Bijlage 1 - Referendumverordening gemeente Zoetermeer 2025
Tekst van het document
Referendumverordening Zoetermeer De raad van de gemeente Zoetermeer. gelet op de artikelen 84, 149, 154 en 169 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Artikel 1. Definities 1.1. In deze verordening wordt verstaan onder: a) het college en de raad: de bestuursorganen zoals bedoeld in de Gemeentewet; b) de voorzitter van de raad en de griffier: de functies zoals bedoeld in de Gemeentewet; c) kiesgerechtigd: stemrecht hebben voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Zoetermeer; d) referendum: volksraadpleging waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een ontwerp van een door de raad te nemen besluit; e) seniorenconvent: het door de raad ingestelde overlegplatform bestaande uit fractievoorzitters te bespreken van zaken met een vertrouwelijk, politiek gevoelig en urgent karakter; f) aanvullende participatie: facultatieve participatie die in plaats kan komen van een referendum zoals bedoeld in artikel 5, lid 8 van de verordening; g) definitief verzoek: een verzoek zoals bedoeld in artikel 6, lid 1 van de verordening. h) ontwerp besluit: een voorgesteld raadsbesluit dat nog niet in de raadsvergadering in stemming is gebracht. Artikel 2. Initiatief van kiesgerechtigden of van de raad. 2.1. Er kan een referendum worden gehouden zowel op initiatief van kiesgerechtigden als op grond van een initiatief van de raad. 2.2.
Werkzaamheden ten behoeve van de gemeenteraad vinden in dit geval plaats onder verantwoordelijkheid van de griffier. Als een referendum aan de orde is, dan wordt op eerste verzoek van de griffier aan de gemeentesecretaris door het college aan de griffier de nodige ambtelijke ondersteuning ter beschikking gesteld. 2.3. Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit, met uitzondering van besluiten: a) over individuele kwesties, zoals benoeming, ontslag, schorsing, kwijtschelding of schenking; b) over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen politieke ambtsdragers en hun nabestaanden; c) over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardenregeling en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie; d) over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten; e) in het kader van deze verordening; f) over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening; g) over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen; h) ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever, waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft; i) die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden; j) waarvan de raad van mening is dat dringende redenen van algemeen belang
aanleiding zijn om geen referendum te houden; k) waartegen de mogelijkheid van bezwaar en beroep in bestuursrechtelijke zaken open staat.
Artikel 3. Benoemen van een referendumcommissie ad hoc. 3.1. De raad stelt voor ieder referendum opnieuw een referendumcommissie ad hoc in en benoemt op aanbeveling van het seniorenconvent haar leden. 3.2. De referendumcommissie ad hoc bestaat uit drie of vijf leden en kiest uit haar midden een voorzitter. 3.3. De referendumcommissie ad hoc wordt ondersteund door de griffier of door de griffier aan te wijzen medewerkers van de griffie. 3.4. De voorzitter en de leden van de referendumcommissie ad hoc zijn onafhankelijk en kunnen daarom geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van bestuursorganen van de gemeente. Artikel 4. Taken en vergaderingen referendumcommissie ad hoc 4.1. De referendumcommissie heeft tot taak: a) de raad te adviseren over: 1°. De vraag of sprake is van een uitgezonderd besluit als bedoeld in artikel 2, derde lid; 2°. De vraagstelling van een referendum inclusief de antwoordmogelijkheden en stemprocedure, en 3°. De datum van het te houden referendum; b) het college te adviseren over: 1°. De stembiljetten, en 2°. De verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 11; c) gedurende de looptijd van het referendum toezicht te houden op en te adviseren over: 1°. De uitvoering van deze verordening, en 2°.
Het objectieve en neutrale karakter van de door de gemeente te verstrekken voorlichting over het referendum; d) klachten te behandelen in het kader van de toezichttaak, genoemd onder c; e) binnen 3 maanden na de dag waarop het referendum wordt gehouden, dan wel binnen 3 maanden nadat duidelijk is dat er geen referendum plaatsvindt, een evaluatie uit te brengen over het gevolgde referendumproces. 4.2. De referendumcommissie ad hoc kan op eigen initiatief advies uitbrengen over de bij een referendum en referendumverzoeken te volgen procedure en over alle overige zaken die het referendum betreffen en die zij van belang acht. Tevens kan de referendumcommissie advies uitbrengen over toekomstige wijzigingen van de referendumverordening. 4.3. De referendumcommissie ad hoc vergadert in beslotenheid. 4.4. De referendumcommissie voert gevraagd en ongevraagd overleg met het seniorenconvent. 4.5. De adviezen van de referendumcommissie ad hoc zijn openbaar. 4.6. De referendumcommissie ad hoc houdt na het uitbrengen van de evaluatie op te bestaan. Artikel 5. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek 5.1. Een kiesgerechtigde kan een inleidend verzoek om referendum indienen. Een initiatief moet betrekking hebben op een bekendgemaakt ontwerp raadsbesluit en wordt aanhangig gemaakt door het indienen van een inleidend verzoek om een referendum te houden. 5.2.
Een inleidend verzoek wordt door tussenkomst van de griffier van de raad, per email ingediend bij de voorzitter van de raad, uiterlijk twee weken voor de raadsvergadering waarin het ontwerpraadsbesluit is geagendeerd. Daarbij geeft de indiener aan op welk ontwerp-raadsbesluit het inleidend verzoek betrekking heeft.
5.3. Het ontwerp raadsbesluit waarop het inleidend verzoek betrekking heeft, wordt aangehouden vanaf het moment van ontvangst van een inleidend verzoek om een referendum te houden, tot na de dag waarop de uitslag van het referendum wordt bekendgemaakt. 5.4. Het inleidend verzoek moet worden ondersteund door de ondersteuningsverklaring van ten minste 500 personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat het inleidend verzoek wordt ingediend. De datum van het als eerste ingekomen inleidende verzoek van een kiesgerechtigde om een referendum te houden, wordt aangemerkt als eerste dag van de twee weken waarbinnen ondersteuningsverklaringen kunnen worden ingediend. 5.5. Voor het indienen van ondersteuningsverklaringen, staat op de website van de gemeente een door het college geplaatst digitaal formulier. 5.6. De indieners geven aan op welk ontwerp-raadsbesluit het inleidend verzoek betrekking heeft. Bij de afdeling Publieksplein kan ondersteuning worden gevraagd bij het invullen van het digitale formulier. 5.7. De voorzitter van de raad controleert door tussenkomst van de afdeling Publieksplein binnen twee weken na afloop van de tijdsperiode als bedoeld in het vierde lid, de ondersteuningsverklaringen als bedoeld in het vierde op geldigheid, dat wil zeggen inhoud, volledigheid en het aantal ondersteuningsverklaringen. 5.8.
De voorzitter van de raad voert na ontvangst van een inleidend verzoek om een referendum te houden zo snel mogelijk overleg met de indiener van het inleidend verzoek en maximaal 6 indieners van een ondersteuningsverklaring, over de achterliggende vraag van het inleidend verzoek. Ook onderzoekt de voorzitter van de raad de behoefte van de indieners van het inleidend verzoek aan aanvullende participatie. 5.9. De bevindingen van de voorzitter van de raad op grond van het bepaalde in het achtste lid, kunnen door de raad worden meegewogen bij het besluit of het inleidend verzoek wordt ingewilligd. 5.10. De raad beslist op voorstel van de voorzitter van de raad binnen drie maanden na het indienen van het inleidend verzoek zoals bedoeld in het tweede lid, of dit verzoek wordt ingewilligd. In de termijn van drie maanden , wordt de termijn van twee weken zoals genoemd in het vierde lid geacht te zijn inbegrepen. 5.11. In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt het ontwerp raadsbesluit weer in behandeling genomen nadat het inleidend verzoek wordt ingetrokken of het inleidend verzoek is afgewezen. Artikel 6. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 2: definitief verzoek 6.1.
Een definitief verzoek kan binnen twee weken na bekendmaking van het besluit van de raad dat het inleidend verzoek is ingewilligd, aanhangig worden gemaakt door plaatsing van het definitieve verzoek op het in artikel 5 bedoelde digitaal beschikbaar gestelde formulier. 6.2. Voor een definitief verzoek om referendum te houden, zijn ondersteuningsverklaringen nodig van ten minste 7.500 personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat de raad het inleidend verzoek heeft ingewilligd als bedoeld in artikel 5, elfde lid. 6.3. Ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden worden binnen zes weken na bekendmaking van het besluit van de raad dat het inleidend verzoek is ingewilligd geplaatst op het digitale beschikbaar gestelde formulier. 6.4. De indiener van het definitief verzoek en van de ondersteuningsverklaringen geven aan op welk raadsbesluit het definitief verzoek betrekking heeft. Bij de afdeling Publieksplein kan ondersteuning worden gevraagd bij het invullen van het digitale formulier. 6.5. De voorzitter van de raad controleert door tussenkomst van de afdeling Publieksplein binnen twee weken na afloop van de tijdsperiode als bedoeld in het derde lid, de ondersteuningsverklaringen als bedoeld in het tweede en derde lid op inhoud, volledigheid en het aantal ondersteuningsverklaringen.
6.6. Een geldig definitief verzoek wordt binnen twee weken nadat het aantal, de inhoud en de volledigheid van de ondersteuningsverklaringen is vastgesteld, per email, door tussenkomst de griffier aan de raad toegezonden. 6.7. Binnen twee maanden na ontvangst van het definitieve verzoek neemt de raad een besluit tot het al dan niet houden van het referendum. In de termijn van twee maanden zoals genoemd in dit lid, wordt de termijn van zes weken zoals genoemd in het derde lid te zijn inbegrepen. Artikel 7. Initiatief van de raad 7.1. De raad kan uit eigen beweging besluiten om een referendum te houden over een ontwerpraadsbesluit. 7.2. Als de raad besluit tot het houden van een referendum zoals bedoeld in het eerste lid, dan wordt daarbij het desbetreffende ontwerp-raadsbesluit aangehouden totdat de uitslag van het referendum bekend is gemaakt. Artikel 8. Datum referendum en besluit op referendum 8.1. De raad bepaalt gelijktijdig met het besluit om een referendum te houden de datum waarop het referendum wordt gehouden. 8.2. Het besluit over de uitkomst van het referendum wordt genomen binnen twaalf maanden na de dag waarop besloten is om een referendum te houden.
De raad kan besluiten deze termijn met ten hoogste drie maanden te verlengen om de stemming te combineren met een reguliere verkiezing of om te voorkomen dat de stemming in een schoolvakantie voor het basis- of voortgezet onderwijs valt die voor de regio is aangewezen. Artikel 9. Vraagstelling referendum 9.1. De raad stelt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, met inachtneming van het advies van de referendumcommissie de vraagstelling vast. 9.2. Bij een referendum op initiatief van de kiesgerechtigden wordt aan de kiesgerechtigden gevraagd of zij voor of tegen het ontwerp raadsbesluit zijn. De vraag kan geen betrekking hebben op afzonderlijke onderdelen van het ontwerp raadsbesluit. 9.3. Bij een referendum op initiatief van de raad kan aan de kiesgerechtigden zowel de vraag worden voorgelegd of zij voor of tegen het ontwerp raadsbesluit zijn, of kan de vraag bestaan uit verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen. 9.4. Bij een referendum met verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen stelt de raad een passende stemprocedure vast. Artikel 10. Budget organisatie, subsidieplafond en subsidiecriteria 10.1.Onmiddellijk nadat is besloten tot het houden van een referendum, stelt de raad een budget vast voor organisatie van en voorlichting over het referendum.
10.2.Het college stelt een subsidieplafond vast voor overige activiteiten ter ondersteuning van het publieke debat en de meningsvorming over het ontwerp raadsbesluit waarop het referendum betrekking heeft. 10.3.Voor subsidie komen niet in aanmerking activiteiten die: a) Geheel of gedeeltelijk plaatsvinden na de dag van stemming; b) Met winstoogmerk worden ondernomen; c) Die zijn begonnen voordat over de subsidieaanvraag is beslist. 10.4.Subsidie wordt op aanvraag uitsluitend verstrekt aan:
a)
Collectieven van ten minste zes kiesgerechtigden die geen politieke groepering vormen als bedoeld in hoofdstuk G van de Kieswet en waarvan de leden geen gezamenlijk politiek gemotiveerd belang hebben bij activiteiten ter bevordering van deelname aan het referendum. b) Rechtspersonen, met uitzondering van politieke groeperingen als bedoeld in hoofdstuk G van de Kieswet, of van rechtspersonen waarvan de doelstelling rechtstreeks politiek gemotiveerd is. 10.5.De subsidie bedraagt per geval 100% van de redelijk te maken kosten van de activiteiten, met uitzondering van loonkosten, tot een maximum van € 5.000,-. 10.6.Het college maakt het subsidieplafond en de begin- en einddatum van de aanvraagtermijn openbaar bekend. 10.7.Op subsidies verstrekt op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening van Zoetermeer niet van toepassing. Artikel 11. Subsidieverlening en vaststelling 11.1. Binnen twee weken na afloop van de sluitingsdatum van de aanvraagtermijn voor subsidie, besluit het college over de subsidieaanvraag. 11.2. Subsidieverlening vindt plaats in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde subsidieplafond is bereikt. 11.3.
Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe op basis van het volgende afwegingskader: a) De mate waarin activiteiten bijdragen aan het publieke debat en meningsvorming onder kiesgerechtigden: maximaal 30 punten; b) De mate waarin activiteiten voor het publiek toegankelijk zijn of de uitingen openbaar zijn: maximaal 20 punten; c) Of de activiteiten behoorlijk bekendgemaakt zijn bij het publiek: maximaal 20 punten; d) Of verschillende doelgroepen worden bereikt: maximaal 30 punten. 11.4. De verleende subsidie wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot. 11.5. Binnen 8 weken na de dag van het besluit van de raad het referendum dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag dan wel de nodige bewijsstukken, waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 11.6 Het college neemt binnen 8 weken na ontvangst van een aanvraag tot vaststelling van de subsidie een besluit tot vaststelling van de subsidie. Artikel 12.
Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking Op de procedure ter voorbereiding, stemming, en de vaststelling en bekendmaking van de uitslag van het referendum zijn de hoofdstukken E, paragrafen 2 en 4, J, L, N, paragraaf 1, en P, paragrafen 1 en 4, van de Kieswet van overeenkomstige toepassing, voor zover bij deze verordening niet anders is bepaald. Artikel 13. Uitslag 13.1.Het centraal stembureau stelt de uitslag van het referendum vast en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen het ontwerp raadsbesluit zijn uitgebracht alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht. Het centraal stembureau stelt vast of een meerderheid voor dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit heeft gestemd, waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
13.2.Het centraal stembureau brengt de uitslag over aan de raad, vergezeld van het proces-verbaal, en maakt beide onverwijld bekend op een algemeen toegankelijke wijze. 13.3.De raad doet op basis van het door het centraal stembureau vastgestelde proces-verbaal een uitspraak over de vraag of de stemming op wettige wijze is geschied. Artikel 14. Strafbepaling 14.1. Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die: a) Stembiljetten, volmacht bewijzen of stempassen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; b) Stembiljetten, volmacht bewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken; c) Stembiljetten, volmacht bewijzen of stempassen voorhanden heeft met het oogmerk om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; Als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden; d) Bij een referendum door gift of belofte een kiesgerechtigde omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem; e) Stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen
bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven. Artikel 15. Intrekking oude verordening 15.1 De Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Zoetermeer houdende regels omtrent het houden van een referendum 2005 wordt ingetrokken Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel 16.1. Deze verordening treedt in werking op [datum, wordt aangevuld na besluitvorming]. 16.2. Deze verordening wordt aangehaald als: Referendumverordening gemeente Zoetermeer 2025. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,
Algemene toelichting De raad van de gemeente Zoetermeer heeft op 28 november 2023 (no. 2023-096640) besloten om de verordening te actualiseren. In deze geactualiseerde verordening is het VNG-model in volle omvang gebruikt voor het opstellen daarvan. Voor een goed verloop van een referendum, zijn noodzakelijke aanpassingen van de modelverordening in afstemming met de griffie van de gemeenteraad tot stand gekomen. De geactualiseerde verordening is ook aangepast naar aanleiding van de opdracht in raadsbesluit no. 2023096640. Een referendum is mogelijk over een ontwerp raadsbesluit. Dit betreft een voorgesteld raadsbesluit van het college aan de raad, dat nog niet in stemming is gebracht in een raadsvergadering. Het referendum is bij uitstek een bestuurlijk instrument van de raad. In deze verordening heeft de raad de leidende rol. De reden hiervoor is dat een referendum de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid van de raad direct raakt, zodat het voor de hand ligt dat de gemeenteraad zelf de nodige besluiten neemt. In de verordening zijn de wensen vanuit de raad verwerkt. In de artikelen 10 en 11 van de verordening is een regeling voor subsidie opgenomen. Door de verordening zoveel mogelijk chronologisch op te stellen, is tegemoetgekomen aan de wens om rollen, taken en verantwoordelijken expliciet te maken.
De voor een referendum noodzakelijke ambtelijke ondersteuning is geregeld in artikel 2, lid 2 van de verordening: op eerste verzoek van de griffier wordt de nodige ambtelijke ondersteuning beschikbaar gesteld. Voorts stelt de raad onmiddellijk nadat is besloten tot het houden van een referendum een budget vast voor organisatie van en voorlichting over het referendum. Op grond van het artikel 5, lid 10 is het de raad die een besluit neemt of een inleidend verzoek wordt ingewilligd. Voorts is het de raad die op grond van artikel 6, lid 7, beslist over het al dan niet houden van een referendum. Het seniorenconvent van de raad, heeft op grond van artikel 3, lid 1 van de verordening als rol een aanbeveling te doen voor de benoeming van de leden van de referentiecommissie ad hoc. Op grond van artikel 4, lid 4 van de verordening voert de referendumcommissie gevraagd en ongevraagd overleg met het seniorenconvent. Aan de hand van de verordening houdt het college een werkbeschrijving bij waarin rollen taken en verantwoordelijkheden worden omschreven.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Definities Voor het begrip ‘kiesgerechtigd’ wordt uitgegaan van degene die gerechtigd is deel te nemen aan de raadsverkiezingen. Kiesgerechtigd zijn is geregeld in artikel B3 van de Kieswet (18 jaar of ouder, Nederlanderschap of andere geldige titel). Voor de toepassing van de verordening moet men kiesgerechtigd zijn op de dag dat het digitaal formulier beschikbaar wordt gesteld (zie artikel 5, vijfde lid en artikel 6, derde lid). Referendum. Deze verordening gaat uit van een referendum op basis van een ontwerp raadsbesluit. Het referendum is daarom te zien als een advies van burgers aan de raad over een voorgenomen besluit. Het initiatief voor een referendum kan uitgaan van zowel kiesgerechtigden (art. 5) als van de raad (art. 7). Seniorenconvent. Het door de raad ingestelde overlegplatform bestaande uit fractievoorzitters voor het bespreken van zaken met een vertrouwelijk, politiek gevoelig en urgent karakter. Artikel 2. Referendum, initiatief, onderwerpen Omdat in deze verordening verreweg de meeste taken voor rekening van de raad en de griffier komen, is het nodig dat de griffie ingeval van een referendum over adequate ondersteuning kan beschikken. De ondersteuning wordt op eerste verzoek van de griffier door het college beschikbaar gesteld en werkt onder verantwoordelijkheid en aansturing van de griffier.
Dit onderwerp wordt door het college uitgewerkt in de werkbeschrijving op grond van het raadsbesluit van 28 november 2023 no. 2023096640. Bepaalde onderwerpen waarover de raad een besluit kan nemen lenen zich minder goed voor een referendum en worden daarom uitgezonderd. Deze uitzonderingen worden niet meer in een standaard bepaling vermeld in het (ontwerp) raadsbesluit. De lijst van uitzonderingen van de VNG is gebaseerd op ervaringen met de Tijdelijke referendumwet en met autonome gemeentelijke verordeningen. Artikel 3. Benoeming van een referendumcommissie ad hoc Het referendum zoals geregeld in deze verordening is voorbehouden aan de gemeenteraad en wordt geheel door de raad zelf geregeld. Dit betekent dat het de raad is die in alle stappen van de procedure het initiatief neemt, tenzij dit door de raad zelf anders wordt bepaald. Artikel 3 is een belangrijk artikel omdat wordt geregeld dat de raad een referendumcommissie ad hoc moet instellen. Het seniorenconvent heeft een belangrijke rol bij het benoemen van de referendumcommissie. Bewust is ervoor gekozen om geen vaste referendumcommissie in te stellen, maar een referendumcommissie ad hoc. Een referendumcommissie is onafhankelijk en vormt daarmee een waarborg voor een eerlijk verloop van te houden verkiezingen.
Door per geval een commissie te benoemen, wordt de mogelijkheid opengehouden om in te spelen op de actuele situatie. Artikel 4. Taken en vergaderingen referendumcommissie De referendumcommissie heeft diverse adviserende taken. Daarnaast houdt de referendumcommissie toezicht op het gehele referendumproces. De referendumcommissie kan gevraagd en ongevraagd advies geven.
Onder a en b staat de advisering aan respectievelijk de raad en het college. De referendumcommissie heeft een adviserende rol bij diverse stappen in het referendumproces die gevoelig kunnen liggen of voor discussie kunnen zorgen. Onder d is de rol van de referendumcommissie als toezichthouder op het hele referendumproces vastgelegd. Een uitvloeisel van die rol is de behandeling door de referendumcommissie van klachten over het referendumproces (zie onder e). Klachten kunnen over uiteenlopende zaken gaan, bijvoorbeeld het afkeuren van een digitaal ingediend formulier, het aantal stembureaus of een campagne uiting van een organisatie. Wellicht ten overvloede: de taak die de referendumcommissie heeft ten aanzien van klachten over het referendumproces, heeft niet te maken met het klachtrecht dat wordt geregeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit laatste klachtrecht gaat over gedragingen van bestuursorganen en over personen die daarbij werkzaam zijn De referendumcommissie brengt na afloop een evaluatierapport uit over het gevolgde referendumproces (onder f). De referendumcommissie heeft een adviesrol. Uiteindelijk is het de raad die beslissingen kan nemen. Indien de referendumcommissie in het kader van toezicht iets vaststelt, bijvoorbeeld over voorlichting over het referendum, dan is het de raad die daarover een beslissing kan nemen, Artikel 5.
Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek Artikel 5 regelt de manier waarop een zogenaamd inleidend verzoek door kiesgerechtigden kan worden ingediend. De inhoud van het artikel spreekt grotendeels voor zich. Belangrijk element is dat op de website van de gemeente een digitaal formulier beschikbaar wordt gesteld waarop het inleidend verzoek kan worden ingediend en waarop ondersteuningsverklaringen kunnen worden geplaatst. Na afloop van de in de verordening genoemde termijnen controleert de voorzitter van de raad het aantal ondersteuningsverklaring alsmede de inhoud en volledigheid daarvan. Vervolgens treedt de voorzitter van de raad in overleg met een vertegenwoordiging van de initiatiefnemers over de achtergronden van de aanvraag. Tenslotte is het de raad die een besluit neemt over de inwilliging van het verzoek. Ten tijde van het inwerkingtreden van deze verordening is het digitale formulier te vinden op: referendum indienen gemeente Zoetermeer. Artikel 6. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 2: definitief verzoek Als de raad het inleidend verzoek heeft ingewilligd, dan staat voor kiesgerechtigde de weg vrij voor het indienen van een definitief verzoek. De procedure voor het definitief verzoek is in grote lijnen gelijk aan die voor het inleidend verzoek.
De ondersteuningsverklaringen van het inleidend verzoek tellen niet mee voor het aantal te overleggen ondersteuningsverklaringen voor definitief verzoek. Dit omdat het mogelijk is dat een kiesgerechtigde het inleidend verzoek wel ondersteunt, maar het definitief verzoek niet, bijvoorbeeld omdat inmiddels aan zijn of haar bezwaren tegemoet is gekomen. Uiteindelijk moet de raad een besluit nemen tot het al dan niet houden van een referendum. Artikel 7. Initiatief van de raad De raad kan zelf het initiatief nemen om een referendum te houden. Vaak zal het voorstel daartoe van een of meer raadsleden of fracties afkomstig zijn. Elk raadslid heeft op grond van artikel 147a van de Gemeentewet het recht van initiatief. Ook kan elk raadslid een motie indienen. Initiatiefvoorstellen en moties worden behandeld conform het Reglement van Orde van de raad.
Artikel 8. Datum referendum en besluit op referendum Op de inhoud van artikel 8 is geen procedure van toepassing. Voor dit artikel geldt het door de raad vastgestelde vergaderschema. Het gaat hier om een interne aangelegenheid van de gemeenteraad. Artikel 9. Vraagstelling referendum De raad stelt de vraagstelling van het referendum vast na advies van de referendumcommissie. Deze commissie zal daarover doorgaans in overleg treden met de initiatiefnemers van het referendum. Als er gekozen wordt voor verschillende antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen, zal de referendumcommissie hierover adviseren met een voorstel voor de stemprocedure. Wat de meest geschikte stemprocedure is, hangt mede af van het aantal mogelijke antwoordopties en de aard ervan. De raad stelt na inwinnen van advies van de kiescommissie de stemprocedure vast. Artikel 10. Budget, subsidieplafond en subsidiecriteria. Als duidelijk is dat er een referendum komt, moet de raad een budget vaststellen voor de organisatie van het referendum en voor voorlichting. Ook wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten die burgers en maatschappelijke organisaties rond het referendum organiseren. Een subsidieplafond is belangrijk omdat daardoor openeinderegelingen worden voorkomen (zie artikel 4:25, tweede lid, van de Awb).
De activiteiten moeten dienen om het debat over het ontwerp raadsbesluit op neutrale wijze te bevorderen. In artikel 10 lid 3 zijn limitatieve weigeringsgronden voor de toetsing van de aanvragen om subsidie opgenomen. Het doel van de subsidieverstrekking is het bevorderen van meningsvorming en deelname aan het publiek debat over het ontwerp raadsbesluit dat onderwerp is van het referendum. Subsidie kan worden aangevraagd door de in het vierde lid omschreven groepen van personen en rechtspersonen. De Algemene subsidieverordening (hierna: ASV) wordt in de referendumverordening niet van toepassing verklaard omdat de standaard aanvraag- en beslistermijnen niet passend (vrij lang) zijn. Artikel 11. Subsidieverlening en vaststelling In het eerste lid wordt de beslistermijn op een aanvraag subsidieverlening kort gehouden om de organisatie van het referendum vlot te laten verlopen. In deze fase voor de aanloop naar een referendum worden de betrokken kiesgerechtigden verondersteld bekend te zijn met de procedures. Bij de subsidie is gekozen voor een tendersysteem. Nadat de aanvraagtermijn gesloten is, wordt op basis van objectieve criteria een besluit genomen op de aanvragen waarbij mogelijk sprake is van verdeling van schaarse middelen. Met deze methode is het mogelijk aanvragen onderling tegen elkaar af te wegen.
De aanvraag met de meeste punten wordt het eerst gehonoreerd, daarna de volgende, en zo verder tot het subsidieplafond is bereikt. De punten a. tot en met d. van het derde lid brengen in beeld welke inhoudelijke eisen aan de activiteiten worden gesteld. Hoewel het om relatief lage subsidiebedragen gaat, moet in het kader van transparantie omtrent subsidie voor het onderwerp referendum verantwoording over de bestede gelden worden afgelegd voordat de subsidie definitief wordt vastgesteld. Dat gebeurt via de aanvraag tot vaststelling.
Artikel 12. Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de stemming aan te sluiten bij de gang van zaken bij de raadsverkiezingen. Vandaar dat de desbetreffende bepalingen uit de Kieswet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, voor zover er geen regeling in deze verordening zelf is opgenomen. Het gaat om de volgende onderdelen: • Hoofdstuk E, paragraaf 2: de instelling en bemensing van stembureaus door het college; • Hoofdstuk E, paragraaf 4: de instelling van het centraal stembureau (bij een lokaal referendum is er geen taak voor een hoofdstembureau; paragraaf 3 van hoofdstuk E is hier daarom niet vermeld); • Hoofdstuk J: de stemming (met onder andere de oproep, de inrichting van het stemlokaal, het uitbrengen van de stem); • Hoofdstuk L: het stemmen bij volmacht; • Hoofdstuk N, paragraaf 1: de telling van de stemmen; • Hoofdstuk P, paragraaf 1: de werkzaamheden van het centraal stembureau ten behoeve van de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag; • Hoofdstuk P, paragraaf 4: de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag in een openbare zitting van het centraal stembureau. Ook is hier geregeld dat er een proces-verbaal van de werkzaamheden wordt opgemaakt. Zie over de bekendmaking ook de toelichting bij artikel 13. Artikel 13.
Uitslag In artikel 13 zijn bepalingen opgenomen over de taken van het centraal stembureau bij de telling, de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag van een referendum. Deze wijken deels af van desbetreffende bepalingen in de Kieswet of vullen deze aan. Zie de toelichting bij artikel 12. Onder andere artikel P23 van de Kieswet (onderdeel van paragraaf 4) is van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarin is geregeld dat het centraal stembureau zijn proces-verbaal met weglating van de ondertekening onverwijld op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar maakt. Daarbij is ook bepaald dat hiervoor bij ministeriële regeling een internetadres kan worden aangewezen. Dat laatste is op het moment van verschijnen van deze modelverordening nog niet gebeurd. Tweede lid In het tweede lid van artikel 13 is bepaald dat het centraal stembureau de uitslag aan de raad overbrengt. Het vierde lid regelt dat de raad een uitspraak doet over de wettigheid van de stemming. Artikel 14. Strafbepaling Op grond van artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van een verordening een straf stellen van ten hoogste drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie (€ 4.150,- in 2019). Voor het bepalen van wat strafbaar is, is aangesloten bij hoofdstuk Z, paragraaf 1, van de Kieswet.