Bijlage 1 - Definitieve Wmo Verordening – versie 7
Tekst van het document
18
c. achteraf blijkt dat de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; d. bij een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget, blijkt dat de cliënt niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 5.1 van deze verordening; e. er andere wijzigingen in de noodzaak voor het gebruik van de voorziening hebben plaatsgevonden. 2. Het college kan een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming zoals bedoeld in hoofdstuk 10 van deze verordening herzien of intrekken indien : a. niet of niet volledig wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet, deze of voorafgaande verordeningen of die zijn opgenomen in de beschikking; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen; c. achteraf blijkt dat de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; d. er andere wijzigingen in de noodzaak voor het gebruik van de voorziening hebben plaatsgevonden. Artikel 11.4 Terugvordering en verrekenen 1.
Indien het recht op een voorziening is ingetrokken of herzien, kan het college in aanvulling op artikel 2.4.1 van de wet: a. het ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget terugvorderen; b. de ten onrechte ontvangen tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk 10 van deze verordening terugvorderen; c. de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen. 2. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn. De hoogte van het (periodieke) bedrag van verrekening moet in redelijke verhouding staan tot de ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie.
HOOFDSTUK 12 - BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel 12.1 Fraudepreventiebeleid 1. Het college voert actief fraudepreventiebeleid. 2. Cliënten met een hulpvraag worden duidelijk voorgelicht over het ontvangen van een maatwerkvoorziening (digitaal, mondeling of schriftelijk) en de daarmee samenhangende verplichtingen. 3. In de beschikking worden de voorwaarden welke verbonden zijn aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening opgenomen. 4. Met aanbieders worden contractuele afspraken gemaakt over de te leveren diensten, de prestaties en de facturering. Artikel 12.2 Controle 1. Het college controleert, al dan niet periodiek, de in artikel 12.1 van deze verordening bedoelde voorwaarden en afspraken. 2. Het college kan bij de controle als bedoeld in het vorige lid gebruik maken van algemene en risicogestuurde analyses. 3. Het college kan ten behoeve van de controle als bedoeld in het eerste lid afspraken maken met de Sociale verzekeringsbank.
19
HOOFDSTUK 13 - OVERIGE BEPALINGEN § 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers Artikel 13.1 De wijze van waardering 1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. 2. De waardering als bedoeld in het eerste lid wordt in natura verleend. 3. Bij de waardering als bedoeld in het eerste lid heeft het college ook oog voor mantelzorgers van cliënten die mogelijk alleen gebruik maken van algemene voorzieningen. § 2. Klachtafhandeling en medezeggenschap Artikel 13.2 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de voorzieningen. 2. Het college ziet toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders. Artikel 13.3 Regeling voor medezeggenschap 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen in natura. 2. Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders. § 3. Kwaliteit Artikel 13.4 Kwaliteitseisen 1. Aanbieders stellen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten en zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a.
het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 2. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 13.5 Prijs kwaliteitsverhouding 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en 2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a.
overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en 20
b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen, en 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. § 4. Betrekken van ingezetenen Artikel 13.6 - Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
HOOFDSTUK 14 - SLOTBEPALINGEN Artikel 14.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze Verordening indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 14.2 Indexering 1. Het college past jaarlijks per 1 januari de in het kader van het Besluit Wmo geldende bedragen aan conform de ontwikkeling van de prijsindex consumentenprijzen (CBS-CPI). 2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid past het college jaarlijks per 1 januari de hoogte van de ritbijdrage, als bedoeld in artikel 8.3 zevende lid van deze verordening aan op basis van het tarief per kilometer zoals berekend door het Stadsgewest Haaglanden of eventuele rechtsopvolger, afgeleid van het OV-chipkaarttarief. 3. In afwijking van het gestelde in het eerste lid past het college jaarlijks per 1 januari de hoogte van de eigen bijdrage, zoals bedoeld in artikel 9.1 van deze verordening aan, met inachtneming van het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 4. In afwijking van het gestelde in het eerste artikel worden de bedragen uit artikel 4.2 lid i t/m k van het besluit Wmo geïndexeerd conform de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA)
21
5. In afwijking van het gestelde in het eerste artikel worden de bedragen uit artikel 4.2 lid a t/m e en h van het besluit Wmo geïndexeerd conform de gewogen prijsindex van het Centraal Plan Bureau (CPB) 6. In afwijking van het gestelde in het eerste artikel worden de bedragen uit artikel 4.2 lid f en g van het besluit Wmo geïndexeerd conform de NEA-index. 7. In afwijking van het gestelde in het eerste lid worden de bedragen genoemd in de onderstaande artikelen in het besluit niet geïndexeerd: - Artikel 2.4; - Artikel 6.1 eerste en tweede lid; - Artikel 7.1 derde lid onder b; - Artikel 8.1 tweede lid. Hoofdstuk 9 Artikel 14.3 Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd. Artikel 14.4 Overgangsrecht tariefdifferentiatie PGB en maximale periode voor betaling eigen bijdrage 1. Voor cliënten, die op 31 december 2019 een PGB ontvangen, blijft de op 31 december 2019 geldende PGBtariefdifferentiatie van toepassing tot en met 30 juni 2020. 2. Op een PGB-aanvraag, waarop niet voor 1 januari 2020 is beslist, wordt beslist met toepassing van de PGBtariefdifferentiatie die per 1 januari 2020 geldt. 3. Als na 1 januari 2020 wordt beslist op een bezwaarschrift tegen een PGB-beschikking van voor 1 januari 2020, dan gebeurt dat met toepassing van de op 31 december 2019 geldende PGB-tariefdifferentiatie. 4.
Voor cliënten, voor wie op 31 december 2019 een termijn voor de verschuldigdheid van de eigen bijdrage voor een voorziening geldt, blijft die termijn ook na 1 januari 2020 van toepassing. Artikel 14.5 Intrekking huidige verordening Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de WMO-verordening Zoetermeer 2013 ingetrokken met dien verstande dat besluiten welke zijn genomen op grond van de WMO-verordening Zoetermeer 2013 en hieraan voorafgaande verordeningen met de daarbij behorende rechten en plichten in stand blijven, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het toekenningsbesluit van de individuele voorziening wordt ingetrokken. Artikel 14.6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Wmo-verordening Zoetermeer 2015. Artikel 14.7 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zoetermeer op 13 oktober 2014. de griffier,
de voorzitter,
drs. K. Bolt
Ch.B. Aptroot
22