daarom positief (+). 5.1.4

Overzicht effectbeoordeling aspect natuur

Een totaaloverzicht van de resultaten van de effectbeoordeling is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 5.1 Overzicht effectbeoordeling aspect natuur Indicator

Minimum-

Maximum-

alternatief

alternatief

Soortenbescherming

--

--

Stikstofdepositie op Natura

--

--

+

+

2000-gebieden (kansen voor) verhoging natuurwaarden

6 Mitigerende en compenserende maatregelen 6.1

Wettelijk verplichte maatregelen

6.1.1

Mitigatie en compensatie soortenbescherming

Broedvogels Bij voorkeur worden werkzaamheden niet in het broedseizoen (maart tot en met augustus) uitgevoerd. Wanneer dit niet mogelijk is zullen maatregelen getroffen moeten worden om de aanwezigheid van broedende vogels te voorkomen. Effecten op broedvogels wordt voorkomen door voorafgaand aan het broedseizoen het plangebied ongeschikt (korte vegetatie en bomen gekapt) te maken. Het kan echter voorkomen dat er alsnog vogels tot broeden zullen komen op de

20/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

bebouwing. Dan dienen maatregelen getroffen te worden om verstoring van het broedgeval te voorkomen. Vogels met jaarrond beschermde nesten (inclusief spreeuw) Voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen worden alternatieve soortspecifieke nestlocaties aangeboden. Daarnaast wordt leefgebied van deze soorten waar nodig geoptimaliseerd om aantasting in foerageergebied te mitigeren. Dit is na afronding van het plan in de vorm van groenstructuren en groene daken. Tot slot is aan te bevelen uitsluitend overdag te werken en het gebruik van kunstlicht gedurende de werkzaamheden zo veel mogelijk te beperken. Vleermuizen Verblijfplaatsen in gebouwen en in bomen dienen voorafgaand aan de werkzaamheden gecompenseerd te worden. Hiervoor kunnen tijdelijke vleermuiskasten ingezet worden. Bij gefaseerde bouwwerkzaamheden kunnen inbouwkasten mogelijk ook gerekend worden bij (tijdelijk) aangeboden verblijfplaatsen. Voorafgaand aan het verwijderen van essentiële vliegroute(s) dient een tijdelijke vliegroute gerealiseerd te zijn. Daarnaast wordt er in de permanente situatie robuuste vliegroute(s) teruggeplaatst in de directe omgeving van de oorspronkelijke vliegroute. Door de werkzaamheden overdag uit te voeren worden negatieve effecten door kunstlicht voorkomen. De vliegroute(s) dienen daarnaast niet direct belicht worden tussen zonsondergang en zonsopgang.

Amfibieën Voordat er werkzaamheden starten op perceel Oost 3 dient de locatie afgezet te worden door middel van amfibieschermen. Hierbij dient ervoor gezorgd te worden dat rugstreeppadden de locatie wel kunnen verlaten, maar niet kunnen koloniseren. Dit is alleen mogelijk indien er geschikt leefgebied voor rugstreeppad in de directe omgeving voorkomt. Als dit niet zo blijkt te zijn dienen individuen afgevangen te worden en op een geschikte locatie uitgeplaatst te worden. Pas na vrijgave van de werklocatie kunnen de werkzaamheden starten. Vlinders Voorafgaand aan het verwijderen van iepen, zoete kersen of wilgenbomen dienen deze boomsoorten op geschikte locaties geplant te zijn. Flora Voorafgaand aan de werkzaamheden op perceel Oost 2 dient zaad van dreps en glad biggenkruid verzameld te worden. Door de bovenste grondlaag af te graven zal tevens de zaadbank in de bodem verzameld worden. De zaden en afgegraven bodem dient op een nieuwe geschikte locatie met een open en zandige onbewerkte grondlaag, teruggeplaatst te worden.

21/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

(Specifieke) zorgplicht Voor algemene en rode lijst soorten is het noodzakelijk om invulling te geven aan de (specifieke) zorgplicht. Hiervoor moeten maatregelen worden geformuleerd die ertoe leiden dat tijdens de werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hierbij dient tevens bij de inrichting van het plangebied aandacht te worden besteed aan de realisatie van algemeen geschikt habitat voor plant en dier. Binnen de percelen Oost 4 en 5 komt konijn voor. Tijdens de werkzaamheden moet voorkomen worden dat konijnen worden gedood. Maatregelen om dit te voorkomen dienen voorafgaand aan de werkzaamheden te worden geformuleerd. Een van de te nemen maatregelen is om de werkzaamheden richting één kant uit te voeren. Algemeen De te nemen mitigerende en compenserende maatregelen in het kader van de omgevingsvergunning moeten in een activiteitenplan worden uitgewerkt. De uitvoering van de maatregelen in het kader van de omgevingsvergunning en de (specifieke) zorgplicht moeten in een ecologisch werkprotocol worden uitgewerkt. Dit protocol moet aanwezig zijn op de werklocatie en het aanwezig personeel moet op de hoogte zijn van de inhoud van dit ecologisch werkprotocol. Het protocol dient te worden opgesteld door een ter zake kundige op het gebied van flora en fauna.

Eventuele ecologische begeleiding dient eveneens te worden uitgevoerd door een ter zake kundige op het gebied van flora en fauna. Indien de mitigerende en compenserende maatregelen naar voldoening opgevolgd worden, is het effect op beschermde soorten neutraal (0). 6.1.2 Mitigatie en compensatie stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Als gevolg van de twee alternatieven is in de gebruiksfase sprake van een toename van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden. Om die reden zijn (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Dit betekent niet dat het plan per definitie niet uitvoerbaar is. Voor mitigerende maatregelen kan gedacht worden aan smart mobility, inzet op openbaar vervoer om emissies van verkeer te beperken en/of extern salderen. In de aanlegfase is - afhankelijk van het bouwtempo - geen sprake van een toename van stikstofdepositie. Om die reden zijn er geen wettelijk verplichte mitigerende of compenserende maatregelen van toepassing. Wel zijn mitigerende maatregelen mogelijk om het realiseren van meer programma per jaar mogelijk te maken. Op basis van de berekeningen ligt dat punt op 500 appartementen, 100 woningen en niet wonen voorzieningen.

6.2

Bovenwettelijke mitigatie en compensatie

6.2.1

Mitigatie en compensatie (kansen voor) verhoging natuurwaarden

Het verhogen van natuurwaarden is geen wettelijke verplichting maar betreft een bovenwettelijk kader. Als aanvullende maatregelen kan gedacht worden aan:  Het inzaaien van bermen met een gebiedseigen inheems mengsel

22/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

Ecologisch maaibeheer

 

Natuurinclusief bouwen Het plaatsen van takkenrillen en ‘rommelhoekjes’ als schuilplaats voor grondgebonden zoogdieren

Tabel 6.1 Overzicht effectbeoordeling met en zonder mitigerende en compenserende maatregelen Indicator

Minimum-

Na mitigatie/

Maximum-

Na mitigatie/

alternatief

compensatie

alternatief

compensatie

Soortenbescherming

--

0

--

0

Stikstofdepositie op Natura 2000-

--

0

--

0

+

n.v.t.

+

n.v.t.

gebieden (kansen voor) verhoging natuurwaarden

7 Leemten in kennis In de effectstudie zijn geen leemten in kennis of ontbrekende informatie geconstateerd, die een goede effectbeoordeling en vergelijking van de alternatieven in de weg staat.

8 Samenvatting Als gevolg van het voornemen zal er, ongeacht welk alternatief gekozen wordt, sprake zijn van een zeer negatief effect op beschermde soorten. Dit als gevolg van het potentieel voorkomen van nestplaatsen van vogels met en zonder jaarrond beschermde nesten, verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes van vleermuizen, leefgebied van rugstreeppad, voortplantingsplaatsen van grote vos en groeiplaatsen van flora. Door het nemen van de nodige mitigerende en compenserende maatregelen kunnen de effecten van beide alternatieven als neutraal (0) beoordeeld worden. Beide alternatieven hebben een positief effect op de (kansen voor) verhoging natuurwaarden in het plangebied. Hierbij worden beide alternatieven als positief (+) beoordeeld. Echter dient hier in de uitvoering ook een afweging gemaakt te worden tussen de verschillende ambities, bijvoorbeeld zonnepanelen op daken tegenover groene daken. Beide alternatieven hebben in de aanlegfase een neutraal effect en in de gebruiksfase een negatief effect op de natuurwaarden in het plangebied. Dit betekent niet dat het plan niet uitvoerbaar is. Door het betrekken van mitigerende maatregelen en een zorgvuldige inpassing kan het plan alsnog uitvoerbaar zijn binnen het Natura 2000-beschermingsregime.

23/24

Kenmerk

R005-1298160IKO-V01-hme-NL

9 Literatuur ATKB, 2024. Quickscan Omgevingswet Entree Zoetermeer. ATKB-rapportage met kenmerk: 20241499_rap01, versie 2, 8 januari 2025. Witteveen+Bos, 2023. Transformatorstation Stedin Abdissenbos. Witteveen+Bos-rapportage met referentie: 127957/23-019.824, 11 december 2023.

24/24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=ed8857b1-d751-486c-b5aa-072b79a051fe