Bijlage 1 - Bestemmingsplan toelichting
Tekst van het document
4.2.1
Wegverkeerslawaai
Aangezien de beoogde woningen in de geluidzones van de Meerzichtlaan en het Zalkerbos zijn gelegen dient de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling ten gevolge van wegverkeerslawaai conform de Wet geluidhinder inzichtelijk gemaakt te worden. Door Peutz is hiertoe akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 5. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai ter plaatse van de beoogde woningen wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.
Er treden ten gevolge van wegverkeer over de Meerzichtlaan ter plaatse van de gevels van de beoogde woning geluidbelastingen op tot ten hoogste 51 dB (inclusief aftrek conform artikel 110 g Wgh). Er dienen daarom hogere waarden vastgesteld te worden. Alvorens het college van burgemeester en wethouders hogere waarden kunnen verlenen, is eerst onderzocht of door het treffen van stedenbouwkundige maatregelen (indeling bouwplan, situering geluidgevoelige bestemmingen), bron- of overdrachtsmaatregelen, dan wel (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan.
Geconcludeerd wordt dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende effectief blijken te zijn om de geluidbelasting vanwege wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde te beperken. Vervolgens zijn voorzieningen aan of in de woningen beschouwd. In voorliggende situatie is sprake van een woningbouwontwikkeling op een binnenstedelijke locatie, waarvoor in het gemeentelijke beleid meer flexibiliteit wordt gegeven. Er is sprake van 37 woningen die voorzien zijn van een geluidluwe zijde/buitenruimte en er zijn slechts 9 woningen die hier niet over beschikken. In een dergelijke situatie is een geluidluwe Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 27/51
gevel en buitenruimte niet altijd mogelijk, waardoor het niet in alle gevallen noodzakelijk is om aan deze voorwaarden te voldoen. In de voorliggende situatie wordt dan ook voldaan aan het beleid. Het college heeft op 8 juni 2021 ingestemd met het ontwerpbesluit Hogere waarden geluid. Het ontwerpbesluit is tezamen met het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Er zijn 2 zienswijzen ingediend waarin wordt gerefereerd aa nhet ontwerpbesluit Hogere waarden. Hierop wordt ingegaan in de Nota van Beantwoording zienswijzen. Aangezien indieners geen belanghebbende zijn bij het ontwerpbesluit Hogere waarde is de zienswijze niet ontvankelijk verklaard. Op 26 september 2021 is het besluit Hogere waarden geluid ongewijzigd vastgesteld. Het besluit is bijgevoegd in Bijlage 6. 4.2.2
Industrielawaai
Vanwege de ligging van het nieuwe woongebouw op 11 meter van de grens van de locatie van het tankstation met wasstraat, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 7. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt. Teneinde te kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit zijn maatregelen benodigd. In overleg met de exploitant van het tankstation is gekomen tot een pakket organisatorische en overdrachtsmaatregelen. Dit pakket bestaat uit de volgende maatregelen: - Het is verboden voor vrachtwagens om te tanken bij het tankstation. - Er zal éénrichtingsverkeer gelden op het terrein van het tankstation (de ingang zal gesitueerd zijn aan de Meerzichtlaan en de uitgang aan het Zalkerbos). - Een geluidscherm met een hoogte van minimaal 5 meter zal worden geplaatst op circa 2 meter afstand van pomp 4. - In de nachtperiode zijn enkel pompen 3 en 4 in bedrijf. Aanvullend dient een wijziging in de vergunning van het tankstation te worden aangevraagd zodat (sporadische) piekgeluiden ten gevolge van de tankwagen die de tank bijvult, worden toegestaan. Over de voorgestelde maatregelen kan het volgende worden opgemerkt ten aanzien van de borging ervan. Het maatregelenpakket is besproken en overeengekomen met de exploitant van het tankstation.
-Het vrachtwagenverbod is reeds opgenomen in de exploitatievergunning van het tankstation; -Er zal een verkeersbesluit worden genomen om éénrichtingsverkeer te realiseren ter plaatse van het tankstation. Het gebruik van de nieuwbouw is via een voorwaardelijke verplichting in de planregels gekoppeld aan dit verkeersbesluit. -Er zal een geluidsscherm worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan maakt dit mogelijk en het gebruik van de nieuwbouw is via een voorwaardelijke verplichting in de planregels gekoppeld aan de realisering van het geluidsscherm. -Via de exploitatievergunning wordt opgenomen dat in de nachtperiode enkel pompen 3 en 4 in bedrijf zijn. Tevens wordt in het bestemmingsplan het gebruik van de nieuwbouw via een voorwaardelijke verplichting in de planregels gekoppeld aan de nieuwe exploitatievergunning. Met bovenstaande maatregelen wordt ter plaatse van de appartementen van het woongebouw voldaan aan de geluidgrenswaarden voor zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus. Aanvullend wordt geconcludeerd dat met de voorgenomen maatregelen en een standaard Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 28/51
gevelopbouw een goed akoestisch binnenklimaat wordt gewaarborgd. 4.2.3
Luchtvaartlawaai
Zoetermeer ligt niet binnen een zone van een vliegveld. 4.2.4
Railverkeerslawaai
Het plangebied ligt niet binnen een spoorzone.
4.3
Bodemkwaliteit
Mede ter beoordeling van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, is inzicht vereist in de kwaliteit van de bodem. Omdat de bodemkwaliteit medebepalend is voor de vraag welke nieuwe functies in een gebied realiseerbaar zijn, is onderzoek naar eventuele beperkingen aan het bodemgebruik noodzakelijk. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een bodemonderzoek verricht te worden, dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande toestand, en of deze aansluit bij de toekomstige toestand. Op sterk verontreinigde grond zijn er beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Op grond van artikel 8 van de Woningwet dient te worden voorkomen dat er gebouwd wordt op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers. Er moet aldus duidelijk rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. 4.3.1
Bodemonderzoek
In het kader van de aanvraag voor omgevingsvergunning is onderzocht of de nieuwe bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. Door IDDS is ten behoeve van de realisatie van woningbouw ter plaatse van het plangebied in augustus 2014 bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 en is bijgevoegd in Bijlage 8. Uit dit onderzoek volgt dat de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft bovendien op 25 oktober 2016 aangegeven dat ter plaatse van het bouwplan geen sprake is van verontreinigde bodem als bedoeld in artikel 2.4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Zoetermeer.
4.3.2
Conclusies
Uit het verkennend bodemonderzoek volgt dat er geen nader bodemonderzoek benodigd is en dat het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling oplevert.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 29/51
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Luchtkwaliteitseisen
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'in betekende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van ‘in betekenende mate’ projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is een anti-cumulatieartikel opgenomen. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Deze maatregelen, zowel rijksmaatregelen als lokale, meer gebiedsgerichte, maatregelen, moeten leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit waardoor de 'in betekenende mate' ontwikkelingen alsnog doorgang kunnen vinden.
Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL. 4.4.2
Luchtkwaliteitsonderzoek
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een appartementengebouw op een locatie alwaar thans een autobedrijf gesitueerd is. De huidige situatie kent hiermee reeds een verkeersaantrekkende werking.
Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit te bepalen dient de verkeersaantrekkende werking van de beoogde functies binnen het plangebied bepaald te Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 30/51
worden. Met behulp van CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling berekend. Uit paragraaf 'Verkeer en parkeren' blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling circa 240 mvt/etmaal bedraagt. Voor ruimtelijke ontwikkelingen kan met behulp van de zogenaamde NIBM-tool eenvoudig worden berekend of de bijdrage van (het verkeer van en naar) het plan als NIBM kan worden aangemerkt (dat wil zeggen minder dan 3% van de grenswaarde bijdraagt, dus minder dan 1,2 µg/m3). Met behulp van de NIBM-tool is beoordeeld of de beoogde ontwikkeling al dan niet tot een 'in betekende mate'- bijdrage aan de luchtkwaliteit leidt. Er is uitgegaan van de Worst-case benadering waarbij de huidige situatie buiten beschouwing is gelaten.
Figuur 8 Uitsnede NIBM-tool.
Figuur 8 geeft de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weer, waaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties van de luchtkwaliteit bepalende verbindingen in de omgeving van het plangebied. Zoals aangegeven is bovendien sprake van een worst-case benadering. De werkelijke impact zal lager liggen vanwege het wegvallen van de huidige verkeersgeneratie.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn echter wel de heersende generieke achtergrondconcentraties van PM10, PM2,5 en NO2 inzichtelijk gemaakt. Ter hoogte van het plangebied was in 2016 (conform de GCN-kaarten – gegevens 2017 – van het RIVM) sprake van een generieke achtergrondconcentratie van 19,5 µg/m3 voor PM10, 11,6 µg/m3 voor PM2,5 en 24,6 µg/m3 voor NO2. In 2020 zal naar verwachting sprake zijn van een generieke achtergrondconcentratie van 20,1 µg/m3 voor PM 10, 11,9 µg/m3 voor PM2,5 en 20,6 µg/m3 voor NO2. 4.4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek is derhalve dan ook niet benodigd om een goed woon- en leefklimaat aan te tonen.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 31/51
4.5
Water
4.5.1
Wettelijk kader
Europees beleid In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water vastgesteld met als doel het bereiken van een goede toestand in de wateren in de gemeenschap en het bijdragen aan de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van een goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water. Verder is het doel van de Grondwaterrichtlijn het vaststellen van specifieke maatregelen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreinigingen vastgesteld als bedoeld in artikel 17 van de KRW. Dit betekent dat de interne samenhang tussen oppervlaktewater en grondwater, zowel waar het kwaliteitsals kwantiteitsaspecten betreft, als uitgangspunten genomen worden. Daarnaast betekent de integrale benadering dat diverse beleidsterreinen, waaronder de ruimtelijke ordening, door de richtlijn worden bestreken.
Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan is de rijksnota voor het nationale waterbeleid en wordt op basis van de Waterwet eens per 6 jaar opgesteld. In het Nationaal Waterplan, opgesteld in december 2015, zijn de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050 opgenomen. Het Nationaal Waterplan streeft naar het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Waterschapsbeleid Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. In de Keur van Rijnland (2015) zijn de regels vastgesteld over wat bewoners en bedrijven wel en niet mogen met betrekking tot het water. Hierin zijn regels opgesteld voor het water, dijken, gemalen etc. die ertoe dienen om het watersysteem schoon en veilig te houden. Bij de Keur van Rijnland horen 25 Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden die bewoners en bedrijven willen uitvoeren bij water en dijken.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 32/51
4.5.2
Beoordeling
Op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap Rijnland moeten bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten (grotere aan- en afvoer van water) te voorkomen. Doel van deze uitvoeringsregel is het beperken van de versnelde lozing van hemelwater als gevolg van uitbreiding van verhard oppervlak. Indien het grotere verhardingen betreft, kan dit tot gevolg hebben dat de capaciteit van de ontvangende oppervlaktewaterlichamen overbenut wordt, hetgeen wateroverlast tot gevolg kan hebben. Om te voorkomen dat individuen bij de realisatie van iedere kleine voorziening maatregelen moeten treffen, is een ondergrens ingesteld. Bij kleine uitbreidingen van het verharde oppervlak tot 500 m2 zal ook sprake zijn van versnelde afvoer van neerslag. In beginsel zullen de negatieve effecten van dergelijke verhardingen echter zeer beperkt zijn. De beoogde ontwikkeling heeft geen toename aan verhard oppervlak tot gevolg. Ter plaatse van het plangebied bevindt zich thans een autobedrijf en is het gehele terrein volledig verhard. Derhalve is geen sprake van een relevante impact op het watersysteem.
Figuur 9 Uitsnede legger waterkeringen.
Bovendien zijn er verder geen belangrijke onderdelen van het watersysteem nabij het plangebied gelegen. De beoogde ontwikkeling heeft in zijn geheel een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De beoogde ontwikkeling heeft aldus geen verslechtering van het watersysteem als gevolg. De beoogde ontwikkeling zal worden aangesloten op het bestaande gescheiden hemelwater- en vuilwaterrioolstelsel.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 33/51
4.5.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op het lokale watersysteem, aangezien het plangebied in de huidige situatie reeds volledig is verhard. De waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid in de omgeving blijven gewaarborgd.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
4.6.1
Begrip milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. 4.6.2
VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 34/51
4.6.3
Milieuzonering in het plan
Het gebied ter plaatse van de ontwikkellocatie kenmerkt zich als een gebied met een matige functiemenging. De locatie ligt op de rand van een woonwijk nabij de drukke wijkontsluitingsweg Meerzichtlaan. Tevens ligt naast de ontwikkellocatie een tankstation met wasstraat, een sportschool en een onderwijslocatie. Dat betekent dat kan worden uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied.
Aan de hand hiervan kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. De inpasbaarheid van woningen in de omgeving is hierbij beoordeeld op basis van de maximaal planologische mogelijkheden conform het bestemmingsplan. Indien niet aan richtafstanden wordt voldaan komt pas een beoordeling op basis van de feitelijke situatie aan bod.
Maximale planologische mogelijkheden In de omgeving van het plangebied bevinden zich hoofdzakelijk woningen, maar er zijn ook een aantal bedrijven gesitueerd. Conform het vigerende bestemmingsplan 'Meerzicht-Westerpark' kent het perceel ten westen van het plangebied de bestemming 'Bedrijf' en het ten oosten gelegen perceel de bestemming 'Gemengd 1'. Ter plaatse van deze percelen zijn bedrijfsactiviteiten behorend tot maximaal milieucategorie 2 toegestaan. In gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter. Tevens zijn ten noorden van het plangebied conform het bestemmingsplan 'Voorweggebied 2001' onderwijsdoeleinden en sociaal-medische doeleinden toegestaan. Deze bedrijfsactiviteiten behoren eveneens maximaal tot milieucategorie 2 toegestaan. Voor deze activiteiten geldt aldus eveneens een richtafstand van 10 meter. In figuur 10 worden de maximaal toegestane milieucategorieën voor de omliggende percelen conform de vigerende bestemmingsplannen 'Meerzicht-Westerpark' en 'Voorweggebied 2001' weergegeven. Tevens worden de van toepassing zijnde richtafstanden in deze figuur weergeven.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 35/51
Figuur 10 Richtafstanden omliggende bedrijfsactiviteiten.
Hieruit volgt dat enkel voor het ten oosten gelegen bedrijfsperceel niet aan de geldende richtafstand wordt voldaan. Er is sprake van een beperkte overschrijding van de richtafstand. Dit vraagt aldus om een verdere beoordeling waarbij de feitelijke situatie wordt beschouwd. Ter plaatse van het perceel waarvoor niet aan de richtafstand wordt voldaan bevindt zich de schermschool 'Kardolus'. De bedrijfsactiviteiten van de schermschool vinden voornamelijk inpandig plaats. Bovendien bevindt het parkeerterrein van de schermschool zich aan de oostzijde van het perceel en is aldus niet richting de beoogde woningen georiënteerd. Tevens zijn er reeds bestaande woningen op kortere afstand van de schermschool gesitueerd dan de beoogde ontwikkeling.
Aan de westzijde van het plangebied is aan het Zalkerbos 1 het onbemande tankstation en carwash "Berkman" gelegen. Dit was- en tankstation bevindt zich op circa 11 meter afstand. In de voorliggende situatie wordt aan de richtafstand van 10 meter conform de VNG-publicatie tot de perceelgrens van het tankstation voldaan. Desalniettemin vraagt het tankstation in het kader van een goede ruimtelijke ordening om een nadere beschouwing. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn immers richtafstanden, waarmee het voorkomen van (geluid)hinder niet geheel kan worden uitgesloten wanneer aan deze richtafstanden wordt voldaan. Ter plaatse van het tankstation wordt benzine en diesel afgeleverd. Van het afleveren van LPG, LNG en waterstof is geen sprake. Voor tankstations zonder LPG geldt geen minimale afstandseis tot externe (beperkt) kwetsbare objecten. Wel geldt de vergunningplicht voor onbemande tankstations met een (beperkt) kwetsbaar object binnen 20 meter van de afleverzuil. Dit blijkt uit categorie 5.4 onder e van Bijlage I van het Bor. In de huidige situatie is sprake van de aanwezigheid van bedrijfsbebouwing op minder dan 20 meter afstand van de afleverzuilen, te weten het autobedrijf ter plaatse van het plangebied. Door de sloop van het autobedrijf vervalt de vergunningplicht voor het onbemande tankstation.
De beoogde woningen zijn namelijk op (net) meer dan 20 meter afstand van de afleverzuil geprojecteerd. Hiermee valt het onbemand tankstation onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. De geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit zijn hiermee dan ook van toepassing in de voorliggende situatie. Conform opgave van de Omgevingsdienst Haaglanden is/zal geen sprake van maatwerkvoorschriften Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 36/51
(zijn). Hierbij geldt een grenswaarde van 50 dB(A) ter plaatse van de meest nabijgelegen (geprojecteerde) woningen. In de voorliggende situatie zijn reeds woningen op korte afstand van het onbemand tankstation gelegen. De meest nabijgelegen woonbestemmingen bevinden zich aan het Starrebos op een afstand van circa 5 meter van het tankstation. Deze woningen bevinden zich op kortere afstand tot het tankstation dan de beoogde woningen.
Door Peutz zal hiertoe akoestisch onderzoek uitgevoerd worden naar het geluid ten gevolge van het was- en tankstation ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen. Naar verwachting zal sprake zijn van een inpasbare situatie. Bovendien zal teneinde het realiseren van een goed woon- en leefklimaat aandacht worden besteed aan de geluidwering van de gevels, zodat een goed akoestisch binnenniveau wordt gewaarborgd.
Gezien voorgaande zal naar verwachting sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.
4.7
Externe Veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag, en vervoer van gevaarlijke stoffen (zoals vuurwerk, lpg, en munitie) over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Op grond van het Bevi zijn in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) voor dergelijke bedrijven vaste veiligheidsafstanden opgenomen. 4.7.1
Algemeen
Het voornemen omvat de realisatie van woningen. Dat zijn kwetsbare objecten, zoals gedefinieerd in wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Ter bescherming van kwetsbare objecten moet er een bepaalde afstand aanwezig zijn ten opzichte van risicobronnen. Gemeenten moeten hier rekening mee houden in hun ruimtelijk beleid.
Vanwege de realisatie van kwetsbare objecten dienen risicovolle activiteiten in de nabije omgeving van het plangebied te worden geïnventariseerd. Over de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen geeft de risicokaart informatie, zie figuur 11.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 37/51
Figuur 11 Uitsnede Risicokaart.
In het kader van de externe veiligheid is in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd. Dit betreft de volgende risicobronnen: 1.
Transport van gevaarlijke stoffen over de A12;
2.
Aardgasbuisleiding W-514-19 en gasontvangststation;
3.
Ammoniakinstallatie SnowWorld Zoetermeer;
4.
LPG Tankstation Garage de brug aan de Voorweg 208.
4.7.2
Transport gevaarlijke stoffen
Alle rijkswegen en de meeste provinciale wegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd. De gemeente Zoetermeer heeft een dergelijke route gevaarlijke stoffen niet vastgesteld wat tot gevolg heeft dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in principe altijd via de snelste weg moet plaatsvinden. Op circa 1,2 kilometer afstand van het plangebied bevindt zich de A12, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conform de risicokaart ligt het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar op 0 meter. Aangezien de beoogde ontwikkeling op meer dan 200 meter afstand van deze weg is gelegen dienen de externe veiligheidsrisico's niet nader inzichtelijk gemaakt te worden. Over de A12 worden brandbare gassen (categorie GF3) vervoerd, welke een invloedsgebied van 355 meter kennen. Tevens worden er brandbare en toxische vloeistoffen (categorie LF1, LF2, LT1 en LT2) getransporteerd over de A12. Deze stoffen kennen allen een invloedsgebied kleiner dan 880 meter. De A12 vormt aldus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 38/51
4.7.3
Buisleidingen
In de omgeving van het plangebied bevindt zich de aardgasbuisleiding met kenmerk W-514-19. Voor deze aardgasbuisleiding geldt een inventarisatieafstand van 95 meter. Deze aardgasbuisleiding is op circa 630 meter afstand gelegen, waardoor een verdere beschouwing van de externe veiligheidsrisico's niet aan de orde is. Tevens bevindt zich een gasontvangststation aan de Amerikaweg 40. Dit is geen inrichting in het kader van het Bevi, echter gelden hiervoor conform het Activiteitenbesluit veiligheidsafstanden tot buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Voor het gasontvangststation geldt een afstand van 15 of 25 meter, afhankelijk van het volume aardgas, tot kwetsbare objecten. Aangezien dit station op circa 630 meter afstand is gelegen vormt dit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7.4
Ammoniakinstallatie Snowworld
Op circa 1,2 kilometer afstand bevindt zich een ammoniakkoelinstallatie. Dit betreft een ammoniakinstallatie van SnowWorld Zoetermeer en is geen risicovolle inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar van deze ammoniakkoelinstallatie ligt op 0 meter en vormt aldus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7.5
LPG tankstation Voorweg
Het LPG-tankstation aan de Voorweg 208 is op een afstand van circa 650 meter tot het plangebied gelegen. Het tankstation kent een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar volgt uit de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en is niet gelegen in het plangebied. Voor respectievelijk het vulpunt, het ondergronds reservoir en de afleverzuil bedraagt deze afstand 40 meter, 25 meter en 15 meter. Het LPG-tankstation vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Uit de risicokaart volgt dat er verder in de nabije omgeving van het plangebied geen relevante risicobronnen zijn gelegen. Geconcludeerd kan worden dat de voornoemde risicobronnen op een dusdanige afstand zijn gelegen dat dit geen belemmering oplevert voor de beoogde ontwikkeling.
Tevens wordt opgemerkt dat zich aan de westzijde van de beoogde ontwikkeling een onbemand tankstation bevindt. Ter plaatse van het tankstation wordt benzine en diesel afgeleverd. Van het afleveren van LPG is geen sprake. Voor tankstations zonder LPG geldt geen minimale afstandseis tot externe (beperkt) kwetsbare objecten. Wel is een onbemand tankstation vergunningplichtig, conform categorie 5.4 onder e van Bijlage I van het Bor, indien er zich een (beperkt) kwetsbaar object binnen 20 meter van de afleverzuil bevindt. In de huidige situatie is sprake van de aanwezigheid van bedrijfsbebouwing op minder dan 20 meter afstand van de afleverzuilen. Dit betreft het autobedrijf ter plaatse van het plangebied. Het tankstation is in de huidige situatie aldus reeds vergunningplichtig. Door de sloop van het autobedrijf zal de vergunningplicht van het tankstation komen te vervallen. De beoogde woningen zijn namelijk op meer dan 20 meter van de afleverzuil geprojecteerd. Aangezien de afstand tussen de afleverzuil en de beoogde woningen meer dan 20 meter bedraagt is er sprake van een acceptabel en voldoende veilige situatie.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 39/51
4.7.6
Conclusie
Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Natuurwaarden
4.8.1
Wet Natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet heeft 3 wetten samengevoegd: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Door hier één wet van te maken wordt deze makkelijker en duidelijker om toe te passen. Voor eenvoudige activiteiten (bijvoorbeeld reguliere onderhoudswerkzaamheden) is er voortaan een meldplicht. Voor activiteiten waar een omgevingsvergunning nodig blijft, moet die binnen 13 weken worden gegeven. Bovendien bepalen vanaf 1 januari 2017 de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen.
Veel verschillende planten- en dierensoorten zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en steenuilen zijn kwetsbaar, goede natuurbescherming is daarom belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. In de Wet natuurbescherming is sprake van een brede soortenbescherming van dieren en planten, ook buiten de aangemelde beschermingszones. Er geldt een algemene zorgplicht voor alle planten- en dierensoorten. Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of bij een plan tot afwijking van het bestemmingsplan dient eerst onderzoek verricht te worden naar het effect van de ontwikkeling op beschermde flora en fauna. Hierbij wordt onderzocht welke soorten dieren en planten aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer planten- en dierensoorten, dan wel hun nesten of rustplaatsen worden aangetast kan ontheffing aangevraagd worden conform artikel 3 van de Wet natuurbescherming. In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kan er ook vrijstelling verleend worden.
Natura 2000-gebieden Specifieke gebieden, genaamd Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van Europese richtlijnen. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur is een vergunning nodig. De beoogde ontwikkeling ligt echter niet in of nabij een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is De Wilck, gelegen op ca 7,5 km afstand.
Ecologische hoofdstructuur Gebieden behorend tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) worden beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening. Het rijksbeleid ten aanzien van de begrenzing en de bescherming van het NNN is vastgelegd in de Nota Ruimte. De beoogde ontwikkeling ligt niet in een gebied dat is aangewezen als beschermd gebied.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 40/51
4.8.2
Beoordeling
Het plangebied ligt op circa 7,5 kilometer van het Natura 2000-gebied De Wilck. Het plangebied ligt tevens niet in de nabijheid van het NNN. Op een dergelijke afstand kan alleen het aspect stikstofdepositie nog om aandacht vragen. Het meest nabijgelegen voor stikstof gevoelig natuurgebied betreft het gebied 'Meijendel & Berkheide' en is op meer dan 10 kilometer afstand gelegen. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet op aardgas zal worden aangesloten wordt de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling in hoofdzaak gevormd door de emissie van gemotoriseerd verkeer van en naar de beoogde ontwikkeling. Daarom is een onderzoek naar de stikstofdepostie uitgevoerd door bureau Peutz. Voor de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 9. Uit het onderzoek blijkt dat de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling niet tot negatieve effecten zal leiden.
De beoogde ontwikkeling kan echter wel tot verstoring van de lokale flora en fauna leiden. Om de betekenis van het plangebied voor flora en fauna te bepalen is in 2018 een quick scan flora & fauna uitgevoerd door Bureau Waardenburg. Deze quick scan is als Bijlage 10 opgenomen bij deze toelichting. Uit dit onderzoek volgt dat het plangebied geen betekenis heeft voor vleermuizen en vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Wel heeft het pand mogelijk een functie als nestplaats voor algemene soorten zoals de zilvermeeuw. Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, wordt overtreding van verbodsbepalingen voorkomen en is ontheffing niet nodig.
Het plangebied heeft geen betekenis voor andere beschermde dieren- en plantensoorten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig voor de beoogde ontwikkeling. Wel dient opgemerkt te worden dat voor algemene soorten de zorgplicht geldt. Bovendien moet het vernietigen van nesten van algemeen voorkomende vogels die in gebruik zijn en het verstoren van in gebruik zijnde nesten hierbij worden voorkomen.
4.8.3
Conclusie
Het aspect ecologie levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Duurzame verstedelijking
4.9.1
Wettelijk kader
Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen dient volgens provinciaal en Rijksbeleid te worden aangetoond dat er behoefte bestaat aan de beoogde ontwikkeling, oftewel de 'Ladder' dient te worden doorlopen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Voor situaties waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen de volgende twee stappen doorlopen te worden: 1.
beschrijving/beoordeling van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt;
2.
indien de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 41/51
ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. In het kader van uitvoerbaarheid moet daarom aandacht worden besteed aan de behoefte aan het plan. 4.9.2
Beoordeling
Voordat wordt getoetst aan de Ladder, dient te worden vastgesteld of het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van meer dan 11 woningen ten opzichte van de planologische mogelijkheden, wat conform jurisprudentie als ondergrens voor de definitie van nieuwe stedelijke ontwikkeling geldt. Thans is ter plaatse van het plan bedrijvigheid toegestaan. Onderstaand worden daarom de stappen van de Ladder doorlopen voor de beoogde ontwikkeling. Beschrijving/beoordeling van de behoefte Tot en met 2020 wil de regio Haaglanden jaarlijks tenminste 5.000 kwalitatief hoogwaardige woningen aan de woningvoorraad toevoegen. In de regio is daarom zeker een vraag naar nieuwe woningen. In de woonvisie Zoetermeer wordt bovendien opgenomen dat de woningvoorraad in Zoetermeer thans zeer eenzijdig is. De voorraad is hoofdzakelijk afgestemd op gezinnen met kinderen en te weinig op jongeren en ouderen. Deze huishoudens zijn vaak kleiner, wat tevens gepaard gaat met andere woonwensen. De beoogde ontwikkeling, welke voorziet in appartementen, is uitermate geschikt voor deze doelgroepen.
Onderzoeksbureau Fakton heeft in opdracht van de gemeente Zoetermeer de omvang van de vraag naar nieuwe woningen in Zoetermeer in beeld gebracht (10 juni 2016). Aan de hand van de demografische ontwikkelingen, een analyse van de bestaande woonvoorraad en de verhuisbewegingen komt uit het onderzoek van Fakton naar voren dat de lokale vraag naar nieuwe woningen in Zoetermeer de komende jaren per jaar gemiddeld ongeveer 700 woningen zal bedragen. Door de realisatie van de beoogde woningen wordt voorzien in de toenemende vraag naar woningen in Zoetermeer.
Bovendien is in het woningbouwprogramma van Haaglanden opgenomen dat kleine binnenstedelijke plannen bij voorbaat als regionaal afgestemd mogen worden beschouwd. Dit betreft kleinschalige ontwikkelingen van maximaal 50 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Aangezien de beoogde ontwikkeling de realisatie van 46 appartementen binnen bestaand stedelijk gebied betreft kan deze ontwikkeling als regionaal afgestemd worden beschouwd.
Ontwikkeling binnen/buiten bestaand stedelijk gebied De locatie bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied. 4.9.3
Conclusie
Er kan gesteld worden dat er een behoefte is aan nieuwe woningen binnen de gemeente Zoetermeer. Aangezien deze behoefte kan worden opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 42/51
4.10
Bezonning
4.10.1 Algemeen De realisatie van hoogbouw kan gevolgen hebben voor de schaduwwerking in de omgeving. Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Wel bestaan er de zogenaamde 'lichte' en 'strenge' TNO-norm voor bezonning van woonkamers. Deze vinden hun oorsprong in het woonwaarderingsstelsel uit 1962. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van een voldoende bezonning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober (gedurende 8 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Volgens de strenge TNO-norm is er sprake van een goede bezonning bij tenminste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari t/m tot 22 november (gedurende 10 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. De gemeente Zoetermeer conformeert zich aan de TNO-normen om te bepalen of al dan niet sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing op dit aspect. 4.10.2 Beoordeling Om te bepalen of het bouwplan voldoet aan de TNO-normen is een bezonningsonderzoek uitgevoerd door Peutz. De 2 onderzoeken zijn bijgevoegd als Bijlage 11 en Bijlage 12.
De TNO-normen voor bezonning van woonkamers zijn algemeen geaccepteerd en worden door veel gementen gehanteerd bij de vraag of al dan niet sprake is van goede ruimtelijke ordening. In figuur 12 wordt de bezonning in de omgeving op een divers aantal toetsingsmomenten weergegeven.
figuur 12. Bezonning omgeving op diverse tijdstippen.
Uit het bezonningsonderzoek volgt dat de beoogde ontwikkeling slechts een beperkte invloed Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 43/51
heeft op de bezonning in de omgeving. Ten noorden van de beoogde ontwikkeling zijn geen woningen gelegen die in de schaduw van de beoogde bebouwing zijn gesitueerd. Van belang is de schaduwwerking in de avond ter plaatse van de eengezinswoningen aan het Speulderbos en de lage galerijflat aan het Vreebos. Tussen half september en eind maart is de zon al onder voordat de slagschaduw de eerste woningen aan het Speulderbos (nr 2-4-6-8) raakt. Op 21 juni werpt de beoogde ontwikkeling in de avond ongeveer 1,5 uur lang een schaduw op één punt van de voorgevel van Speulderbos 2 (van 2,5 uur tot 1 uur vóór zonsondergang). In figuur 13 wordt de bezonningssituatie in de avonduren ter plaatse van deze woning weergeven.
Figuur 13. Bezonning in avonduren ter plaatse van nabijgelegen woningen
Uit het onderzoek volgt dat de beoogde ontwikkeling voor slechts een beperkt deel van de avond tot meer schaduw leidt ter plaatse van de nabijgelegen woningen. Aan de strenge TNO norm wordt voldaan. 4.10.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot een onacceptabele schaduwwerking in de omgeving van de beoogde bebouwing. Er resteert meer dan 3 uur mogelijke bezonningsuren per dag op de gevel van omliggende woningen. Het aspect bezonning levert hiermee geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Klimaatadaptief bouwen
4.11.1 Algemeen Zoetermeer heeft zich geconformeerd aan het Convenant klimaatadaptief bouwen. Hierbij is een programma van eisen geformuleerd, dat de ambitie duidelijk weergeeft. De onderwerpen worden verdeeld in het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte, bodemdaling, en het vergroten van biodiversiteit. Per onderwerp is bekeken welke maatregelen in de planontwikkeling meegenomen kunnen worden om klimaatadaptief bouwen in het ontwerp waar te maken. In het rapport van Wiebenga Architecten, d.d. 21 april 2021, zie Bijlage 13 worden de maatregelen besproken.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 44/51
De belangrijkste maatregelen die in het plan worden toegepast zijn: - het toepassen van zonnepanelen op het dak; - zorgen voor een vertraagde waterafvoer; - het aanplanten van nieuwe bomen en struiken op het terrein; - het toepassen van halfverharding (grastegels) voor het parkeerterrein; - het opnemen van nestgelegenheden voor vogels/vleermuizen in de gevels van het nieuwe gebouw; - het toepassen van warmtewerende beglazing. 4.11.2 Conclusie Met het toepassen van deze maatregelen wordt voldoende tegemoet gekomen aan de ambitie uit het Convenant Klimaatbestendig bouwen.
4.12
Wind
4.12.1 Algemeen Voor het project ‘Ikaros’ te Zoetermeer is een verkennende Windhinderstudie uitgevoerd. Met de verkennende windhinderstudie wordt een indruk gegeven van de te verwachte windhinder voor de gebruikers van de voetpaden en fietspaden (openbaar gebied) en voor de bezoekers aan het gebouw (privaat gebied). De Windhinderstudie d.d. 26 april 2021, uitgevoerd door Blonk Advies BV, treft u aan in Bijlage 14 bij deze plantoelichting. De verkennende Windhinderstudie is geen windtunnelonderzoek of CFD-berekening conform de NEN 8100. Op basis van een theoretische beoordeling wordt een goede inschatting gemaakt waar en in welke mate er windhinder kan ontstaan. Tevens wordt aan de hand van de resultaten maatregelen voorgesteld die het windklimaat op de kritieke locaties verbeteren. 4.12.2 Conclusie In de studie wordt uitgegaan van de belangrijkste overheersende windrichtingen uit West/Zuidwest, Zuid/Zuidwest en West. Uit de studie blijkt dat door het bouwplan aan de noordwestzijde van het gebouw het windklimaat op de voet- en fietspaden ter plaatse negatief wordt beïnvloed. Er zal geen 'windgevaar' optreden, maar wel een 'beperkt risico' conform de definitie uit de NEN 8100.
Voorgesteld wordt daarom om de windhinder op de voet- en fietspaden te beperken door een groenblijvende haag/schutting te plaatsen van 2 m hoog zoals aangegeven in de studie en de gevelopening in de loggia dicht te zetten (verglazen). Zie figuur 3.4.4 en figuur 3.4.5 in de Windhinderstudie. Opgemerkt wordt dat de gesitueerde bomen voor de noordwestgevel ook een vermindering geven van de windhinder. De voorgestelde maatregelen verbeteren ook het windklimaat ter plaatse van de hoofdentree.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 45/51
Hoofdstuk 5
Juridische vormgeving
5.1
Inleidende regels
5.1.1
Begrippen
In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Er wordt verwezen naar de begrippen uit het moederplan "Meerzicht-Westerpark".
5.2
Bestemmingsregels
5.2.1
Bedrijf
Op het bestaande tankstation aan het Zalkerbos in de wijk Meerzicht ligt de bestemming 'Bedrijf'. Binnen deze bestemming is een tankstation (zonder LPG) met een wasserij toegestaan. Tevens is een overkapping tot 8 mt hoog toegestaan binnen het aanduidingsvlak 'overkapping'. Dat blijft zo. In verband met de bouw van een nieuw wooncomplex naast het tankstation zal echter een geluidsscherm worden gerealiseerd onder de overkapping. Dat is al mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan maar voor de zekerheid zal het aanduidingsvlak iets vergroot worden zodat zeker is dat het geluidsscherm binnen het vlak valt.
5.2.2
Verkeer-Verblijfsgebied
De bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' is gelegd op de buurt- en erfontsluitingswegen met de daaraan of daarlangs gelegen paden, woonstraten, parkeervoorzieningen, voorzieningen voor het openbaar vervoer, groen- en waterelementen. Deze wegen zijn uitsluitend van belang voor het buurtverkeer. Verder zijn binnen de ruime begrenzing van de bestemming ook overdekte fietsenstallingen mogelijk en gebouwde nutsvoorzieningen met een beperkte omvang. 5.2.3
Wonen
Binnen de bestemming 'Wonen' mogen uitsluitend woningen worden gebouwd. Een aan huis verbonden bedrijf of beroep is onder voorwaarden toegestaan. Binnen het bouwvlak is een aanduiding 'gestapeld' opgenomen waarmee wordt aangegeven dat uitsluitend gestapelde woningen zijn toegelaten. Binnen het bouwvlak is tevens de maximale bouwhoogte aangegeven, zijnde maximaal 32 mt. Het bouwvlak wordt redelijk strak om de geplande bebouwing gelegd. Daarbuiten ligt geen privegrond die zou kunnen worden gebruikt ten behoeve van de woningen. Er is daarom geen erfbebouwingsregeling opgenomen. In lid 5.3.1 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de ingebruikname van het wooncomplex wordt gekoppeld aan het realiseren van een geluidsscherm ter plaatse van het naastgelegen tankstation. Tevens dient het éénrichtingsverkeer op het naastgelegen terrein van het tankstation én het vrachtwagenverbod te zijn geborgd middels een verkeersbesluit of anderszins en dient te zijn geborgd dat in de nachtperiode (21.00 uur tot 7.00 uur, conform artikel 2.17 lid 4 Activiteitenbesluit en tabel 2.17D Activiteitenbesluit) enkel pomp 3 en 4 in gebruik zijn.
Dit zijn verplichte maatregelen, voortvloeiend uit het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 7 van de toelichting) die moeten worden uitgevoerd om te kunnen voldoen aan de voorwaarden Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 46/51
waaronder het college van B&W het besluit Hogere waarden Geluid heeft genomen.
5.3
Overgangs- en slotregels
5.3.1
Overgangsrecht
Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de bestemming of de of met beide. 5.3.2
Slotregel
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 47/51
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
6.1.1
Grondexploitatie (artikel 6.12 Wro)
Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het onderhavige bestemmingsplan is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien.
In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); 2. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; 3. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijpmaken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. Het verhaal van de kosten is anderszins verzekerd via een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar van de grond. Er is geen noodzaak om locatie-eisen of een fasering vast te stellen. 6.1.2
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de financieel economische uitvoerbaarheid. Door het sluiten van een anterieure overeenkomst zijn gemeentelijke kosten gedekt en zijn de planning en uitvoering vastgelegd. Ten behoeve van het bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. 6.1.3
Planschade
Er is een planschaderisico analyse opgesteld in opdracht van de ontwikkelaar. De conclusie uit dit onderzoek luidt dat mede vanwege de verdwijnende bedrijfsfunctie en de omstandigheid dat het nieuwe appartementengebouw in feite alleen enige invloed heeft op de privacy van de omliggende woningen, maar bijvoorbeeld geen relevante schaduwwerking zal veroorzaken, geen rekening wordt gehouden met een risico op voor vergoeding in aanmerking komend planologisch nadeel. Eventueel gerechtvaardigde planschadeclaims komen voor rekening van de ontwikkelaar.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 48/51
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op 9 januari 2019 heeft het college een Samenspraakbesluit Zalkerbos 1 genomen. Na het samenspraakproces over het concept bouwplan is op 5 maart 2019 het Samenspraakverslag vastgesteld. Het college van B&W heeft op 5 januari 2021 besloten dat er ingestemd kan worden met het voorontwerp bestemmingsplan Zalkerbos 1. Tevens heeft ze ingestemd met het starten van het vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro, het toepassen van de gemeentelijke coördinatieprocedure, het publiceren van de kennisgeving ex art. 1.3.1 Bro waarmee wordt aangekondigd dat een bestemmingsplan wordt voorbereid, dat geen samenspraak op het voorontwerp wordt gehouden en dat de gemeenteraad via een raadsmemo om aandachtspunten wordt gevraagd. In januari 2021 is het verplichte vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro gevoerd over het VO bestemmingsplan met de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap Rijnland, De Gasunie, Tennet, Stedin en de Veiligheidsregio Haaglanden. De geraadpleegde instanties kunnen instemmen met de plannen en hebben geen reacties gegeven die hebben geleid tot wijzigingen in het ontwerp bestemmingsplan. Op 8 juni 2021 heeft het college van B&W ingestemd met het ontwerpbestemmingsplan, het ontwerpbesluit hogere waarden geluid en de ontwerp omgevingsvergunning. Het ontwerpbestemmingsplan is vervolgens ter visie gelegd van 18 juni 2021 tot en met 29 juli 2021.
Er zijn 11 zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze zijn samengevat en beantwoord in de Nota van Beantwoording zienswijzen. Deze is opgenomen in Bijlage 15 van deze plantoelichting. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 49/51
Hoofdstuk 7
Handhaving
Op 9 mei 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota 'Niet alleen Handhaven', Handhavingsbeleid 2011-2014 vastgesteld. Dit beleid ziet onder meer op het handhaven van bestemmingsplannen. Een belangrijk uitgangspunt in dit beleid is de dubbele regelkring. Dit betekent dat er van wordt uitgegaan dat toezicht en handhaving niet alleen wettelijke taken zijn, maar vooral ook instrumenten om beleidsdoelen te realiseren. Voor de handhaving is een prioritering ingevoerd. Daarbij zijn weegfactoren benoemd op basis waarvan de onderwerpen die het belangrijkst worden gevonden, het zwaarst worden gewogen. Fysieke veiligheid geldt als belangrijkste weegfactor. Natuur en duurzaamheid is de minst zware weegfactor. Vervolgens zijn voor de handhaving per taakveld bouwen, milieu en openbare ruimte prioriteiten gesteld. De handhaving van bestemmingsplannen valt onder het taakveld bouwen. Bij elk taakveld is een rangschikking ontstaan van zeer grote risico's naar zaken die nauwelijks risico's in zich herbergen. De prioritering wordt vervolgens in jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma's vertaald naar aandachtsgebieden, bijvoorbeeld extra aandacht voor illegale dakopbouwen, dakkapellen of illegaal gebruik. Handhaving kan plaatsvinden via de publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg.
Het college van Burgemeester en Wethouders is bevoegd om met bestuursrechtelijke sancties op te treden tegen overtredingen van regels van bestemmingsplannen. De bestuursrechtelijke sancties bestaan uit de bestuursdwang en het opleggen van last onder dwangsom. Door middel van het privaatrecht kan de gemeente op indirecte wijze het bestemmingsplan handhaven. Dat kan door gebruikmaking van haar bevoegdheden als eigenaar of van contractuele bevoegdheden. De strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. Overtredingen op grond van bestemmingsplanregels vallen met ingang van 13 september 2004 onder de Wet op de economische delicten. Strafrechtelijk optreden is gewenst bij overtredingen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. De Wet op de economisch delicten biedt verder de mogelijkheid bij het opleggen van de straf rekening te houden met het economisch voordeel dat de overtreder heeft behaald. Ook biedt de wet de mogelijkheid de verplichting op te leggen om op eigen kosten de gevolgen van het delict goed te maken.
Partiële herziening BP Meerzicht/Westerpark voor Zalkerbos 1 versie vastgesteld 50/51