Bijlage 1 - Plantoelichting
Tekst van het document
Naast voornoemde wegen is ook de spoorweg (Randstadrail) meegenomen in het onderzoek. Gezien de ligging van de nieuwe woonfuncties, die alleen op de begane grond mogelijk worden gemaakt, en de overige wegen als de Willem de Zwijgerlaan en in het verlengde hiervan de Van Leeuwenhoeklaan, kan worden gesteld dat de afstand van dien aard is dat de gevelbelasting onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal blijven. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor de gezoneerde Schoolstraat de gevelbelasting ter plaatse van één woning met 1 dB de voorkeurgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. Deze woning, gelegen aan de Schinkelweg 11, een voormalige fietsenzaak, is in 2020 al getransformeerd naar woning. Er is een omgevingsvergunning verleend voor de verbouwing naar een woning. Daarbij zijn in het kader van het bereiken van een goed woon- en leefklimaat maatregelen getroffen om een binnenwaarde van 33 dB (streefwaarde nieuwbouweis) te borgen. Er hoeft daarom nu niet meer een hogere waarde geluid te worden verleend.
Het plan grenst ook aan 30 km/h wegvakken. In het kader van de Wet geluidhinder worden geen eisen gesteld aan woningen gelegen aan wegen waar een max. snelheid van 30 km/h geldt. Uit het onderzoek blijkt dan vanwege wegverkeerslawaai van de Dorpsstraat, Eerste Stationstraat en de Leidsewallen er wel sprake is van een verhoogde geluidbelasting. De geluidbelasting op de gevel is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Omdat het plan voorziet in de transformatie van (leegstaande) winkelruimten op de begane grond naar nieuwe woonbestemmingen zouden in het kader van een goede ruimtelijke ordening, om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen, gevelmaatregelen kunnen worden getroffen. In het akoestisch onderzoek is een overzicht opgenomen van de gecumuleerde gevelbelasting en de vereiste minimale geluidwering van de gevel om een binnenwaarde van 33 dB (streefwaarde nieuwbouweis) te kunnen waarborgen. Railverkeer Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de gevelbelasting ten gevolge van de Randstadrail ten hoogste 54 dB zal bedragen. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In het kader van de Wet geluidhinder worden ten aanzien van railverkeerslawaai van de Randstadrail geen restricties opgelegd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 24/38
3.3
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
'Niet In Betekenende Mate' De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en 'Niet In Betekenende Mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Doorwerking plangebied In deze herziening van het bestemmingsplan 1e Herziening Stadscentrum / Dorpsstraat wordt voor 60 locaties de mogelijkheid voor transformatie van winkelruimtes naar woningbouw mogelijk gemaakt en wordt in het kernwinkelgebied door middel van een functieverruiming ook dienstverlening toegestaan. In paragraaf 3.1 is reeds uiteengezet welke effecten dit heeft op het aantal verkeersbewegingen van- en naar het plangebied.
Op basis van de NIBM-rekentool kan beoordeeld worden wat de invloed van het plan is op de luchtkwaliteit en of deze als "Niet In Betekenende Mate" is te kwalificeren (zie onderstaande figuur).
Worst-case berekening NIBM (versie 27 maart 2020) 2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 25/38
Conclusie Met het invullen van de NIBM-tool kan worden geconcludeerd dat de voorgestane ontwikkeling in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig plan.
3.4
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoen-de zekerheid te bieden dat bedrijven hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Neder-landse Gemeenten (VNG) opgestelde uitgave Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen.
Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding binnen een gemengd gebied niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Richtafstanden In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNG-brochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Functiemenging
2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 26/38
De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Door het hanteren van richtafstanden tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid), wordt de toelaatbaarheid van milieubelastende functies beoordeeld. Binnen gemengde gebieden kan echter ook sprake zijn van functiemenging. Dit betekent dat op ge-bouwniveau meerdere functies gecombineerd zijn, zoals wonen boven winkels. In de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is voor gebieden met functiemenging een aparte lijst (bijlage 4 VNG-uitgave) opgenomen. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan: stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden met dorpskernen; horecaconcentratiegebieden; woon-werkgebieden met kleinschalige, vooral ambachtelijke bedrijvigheid; gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies; lintbebouwing in buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In tegenstelling tot rustige woonwijken zijn in dergelijke levendige gebieden desgewenst ook milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Het kan gaan om gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.
Onderzoek Het plangebied vormt het centrumgebied 'Dorpsstraat' welke voornamelijk bestaat uit diverse centrumfuncties, waaronder detailhandel, dienstverlening, horeca, maatschappelijke functies en woningen. In gebieden met functiemenging gelden geen richtafstanden. Om aan te geven welke lichthinderlijke bedrijfsactiviteiten in (gemengde) gebieden met functiemenging zijn toegestaan, is in het bestemmingsplan een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging opgenomen. Deze is gebaseerd op lijst 4 van de VNG-brochure en specifiek gemaakt voor de functies die op grond van opgenomen bestemmingen zijn toegestaan binnen het bestemmingsplan. De activiteiten in de Staat van bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid: categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aan-pandig aan woningen -in gebieden met functiemenging- kunnen worden uitgevoerd.
De eisen uit het Bouwbesluit zijn daarbij toereikend; categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. 2. 3. 4.
het gaat om kleinschalige, ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats; activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
Concreet betekent dit dat binnen dit bestemmingsplan ervoor gekozen is om op percelen waar op gebouwniveau wonen gecombineerd kan worden met ander functies alleen activiteiten bij recht zijn toegelaten die behoren tot categorie A van de Staat van bedrijfsactiviteiten 2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 27/38
functiemenging. Uitzondering hierop is dat binnen de Centrumbestemmingen ook detailhandel uit categorie B (supermarkten en warenhuizen) is toegestaan. Wat detailhandel betreft vallen supermarkten en warenhuizen in categorie B. In het plangebied zijn reeds supermarkten en warenhuizen gevestigd in combinatie met wonen. Bovendien is de aanwezigheid van supermarkten en warenhuizen in het Stads-hart/Stadscentrum van groot belang. Op overige percelen -waar wonen en andere functies niet gecombineerd, maar naast elkaar voorkomen- zijn ook activiteiten toelaatbaar die behoren tot categorie B. Nieuwe functies/activiteiten die behoren tot categorie C zijn binnen het plangebied niet zonder meer toegestaan. Afwijken van de gebruiksregels Voor percelen waar op gebouwniveau wonen gecombineerd mag worden met andere functies geldt dat bij recht functies die behoren tot categorie A zijn toegestaan. In het geval van functies die vallen onder categorie B of C, dan wel functies die niet genoemd zijn, mag hiervan afgeweken worden, mits aangetoond is dat de milieuhinder niet groter is dan bij functies die vallen onder categorie A. In het plangebied worden warenhuizen en supermarkten uit categorie B direct toegelaten onder en naast woningen omdat de menging van deze functies in een centrumgebied gewenst is.
Voor overige percelen geldt dat bij recht functies die behorende tot maximaal categorie B zijn toegestaan. In het geval van functies die vallen onder categorie C, dan wel functies die niet genoemd zijn, mag hiervan afgeweken worden, mits aangetoond is dat de milieuhinder niet groter is dan bij functies die vallen onder categorie B. Inventarisatie functies De in het plangebied voorkomende milieuhinderlijke activiteiten zijn geïnventariseerd. Hieruit blijkt dat de bestaande dienstverlening, detailhandel en maatschappelijke voorzieningen over het algemeen passen binnen de algemene toelaatbaarheid van maximaal categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging direct naast woningen en maximaal categorie B uit dezelfde Staat voor bedrijven die niet gecombineerd zijn met woningen. Er is in het aanloopgebied wel reeds een supermarkt aanwezig (Pilatusdam 15) uit categorie B, waar ook direct naast woningen mogelijk zijn. Deze menging van functies wordt gewenst geacht binnen het plangebied en heeft dus geen specifieke aanduiding binnen dit bestemmingsplan. De overige supermarkten/ warenhuizen in de Dorpsstraat zijn gelegen in het kernwinkelgebied, waar onderhavig projectgebied geen extra woningen mogelijk maakt.
Ontwikkelingen Het bestemmingsplan voorziet in een functieverruiming, waardoor in de toekomst in de aanloopstraten wonen op de begane grond mogelijk wordt en in het kernwinkelgebied dienstverlening op de begane grond mogelijk wordt. De aanwezige functies/activiteiten in de Dorpsstraat vallen in principe onder categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging. Het betreft hierbij immers functies/activiteiten die zodanig weinig belastend zijn voor hun omgeving dat deze zelfs aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd, een situatie die zich feitelijk binnen het overgrote deel van de bestaande bebouwing in de Dorpsstraat al voordoet. Het realiseren van de beoogde woningen (appartementen) binnen de bestaande winkelruimten zal in combinatie met de aanwezigheid van een van deze functies in beginsel dan ook geen belemmering vormen. Conclusie 2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 28/38
Er wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering de vaststelling van het plan niet in de weg staat. Door het toepassen van een milieuzonering wordt een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd.
3.5
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden bloot-gesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden.
Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Onderzoek Op basis van de landelijke risicokaart kan geconcludeerd worden dat er geen risicovolle 2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 29/38
activiteiten of transporten in de directe nabijheid van het plangebied plaatsvinden. Het dichtstbijzijnde transport betreft een buisleiding van de Gasunie (zie figuur 3.2). Deze ligt op 550 meter afstand op de hoek Schinkelweg-Fokkerstraat ten zuidoosten van plangebied.
Figuur 3.2. Uitsneden risicokaart met het plangebied in de rode cirkel
Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van risicovolle activiteiten of transporten. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
3.6
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Zowel in vroegere Flora- en faunawet als in de nieuwe Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Verboden activiteiten wijzigen nauwelijks. Wel zijn enkele definities aangepast. Zo is onopzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan. Maar verstoren zonder dat tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd, blijft strafbaar. 2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 30/38
Onderzoek Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op transformatie of functieverruiming binnen bestaande bebouwing. Hiervoor zullen alleen inpandige aanpassingen mogelijk gemaakt worden. Er worden daarom geen natuurwaarden bedreigd en beschadigd. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg hebben.
3.7
Bodem
Toetsingskader Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Onderzoek De Dorpsstraat wordt beschouwd als een gebied waar weinig bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of hebben gevonden. Dit wordt bevestigd door de resultaten uit de inventarisatie van de bodemonderzoeken die heeft plaatsgevonden in het kader van het bestemmingsplan Stadscentrum-Dorpsstraat dat in 2014 is vastgesteld. In het plangebied bevinden zich geen locaties waar nog bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Ook bevinden zich geen onbenutte bouwlocaties binnen het plangebied. Wel kan het zijn dat bij herontwikkeling en de aanvraag van bepaalde bouwaanvragen, voor zover dat nog niet gedaan is, mogelijk toch bodemonderzoek conform de NEN 5470 plaats dient te vinden. Dit moet per locatie bepaald worden. Naar verwachting zullen er geen belemmeringen aangetoond worden ten aanzien van (her)ontwikkeling van locaties.
Ook wat betreft het omvormen van locaties, bijvoorbeeld van winkelruimte naar woonbestemming worden geen risico's verwacht met betrekking tot bodemverontreiniging. Conclusie De bodemgesteldheid van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief.
3.8
Water
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is geconcludeerd dat Nederland zijn 2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 31/38
waterhuishouding niet op orde heeft. Water dient (in de toekomst) een mede-ordenend principe te worden. In het bestemmingsplan dient daarom aandacht besteed te worden aan water. In het Nationaal waterakkoord, dat gesloten is tussen het Rijk, gemeenten, waterschappen en provincies, is opgenomen hoe de partijen met water wensen om te gaan. De opgave is te zorgen voor veiligheid en te beschikken over voldoende mogelijkheden voor waterberging ter voorkoming van waterlast, watertekort en het verslechteren van de waterkwaliteit. De watertoets is ingevoerd om te kijken in hoeverre hier aan voldaan wordt. Het plangebied valt binnen de beheergrenzen van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap beheert de kwantiteit en kwaliteit van het water. De Dorpsstraat, en daarmee het plangebied, valt geheel in de Nieuwe Driemanspolder van het Hoogheemraadschap van Rijnland en heeft een polderpeil van - 5,82 N.A.P. De Dorpsstraat heeft een gescheiden rioolstelsel. Doorwerking plangebied In het beheergebied van het Hoogheemraadschap geldt dat indien er sprake is van een toename van verhard oppervlak met meer dan 500 m² ten opzichte van de huidige situatie, deze toename gecompenseerd moet worden door het realiseren van aanvullende waterberging. Onderhavig bestemmingsplan maakt geen toename van verharding mogelijk, maar enkel functieverruiming.
Om deze reden hoeft niet te worden voorzien in extra waterberging. Conclusie Water vormt daarmee geen belemmering voor het project.
3.9
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Derhalve dient getoetst te worden aan de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. De drempel voor een formele mer-beoordlingsplicht ligt bij 100 ha, 2.000 woningen of 200.000 m2 bvo. In dit geval worden deze drempels niet overschreden waardoor geconcludeerd kan worden dat er geen milieueffectrapport behoeft te worden opgemaakt.
Dat neemt echter niet weg dat als de activiteiten onder de drempelwaarden blijven, er toch bezien moet worden of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (een zogenaamde 'vormvrije mer-beoordeling'). Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Doorwerking plangebied 2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 32/38
In de eerdere paragrafen in dit hoofdstuk wordt weergegeven hoe het plan zich verhoudt tot de diverse relevante milieukaders (zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, bodem, archeologie, ecologie en water). De conclusie luidt dat de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen haalbaar en uitvoerbaar zijn. Het gebied, dat bestaat uit de Dorpsstraat, heeft geen bijzondere ecologische functie. Ook ten aanzien van overige (milieu-)aspecten (geluid, verkeer, luchtkwaliteit, externe veiligheid, water) zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Voorts kan gesteld worden dat het bestemmingsplan betrekking heeft op bestaand stedelijk gebied en liggen er geen kwetsbare gebieden in of in de nabijheid van het plangebied. De woningen die mogelijk worden gemaakt en de extra dienstverlening, zullen door transformatie van leegstaande winkels in de Dorpsstraat gerealiseerd worden. Er vindt dus geen extra ruimtebeslag plaats. Deze ruimte is echter reeds geheel verhard. Geconstateerd kan worden dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden (waarbij onder meer rekening is gehouden met de criteria in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (richtlijn 85/337/EEG) die maken dat de uitvoering van dit plan kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen die het verrichten van vervolgmilieuonderzoek (eventueel in de vorm van een milieueffectrapportage) noodzakelijk maken.
Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 33/38
Hoofdstuk 4 4.1
Juridische planopzet
inleiding
Een bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het plan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het plan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
4.2
Partiële herziening
Dit bestemmingsplan betreft een partiële (gedeeltelijke) herziening van het bestemmingsplan "1e Herziening Stadscentrum/ Dorpsstraat". Ten opzichte van dit bestemmingsplan wordt de bestemming 'Centrum - 3' opnieuw vastgesteld. Om de gewenste ontwikkelingen zoals omschreven in hoofdstuk 1 mogelijk te maken, zijn de plankaart en de planregels aangepast. In deze "2e partiële herziening bestemmingsplan Stadscentrum/Dorpsstraat" is gebruik gemaakt van de landelijke richtlijn Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Hierin zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de opbouw en presentatie van het bestemmingsplan. 4.2.1
Toevoegen functies
Een belangrijke opgave voor de Dorpsstraat betreft de realisatie van een compact (kern)winkelgebied met gemengde randen. Er is sprake van een concentratie- en transformatie-opgave. Om te komen tot permanente en passende invulling van de leegstand, is de ambitie om de mogelijkheid te bieden leegstaande vierkante meters in het aanloopgebied te transformeren naar woningen. Daarnaast zijn er voor het kernwinkelgebied ruimere mogelijkheden opgenomen voor woningen (uitsluitend in de diepe panden vanaf 15 meter achter de voorgevelrooilijn) en dienstverlening. Het reeds geldende totaal toegestane vierkante meters horeca wordt in onderhavig bestemmingsplan vanuit leefbaarheidsoverwegingen gehandhaafd.
2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 34/38
4.2.2
Concentratie detailhandel
Om te komen tot een compact (kern)winkelgebied, moeten detailhandelsfuncties buiten het kernwinkelgebied teruggedrongen worden. Daarom is in het onderhavige bestemmingsplan de regeling voor vestiging van detailhandel aangepast. Binnen de op de verbeelding opgenomen zone ('specifieke vorm van centrum - kernwinkelgebied') is detailhandel algemeen toegestaan. Voor de percelen gelegen buiten deze zone, is nieuwe detailhandel in principe niet meer mogelijk. Bestaande winkels in de aanloopstraten mogen blijven, hiervoor is een aanduiding 'detailhandel' opgenomen. En de bestaande mogelijkheden voor horeca, dienstverlening, maatschappelijk en ambachtelijke bedrijvigheid, blijven ook intact. Nieuwvestiging van detailhandel is echter niet meer mogelijk, tenzij gebruik gemaakt wordt van de afwijkingsbevoegdheid die in het bestemmingsplan is opgenomen. Deze afwijkingsbevoegdheid met een geldigheidsduur van 5 jaar, is bedoeld voor uitzonderingsgevallen. In de afwijkingsbevoegdheid worden de voorwaarden benoemd waaraan een aanvraag getoetst zal worden.
2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 35/38
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Procedure Voor de vaststelling van het Detailhandelsbeleid 2019-2023 is een participatietraject doorlopen. Zoals gebruikelijk bij bestemmingsplannen waarvoor al participatie is verleend, heeft het college op 5 januari 2021 besloten om voor dit bestemmingsplan geen participatie te verlenen. Het bestemmingsplan is tenslotte de vertaling van hetgeen in het Detailhandelsbeleid is opgenomen, zoals deze nà de participatie daarover is vastgesteld. Op grond van artikel 2 lid 7 sub d en sub e van de Samenspraakverordening is besloten om geen participatie te verlenen, omdat al eerder participatie heeft plaatsgehad en omdat nog zienswijzen kunnen worden ingediend. Er is wel veelvuldig overleg geweest met de Vereniging Dorpsstraat Vastgoed (BIZ) en de Ondernemersvereniging Dorpsstraat over de begrenzing van het kernwinkelgebied en voorgestelde regeling in het bestemmingsplan. Een voorontwerpbestemmingsplan is op 5 januari 2021 vastgesteld. Daarop is het wettelijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro doorlopen. Dit heeft niet tot wijzigingen geleid. Vervolgens is door het college van B&W op 16 maart 2021 ingestemd met het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter visie gelegen vanaf 25 maart 2021 tot en met 5 mei 2021. Er zijn tijdens deze periode 5 zienswijzen ingediend. Deze zijn opgenomen en beantwoord in de Nota van Beantwoording Zienswijzen.
(zie Bijlage 4). De aanpassingen aan het ontwerpbestemmingsplan zijn opgenomen in de Nota van Aanpassingen (zie Bijlage 5). Commissie Stad...........
Gemeenteraad.............
5.2
Financiële uitvoerbaarheid
Uitvoerbaarheid Het betreft een herziening van het bestemmingsplan 1e Herziening Stadscentrum/Dorpsstraat waarin de transformatie van leegstaande winkelruimtes naar woningen en dienstverlening mogelijk wordt gemaakt. Alle locaties zijn in eigendom bij private partijen. Het betreft private ontwikkelingen waarbij de financiële risico's worden gedragen door voldoende draagkrachtige partijen. De projecten worden op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de transformatie en uitbreidingen zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemers. De projecten worden gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemers. Er is voorts door bureau Bro een planschaderisicoanalyse in opdacht van de gemeente Zoetermeer uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er geen reële kans is op (directe) planschade. De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 6. Geconcludeerd kan worden dat de uitvoerbaarheid voldoende is verzekerd.
2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 36/38
2e Partiële Herziening Bestemmingsplan Stadscentrum / Dorpsstraat versie vastgesteld 37/38